2. Twee ei paaschei.

Venloo:

3. Drie ei is een ei

4. Vier ei is een paaschei.

In vele streken heerscht nog het gebruik--in België, Limburg en

Noord-Brabant op de dorpen zoo goed als algemeen--eieren in te zamelen

voor pastoor en koster, vroeger ook voor den onderwijzer. Plaatselijk,

b.v. te Simpelveld (L.), doen dit de misdienaars; maar veelal heeft de

inzameling reeds op Witten Donderdag of op Goeden Zaterdag plaats. Te

Welle gaat nog telken jare de klokluider-doodgraver om eieren rond. Op

het klokkenluiden ten teeken van dezen rondgang wijst het lied:

Bimbambeieren,

De koster lust geen eieren,

Wat lust hij dan?

Spek in de pan,

Met een roggen boterham.

Ook gaan de kinderen wel voor hen zelf om eieren rond, en zingen dan:

Antwerpen:

Vrouw, vrouw geeft ons een ei,

Die de zwarte hinne lei!

Zijn ze zwart of zijn ze rood,

Daarom leggen zij te nood; enz.

Haaren (N.-B.):

Vrouwke, vrouwke, doe uw best,

Haal de eikes uit het nest

Van die witte hennen,

God zal ze kennen.

Een ei is geen ei,

De tweede is een half ei,

De driede is een paaschei.

Van die wit en van die zwart,

Geef van elk henneke wat.

Het paaschei is het zinnebeeld van het jeugdig-ontkiemende leven, het

symbool van de vruchtbaarheid, zooals uit de vergelijking met andere

volksgebruiken, zoo b.v. het ei aan den Meiboom en de Laatste Schoof

duidelijk blijkt. Daarom vindt men het ei ook wel in graven; zoo werden

b.v. in 1892 geverfde eieren gevonden bij Worms in een steenen graf,

dat een meisjesskelet en munten uit 320 v. Chr. bevatte. Maar het

ei heeft christelijke beteekenis erlangd en werd beschouwd als het

symbool der Verrijzenis, vanwaar het zegenen van eieren, dat reeds

voor de IVe eeuw bewijsbaar is. Hierbij komt de groote ekonomische

beteekenis der eieren als voedingsmiddel voor een eenvoudig gezin

voor dezen tijd van het jaar, waarop het inzamelen van eieren, dat

vroeger zeer zeker meer algemeen was, schijnt te wijzen.

Te vermelden vallen nog de paaschvuren, waarbij de teerton plaatselijk

onmisbaar schijnt: lentevuren, die vruchtbaarheid brengen over de

velden en stallen, en die vreugdevuren werden of ook zuiveringsvuren

in christelijken zin, want het volk spreekt dichterlijk van het

"doornenkroon verbranden". Van Geldersche, Limburgsche en Brabantsche

dorpen, waar men paaschvuren brandt, noem ik b.v. Reek, Beers, Velp,

Ewijk, Afferden. Ook in het Zutfensche, op de Veluwe, in Overijssel

en Drente zijn de overoude paaschvuren nog in eere, Te Dwftigeloo

wordt bij het ophalen der brandstof gezongen:

Heb ie ook 'en olde mande,

Die wie tot Paeschen brande?

Heb ie ook 'en bossien riet?

Oare hebben wie veur 't paaschvuur niet.

Te Gorssel zingt men bij het paaschvuur dit rijmpje:

Hei in de Mei,

En de muts op zij!

Van linksum

Van rechtsum,

En keer oe weer um.

Op Texel:

Hooi, heb-je geen strooi,

Heb-je geen oude manden?

Die zullen in de meierblits branden,

Hekken en stekken, joten en palen,

Als je niet komt, dan zullen we je halen.

Boer, wil-je het laten staan,

Hekken en stekken an enden slaan.

Laat ik nog met name de plaatsen Lochem, Barchem, Zwiep en Vorden

vermelden. Ook te Nes op Ameland, bij de katholieke kerk, wordt het

paaschvuur gebrand. Van het Vordensche geeft Prof. Gallée ons in de

Driem. Bladen I, bl. 24 ongeveer de volgende beschrijving. In een

weide was een groote stapel takkeboomen gevlijd op dikke blokken,

met een paal in het midden. Boven op den paal was een rad, met een

palmpaasch. De takkebossen werden aangestoken met een brandend stuk

hout, dat uit den haard was gehaald. Als de stapel brandde, werd

een groote rondedans hand aan hand om het vuur gehouden, drie maal

rechtsom en driemaal linksom. Hierbij werden liederen gezongen als:

Hei Koerei, hei Koerei,

Eén ei is geen ei,

Twee ei is 'n halfei,

Drie ei is 'n paaschei.

Dan:

Lange, lange riêge,

Twintig is en stiège,

Dartig is en rozenkrans,

Veertig is de poppendans; enz.

Na den reidans kreeg ieder een brandend stuk hout in de hand en

al zingend liep men met het hout in de rechterhand, die naar het

vuur gekeerd was, en daarna omgekeerd in de linkerhand, om het vuur

heen. Daarna werden de stukken hout op den hoop geworpen. Was alles

verbrand, dan kreeg ieder, die maar wilde, een stuk verkoold hout. Dit

is natuurlijk onheilwerend en vruchtbaarheidverleenend.

Wij hebben hier het lentevuur in een zeer oorspronkelijken vorm;

vooral de rondedans om het vuur, waarbij eigenlijk nog behoort een

reinigend _springen_ over het vuur, vgl. bl. 105. Het brandend _rad_,

dat elders bij de lentevuren een zoo voorname rol speelt, zou men

met Mogk als een zonnesymbool kunnen beschouwen; het _Hei Koerei_

of _Eikoerei_ herinnert, zooals gezegd (bl. 176), aan de verbinding

van volksgebruik en eeredienst. Dit wordt bevestigd door een oud

Amsterdamsch paaschavonddeuntje:

De dommele metten [donkere metten]

De Vaste is uyt!

Kyrie eleison!

Te Paschen zullen wij eieren eten,

Soo is de Vaste al vergeten.

Kyrie eleison!

Met deze paaschvuren hangen als herinneringen aan overoude

offermaaltijden samen de _paaschbrooden, paaschmikken_ (Den Bosch),

_paaschlammetjes_ enz. In België is het paaschbrood meestal in onbruik

geraakt, terwijl dit in het Noorden van ons volksgebied juist tot de

schaarsche overblijfsels der voormalige feestviering behoort. Groote

verscheidenheid van paaschkoeken kent men te Roesselare:

't Zit 'nen Allelujakoeke in den oven!

Elk 'ne zalige Paaschen!

Er rest mij, de aandacht te vestigen op de eigenaardige wijze, waarop

het paaschfeest te Ootmarsum (O.) wordt gevierd. Op Paaschzondag komen

vroeg in den morgen eenige mannen en jongens op de markt bijeen en

heffen daar het oude paaschlied aan, waarvan de eerste strofe luidt:

Christus is opgestanden

Al van de Joden hun handen,

Dus willen we allen vroolijk zijn,

Christus zal onze verlosser zijn. Halleluja.

