De vrouw begon te kermen,

"Ach bakker 't doet mij zoo zeer!"

De bakker zonder ontfermen

Sloeg nog wel tienmaal meer.

De vrouw kroop onder den oven,

De bakker van achternaar!

Daar kwamen zij uitgestoven [bestoven?],

Met dezen nieuwe jaar.

Al zingende gaan de kinderen rond bij de inwoners van het

dorp. Zij ontvangen noten, appelen, krakelingen enz., maar

ook nieuwjaarskoeken, in West-Vlaanderen _lukken, liefkoeken_,

in Oost-Vlaanderen _nieuwjaarkes_ geheeten: kleine wafeltjes,

in een bijzonder wafelijzer gebakken. Eene bijzondere vermelding

verdienen de _nijjaorskôken_ en _kniêpertiês_, de _spekkendikken_,

spekpannekoeken, vetkrabben, oliekrabben en _juffertiês_ uit den

Achterhoek, verorberd op oudejaarsavond of _täofeltiêsaovend_ (Raalte,

Ommen, Collendoorn enz.), wanneer meiden en knechts, ja het heele

gezin uitgaat _hen kôken_ of _hen taofelen_. Op een ijzeren plaat

brandt er vuur, en in het front prijkt de _kôokstomp_, tot dit doel

reeds in den zomer uitgezocht en gedroogd. Hierop komt te rusten het

_kôokiêzer_ of _nijjaorsiêzer_. Elders begint de smulpartij met een

_poddik_ (pudding), dan volgt rijst en daarna 't _beestenvleesch_,

de hoofdschotel.

De koekijzers zijn versierd met kunstig graveerwerk en inschriften,

wier spiegelschrift door den nieuwjaarskoek leesbaar wordt weergegeven;

zoo b.v.: "Segt niemand U Geheim nog U geheime gedachte. Die heden

Is U Friend Sal morgen U verachten" (Twente). Ook elders bakt men

_vollaards_, _prauwels_ en _ijzerkoekjes_, te Groningen _olde wieven_,

te Velthoven (N.-B.) _towten_.

Men ziet het, wij zijn volop in het vruchtbaarheidstijdperk. Dit

blijkt ook hieruit, dat te Roosteren (L.) de kinderen hun "heio"

roepende op nieuwjaarsdag rond gaan, te Echt, Einighausen, Nunhem,

Buggenum, Beegden (L.) enz. op Silvesteravond. Dan zingt men het

eeuwenoude liedje:

Ich kwaam al aangeloupe,

Ich sêg 't see rouke,

Ich sêg wal aan den oave wis,

Dat er get gebakken is.

Isser niks gebakke,

Dan gèft ene korf vol appele,

Is de korf te klein of te groot,

Dan gèft mig ene volle schoot.

Te Soerendonk (N.-B.) luidt dan het Schuddekorfslied:

Vrouwke, vrouwke, nieuwjaar geven,

Ge zult verdienen het eeuwig leven.

Het eeuwig leven is bitter gewonnen,

Voor een gulden een draad gesponnen.

Kijk eens in je korfje,

Daar liggen drie appeltjes in,

Even groot, kralo, vrouwke lo,

Geef wat, houd wat,

Volgend jaar weer wat.

Men noemt dit b.v. te Buggenum _ringzingen_ (ring=soort krakeling);

na het zingen volgt het _grabbelen_, Maasbree: _griebelen_. Meestal

krijgen de kinderen _ringen_, maar ook ander snoepgoed. Te Koedijk

(N.-H.) gaat in den nieuwjaarsnacht de plaatsvervanger van Sinterklaas,

"de gouden [goede?] engel" rond, om de kinderen wat lekkers te rijden.

Eindelijk, met het vruchtbaarheidsbegrip staat, naar men weet, ook

in verband het schieten in den nieuwjaarsnacht, veelal verboden,

maar in het zuidelijk volksgebied nog doorgaans gebruikelijk. Ook

elders, te Deventer b.v., schiet men nog "van het olde in 't nije",

of men "schieët het olde uut". Dit schieten wordt thans nog slechts

als vreugdeteeken beschouwd.

Het "nieuwjaar afwinnen" is nog steeds in zwang. Bij het

nieuwjaarsbezoek worden veelal (Staphorst enz.) koeken opgedischt,

te Venloo een bepaalde soort moppen, die dan ook _nieuwjaarsmoppen_

heeten.

Eén eigenaardigen gebaksnaam liet ik nog onbesproken, n.l. het

Westvlaamsche _strijne_ of _strene_ (rondom Veurne), dat door

het Fransche _étrennes_ op het Latijnsche _strenae_ teruggaat:

zoo heetten de kleine, maar aangename geschenken, die men elkaar

in het oude Rome op Nieuwjaarsdag vereerde. Immers bij de gebruiken

der jaarswisseling dient men niet alleen rekening te houden met de

Christelijke en Germaansche bestanddeelen, maar ook met den invloed,

uitgeoefend door de Romeinsche kalenderviering, die den god Janus

golden. Zie Driem. Bladen VIII, bl. 62; V, bl. 80; II, bl. 1 vlg.;

Welters, Feesten, Zeden, Gebruiken en Spreekwoorden in Limburg,

bl. 13; Ter Gouw, Volksvermaken, bl. 109.

_Driekoningendag (6 Jan.)_. De kinderschaar, die langs de huizen trekt

en daar om brandhout of versnaperingen vraagt, somtijds nog met den

ouden _rommelpot_ of _foekepot_, neemt op Driekoningendag een geheel

bijzonderen vorm aan door een sterkere vermenging met het Christelijk

element: ik bedoel het bekende _sterzingen_, op het oogenblik tot

België en sommige plaatsen in de zuidelijke provinciën beperkt. Drie

jongens, als koningen verkleed--en éen hunner is met roet zwart

gemaakt--, gaan van huis tot huis en dragen aan een staak een ster,

uit papier gesneden, en met goud en zilver versierd. Trekken ze aan

een koord, dan draait de ster als een molen. Zij dragen de namen der

H.H. Driekoningen: Caspar, Melchior en Balthasar.

Eenmaal kende men de sterdragers in alle steden en gewesten van

Groot-Nederland. Het lied, dat zij zongen, en dat nòg gezongen

wordt, is in tallooze varianten overgeleverd, maar kan althans in

hoofdtrekken worden gerekonstrueerd. Het is subliem van roerenden

eenvoud. Treffend vooral is het sterk op den voorgrond zich dringende

lyrisch-dramatische karakter: en inderdaad, uit de dramatische

voorstelling der Aanbidding van de Drie Koningen is het ontstaan,

heeft het zich gevormd en vervormd. Oorspronkelijk krijgen wij dan

buiten het kerkgebouw een rondgang van koorknapen en scholieren, later

van de jeugd in het algemeen. Te Weert bestond in 1840 nog het gebruik,

dat op Driekoningenavond drie misdienaars in hun koorgewaad met ster,

lantaarn en proviandkorf van huis tot huis trokken.

Het lied, dat in de Zaanstreek en langs de Noordzee het zuiverst

bewaard bleef, moet oorspronkelijk ongeveer geluid hebben als volgt:

Wij komen getreden met onze sterre,

Wij zoeken Heer Jezus, wij komen van verre.

(wij hadden Hem gaerne).

Wij kwamen al voor Herodes zijn deur,

Herodes, de koning, kwam zelvers veur.