Over dit lied meer bij Dr. J. G. R. Acquoy in het Archief van

Nederl. Kerkgeschiedenis I, bl. i vlg., en Dr. C. V. D. Graft in

Volkskunde XXII, bl. 45 vlg. Ook elders in Overijssel wordt dit

lied nog gezongen en wel bij het paaschvuur. Zingend trekken de

Ootmarsummers de straten door, keeren op het marktplein terug en gaan

ter kerke. In den namiddag wordt dit gezang herhaald en besloten door

den middagdienst. Tegen vier uur wordt nogmaals gezongen bij het

paaschvuur. Dan trekt men naar de stad terug; bij den ingang geven

mannen, vrouwen, jongens, meisjes, kinderen elkaar de hand, en nu

gaat het in lange rijen zingend over de straten en door de huizen, tot

eindelijk op de markt de slotplechtigheid plaats heeft. Dit gebruik,

dat _vlöggelen_ (vleugelen) heet, wordt op Paaschmaandag herhaald. Het

pleit weer voor den samenhang van liturgie en volksgebruiken en

herinnert aan den Middeleeuwschen dramatischen kerkdienst en de

paaschprocessie, of althans aan den vasten processiegang omstreeks

den paaschtijd.

Zie nog De Cock en Teirlinck, Kinderspel en Kinderlust VII, bl. 78;

De Cock, Spreekwoorden en Zegswijzen afkomstig van oude gebruiken

en volkszeden, bl. 131; J. F. Willems, in het Belgisch Museum

1843, VII; Pol de Mont, in het Nederl. Museum 1888, I, bl. 181;

Loquela 1886, bl. 25; Noordbrabantsche Volksalm. 1843, bl. 55;

Ter Gouw, Volksvermaken, bl. 205. J. H. Maronier, Het Paaschfeest

(Arnhem 1894), _passim_; J. Lippert, Christenthum, Volksglaube und

Volksbrauch, bl. 602; R. Andree, Braunschweiger Volkskunde, bl. 337,

340; Driem. Bladen XIII, bl. 43; Waling Dijkstra, Uit Friesland's

Volksleven I, bl. 173.

_Paaschmaandag_. Behalve de reeds besproken viering op de verschillende

plaatsen, herinner ik aan de _begankenis_ van Hakendover, door Frans

van Leemputte op doek gebracht. De processie wordt door honderden

ruiters vergezeld, die, evenals de nieuwsgierigen, dwars door de velden

draven op hunne met groen en bloemen versierde paarden en de vruchten

vertrappen, zonder eenig verzet vanwege den eigenaar. Integendeel,

want deze ommegang schenkt hem akkerzegen. Deze processie is een

overleefsel van den lente-intocht.--n Drente heeft bij het paaschvuur

en het fakkelen der jeugd het eiertikken plaats; maar meer bekend nog

is het notenschieten; zie H. Tiesing, Vragen van den Dag XXII, bl. 865.

Op _Beloken Paschen_ (_Dominica in albis, sc. depositis_) worden de

laatste paascheieren gegeten, maar strikt genomen geen gekleurde. De

volksetymologie maakt van deze benaming in Limburg plaatselijk

_Broake-Poaschen._

_Natte Paschen_, Tweede Zondag na Paschen, worden de nieuwe knechten

en meiden, die dien dag na de Vespers in dienst treden, te Ziewent en

andere plaatsen van den Achterhoek door de huisgenooten en vooral door

de reeds in dienst zijnde knechts en meiden nat gemaakt, totdat zij bij

den haard zijn genaderd en het haal hebben vastgegrepen. Waarschijnlijk

is dit geen _Regenzauber_--een sympathetisch vruchtbaarheidsgebruik,

vergel. bl. 152--maar slechts een overgangsgebruik; zie Paul Sartori,

Sitte und Brauch II (Leipzig 1911), bl. 92, 61.

_l April_.

Op den eersten April

Stuurt men de gekken waar men wil

luidt een bekend rijmpje en, evenals in onze landen, pleegt men dien

dag in Engeland (_all fools day_), Duitschland, Denemarken, Frankrijk

(_poissons d'avril_) enz. elkaar beet te nemen door het verzinnen

eener looze of onmogelijke boodschap. Uit deze algemeenheid blijkt,

dat het niet aangaat, de Aprilgrappen met een historisch feit in

verband te brengen. De Vlaamsche benaming is _verzendekensdag_.

Ik sprak bl. 128 reeds over de overeenkomst tusschen Verzendekensdag

en St. Thomasdag. Neemt men over het algemeen aan, dat de

gekken (_stulti_) de _langslapers_ en _telaatkomers_ zijn, dan

wordt het begrijpelijk, waarom men juist in den aanvang van het

lentefeest--evenals op de laatste dagen van het jaar--met de sukkelaars

in het algemeen zijn spel drijft. Het is dan een opeenhooping van

grappen en aardigheden, die anders slechts bij vaste gelegenheden

plaats hebben. B.v. bij het slachten stuurt men om een worstpatroon,

een penshaak, een bloedboor (te Gieten, Tinaarloo, Westervelde);

bij het hooien om een _heuischarm_ (Assen); bij het stoelmatten

om de stoelschaar. Zoo kent men ook een balkenschaar, hooischaar,

plafondschaar (België) enz.; zie vooral De Cock, Spreekwoorden en

Zegswijzen afkomstig van oude gebruiken en zeden, bl. 176; verder

Driem. Bladen XI, bl. 6. Op 1 April stuurt men om muggenvet, Aprilzaad

enz. Ter vergelijking diene nog, dat men op den laatsten dag van het

jaar kinderen en sukkelaars naar de markt stuurt, om den man te gaan

zien, die zooveel neuzen heeft, als er (nog) dagen in 't jaar zijn.

_Meidag_. De eerste Mei geldt als de heerlijkste dag van het

lentetijdperk, als het begin van den voorzomer. Bl. 172 sprak ik reeds

van den meiboom. Het was oorspronkelijk een groote, levende boom en

het planten droeg een officieel, gemeenschappelijk karakter. Maar op

den duur trad de overheid tegen dit gebruik op, en zóo ontstond de

boom, dien wij nog sporadisch aantreffen: een hooge staak met schamele

versiering van loovertjes, linten en klatergoud. Wellicht is het nog

een overblijfsel van de gewoonte, den meiboom uit het bosch te halen,

dat men in den Achterhoek, en ook te Ede, Bennekom enz., bij het

omhakken van akkermaalshout telkens éen recht stammetje laat staan;

zie Driem. Bladen VI, bl. 32, 44.

Daarentegen is het aloude meiboomplanten nog vrij goed bewaard

gebleven in enkele Limburgsche dorpen: Valkenburg, Berg en Terblijt

(hier althans nog voor enkele jaren), Afferden, Kerkrade: "Daar

wordt de Mei-den nog geplant, dien de jeugd voor dit doel, met of

zonder toestemming van den eigenaar, in het bosch heeft geveld. De

mooiste, hoogste boom wordt gekozen; en opgesierd met bonte papieren

en slingers rijdt men hem rond het dorp": Volkskunde, XXIII, bl. 122;

zie nog vooral De Cock's Spreekwoorden en Zegswijzen afkomstig van

oude gebruiken en zeden, bl. 181 vlg.

Intusschen speelt het meer bescheiden, spichtiger meiboompje en

eveneens de kleine, sobere meitak en meidoorn nog een voorname rol

overal, waar natuurpoëzie en gevoel voor natuurschoon nog niet door

banale alledaagschheid werd gedoofd. Den eersten dag van Wonne-

of Bloeimaand siert men plaatselijk nog de huizen met meitakken

of _meien_. Dan tijgt het Venloosche volk, onder de schetterende

tonen der "Fanfare", naar het kapelletje Genooi en tooit zich bij

het terugkeeren met groenende twijgen. "Straks keeren de muzikanten

opgetogen huiswaarts"; schrijft Dr. Knippenberg, "de hoeden omkranst

met het jonge loof van den heerlijken Mei" (Limburg's Jaarboek XVIII,

bl. 160). Maar vooral ook plant men in het zuidelijk volksgebied

den _liefdemei_ voor de deur of steekt hem op het dak. Dit gebruik

moet zeer oud zijn, hetgeen o.a. hieruit blijkt, dat de uitdrukking

"den coelen mey planten" ten minste reeds in de XVe eeuw voorkomt in

eene overdrachtelijke beteekenis, die voor de hand ligt; zie G. Kalff,

Het lied in de Middeleeuwen (Leiden 1883), bl. 302.

Het verbreidingsgebied van het meitaksteken is zeer groot; vertrouwbare

berichten gewerden mij hieromtrent o.a. uit Sittard, Buggenum, Heeze,

Soerendonk, Valkenburg, Berg en Terblijt, Hooge Mierse, Reusel, Mierde,

Hunsel, Waalre, Velthoven enz. Men steekt doorgaans meitakken op het

huis der geliefde; maar ook worden de huwbare meisjes over het algemeen

bedacht, en de takken spreken een voor ieder verstaanbare taal. Fijne

mast duidt goedheid aan; dennentak (steeds groen): gestadige liefde;

berkentak: goed en schoon. Deze takken spreken echter niet alleen lof,

maar ook blaam; zoo b.v. kersentak (waaraan ieder plukt): veranderlijk;

hagedoorn: stekelig, een katje, niet zonder handschoen aan te vatten;

rusch (bieschbosje): houdt het met elken vrijer.--De meisjes staan op

den 1sten Mei vroeg op, benieuwd, welke meitak haar deel zal zijn. Den

fijnen mast laten zij zoo lang mogelijk staan prijken.

Op Ameland maakten vroeger de kinderen op den eersten Mei een kroon in

den vorm van een hoepel of ring, geheel omvlochten met madeliefjes, die

op het eiland meibloempjes (elders meizoentjes) worden genoemd. Met

meitakken in de hand, gaan thans nog in Vlaanderen de kinderen

op den vooravond van deur tot deur en vereeren hem met een twijg,

die eieren of versnaperingen schenkt. In het Gentsche noemt men dit

"den Mei gaan zingen"; want meiliedjes zingend, trekken de kleinen

rond. Te Hansbeke heeft het meilied dezen verkorten vorm:

Mei, Mei,

Ik plante mijne mei,

En 'k krake mijn ei,

En de dorre [dooier] viel uit mijn schale;

Bazinneke, wilde mij een eitje geven,

'k En zal uw dochterken niet halen!

In Oost-Vlaanderen, op de Nederlandsche grens, luidt een verrukkelijk

meiliedje aldus:

De koude winter is nu verdwenen,

Den zoeten zomer die komt er al aan;

Dan ziet gij al de bottekens en boomen

Te bloeien staan.

Onze lieve Vrouw, die weerdige bruid,

Zij liet haar vallen al op het kruid,

Alle de bloemekens, die sproten daar uit:

De dobbele pioene,

Die staat er al zoo groene!

Ai! wie heeft er de mei van doene?

De vischkens in het watere,

De vogelkens in de wei,

Al die zingen te zamen de groene mei.

Van de Noordnederlandsche meiliedjes is stellig het meest bekende en

meest verspreide, hetgeen wij thans nog slechts als parodie hebben

behouden:

Daar ging een patertje langs den kant,

met het refrein:

Hei 't was in de Mei, Mei, Mei,

Hei 't was in de Mei.

Een ander meiliedje heeft betrekking op het snijden van fluitjes uit

wilgenhout, dat den eersten meidag begint. In Gelderland, Overijssel

en Drente--ik noem hier b.v. Geesteren, Ootmarsum, Ochten, Avereest,

Koekange, Elspeet, Oldemarkt, Druten--snijden de jongens een wilgentak

af, maken dien nat, en kloppen dan met het hecht van het mes zacht

in de rondte, waardoor de bast loslaat. Het kloppen geschiedt op maat

van liedjes als dit:

Sap, sap, siêpe

Wanneer zinst doe riêpe?

In Mei, in Mei

As alle veugelkens 'en eiken legt.

Woar legt ze dan?

In 't spinvat, doar kan ze nummes nich vinden

As doe dan nich of wis

Dan za'k diê met 't mesken den hals afsniêën

Aldus te Geesteren; en te Barneveld:

Sieppe, sappe, sieppe,

Wanneer zuj-je pieppe?

Te Mei, te Mei,

Dan leggen alle voegeltjes een ei,

Behalve de kwartel en de griet,

Die leggen in de meimaand niet.

Heel of, hallef of,

Sniêt ten boer de kop mer of.

Met de bedreiging in den laatsten regel der beide rijmpjes vergelijke

men den aanvang van het fluitjesliedje, dat de jongens in Holstein

en Karinthië zingen. Het fluitjessnijden draagt den naam van _maien_:

Pfeifel, Pfeifel, ich mai' dich,

Oder ich zerschneide dich.

Vele rijmpjes gewagen ook van "de booze hesse (hekse)", die met een

scherp mes het katje den kop afsnijdt. Eenigszins afwijkend luidt

een meifluitjes-deuntje te Horst (L.):

Rieke, tieke, taken,

Ik wil een fluitje maken,

Van wilgen of van esschen,

Welke zijn de beste?

Heel af, half af,

Snijdt de koe den staart af,

Maakt er zeven jongen van,

Zeven jongen in eenen nest.

Zie Limburg's Jaarboek I, bl. 68; Dr. Van Vloten, Baker- en

Kinderrijmen, bl. 84 vlg.; verder Driem. bladen I, bl. 17, 50, 87,

92; II, bl. 80; III, bl. 30, 35, 90; IV, bl. 48; VII, bl. 55.

Stroomend water is vooral heilzaam en geneeskrachtig op den eersten

meidag. In sommige streken van ons land is het de gewoonte, alsdan in

stroomend water te baden; dit beveiligt vooral tegen huidziekte. In

Oldemarkt drijft men 's nachts de schapen door het water:

Meimaand trekt men de schapen door de vaart,

Dan blijven ze van de schurft bewaard.

De kinderen loopen in den meiregen, die immers zoo groeizaam is:

"Meiregen, Meizegen". Op Texel ontsteekt men den vooravond een

lentevuur, de zoogenaamde _meierblits_; vergel. bl. 184 en Volkskunde

XIX, bl. 123.