Herodes, die sprak met valscher hart:

"Hoe ziet er de jongste van drieën zoo zwart?"--

"Hij ziet er wel zwart, maar hij is welbekend,

"Het is er de Koning van Oriënt."

Wij kwamen den hoogen berg opgegaan,

Daar zag men de starre stille staan,

Ja stille staan.

(Pauze.)

Och starre, jij moet er niet stille staan,

Je moet er met ons tot Bethlehem gaan.

Tot Bethlehem, in die schoone stad,

Daar Maria met haar klein kindeke zat.

Hoe kleiner kind, hoe grooter God:

Een zalig Nieuwjaar verleen ons God.

Noordwijk:

Daar al de Joden mee hebben gespot.

Dit lied is nauw verwant met een ander, dat opgeteekend staat in

_Het Hofken der geestelijcker Liedekens_ (Loven 1577), bl. 28;

het begint:

Het quamen drij Coninghen uut verre landen,

Nu wiegen, nu wieghen wij,

om Gode te doen een offerande.

Des waren sij vro.

Alle mijnen troost, mijn toeverlaet

is Maria soon.

Sij quamen van Ooste, sij quamen van verre,

Nu wiegen, nu wieghen wij,

Al bijt verlichten van eender sterre.

Des waren sij vro.

Alle mijnen troost, enz.

Maer doen sij binnen Jerusalem quamen,

Nu wiegen, nu wieghen wij,

Die claerheyt der sterre sij niet en vernamen.

Des waren zij droef.

Alle mijnen troost, enz.

Zie Van Duyse, Het Oude Nederl. Lied, bl. 2042. Dr. Boekenoogen wijst

er zeer terecht op, hoe het refrein aantoont, dat het lied ook gezongen

is bij het wiegen van het Kerstkindje in de kerk; zie het Jubelnummer

van Volkskunde, bl. 24 vlg., waar hij ook op voortreffelijke wijze

de verschillende parodieën van het sterrelied behandelt; vergel. nog

Knuttel, Het Geestelijke Lied enz., bl. 106.

De rondgaande kinderen zongen en zingen ook veelal het lied van Maria

Magdalena (eveneens met talrijke varianten):

Op eenen Driekoningenavond,

Op eenen Driekoningendag,

Toen zat Maria Magdalena

Al op Heer Jezus' graf.

Sta op, Maria Magdalena,

Sta op van den bitteren dood!

Uw zondekens zijn u vergeven,

Al waren zij nog zoo groot.

Een meer volledige, juister wellicht meer uitgewerkte lezing van dit

lied vindt men in Volk en Taal I, bl. 53; in bedelliedjes werd het

herhaaldelijk geparodieerd.

Aan de nieuwjaarsvuren herinnert het kaarsjespringen; immers

de engere Joeltijdperiode, die den 6den Januari eindigt, is het

eigenlijke nieuwjaarstijdperk. Als besluit van dit tijdperk wordt

Driekoningendag in Vlaanderen dan ook plaatselijk _Dertiendag_ of

_Dertiennacht_ genoemd; ook in oude Nederlandsche kalenders wordt hij

nog aangehaald als _Dertiendagh_. Te Zwolle was het kaarsjespringen

dan ook op oudejaarsavond gebruikelijk: naar men ziet, hangt het

noch met den H. Martinus, noch met de Driekoningen samen, maar is

het een rudimentaire vorm van de aloude feest- en offervuren. Op

Driekoningendag kent men het nog te Breda, Huissen enz.; eertijds was

het algemeen in het Noorden van ons land. De _koningskaarsjes_ waren,

volgens Ter Gouw, Volksvermaken, bl. 177, kaarsen met drie armen,

waarvan de middelste zwart geverfd was en "het Moorken" of _Melckert_

(d.i. Melchior) heette. Zóo was het gebruik eenigermate gekerstend. In

de Middeleeuwen noemde men deze kaarsjes zelfs de _gebenedijde_

of _heylighe keerskens_. Bij het dansen zong men:

Kaarsies, kaarsies, drie aan een,

Springen wij er over heen heen.

Al wie daar niet over kan,

Die en weet er nou niemendal van.

In België verdwijnt het gebruik of is het verdwenen. Te Sint Truiden

zong men:

Keerske, keerske over het keersbeenke,

En al wie daar niet over en kan,

Die weet er niet van!

En al wie daar niet over en kan,

Die blijft er van,

Die blijft er van!

Keerske, keerske over het keersbeenke!

Zie 't Daghet in den Oosten II, bl. 115.

In Noord-Brabant, Antwerpen, Belgisch Limburg en West-Vlaanderen kent

men ten slotte nog het volgende rijmpje:

Drie koningen, drie koningen,

Geef mij een nieuwen hoed.

Mijn oude is versleten,

Mijn moeder mag 't niet weten,

Mijn vader heeft het geld

Op den rooster geteld.

Of wel (Noord-Brabant):

Vader mag het niet weten,

Moeder is niet thuis,

Piep zegt de muis

In 't zomerhuis (in 't voorhuis).

Driekoningen werd in de Middeleeuwen niet alleen in de kerk,

maar ook daarbuiten in ruimen kring luisterrijk gevierd. Op

Driekoningenavond heerschte vreugde alom, in de paleizen, maar ook

in de schamele woningen der armen. De steden gaven aan de kloosters,

en de kloosters verstrekten aan de arme lieden brood en bier tot

"hun Coninxfeeste". Dat dit ook naderhand nog voortduurde, ergerde

den ouden Walich Sieuwertsz zeer, en hij beklaagde zich dan ook,

dat nog in 't begin der XVIIe eeuw voorname en officiëele personen

zich niet schaamden, "op Derthienden avent Coningsken te spelen,

en haer voor Godt en de menschen niet en schamen dit naer te volgen

ende te onderhouden."

"'t Was wel de moeite waard", schrijft Ter Gouw, "zich over zoo'n

onschuldig huiselijk vermaak zoo te ergeren! En nog langen, zeer langen

tijd, nadat Walich en zijn boek reeds lang vergeten waren, speelden

dan ook de Hollanders nog even vrolijk koninkje als weleer. De bakker

leverde, of de huismoeder bakte zelve, een brood, waarin een boon

verborgen was; bij de boeren heette 't "de bonekoek", in de steden

"'t coninxbrood"; en de boon was het, die "het lot van conig te sijn"

besliste." (Volksvermaken, bl. 175). Het _Driekoningenbrood_ is nog

niet in onbruik.

Boonenkoek en koningsbrieven, die verkocht of getrokken worden,

en waardoor de rollen van koning, koningin, hofnar, asschepoester,

Zwarte Piet (herinnering aan den zwarten koning?) enz. verdeeld worden,

zijn in Noord-Brabant en Limburg nog veelal gebruikelijk. Te Antwerpen

worden op den vooravond de koningsbrieven door de kinderen op straat

gevent; dan hoort men aanhoudend:

Koningsbrieven en kroon en kroon!

Koningsbrieven en kroon!