In Oost-Vlaanderen--vooral rond Aalst en Dendermonde--bestaan

nog meigilden met hun graven of dekens, oorspronkelijk om den

meiboom te planten. Deze Meigraaf kiest zijn bruid en maakt haar

tot Meigravin. Iets dergelijks vinden wij in Limburg te Beek, Geleen,

Oirsbeek, Klimmen, Merkelbeek, Schinnen, Epen, Wylre, Gulpen, Slenaken,

Valkenburg, Mechelen, Vylen, Vaals, Simpelveld, Ubachsberg, Eis,

Bingelrade, Heer, Berg en Terblijt enz. Daar wordt--of werd nog zeer

kort geleden--de _meileeste_ (Meiliefste) uitgeroepen, en wel door den

kapitein van de "jonkheid". Op den 1sten Mei, of wel op den eersten

Zondag in Mei, worden de huwbare meisjes door de jongelieden onder

elkaar verdeeld of, zooals te Berg en Terblijt, bij hoogste bod aan

de jongens toegewezen. Het verdeelen hangt nog met den meiboom samen,

in zoover als de lijst, waarop de paren voorkomen, veelal op den

meiboom ter bekendmaking wordt geplakt, onverminderd het officieële

uitroepen. De Meiliefste wordt natuurlijk in de herberg onthaald. Dit

gebruik is vooral bekend door de novelle van Ecrivisse: Het Meilief

van Geleen. In Hessen, Westfalen en Rijnland spreekt men van het

_Mailehen_ (= Meiliefste); in de Romaansche landen en in Engeland

heeft een overeenkomstig gebruik plaats op Valentijnsdag (14 Febr.),

op welken dag het volk meent, dat de vogels paren; men spreekt daar

van _Valentines_.

De Meigraaf is in wezen identiek met den _Laubkönig, Graskönig,

Pfingstlümmel_ enz., en beeldt uit de groeikracht der natuur; zie

Mannhardt, Baumkultus, bl. 341, 355, 376.

Te Genemuiden (O.) gaan op den 1sten of 2den Mei de kinderen met een

versierde ladder rond, waarop een jongen of meisje met een vlaggetje

in de hand zit, al zingende:

Luie motte, luie zotte,

Op gaan staan!

Die moet naar bed toe gaan.

Zie Driem. Bladen VIII, bl. 33; men vergelijke de Luilakliedjes op

bl. 194, 196 en 197, alwaar de verklaring.

_Hemelvaartsdag._ 's Morgens vroeg ging men voorheen in Holland

_hemelvaren,_ d.i. naar buiten, in het vrije veld, om van den

heerlijken meimorgen te genieten. Plaatselijk bestaan nog overblijfsels

van dit gebruik, dat ook _dauwtrappen_ of _dauwtreden_ wordt genoemd

en ook wel op pinkstermorgen plaats heeft. De eigenaardige viering

van Hemelvaartsdag te Hengelo en Zutfen (Mulderskermis) behoort tot

het verleden; men vindt ze beschreven in den Gelderschen Volksalmanak

van 1844, bl. 54.

_Luilak_ is de Zaterdag vóor Pinksteren, maar oorspronkelijk degene,

die dien Zaterdag, dien schoonen meidag, te lang slaapt. Te Amsterdam

moesten alle laatkomers trakteeren: de ambachtsgezel, die 't laatst

in de werkplaats, de groenteboer, die 't laatst aan de markt,

de schooljongen, die 't laatst op school kwam. Thans nog zijn de

Luilak-gebruiken te Amsterdam en elders niet uitgestorven; zij zijn

in geheel Noord-Holland in zwang. Te Zaandam moet de laatkomer de

overigen onthalen op warme bollen en stroop. Op Luilakmorgen gaan

de kinderen voor dag en dauw met de _korrie_, een laag wagentje

aan een lang touw, uit naar de naburige dorpen; zij hebben daarbij

groene takken en brandnetels bij zich, en terwijl deze--ook _luilak_

of _looielak_ genoemd--worden rondgedragen, zingt men:

De looie lak, de slaperige zak,

Vanmorgen niet vroeg op 'estaan,

Je ken wel weer naar bed toe gaan.

Elders:

Luilak,

Slaapzak,

Beddejak,

Kermispop,

Staat om negen uren op.

Verveelt hun dit spel, dan wordt de looielak te water gegooid, onder

het zingen van:

Van eenen, van tweeën, van drieën, van vieren, van vijven,

Gooi dien looielak maar te drijven.

Men vergelijke de gebruiken op 1 April en op Sint-Thomasdag. De

luilak is natuurlijk weer identiek met den Meigraaf, _Laubkönig_

enz., zie bl. 193; eveneens met de Pinksterbloem, waarover nader. Zeer

merkwaardig is het te water gooien; ook de _groene George_ wordt bij

de Slovenen in Krain en Karinthië te water geworpen. Bij ons heet hij

de _groene man_ of ook, zooals te Haarlem, _klisseboer,_ omdat hij

geheel met klissen overdekt is. Hier hebben wij in werkelijkheid

den _Regenzauber:_ een sympathetischen vruchtbaarheids-ritus,

om door indompeling den onontbeerlijken voorjaarsregen te

erlangen. Zie hierover Mannhardt, Baumkultus, bl. 313, 327 vlg.;

over het Luilakvieren Dr. G. J. Boekenoogen, De Zaansche Volkstaal

(Leiden 1897), bl. 590; Onze Rijmen, bl. 59; Ter Gouw, Volksvermaken,

bl. 221.--Deze dag brengt ook de _luilakbollen_.

_Pinksteren._ Mei- en Pinkstergebruiken vallen vrijwel samen; aan het

Meilief beantwoordt de _Pinksterbloem_ of _Pinksterbruid_. Ook zij is

een verpersoonlijking van den genius der groeikracht, wat o.a. uit haar

bloemkroon en loofversiering blijkt. Te Sittard heeft zij hoofd, leest

en armen omwonden met kransen van roode kollen en blauwe korenbloemen.

Het schoonste meisje van het dorp werd eertijds met bloemen getooid

en als koningin door haar speelgenootjes onder gezang en gejuich

rondgeleid; maar naderhand ontaardde het gebruik in een bedelpartij. Te

Schermerhorn, den Beemster, Purmerend en elders ging een weesmeisje in

het wit gekleed, met bloemen getooid en met een bekransten beker in

de hand rond, met een weesjongen als geleider, die een met bloemen

omwonden stok in de hand droeg. Ook te Molkwerum fungeerden meisjes

van 12 tot 15 jaar als Pinksterbloem; te Franeker, Bolsward en Makkum

was het een kleine jongen, die in een zoogenaamden tempel liep,

een soort bijenkorf, samengesteld uit hoepels en stokken en met

groen behangen. Te Vriezenveen werden op 2en Pinksterdag de kleinste

meisjes met groen behangen en onder een groot schort van huis tot huis

geleid. Thans is dit gebruik, dat in de XVIIe eeuw nog te Amsterdam,

Utrecht, Deventer, Arnhem, Enkhuizen en in het Kennemerland plaats

had, zooals uit de verordeningen blijkt, vrijwel uitgestorven, en

wel, als zoo vaak, in zuidelijke richting. Te Ubbergen hielden nog

kort geleden drie meisjes uit de mindere volksklasse haar omgang,

van wie de middelste de Pinksterbloem voorstelde; zie hierover

Mr. W. V. D. Poll, in den Gelderschen Volksalm. 1897, bl. 185

In Limburg en Noord-Brabant bestaat de Pinksterbloem nog, eveneens

in sommige plaatsen van Vlaanderen; ik noem Horn, Amby, waar zij

insgelijks in een "huisje" met groen zit, Schinnen, Doenrade, Cuyk,

Blitterswijk, Guttecoven, Afferden. Het lied, dat bij het rondgaan

gezongen wordt, is hoofdzakelijk van tweeërlei aard.