De Cock, Volkskunde, bl. 235 bericht hierover nader: "Op slechts enkele

plaatsen van het Vlaamsche Land (in Brabant en West-Vlaanderen) is de

boonkoek nog bekend. Daarnaast bestaat echter een andere manier om den

koning aan te duiden, n.l. door het trekken van de "keuningsprentjes

of -briefkens", reeds in 1469 in de gemeenterekeningen van Veurne

vermeld, en, wat meer zegt, in een oude kroniek van Doornik in 1281 al

een oud gebruik geheeten. Dit wordt nog heden in verscheiden steden

en dorpen van de beide Vlaanderen aangetroffen. Een volledig stel

gedrukte koningsbriefjes bevat afbeeldingen voor zestien personages,

n.l. den koning met zijn hovelingen en bedienden: raadsman, sekretaris,

rent- en hofmeester, schenker, voorsnijder, biechtvader, medecijn,

portier, bode, zanger, speelman, zot en kok,--elk voorzien van een

passend vierregelig versje, dat min of meer de rol aangeeft, die

men te vervullen krijgt. In de dorpen, waar gedrukte koningsbriefjes

doorgaans ontbreken, worden deze eenvoudig geschreven, vaak in een

zeer populairen, boertigen vorm. Na trekking der briefjes zijn de

rollen verdeeld; de koning moet zijn onderdanen te drinken geven en

drinkt zelf de eerste teug: thans gewoonlijk gesuikerde jenever met

een lepel uit een kom geschept en hieruit opgeslurpt. Op dat oogenblik

dienden de hovelingen te roepen: ""De koning drinkt."" De zot zag

toe, of niemand daaraan te kort schoot en de nalatige werd met een

koolstreep in 't aangezicht gemerkt." Zie verder zijne Spreekwoorden en

zegswijzen afkomstig van oude gebruiken en volkszeden (Gent 1908),

bl. 171. Men denke ook aan de doeken van Jordaens: "De koning drinkt."

De koningskoek komt nog elders voor. In Engeland vooral bakt men

koningskoeken van allerlei grootte en vorm, als een waardig besluit

van het Vruchtbaarheidstijdperk.

Het "koninkje spelen" is waarschijnlijk een Romeinsch bestanddeel,

een overblijfsel van de heidensche _Saturnalia_, dat door den

Driekoningendag een christelijk vernisje kreeg. Dan toch vierde

men te Rome de zegeningen van den gulden voortijd: toen de god

Saturnus onder de menschen leefde en overal vrijheid en gelijkheid

bloeide. Vooral de slaven hadden het dien dag goed, werden door de

meesters als huns gelijken of zelfs als meerderen behandeld en door

hen aan tafel bediend. Feestgelagen waren in dezen tijd aan de orde

van den dag, en veelal liet men bij deze dan het lot beslissen, wie

koning der tafel werd, feestkoning, tevens ceremoniemeester. Trouwens

het koningsspel was te Rome overoud; Suetonius noemt dit "het spel om

gezag en heerschappij". Het verloten geschiedde meestal door middel

van boonen, die een sakrale beteekenis hadden.

Wellicht berust op de gebruiken gedurende de _Saturnalia_-feesten ook

nog het geven van geschenken op _St. Pontianus en St. Agnesdag (14

en 21 Jan.)_, het "Ponsen en Angen" of "Ponsen en Nieten", vroeger

in Nederland en België gebruikelijk; mogelijk stoelen de gebruiken

dezer dagen ook op het feestelijk overbrengen der relikwiëen van

de H.H. Pontianus en Agnes. Eigenlijk gaven de mannen op 21 Januari

geschenken aan de vrouwen en meisjes, terwijl zij op 14 Januari een

tegengeschenk ontvingen van de door hen op Koppermaandag begiftigde

vrouwen.

_Vrouwkensavond (19 Jan.)_, te Brussel gevierd, naar verluidt

ter herinnering aan den 19den Januari 1101, toen de Brusselaren,

aan het zwaard der Saracenen ontkomen, onverhoopt naar huis

terugkeerden. Telken jare luiden nog heden des avonds alle klokken

van Brussel een half uur lang. De vrouwen zijn uitsluitend baas, en na

't avondmaal trachten zij zelve hun echtgenooten naar bed te dragen.

_Koppermaandag_ heet de Maandag na Driekoningen: _kopperkensdagh,

kopperkensmaendagh._ Men verklaart dezen naam aldus, dat deze Maandag

ongeschikt werd geacht om koppen te zetten, zoodat de koppers

vrijaf hadden. Wellicht is het juister van het oude _kopperen_

"smullen, drinken, pret maken" uit te gaan, dat van _kop_ "beker"

kan komen. Een volksetymologische vervorming is _koppeltjesmaandag_,

wegens het bijeenkomen van het gemeene volk, evenals _koperen maandag_,

naar de kopermunt, die dan als fooi gegeven wordt. Andere namen zijn:

_gekke maandag, raasmaandag, kopjesmaandag_ (Groningen), _verloren-,

verzworen-, verkoren_-, ja _Flora-maandag_. Te Diest zegt men nog

_blijde maandag_. "Verloren" Maandag werd verklaard door het daags

te voren gelezen evangelie van het "verloren" kind Jezus, of omdat

deze dag van wege de feestelijkheden van de eedsaflegging der lagere

ambtenaren toch verloren was. Deze laatste verklaring is zeer zeker

te verkiezen, wanneer men tevens in het oog houdt, dat "verloren"

weer volksetymologisch verbasterd is uit "versworen", de benaming,

die in de oudste dokumenten voorkomt en op genoemde eedsaflegging

betrekking heeft. Men doet goed dezen Maandag te beschouwen als den

heksluiter van het nieuwjaarstijdperk, wat dan ook het best strookt

met de ambtsaanvaarding der beambten. In sommige deelen van Vlaanderen

zegt men: _Egyptische Maandag_, omdat men daar een omgang hield,

en ten deele nog houdt, die de vlucht naar Egypte voorstelde.

Te Amsterdam had eertijds op dezen dag een optocht der leprozen plaats,

te Utrecht en elders liep men gemaskerd door de straten. In Gelderland

en Limburg werd koppermaandag nog niet lang geleden luidruchtig met

ganstrekken en katknuppelen gevierd. Merkwaardig is het zeker, dat

dan te Haltert, Oosterzeele en andere dorpen van Oost-Vlaanderen

de schoolmeester door de leerlingen wordt gebonden, hetgeen aan

de gebruiken op St. Thomasdag herinnert (bl. 126). In Nederland,

waar de dag voorheen door alle gilden gevierd werd, blijft heden

hoofdzakelijk nog de viering door zetters en boekdrukkers over. Wel

trekken nog in enkele Friesche dorpen de kinderen geruchtmakend en

met ketens rammelend door de straten. Te Holwerd zingt men hierbij:

Kopermoandei, blikken tiisdei [Dinsdag],

Noch in dei,

Dan is kopermoandei wei [weg].

Zie Waling Dijkstra, Uit Friesland's Volksleven I, bl. 167.

_Antonius-abt (17 Jan.)_ behoort in België tot de meest populaire

heiligen. Vele broederschappen of gilden van Sint Antonius drinken

dien dag haar halve ton gildebier. Zijn attribuut is het varken,

omdat de duivel in varkensgedaante hem bekoorde. Vandaar, dat de

heilige naderhand algemeen als patroon van het vee werd beschouwd, en

als zoodanig door boeren, vleeschhouwers en spekslagers vereerd. In

de Middeleeuwen hadden de Sint Antoniusgilden het recht, een zwijn,

dat als herkenningsteeken een klokje aan den hals droeg, overal vrij

te laten weiden; zelfs in de steden zag men dit _Antoniuszwijn_

ongehinderd rondloopen. In België, de Rijnprovincie en, tot voor

eenige jaren, in Limburg (Vaals, Hoensbroek enz.) wordt den I7en

Januari varkensvleesch geofferd en na de kerkelijke diensten onder

de armen verdeeld.

_Sint-Sebastianus (20 Jan.),_ de met pijlen doorschoten martelaar,

wordt door de schuttersgilden, wier patroon hij is, plechtig

gevierd. De schuttersgilden bloeien nog in België en in de zuidelijke

gewesten van Nederland. Vaak luisteren zij de processies of religieuze

ommegangen met haar vaandels, trom, fluit, wapens en versierselen

op. Hun "koning" is met zilveren platen omhangen. Eén plaat, met

zilveren vogel, is het teeken, dat hij op het gildefeest den vogel met

zijn boog heeft afgeschoten, vanwaar de uitdrukking: "Hij heeft den

vogel af." Vooral des zomers worden door de handboogschutterijen druk

bezochte prijskampen gehouden; op dit onderwerp kom ik naderhand terug.

_Pauli Bekeering (25 Jan.)._ Ook deze dag is een _dies criticus_. een

beslissende dag voor het weêr. Hier geldt natuurlijk alleen de

datum, het tijdstip, niet de geschiedenis van den heilige, niet zijne

attributen, niet de volksetymologie van zijn naam, zooals dit b.v. het

geval is met de H.H. Clara, Lucia, Andries, Mathijs en Katharina. De

Tirolers verzekeren van den 25sten Januari:

Paul bekehr',

Der halbe Winter hin, der halbe Winter her.

V. Reinsberg-Düringsfeld verhaalt nog, dat de Belgische wijnbouwers

dezen dag beschouwen als beslissend voor den wijnoogst: "ils sont

contents s'il est clair, mais très tristes si le contraire a lieu"

(Calendrier belge I, bl. 76).

De heilige wordt ook gestraft, als hij niet voor goed weêr zorgt. Wij

hebben hier een sprekend geval van het mishandelen of straffen van

heiligen, door hun beeltenissen te onteeren of te kastijden: typisch,

onvervalscht fetissisme. Immers Schotel vermeldt in zijn Tilburgsche

Avondstonden, bl. 12, dat men "elders een strooien Paulus aan den

haard plaatste, terwijl de vrouw koeken bakte. Was het goed weêr,

dan wierp zij een pan met boter over hem heen, of sloeg hem met een

geboterden koek in het aangezigt. Was het weer slecht, dan wierp zij

hem in het vuur". Ter vergelijking diene het bericht, dat in het begin

der XVIe eeuw de inwoners eener kleine Duitsche stad gewoon waren op

St. Maartensdag het beeld van den heilige openlijk langs de straten

rond te dragen. Geschiedde zulks bij helder weêr, dan begoten zij het

met wijn; maar regende het, dan wierpen zij het met slijk en modder.

Zoo valt licht op een gebruik, dat te Jutfaas (Utrecht) vroeger en

wellicht thans nog bij de boerenbewoners heerschende is. Op Pauli

Bekeeringsdag placht men bij vrienden en kennissen een _Paulus_

of _Paulusje_ in huis te brengen, "binnen te brengen". Dit was

een grootere of kleinere pop, die men in een hoek van het vertrek

plaatste. Gebeurde zulks, zonder dat de brenger nat werd gegooid,

dan moest de vrouw des huizes 's avonds koeken bakken, enz.

Zooals uit het bovenstaande blijkt, gold dit koeken bakken, dit met

water gooien oorspronkelijk den heilige, of liever de pop, die den

heilige voorstelde. Wellicht is deze wijze van mishandelen ontleend

aan een vaak terugkeerend vruchtbaarheidsgebruik, dat de Duitsche

folkloristen _Regenzauber_ noemen, waarover nader. Zie over Pauli

Bekeering mijn opstel in het Jubelnummer van Volkskundc, bl. 21 vlg.

_Maria Lichtmis_ (_2 Febr._). Dat dit feest voor een heidensch in de

plaats trad, waarom en hoe, leert Paus Innocentius III in een preek

op Maria-Zuivering: "De heidenen hadden de maand Februari aan de goden

der onderwereld toegewijd, omdat, naar zij ten onrechte meenden, in het

begin dier maand Proserpina door Pluto geroofd was; men geloofde, dat

hare moeder Ceres haar den ganschen nacht in Sicilië had gezocht met

brandende fakkels. Ter gedachtenis daaraan hielden zij [de heidenen]

in het begin der maand een ommegang door de stad met brandende

fakkels. Daarom werd dit feest _Amburbale_ genoemd. Maar wijl onze

heilige voorouders deze gewoonte niet geheel en al konden uitroeien,

hebben zij bepaald, dat men ter eere der H. Maagd Maria brandende

kaarsen dragen zou. En zoo geschiedt thans ter eere der H. Maagd,

wat vroeger plaats had ter eere Van Ceres. En wat eerst gebeurde ter

eere van Proserpina, wordt thans gedaan tot lof van Maria."

Naar De Cock vermeldt, bestaat in België plaatselijk het gebruik,

de op 2 Februari gewijde lichtkaars te ontsteken vóor het kisten

van het lijk en dan enkele droppels in de kist te laten leken; soms

laat men op dezelfde wijze, bij de bereiding van het zaaigraan, wat

smeltend was tusschcn de korrels afdruipen; zie Volkskunde, bl. 237.

Vroeger verlieten of verwisselden de dienstboden op dezen dag

hun dienst. Dit was wel een der oorzaken van de baldadigheden en

verkwistingen op Lichtmisdag in Holland en Vlaanderen. Zoo kreeg

het woord "lichtmis" de beteekenis van "losbol". Hierop wijst ook de

Westvlaamsche benaming: O.L. Vrouw-_Schud-de-panne._

Deze dag is vermaard in de volksweêrkunde. "Wanneer op O.L. Vrouw

Lichtmis de zon op het misboek schijnt", zegt men in Limburg, "dan

kruipt de vos nog zes weken in zijn hol." En verder: "Op Lichtmisdag

ziet de boer liever den wolf in zijn schaapstal dan de zon".--"Lichtmis

donker, maakt den boer tot jonker"; enz. enz. Wij komen hierop terug

in het hoofdstuk over de Volksweêrkunde.--

Een Duitsch rijmpje zegt:

Wenn die Tage langen.

Kommt der Winter gegangen,

en, inderdaad, ook in ons land begint na Nieuwjaar, als het toenemen

der dagen merkbaar is, de eigenlijke periode der volksspelen en

wintervermakelijkheden. Zoo had b.v. te Elburg ouder gewoonte tusschen

Nieuwjaar en Vrouwendag het klootschieten plaats. Elk speler krijgt

een houten kloot, d.i. een platte, ronde schijf, terwijl de wal als

speelterrein dient. Men dient nu in het minst aantal worpen den wal in

het vierkant om te schieten, te beginnen aan een der vier poorten. Aan

hem, die in het minst aantal worpen den stadsmuur heeft rondgeschoten,

wordt de prijs toegekend.

Het klootschieten is wel een onmiddellijke afstammeling van het

Oudgcrmaansche steenwerpen. Ook te Ootmarsum en Oldenzaal heeft het

lang stand gehouden. De Hollanders en Gooiers waren eveneens groote

minnaars van dit spel, in de Zuidhollandsche dorpen _schietklooten_

genoemd; zie vooral Ter Gouw, Volksvermaken, bl. 322 vlg.