Cuyk (N.-B.):

Vierge, vierge Pinksterbloem,

Daar komt zij aangegangen,

Met een krans al om haar hoofd

En twee gebloemde wangen.

Vrouwtje, als gij niet deugen wilt,

Dan zullen wij u gaan verkoopen.

Dan gaan wij naar het groene woud,

Daar zingen de vogeltjes jong en oud,

Keert u es om,

Draait u es om,

Vierge, vierge Pinksterblom.

Einighausen (L.):

Pinksterbroed,

De wien is oet,

Wie lengen weer de dagen,

Eine mei, eine mei, eine liebesmei,

Eine mei van groene blaren.

Wie doet nu eigenlijk dienst als Pinksterbloem? Wie verbeeldt

den vruchtbaarheidsgenius? Welken eigenaardigen vorm neemt het

vegetatiegebruik op Pinksterdag aan?

Het antwoord geeft ons o.a. een pinksterrijmpje uit Horn (L.):

Pinksterbloem, slechte roem,

Gij hebt zoolang geslapen;

Hadt gij vroeger opgestaan,

Dan waart ge mijn kameraadje!

De Pinksterbruid of de Pinkstlummel is dus de langslaper; want de

taak, als vegetatiegenius te fungeeren, was aanvankelijk allesbehalve

een huldiging van den persoon, maar slechts van den genius; en daarom

alleen zette men haar of hem de kroon op het hoofd. Het was een zekere

tuchtiging van den telaatkomer, van den luiaard, die een heerlijken

meimorgen versliep. Mannhardt daarentegen meent de verklaring van het

feit, dat voor Pinksterbruid de laatst-ontwaakte genomen wordt, hierin

te moeten zoeken, dat de Pinksterbloem de uit den slaap ontwaakte

lentedaemon is. Deze verklaring komt mij te zeer gekunsteld voor en

niet in overeenstemming met alle feiten. Veeleer moet de luiaard zich

in loof laten steken, dienst doen als vegetatiegeest, zij het tegen

wil en dank. Op vele plaatsen wordt hij dan ook met een kroon van stroo

of brandnetels getooid, hij wordt met brandnetels gegeeseld (dit slaan

heeft natuurlijk weer betrekking op de vruchtbaarheid, vgl. bl. 102),

men _drijft_ hem of haar voor zich uit, en zingt in Westfalen:

Pinksterblome,

fûle sûge (Sau)!

harstu êr uppestaun,

harr et di kîn leid edaun.

Van daar ook de benamingen _Pfingstlümmel, Pfingstschläfer,

Wasservogel_ (dewijl men hem in het water werpt) enz.

Zeer nauw hiermee verwant is het Drentsche

nustekook-gebruik. "_Nust_koek" hangt met "nusselen", d.i. talmen,

samen.

Op Pinkstermaandag spoeden zich, volgens de mededeeling van Dr. Bergsma

in den Nieuwen Drentschen Volksalm. 1900, bl. 104, de koejongens voor

dag en dauw met de koeien naar de weiden. Die 't laatst met zijn koeien

"op den diek" verschijnt, d.i. op den gemeenschappelijken weg, die

naar de verschillende weiden voert, heet _nustekook_. Zijn terugkomst

wordt door de andere koejongens vóor op den dijk afgewacht; zij zetten

hem een van russchen gevlochten steek op, slaan hem met brandnetels om

hoofd en handen en trekken daarna zingend door het dorp; het opgehaalde

geld wordt gemeenschappelijk verteerd. Aldus te Zuidlaren, Gasselte

enz. Tegenwoordig versieren zich te Zuidlaren bijna alle kinderen

met een russchen hoed en vragen geld aan de deuren. Te Zeegze is het

gebruik afgeschaft.--Een eigenaardigen vorm, ook in het buitenland

bekend, vertoont het gebruik te Borger. Daar wordt de _nustekook_

geslagen, en een ander, een arme jongen, in bloeiende brem gestoken,

wordt als _Pinksterbroed_ het middelpunt van den optocht. Waar een

_Pinksterbroed_ is, is ook een _broedsleider_. Te Gees heet hij

broedegom, te Zweeloo heeten ze broedhen en broedhaan. Te Gees is de

Pinksterbruid het geheele jaar de versukkeling.

De kinderen verzamelen zich te Koevorden aan den ingang van de weide

en letten op, welk beest het laatste van den stal gekomen is en de

weide binnentreedt. Die koe is dan 't voorwerp van het feest der

kinderen, 's Namiddags plukken zij bloeiende braamtwijgen of ander

groen, omhangen de koe daarmee en leiden ze onder schaterend gejuich

de stad binnen, al zingende:

Pinksterbloed (of Pinksterbroed)

Oranjezoet,

Hoe zit je zoo diep in de veeren?

Had je _wat eerder opgestaan_,

Dan had je geen nood gekregen.

In Neder-Duitschland heet deze koe of os, die met bloemen getooid en

bekroond wordt: _Pingstkaue, Pingstosse_. Vandaar het spreekwoord:

"opgedirkt als een pingstos." Men vergelijke met bovenstaand rijmpje

het volgende, dat te Zuidlaren wordt gezongen van den _nustkoek_

of langslaper:

Nustkoek, nustkoek,

Zits dou zoo diep in de vaerren,

Kanst het geroup niet heurren,

Hast dou geen oogies van kiekerdekiek,

Komst ja te laat met de koe'n op den diek.

Het kind, dat de koeien het eerst in de weide dreef, heet _vroegrijp_,

het tweede _dauwworm_, het derde _midden-in-de-ton._

En nu weer een schoolgebruik, treffend door zijn

overeenkomst. Dr. R. de Gheldere, Dietsce Rime (Brugge 1896), bl. 148

beweert, dat men het meisje, dat op Pinksteravond te laat in school

komt, _Sinksenbruid_ noemt en dat haar wordt toegezongen:

Sinksenbruid,

De loegaard uit!

Hadt je _eerder opgestaan_,

Gij hadt ook eerder naar school gegaan!

Te Bergues, in Fransch-Vlaanderen, werd den leerling, die daags vóór

de kermis te laat op school kwam, een biezenkroon op het hoofd gezet;

zoo werd hij naar huis gejaagd en de schooljeugd achtervolgde hem

zingende. Ik sprak reeds bl. 194 over de overeenkomst met de gebruiken

op Sint Thomasdag. Ook plachten te Sint Truiden de kinderen op Sint

Thomasdag papieren kronen op te zetten.--

Elders wordt de groeikracht gehuldigd in den vorm van bloemen,

pinksterbloemen. Ik wensch hier echter nogmaals de opmerking te maken,

dat wij in deze bloemen met een symbool te doen hebben, dat tot

zuiver, niet-kultisch symbool geworden is. In Biekorf VI, bl. 366,

leest men: "Den Vrijdag voor Cinxenhoogdag worden hoven, weiden

en velden doorloopen van de kinders der vlaamsche bewaarschool der

blauwe zusters binnen Veurne, die geheele panders blommen naar huis

brengen. De hoogstgeschatte zijn de ""Cinxebruids"" (beuterblomme,

_butterflower, jaunet_). 's Avonds, met moeders hulpe, maken de

kinders eenen hoepel van wijdauw, daarrond vlechten zij hunne geluwe

"Cinxenbruids." Zoo ook te Zutfen, waar de kinderen op de Pinksterdagen

kronen uit hoepels maken (of kortelings nog maakten), die ze met

groen en bloemen versieren en aan touwen ophangen. Te Hattem werd

hierbij gezongen:

Rosa [rozen], Rosa, Rosa bloeien op mijn hoed.

Alles geld is alles goed;

Kies, wie gij wilt,

En de schoonste, die gij vindt; enz.

Over de stroopop op Pinksternacht spreek ik in het volgende hoofdstuk,

II: Liefde en Huwelijk.

_Tweede Pinksterdag_ is ten deele reeds besproken. Te Anderlecht

(Z.-B.) hebben dan de bekende paarden-ommegangen plaats, evenals te

Mechelen en te Werchter. De deelnemers rijden op hun getooide paarden

eerst driemaal om de kerk, wonen daarna den dienst bij, en gaan dan nog

driemaal om het hoogaltaar en het beeld van St. Gwijde (Guido). Men

vergelijke dit gebruik met _Sunte Steffenjagen_ (bl. 134). In

Duitschland spreekt men van den meirit, _das Maireiten,_ hetwelk

Mannhardt behandelt in zijn Baumkultus, bl. 347 vlg. De Pinkstruiters,

d.i. de _Pfingstl_ met zijn gevolg, rijden om de akkers ter bevordering

der vruchtbaarheid. In Beneden-Beieren heeft dit op Pinkstermaandag,

elders op Hemelvaartsdag of Paaschdag plaats. Ook b.v. in Zwaben heeft

deze rit een kerkelijk karakter aangenomen: op de vier hoeken van den

akker wordt daar het Evangelie gelezen, terwijl bij het _Königsreiten_

in Oostenrijksch Silezië, waar alle notabelen aan dezen akkerrit

deelnemen, gedurenden den ommegang vrome liederen gezongen worden

ter afwering van onweêr en hagelslag.

Op dezen dag worden veelal de schuttersfeesten der gilden gevierd,

een aloud gebruik, dat den naam van _Pinxtergilden_ voor sommige

schuttersgilden rechtvaardigt. De gilden, waarover reeds bl. 192

gesproken werd en nog verder sprake zal zijn, vertoonen, evenals

de Germaansche gilden over het algemeen, een gekerstenden vorm van

de Oudgermaansche bloedsbroederschappen. Plicht was het eertijds,

den kultus der afgestorven leden te behartigen door een lijkmaal,

plicht bleef het later, het gildemaal te houden op het feest van den

patroonheilige. Het schieten is dan wel een erfstuk der Oudgermaansche

volksweerbaarheid. Wat den term betreft, hangt het woord _gilde_

(vgl. _geld_), Middelnederl. _ghilde,_ met het Oudnoorsche _gildi_

samen, dat de beteekenissen van "inleg" en "gelag" in zich vereenigt;

zie verder mijne Essays en Studiën, bl. 115.

De schuttersgilden, die men vindt in steden en dorpen, waren vroeger

in Nederland volstrekt algemeen. Maar door het ijveren der predikanten

werden vele gilden ontbonden, zoodat b.v. in Holland in de XVIIe eeuw

de meeste te gronde gingen. Zij bloeien nog in Limburg, Gelderland,

Noord-Brabant en België.

Bij deze gilden heeft het vogelschieten echter meestal plaats op den

feestdag van den patroonheilige of op kermis-Maandag; hierover nader

in het volgende hoofdstuk, III: Huiselijk Verkeer. Over het gildewezen

zie Ter Gouw, De Gilden (Amsterdam 1866); De Volksvermaken, bl. 502;

Volkskunde XVII, bl. 121; over de Pinksterviering J. H. Maronier, Het

Pinksterfeest (Arnhem 1894), _passim_; De Cock, Volkskunde, bl. 247;

Ter Gouw, De Volksvermaken, bl. 221 vlg.; V. Reinsberg-Düringsfeld, Das

Festliche Jahr, bl. 191; Waling Dijkstra, Uit Friesland's Volksleven I,

bl. 183; De Navorscher II, bl. 186; Drentsche Volksalm. XLIV, bl. 120;

Biekorf XIII, bl. 161 vlg., 177 vlg.

_Sint Jan de Dooper_ (24 Juni) is de groote dag van het Midzomerfeest

met zijn offervuren en offermaaltijden, en speelt daarom in het

Germaansche volksleven een voorname rol. Reeds vroeg trad het

geboortefeest van dezen heilige in verband met het Midzomer-,

of Zonnestilstandsfeest, en dit verband werd nauwer, naarmate men

meer innerlijke betrekking tusschen beide feesten meende te kunnen

waarnemen. Zoo schrijft de H. Augustinus (_Sermo_ 289): "Opdat de

mensch mocht vernederd worden, is heden geboren Johannes, nu de dagen

beginnen af te nemen; opdat God verheven worde, is Christus geboren

op dien dag, waarop de dagen beginnen te groeien." Zoo werd dan ook

b.v. het gebruik, dezen dag in stroomend water te baden (vgl. bl. 192),

aldus gekerstend, dat men het gebruik bijhield ter eere van 's Heeren

doopsel in den Jordaan. Zeer heilzaam is ook de Sint Jansdauw, het

dauwtrappen op Sint Jansdag. Planten, dien dag geplukt, bezitten groote

tooverkracht. Maar vooral de _Sint Janstak_ pleit voor de overeenkomst

tusschen het Midzomerfeest en de Meiviering, hetgeen elders uit de

oprichting van een meiboom op Sint Jansdag blijkt. Het is een krans

van groen en bloemen, dien men buiten tegen den muur van het woonhuis

hangt, waar hij blijft hangen, tot hij verdord is. Dit gebruik bestaat

o.a. te Vortum, Beers, Afferden, Waalre. Hij beschermt tegen onweêr

en moet bestaan uit korenbloemen, notenblaren en Sint Janskruid: de

noteboom is een bekend vruchtbaarheidssymbool, en het Sint Janskruid

(_sedum purpureum_), ook _Jaag den duivel_ genoemd, heeft het vermogen,

booze geesten te verdrijven. Te Duiven worden de huizen met noten-

en rozentwijgen versierd.

Op Sint Jansnacht drijven, evenals op de Walpurgisnacht, de geesten

hun spel: het is een der geheimzinnige toovernachten. Dan snijdt men

de wichelroede, dan plukt men Sint Janskruid, dan durft de schipper

niet uitvaren op het Haringvliet. Dan legt men doeken buiten, om

den Sint Jansdauw op te vangen, en deze dauw geneest voortreffelijk

bij oogziekte (Vortum). Herhaaldelijk komt Sint Jan ook voor in de

volksweêrkunde. Als de koekoek roept na Sint Jan, komt duurte.--Vóor

Sint Jan bidt om regen, na Sint Jan komt hij ongelegen.--Regent het na

Sint Jan, dan _kort_ (korrelt) het graan slecht, zegt men in Limburg.