_Sint Blasius (3 Febr.)._ De volksetymologïe heeft bewerkt, dat de

H. Blasius in Vlaanderen wordt aangeroepen als patroon tegen zweren

of huidontstekingen, die "blazen", d.i. blaren, genoemd worden. In

Denemarken beschermt hij tegen den blazenden wind, op welk verband

door de Vlaamsche spreekwijze: "Blasius blaast", als het omstreeks

3 Februari sterk waait, een helder licht valt. Zoo wordt ook de

H. Lambertus door het volk aangeroepen tegen de lamheid en de H. Rosa

tegen de roos. Henri Estienne geeft over dit verschijnsel de voor

zijn tijd merkwaardige opmerking: "A quelques saincts on a assigné

les offices suivant leurs noms, comme (pour exemple) quant aux saincts

médecins, on a avisé que tel sainct guariroit de la maladie, qui avait

un nom approchant du sien." Zie vooral Gittée's belangrijk artikel:

"Scherzhaft gebildete und angewendete Eigennamen im Niederländischen",

in de Zeitschrift des Vereins für Volkskunde III, bl. 415 vlg.

_Vastenavond_ bestaat uit de drie "vette" dagen (Zondag, Maandag

en Dinsdag), die de groote Veertigdaagsche Vasten voorafgaan. De

Kerkvergadering van Leptines in 743 veroordeelde de _Spurcalia

in Februario_, waarmee zeer waarschijnlijk de uitspattingen van

den Vastenavond bedoeld werden; dat echter de term _spurcalia_

het aanzijn zou geschonken hebben aan onzen vorm _sprokkelmaand_,

Middelnederl. _sporkelmaent_, is niet geloofwaardig. Men vindt

ook reeds vroeg Vaste_l_avond, met de bekende variatie van _n_

en _l_, die ook in _vasteldag_ en _schrikkeljaar_, en in het

Middelnederl. _werkeldach_ worden aangetroffen.

Wij moeten m.i. drie bestanddeelen onderscheiden, die tot het

ontstaan der vastenavondfeestviering hebben bijgedragen. Vooreerst

een lente-vóorfeest, zooals ook uit menig vruchtbaarheidsgebruik

in binnen- en buitenland blijkt; en ik geloof, dat Julius Lippert,

Christenthum, Volksglaube und Volksbrauch (Berlin 1882), bl. 598 het

ware treft, wanneer hij in de kern der feestviering een _Romeinsch_

lentefeest ziet, in onze streken geïmporteerd, en dat zich naderhand

van het Westen naar het Oosten uitbreidde. Maar dit feest trof

in de Germaansche landen de resten van een specifiek-Germaansche

feestviering, een feestperiode, die zich door offervuren en

offermaaltijden kenmerkte. Mogk houdt deze periode voor een feest der

wederkeerende zon, vooral ook, omdat dan het wagenrad als symbool der

zon een rol speelt. Niet onbelangrijk zijn in dit opzicht de woorden

van Sebast. Franck, die ik bl. 104 bij het bespreken der noodvuren

heb aangehaald.

Maar het Christendom heeft deze feestviering voor het meerendeel

teruggedrongen tot vóór het begin van zijn veertigdaagschen Vastentijd,

met het gevolg, dat nog slechts enkele overblijfsels aan bepaalde

dagen in de Vasten bleven vastgehecht, met name aan Halfvasten:

"'t Is een feest der Brabantsche en Antwerpsche kinderen, dat met

het St. Niklaasfeest kan vergeleken worden.-- De kinderen zetten

in de schouw hunnen schoen of een korfken met hooi, dit laatste

voor het paard van den Greef, die 's nachts zijne ronde doet en

iets lekkers voor de goede, eene roede voor de slechte kinderen

achterlaat"; aldus De Cock en Teirlinck, Kinderspel en Kinderlust

VII, bl. 71.--Zoo kreeg ook het geheel der Vastenavondfeestviering

een eenigszins christelijke tint. Wat betreft het woord _Carnaval_,

dit is afkomstig van het Toskaansche _carnevale_. dat waarschijnlijk

eenigszins haplologisch voor _carnelevale_ staat; en deze vorm zelf is

door progressieve assimilatie uit _carnelevare_ ontstaan: "het opruimen

van het vleesch." Hierbij dient echter vermeld, dat Romanisten van naam

nog de voorkeur blijven geven aan de bekende verklaring als "vleesch,

vaarwel!": _carne_ + _vale_. Zij zien hierin een volkshumoristische

uitdrukking der kloostertaal. --De Romaansche benamingen van den

Vastenavond werden voortreffelijk behandeld door Merlo in Wörter und

Sachen III, 1, bl. 88 vlg.; vergel. III, 2, bl. 196.

In de Middeleeuwen bereikte de vastenavondpret haar hoogtepunt. Ik

herinner slechts aan de vertooningen der vastenavondkluchten door de

Rederijkers, aan de grootsche optochten en aan de dolle uitgelatendheid

der feestvierenden in zotskleedij, zoo meesterlijk door Pieter Breughel

den Ouden gepenseeld. In het protestantsche Noorden is de Vastenavond

zoo goed als uitgestorven; niet aldus in het Zuiden, men denke nog,

behalve België, aan Den Bosch en Maastricht. In het Rijnland is vooral

vermaard de vastenavondpret te Keulen en Maintz.

1. Iets zeer eigenaardigs is de maskerade, het vermomd over straat

loopen. "Zot loopen" was de gangbare uitdrukking; wij spreken nog

heden van "Vastenavondgekken".Maar "de tegenwoordige maskeraden zijn

slechts de schaduw van de vroegere", zegt De Cock, Volkskunde, bl. 239;

"de straat geeft ons al niet veel meer te aanschouwen dan piepjonge,

schreeuwerige gekken, vaak in poovere, afschuwelijke zotsplunje

gestoken, wel eens groepsgewijze met een paar trompetters in een

gewoon rijtuig zittend, en links en rechts den wandelaar, vooral de

jonge meisjes, een varkensblaas op den rug slaande, of handvollen

confetti's in het gelaat gooiend: een tooneel, dat veeleer walging-

dan lachwekkend mag heeten". Dit vermommings-gebruik is stellig uit

Rome afkomstig, uit de volksfeestviering, die aan "den goeden ouden

tijd" herinnerde, misschien wel een overblijfsel van de _Saturnalia_

(bl. 148) of van het Romeinsche "Narrenfeest" (_feriae stultorum_)

op den 17den Februari. Hierbij zij opgemerkt, dat inderdaad in

sommige streken in het buitenland de Vastenavond beschouwd wordt

als een verlengstuk van het Joeltijdperk, en de periode tusschen

Driekoningen en Aschwoensdag vult. Te Berg en Terblijt (L.) heeten

nog de Donderdagen tusschen O.L. Vrouw-Lichtmis en Vastenavond de

"Vette Donderdagen", omdat aardappelen met spek dan de hoofdschotel is.