Op enkele plaatsen bestaan nog de oude Sint Jansvuren, _survivals_

van het groote Zomeroffer; ook vertoonen zij vaak het karakter

der noodvuren (bl. 104). Daags vóor Sint Jan gaan b.v. te Wichelen

(O.-V.) de kinderen om brandhout rond, al zingende:

Hout, hout, timmerhout,

Wij komen om Sint Janshout;

Geeft een beetjen en houdt een beetjen,

Tot op Sint Peetersavond.

Men vergelijke de uitdrukking in het Sint Maartenslied: "op Sint Jans

manieren", bl. 111.

De meeste Sint Jansvuren zijn echter overgegaan op:

_Petrus en Paulusdag_ (29 Juni), die ten deele nog in Limburg, maar

vooral in België gevierd wordt, waar men om het vuur danst, zingende:

Sinte Peeter, komt alhier,

In ons ronde van plezier.

Op vele plaatsen, waar vroeger het geheele volk aan de feestviering

deel nam, is deze thans beperkt tot de kinderen. Aldus te

Herdersem, Eename, Aspelare (O.-V.) enz., alsmede in vele dorpen van

West-Vlaanderen; zie ook Rond den Heerd IX, bl. 257; Loquela III,

bl. 10.

Wat gebeurde met het Sint Maartensvuur, heeft ook met de Sint

Pietersvuren plaats gehad: de feestviering werd veelal beperkt tot

den rondedans om een kaarsje; aldus te Kruibeke, waar men zingt:

Sinte Pieter mee zijn bloote armen,

Die zou hem gêren komen warmen.

Men vergelijke het Sint Maartenslied, bl. 109.

In geheel Oost-Vlaanderen en West-Brabant bestaat verder het gebruik

van den _rozenhoed_. Het is een meigebruik, dat wij bl. 200 te Zutfen

en elders op Pinksterdag vonden. Enkele met bloemen en groen omwonden

hoepels vormen een kroon, en deze hangt men aan een over de straat

gespannen koord op. 's Avonds wordt hieronder gedanst en gezongen;

zoo b.v. te Lokeren:

Sinte Pieter, die is goed

Al voor onzen (_bis_)

Sinte Pieter, die is goed

Al voor onzen rozenhoed.

Te Wetteren plaatst men onder den rozenhoed een tafeltje met brandende

kaarsjes, en daaromheen dansen de kinderen, zingende:

St. Pieter is onze Patroon!

Wij zullen hem gaan vieren;

Wij maken hem een kroon,

Te midden van onz' plezieren!

Bom la la, bom la la, bom la la sa sa!

En daar heeft niemand iets aan,

Troe la la, troe la la!

En daar heeft niemand iets aan,

Troe la la sa sa.

Wij herinneren er aan, met het oog op dit kaarsje-ronddansen onder de

kroon, dat het oudtijds de gewoonte was, bloemen, kransen en kruiden in

het zuiverend offervuur te werpen, waar men omheen danste en overheen

sprong. Vooral notenblaren worden plaatselijk in de Sint Jansvuren

geworpen; vgl. bl. 202 en de steeds fundamentale behandeling van

het Sint Jansvuur bij Grimm, Deutsche Mythologie I, bl. 513. Dat het

gebruik van den rozenhoed eertijds ook elders met vuurstoken gepaard

ging, blijkt uit een liedje uit het land van Waas:

Stokvier, maakt stokvier!

Sinte Pieter is alhier,

Om zijn bloote armen

Nog wat te warmen; enz.

Te Ter-Alfene vindt men nog het algemeen-Germaansche, sterksprekende

vruchtbaarheidsgebruik, dat jongelieden dien dag met de zweepen

klappend rondloopen. Zoo ook te Wambeek (Z.-B.); te Roesbrugge-Haringe

(W.-V.) gebeurt dit op Sint Elooi.

Mettertijd heeft men den rozenhoed in verband gebracht met de

pauselijke tiaar. Een ander Christianisme is de visschersprocessie

te Rumpst.

_Sint Marten-in-den-Zomer (4 Juli),_ ook de "Warme Marten" genoemd,

draagt in West-Vlaanderen den naam van _Schuddekorfdag_, ofschoon

van geen schuddekorfgebruik sprake is. Hoogstwaarschijnlijk is deze

benaming aan Sint Maarten-in-den-Winter ontleend.

_Maria Hemelvaart (15 Aug.)_, ook genoemd _Maria-Kruidwisch,_

of _O.L. Vrouw Kruidwijn_ (=wijding), wordt vooral in Limburg

gevierd; hier is de feestviering uit Duitschland, waar zij

algemeen is, ingevoerd. Weken te voren reeds worden door de kinderen

allerhande kruiden en bloemen verzameld, en op den feestdag wordt een

reusachtige ruiker ter kerke gebracht, waarin de geheele midzomerflora

vertegenwoordigd is, maar toch vooral de koningskaars of hemelbrand

prijkt, de Limburgsche kruidwisch bij uitnemendheid. Deze gewijde

bloemen dienen--ongeveer als de palm--als behoedmiddel tegen onweszr,

ziekten enz. Als het onweêrt, worden zij onder het bidden van den

_huiszegen_ verbrand.

Aan den Rijn moeten deze kruiden Donderdags te voren (volksetymologisch

verband met "donder"?) bij zonsopgang met de hand geplukt

worden. Deze omstandigheid doet vermoeden, dat het gebruik wellicht

van Oudgermaansche afkomst is en oorspronkelijk op natuurvereering

berustte, of de een of andere Germaansche godheid gold. Wat hiervan

zij, de treffende legende, waarvolgens de Apostelen in het graf van

Maria in stede van haar lichaam een weelde van geurige bloemen en

kruiden vonden, schenkt aan dit gebruik een onmiskenbaar christelijk

karakter.--

De zomermaanden zijn ook het tijdperk der bedevaarten of processies

naar befaamde bedevaartsplaatsen, uiteraard meerendeels in het Zuiden

van het volksgebied. Voor Noord-Nederland noem ik Heiloo, den Briel,

voor de zuidelijke provincies Kevelaer, Roermond, Scherpenheuvel

(kaarsjesprocessie) en Brugge (H. Bloed). Van plaatselijke ommegangen

dient de Boetprocessie te Veurne en de zevenjarige jubileum-processie

te Hasselt (_Virga Jesse_) te worden vermeld. De straten der plaats,

waar de processie gehouden wordt, zijn feestelijk getooid; bloemen,

groen en papierknipsels zijn gestrooid over den te volgen weg. Het

volksgeloof wil, dat dit processiestrooisel beschermende macht bezit

tegen ratten en muizen, en tegen onweêr; ook legt men het tusschen

het graan, want het waarborgt een overvloedigen oogst en weert "het

zwart" uit de tarwe.

Sommige dezer processies zijn zeer oud en met het volksleven

samengegroeid, zoodat zij als tijdsbepaling dienst doen, of in

dagelijksche zegswijzen zijn binnengedrongen. Zoo hoort men b.v. te

Venloo, dat de bramen rijpen, "als de processie naar Kevelaer gaat",

en dat "als de processie van Kevelaer terugkomt, geen oud wijfje

aan het spinnewiel blijft". Zijn de straten doodsch en verlaten, dan

"lijkt het wel, of de processie naar Kevelaer is"; enz.

Te Blitterswijk zingt men:

Ik zeug zo gêr no Kêvele goan,

Wen er mar gene grune wolf zaat,

Joa, joa, do zit er ene,

Nie der zit er gene.

Over de karakteristieke processievaantjes spreek ik nader in het

Vijfde Hoofdstuk: Volkskunst. Bij gelegenheid der Hasseltsche

processie bestaat het eigenaardig gebruik, aan het volk erwtensoep

met stukjes spek uit te deelen; dit doen de leden van de Broederschap

onder feestelijk beiaardspel. Zie De Cock en Teirlinck, Kinderspel

en Kinderlust VII, bl. 92 vlg.; De Cock, Volkskunde, bl. 253;

V. Reinsberg-Díringsfeld, Das festliche Jahr, bl. 288, 297.

_Maria-Geboorte_ (8 Sept.) wordt ter onderscheiding van het feest

op 15 Aug. de "Kleine Lieve Vrouw" genoemd. In sommige streken van

Vlaanderen was het bekend onder den naam van _zwaluwen-afscheidsdag._

In den avond van den 7den September liet men in zekere Westvlaamsche

dorpen nooit na, te drinken op de gelukkige afreis der zwaluwen van

Onze Lieve Vrouw. Volgens een bekoorlijke legende vroeg Maria, in

een arme vrouw verkleed, eens een voerman te drinken en reikte hem,

om den drank op te vangen, den blanken kelk der haagwinde. Vandaar,

zegt de Brugsche Zondagsbode, dat in eenige dorpen van Vlaanderen

de meisjes op O.L. Vrouw-Geboorte "tikken" en drinken uit zulke

bloembekertjes, in de rondte dansen en zingen:

Aan Ons Lieve Vrouwen geboort

Gaan de lieve zwaluwen voort.

_Michielsdag_ (29 Sept.) kan worden beschouwd als het einde van den

zomer en het begin van den voorwinter, of der herfstperiode: zooals

gezegd, kenden onze voorouders, en ten deele het volk heden nog,

slechts zomer en winter. Nu wordt de ploeg geborgen. Wij krijgen

reeds een voorspel van de herfst- en wintergaven in de Vlaamsche

_vollerte_, een bijzonder soort wittebrood, dat men 's nachts ter

sluik de kinderen onder het hoofdkussen legt, om bij het ontwaken

gevonden te worden. Voorheen dronk men dezen dag de _Michaëls-minne,_

zie mijne Essays en Studiën, bl. 234.

Deze dag is een kritische dag, van belang in de volksweêrkunde. Bekend

is ook de _Sint Michielszomer_, waarop wel betrekking heeft het

Vlaamsche paailiedje:

Draaie, draaie, wielke,

t' Avond komt Machielke,

Komt Machielke t' avond niet,

Hij en komt van g'heel de weke niet.

En de kinderen op den Vlaamschen Steenweg te Brussel zingen:

Sinte-Michiel

Draait zijn wiel

Mee zijnen blooten erremen.

De verwantschap van Sint Michiels- met Sint Maartensdag blijkt ook

nog uit de Drentsche _Sint Michielsjacht_.

_Allerheiligen_ (1 Nov.) brengt somwijlen den Allerheiligen-zomer,

ook wel door het volk "Oudewijven-zomer" genoemd.--Reeds in den

namiddag begint in de katholieke streken het bezoek der graven,

immers het is de vooravond van

_Allerzielen_ (2 Nov.). Als de stormwind begon te huilen door de

ontbladerde boomen, dan stormde het dooden-, het geestenheir door

het luchtruim, en in den aanvang van dit tijdperk vierden de oude

Germanen hun doodendag. Na de invoering van het Christendom werd

deze private feestviering gekerstend en steunde voortaan op het

geloof aan de "gemeenschap der heiligen", terwijl ook de min of meer

animistische gebruiken, als het bezoeken der graven, het branden

van kaarsen, het brengen van bloemen of spijsoffers, òf officieel

werden afgeschaft, òf in christelijken zin werden hervormd; hetgeen

natuurlijk niet belette, dat nog heel wat animistische voorstellingen

en gebruiken bij het volk bleven voortbestaan. Als het stormt, spreekt

men thans nog van den _zielewagen_, en rond Scherpenheuvel heet het:

"dit zijn zielkes uit het vagevuur, die vragen verlost te worden". Op

meerdere plaatsen heerscht het volksgeloof, dat de "geloovige zielen"

gedurende de twee eerste Novemberdagen het vagevuur mogen verlaten

en haar vroegere woonsteden bezoeken. Natuurlijk geeft dit rondwaren

der zielen aanleiding tot menige bijgeloovige vrees. Kerkelijk werd

de 2de November aan de nagedachtenis der geloovige zielen gewijd, het

eerst door Odilo, abt van Cluny, in 998; later werd dit gebruik door

verscheidene diocesen gevolgd, het eerst door Luik, waar bisschop

Notker het in het begin der XIe eeuw invoerde. Zie H. Kellner,

Heortologie3 (Freiburg i/B. 1911), bl. 242, 248.

Op tal van plaatsen in Vlaanderen bakt men _zielebroodjes_ of

_zieltjeskoeken_, een bijzonderen vorm van koeken, en deze laat men

's nachts "voor de arme zielen" staan; hieruit spreekt duidelijk

de animistische voorstelling van het stoffelijk voortbestaan der

ziel in of nabij het graf. Of ook, de zieltjeskoek wordt in de asch

geworpen of zelf genuttigd, waarbij dan de grondstelling geldt:

"hoe meer men eet, hoe meer zieltjes men verlost." Ik herinner hier

aan de zieltjesbroodjes van Dixmuiden, Nieuwpoort, Veurne, Aalst en

Yperen. Ter vergelijking diene, dat in Karinthi, bij het toebereiden

der spijzen "voor de arme zielen", iets in het vuur wordt geworpen,

terwijl men in Tirol het overgeblevene van het avondeten op tafel laat

staan met de woorden: "Das gehört den armen Seelen." Vgl. De Cock,

Volkskunde XIV, bl. 140; H. Coninckx, Mechelsche gebruiken I, bl. 21.

Met deze zielebroodjes hangt allicht samen het gebruik, op _Sint

Hubertusdag_ (3 Nov.) zoogenaamde _Hubertusbroodjes_ te laten wijden,

zooals in Vlaanderen en Limburg geschiedt. Volgens de legende was

de H. Hubertus, eerste bisschop van Luik, een hartstochtelijk

jager. Vandaar, dat hij als patroon der jagers geldt en tegen

de hondsdolheid wordt aangeroepen. In België zijn onder het volk

bezweringsformules gangbaar als deze, om de dolle honden af te weren:

Ik kwam al over Sint-Huibrecht zijn graf,

Zonder stok of zonder staf;

Kwaden hond, sta stille:

Het is Sint-Huibrechts wille.

Nederlandsche Volkskunde · 第 76 / 117 题