2. Overvloed van spijs en drank, veelal ontaardend in overdaad, heeft

te allen tijde de vastenavondfeestviering gekenmerkt; drinkgelagen

en smulpartijen zijn dan aan de orde en stijgen op _Vetten Dinsdag_

ten top: in waarheid een vruchtbaarheidsfeestviering. Befaamd

zijn de _vastenavondkoeken_, verschillend van naam en van

vorm (vastenavondtaart, pannekoek, spekkoek, groenkoek, wafels,

geknepe-pletskes, poffertjes enz.), die voor de koekepan een eereplaats

in onzen spreekwoordenschat veroverden. In België hoort men: "Zij

vliegen meer als de heetekoekpan op Vastenavond"; in Limburg heeft men

het somwijlen "zoo druk als de pan op Vastenavond". Ook in Engeland is

Vastenavond-Dinsdag de groote _Pancake-dag_. Die dagen gaan in Brabant

en Limburg de arme kinderen onder het zingen van vastenavondliedjes

aan de deuren pannekoek bedelen: "Spek en eier en braadworst is goeie

vastenavondkost", meent men te Bree (B.L.). Te Reek (N.-B.) worden

dan bij partikulieren wel eens worsten, eieren en spek weggehaald,

wat doorgaans niet kwalijk genomen wordt. Vroeger werden te Afferden

worsten bijeengehaald en aan lange houten gaffels over straat gedragen.

3. Worst is een onmisbaar bestanddeel van het vastenavondmenu. Dit

blijkt ook uit de vastenavondliedjes, die eigenlijk rommelpotliedjes

zijn, d.i. gezongen met begeleiding van den rommelpot of foekepot

(bl. 142). Vandaar, dat op de Veluwe de Vastenavond plaatselijk

_foekedag_ wordt genoemd. De foekepot is een aarden pot, half vol

water, waarover een varkensblaas is gespannen; in het midden hiervan

is een rietstokje bevestigd, dat door den duim en twee nat gemaakte

vingers of door de geheele hand wordt gewreven en dan een dof-rommelend

geluid veroorzaakt. Ook in het Noorden van ons land is dit instrument

bekend en luidt het zeer zeker meest gangbare deuntje:

Ik heb al zoo lang met den rommelpot geloopen,

Ik heb geen geld om brood te koopen.

Rommelpotterij, rommelpotterij,

Geef mij een oortje, dan ga ik voorbij.

De rommelpot heet te Dalen, Zweeloo, Weerdinge, Eext, Zuidlaren,

Rolde en Norg (D.) _hotfot_ of _hottefot_, te Diever _fortelpot_, te

Zoutkamp _pooverpot_, in Noord-Holland veelal _rompot_. Men bezigt hem

ook omstreeks Paschen, Kerstmis en Nieuwjaar; zie Driem, Bladen II,

bl. 115.

De rommelpotliedjes, die zelf niet van dit instrument gewagen, worden

gekenmerkt door het refrein: "ho, man, ho!" Zoo b.v.:

De Schout van Leiden heeft een bult,

Ho, man, ho!

Die is met ouwe lappen gevuld,

Ho, man, ho! enz.

En zoo bezat ook het meest bekende en meest verspreide

vastenavondliedje oorspronkelijk dit refrein:

Vrouw, 't is Vastenavond, ho, man, ho!

'k Kom niet thuis voor t'avond, ho, man, ho!

'k Kom niet thuis voor morgenvroeg,

Dan is het nog wel tijds genoeg, ho, man, ho!

Een zeer merkwaardige en volledige lezing gewerd mij uit

Rosmalen (N.-B.); ik laat ze hier, behoudens enkele termen, in

algemeen-Nederlandsche transskriptie volgen, omdat het liedje beslist

algemeen-Nederlandsch is:

Vrouw, 't is Vastenavond,

Ik kom niet thuis voor te avond,

Te avond in den maneschijn,

Als vader en moeder naar bed toe zijn.

Gekke Griet, vertel het niet,

Want onze Jan is dronken.

Dronken Piet is onze gebuur,

Schriks tegen ons over.

Vat 'n stoel en zit bij 't vuur,

De prutselpot hangt over.

Boven in de schouwe,

Daar hangen de worsten aan touwen,

Vrouw geef mij een lange,

En laat de korte maar hangen.

Snij maar diep, snij maar diep,

Snij maar in mijn vinger niet.

'k Heb gezongen en niets gehad,

Geef me een stuk van 't varken z'n gat,

Koekebakkerij, koekebakkerij,

Geef me een cent, dan ga ik voorbij.

Vrij overeenkomstig hoort men dit liedje te Schijndel, Maashees,

(N.-B.), Merselo, Heer, Beegden, Buggenum (L.) enz. Te Deventer luidt

regel 3--7:

Ik kom nieët in huus veur margen vrog,

Is dat nieët vrog genog?

Vrouw, geef mien dit,

Vrouw, geef mien dat,

Geef mien een stuk van de varkenssta(r)t.

Veelal vormen, als te Buggenum, deze regels, die men ook bij menig

ander kalenderliedje aantreft, het besluit:

Vrouw gêftj, det jer lang lêftj,

Det jer riek en zalig werdj.

Maar worden de zangers met ledige handen weggezonden, dan luidt de

laatste regel wel eens:

Det uch 't humme aan 't gaat klêftj.

Verder kent men nog:

Foeke, foeke, langesjtaaf,

Gêftj mich ei sjtök van 't vräkesgaat;

Ich höb al zoo lang mitte foekepot geloupe,

Ich höb gei gellj òm brood te koupe,

Dei, dei, dikje dikje dei,

Gêftj mich ei centje, dan goa ik voorbij.--

Een ander zeer verspreid vastenavondliedje heeft ongeveer dezen vorm:

Vastenavond, die komt aan,

Als de meisjes vroeg op staan,

Dan staan zij in den spiegel:

Moeder, staat mijn mutsken knap?

Mijn lief zal t'avond komen.

Komt hij dezen avond niet,

Dan komt hij den halven vastenavond niet.

Zet het mesken al langs de bank,

Snijd het spek drie ellen lank,

Laat het mesken zinken

Tot op de witte schinken; enz.

(Bree).

Te Mill en Wanroy volgt op de zeven eerste regels:

Jobbik, Jobbik Janssen,

De gek, die moet dansen,

Ik en de gek

En een goed stuk spek.

Snij maar diep, snij maar diep,

Snij maar in uwe vinger niet!

Boven in die horste,

Daar hangen die lange worsten,

Als de lange gegeten zijn,

Dan zullen de korte wel beter zijn.

Vergelijk hiermee het Zutfensche:

Vastelavond, die komt aan,

Als de meisjes vroeg opstaan,

Dan gaan ze voor den spiegel staan:

Moeder, zit mijn kapje wel?

Daar komt Floris Janssen,

Die zal op den foekepot spelen,

En de gek zal dansen.

Volge nu een noordelijke en een zuidelijke lezing van een ander

bekend rommelpotliedje.

Te Eenrum (G.) en omstreken zingt men:

Foeke, foeke, rommelpot

En hestoe nog gein man,

Ik heb 'n broaden houndertien,

Dat zal der t'oavend an.

Als ik mien houndertien broaden zal,

Dan wordt mien potje voel,

Als ik mien potje schrabben zal,

Dan kittelt (kippert) mie de doem.

Dan goan wie noar de smid,

Dei moakt ons potje wit;

Dan goan wie noar de heeren,

En loaten ons poddien smeren.--

Zet hier een stoul, zet doar een stoul,

Op ieder stoul een kussen,

En doar een mooi meissien tusschen.

Vanaf den vijfden regel luidt een zeer eigenaardige variant te

Groningen:

Schippien van drei weken

Loat heur zailtien streken.

Boven in de hangeltop

Doar hangt 'n dikke metworst.

Snie wat braid, snie wat snel,

Snie joe den moar nijt in 't vel.

Snie wat braid, snie wat roem,

Snie joe den moar nijt in doem.

De zuidelijke lezing is bekend te Turnhout en omstreken en in

een groot deel van Noord-Brabant, met name in het zuidoostelijk

gedeelte: Eersel, Velthoven enz. Ook Druten en omstreken heeft voor

het meerendeel gelijkluidend:

Vastenavond, goede gebuur,

Ik heb nog geenen man,

Ik heb nog een klein hoentje,

Dat moet er t' avond an.

En als ik mijn hoentje braden wil,

Dan is mijn panneken vuil,

En als ik mijn panneken schuren wil,

Dan tintelt mijnen duim.

Dan loop ik naar de geburen,

Daar laat ik mijn panneken schuren,

Dan loop ik naar de Franschen,

Daar laat ik mijn potteken dansen.

De laatste regels van de noordelijke lezing bevatten een motief uit

een ander vastenavondliedje:

Vastenavond, die komt aan

Klinken op de bussen,

Hier eene stoel en daar eene stoel,

Op iedere stoel een kussen,

Meisje [Vrouwtje], hou je kinnebak toe,

Of ik sla er een pannekoek tusschen.

Te Barneveld vervolgt men:

Tusschen de neus en de kin,

Daar kan nog wel een pannekoek in.

Ho, man, ho!

"Klinken op de bussen" is wel synoniem van "in de bus blazen, geld

uit geven": Driem. Bladen I, bl. 77, III, bl. 26. Deze uitdrukking

komt ook voor in het Zwolsche:

't Is van oavend Vastenoavend,

Klink moar op de bussen!

Alle mooie meissies kriegt een man,

Behalve ik en mien zusse.

4. Op sommige plaatsen behoort tot het vastenavondvermaak het haanslaan

(of haansmijten) en het gansrijden (gansjagen, -sabelen, -trekken,

-slaan, -knuppelen), ook wel _gent_ of _voejagen_ genoemd. Een

opzettelijk daartoe gemeste gans wordt tusschen twee palen of boomen

aan een lijn met den kop naar beneden opgehangen. In vollen draf rijden

nu de ruiters (voorheen de leden van het gansrijdersgild) onder de

gans door en trachten het dier den kop af te rukken. Ook de jongens

van 12--17 jaar jagen "de voe"; zij zijn gezeten op stokpaarden,

dragen een chapeau-claque van bordpapier, versierd met vederbos en

klatergoud, en draven op hun stokpaarden onder de lijn door.

Op de meeste plaatsen is dit gebruik thans in onbruik geraakt; te

Guttecoven (L.), Rijkevoort (N.-B.) en elders heeft het zich weten

te handhaven. Te Guttecoven wordt de vogel aan een boom gehangen en

ieder slaat er naar met een sikkel. Wie het dier den kop af slaat,

is koning of koningin; want ook meisjes doen mee. Koning of koningin

worden getooid en met hen trekt men nu langs de huizen, bedelend om

spek, eieren en worst:

Vasteloavend,

Sjtokvastoavend,

Hiê ene sjtool en doa ene sjtool,

Op jede sjtool ei kösse,

En doa ein broadwoosj tössche;

Op jede sjtool ene pannekook,

Det deit de jong meitjes good.

Maar al werd het gansjagen afgeschaft, op tal van plaatsen gaat nog

de worstenkar rond, of trekt althans nog de jeugd, om spek, worst

en eieren bedelend, door de straten. Aldus te Afferden, Buggenum,

Swalmen, Tegelen, Boxmeer enz. Men noemt dit gebruik _fooien-jagen,_

een (volksetymologische?) vervorming van _voejagen._ Bij dezen rondgang

zongen vroeger de jongens in Twente:

Boven in de hörste

Doar hange de spiele mit wörste:

Doo mi eenen langen,

Moar loat dee kleine mer hangen.

Men vergelijke hiermee bl. 158 en 160. In Engeland is het haanslaan

nog zeer verbreid, met name in Essex en Suffolk.

5. Voor de vastenavondvuren wordt natuurlijk inzameling van

brandstof gehouden. Wij treffen dus weer motieven aan uit wat wij

het"schuddekorfslied" noemden (bl. 108 vlg). In de Limburgsche dorpen

op de Duitsche grens zingt de jeugd in verschillend dialekt:

Een kluitjen en een kooltjen

Een vonkelhoutjen, een!

Hier woont een rijk man,

Die ons nog iets geven kan.

Geeft ons iets en laat ons gaan,

Laat ons niet zoo lang hier staan,

Wij moeten nog zoo wijd gaan!

Deze rondgang heeft te Sint Pieter (L.) op Donderdag vóor Vastenavond

plaats onder het zingen van:

Heije, meije klötsje,

Zoe dik es ên hötsje,

Zoe dik es ên boen,

Dat us God loent!

Hei woent nog êne rieke maan,

Dee us nog get geve kaan,

Kaan heer us niks geve,

Dan zalleveer neet lang mie leve.

_Den hoegen hiemel is opgedoon_,

Gef us get en loat us goon,

Loat us neet lang stèlstoan,

Gef get, spaart get,

't Ander joar alweer get.

Dit joar êne sjèlling

't Ander joar êne pèling,

Eeder sjèlling woag ê poond,

Maar de vrouw blijf hei gezoond.

Snijt oan de lange,

Loat de korte hange,

Gef get!

Zie de rijmpjes op bl. 158, 160 en 164.

Met den negenden regel: "Den hoegen hiemel is opgedoon" vergelijke

men dezen passus van een rommelpotslied uit Slochteren (G.):

De hemel, de hemel wordt opengedoan,

Daar komen wie arme zondoartjes an

Mit ain strooband, mit twei strooband;

en uit Winschoten:

De hemel wordt opengedaan.

Daar zullen wij arme zondaars ingaan

Met een stroobant,

Daar gaan wij mee naar 't ander land.

In Zeeland luidt de tweede strofe van het rommelpotslied op Sint

Silvester:

Ik heb er den hemel al opengedaan,

Daar zag ik twee arme zondaars staan;

Met oogen als vuur en een strooband,

Zoo rijden zij naar dat andere land.

De beteekenis van den strooband is mij niet helder.

6. De vastenavondviering in de zeedorpen van het eiland Schouwen

bestaat eigenlijk in het zoogenaamde strand- of stra-rijden ("de

stra"). Dit is niets anders, dan dat men te paard naar het strand

en vervolgens een eindje de zee inrijdt. Tegen tien uur wordt een

trein gevormd, waarbij een ruiter als voorrijder dienst doet en de

flinkste en best opgetuigde paarden voorafgaan.--Blijkbaar moet dit

gebruik ingeschakeld worden in de reeks der vastenavondoptochten,

en hebben wij te doen met een reinigings- en vruchtbaarheidsritus;

zie C. V. D. Graft, Volkskunde XVII, bl. 31. Over vastenavondliedjes

en -gebruiken vergel. Ter Gouw, Volksvermaken, bl. 187; G. Kalff, Het

Lied in de Middeleeuwen (Leiden 1883), bl. 518; Welters, Feesten enz.,

bl. 24; De Cock en Teirlinck, Kinderspel en Kinderlust VII, bl. 56;

v. Reinsberg-Düringsfeld), Calendrier belge, bl. 127; Boekenoogen,

Onze Rijmen, bl. 58 en Driem. Bladen I, bl. 53, 111, 119; IV, 114;

Volk en Taal II, bl. 154; 't Daghet in den Oosten IV, bl. 124; X,

bl. 190 enz.

_Aschwoensdag_ stelt paal en perk aan de vastenavondpret. Te

Blitterswijk (L.) hield men in den voormiddag den _doodendans_,

d.i. nog driemaal werd op de viool gekrast en nog driemaal lustig

rondgesprongen; dàn eerst was het "Vasten". Men noemt hem ook

_kruiskensdag_, omdat de katholieken dien dag ter kerke een

asschen kruisje op het voorhoofd ontvangen ter herinnering aan

de vergankelijkheid van het lichaam in stof en ter opwekking tot

boetvaardigheid. "Wie zijn kruisje houdt tot Paschen", zegt het volk,

"krijgt een nieuw kleed." Na den dienst wordt niet zelden "het kruisken

verdronken", door den voormiddag in de herberg te slijten.

Op enkele plaatsen wordt dien dag ook nog na den kerkdienst de _haring

gebeten_ of _gereden_, b.v. te Maaseyck; te Posterholt (L.) heette

het _haringspringen_. Een haring, aan een koord opgehangen, moet de

kop worden afgebeten. Haring met witte boonen vormen het hoofdgerecht.

_Fakkelzondag_ (_Invocabit_) is de eerste Zondag in de Vasten. "Als

men op dezen dag met een brandende fakkel onder de boomen waait, zal

veel fruit groeien", zeggen de boeren in Limburg. Wij hebben hier dus

te doen met het reinigings-, en bijgevolg vruchtbaarheidsbegrip. Het

branden, walmen, berooken enz. diende, zooals men weet, om de booze

geesten te verdrijven (vgl. bl. 128). Dit blijkt ook duidelijk

uit het rijmpje, dat men te Simpelveld (L.) onder het walmen in de

boomgaarden zingt:

Vink vonk fakkel.

Zoo menge vonk,

Zoo menge appel.

Te Epen en Wittem (L.) wordt dien dag vuurtje gestookt, _de burk_

genaamd, en om brandstof rondgaande zingt de jeugd:

Bötje, bötje, burkstreuë

Annemerjan, sjottelepan,

Haste niks veur de burk te breeënne.

Te Ieperen heet deze Zondag _Borelle-Zondag;_ ook te Denderwindeke,

Aspelare, Aalst, Denderleeuw enz. is het _walmen_ of _fakkels branden_

bekend; zie De Cock en Teirlinck, Kinderspel en Kinderlust VII,

bl. 66. Men noemt dezen dag in Vlaanderen ook _brood- en kaaszondag,_

omdat men meent alsdan zevenderlei brood te moeten eten: te dien

einde bezoekt men zeven bevriende gezinnen; ook in Duitschland kent

men den naam _Brot-und Kässontag_. In Voralberg, Tirol, Beieren

en Zwaben trekt men dan voorzien van bussels brandend hooi over de

bergen, de zoogenaamde _Fackellauf_, die gesymboliseerd wordt als

de gevangenneming vau Christus. Vandaar de benaming _Funkentag_,

fr. _dimanche des brandons_. Dit fakkelloopen dient als een aanhangsel

der vastenavondvuren te worden beschouwd.

Een eigenaardig gebruik heeft plaats te Geeraardsbergen, het eerst,

voor zoover mij bekend, beschreven door P. van Duyse in het Belgisch

Museum 1837, bl. 176 vlg. Daar trekken onder de tonen der muziek

"de regeering met andere ontzachbare heeren en de geestelijkheid

met den pastoor aan het hoofd, al deftig uitgedoscht" naar een

naburige kapel, waar den pastoor een feestbeker met een levend

vischje gereikt wordt, dat hij mee moet doorslikken. Daarna regent

het mastellen en haring. Dit gebruik wordt met de tweede belegering

van Geeraardsbergen door Walther van Edinghen in 1381 in verband

gebracht, òf men laat het opklimmen tot het midden der XIe eeuw,

toen Geeraard van Hunneghem zijn kasteel aan Boudewijn VI, den

stichter der stad, verkocht. V. Fris, Volkskunde XVIII, bl. 136,

ziet hierin een overleefsel van Keltisch-Frankische bronvereering;

naar de opvatting van Dr. Höfler, Volkskunde XVIII, bl. 236, heeft men

hier te doen met een geval van Bacchanalische omophagie: 't verorberen

van levend, lillend rauw vleesch. Geen dezer verklaringen lijkt mij

afdoende. Trouwens, zou met het oog op het haringeten van het volk

de verklaring niet wat minder ingewikkeld kunnen zijn?--

Het feest van Fakkelzondag wordt op Maandag voortgezet, de echte

_blauwe Maandag_, welke benaming later op alle andere Maandagen

is overgegaan. Vandaar dat "blauwe Maandag houden" de beteekenis

gekregen heeft van "leegloopen en feestdag houden". "Blauw" beduidt

hier "onbeduidend" (men denke aan _blauwe boodschap_), zoodat de

oorspronkelijke beteekenis was: Maandag, die als werkdag niet meetelt;

vgl. Stoett, Spreekwoorden, no 212.

_Kwenezondag_ (_Oculi_), den derden Zondag in de Vasten, liepen te

Ieperen de kinderen rond met een korf, waarin een pop verborgen zat,

terwijl zij zongen:

Oude kwene, babbelboone!

Is se oud, s'en is niet schoone!

Gheeft se doch een ey,

Daer me looptse wey!

Volgens De Bo heet men echter _kwenen_ de kinderen, die op Passiezondag

van deur tot deur gaan.

Op dezen Zondag verbrandt men den winter (_Pier Vrieze_), den dood,

den vastenavond enz. onder de gedaante van een aangekleede stroopop;

plaatselijk survival hiervan is het verbranden van een haan. Ook wordt

"de winter" wel begraven of in het water geworpen. Waarschijnlijk

is hier het begraven ouder dan het verbranden, en is "de winter" de

vegetatie-daemon, de in den winter gedoode groeikracht; zie Mannhardt,

Baumkultus, bl. 418. In het buitenland heeft dit winterverbranden

meestal plaats op

_Laetare_ of Halfvasten. In België herleeft weer de vastenavondpret,

gemaskerden trekken door de straten, feestgelagen worden

aangericht. Maar de groote folkloristische beteekenis van dezen

dag ligt toch in de aankomst van de Lente (of van den Zomer;

immers het volk kent eigenlijk slechts twee jaargetijden: zomer en

winter). Worden gedurende het vruchtbaarheidstijdperk nieuwe gaven

van de sluimerende aarde verwacht (zie bl. 102, 113) en treden dan

Sint-Maarten, Sinterklaas en het Kerstkind op als uitdeelers der

hemelgeschenken, thans verschijnen als vertegenwoordigers van den

lentezegen: op Laetare de _Greef van Halfvasten,_ en op Palmzondag

de Engeltjes. De Brabantsche en Antwerpsche kinderen zetten hun

schoen of korfje met hooi onder den schoorsteen, dit laatste voor het

paard van den Greef, die 's nachts de rondte doet op zijn schimmel,

de brave kinderen bedeelend met lekkers, maar de ondeugende met een

roe. Vroeger reed de Greef als een andere Sinterklaas op zijn schimmel

plechtig door de straten van Antwerpen. "De arme huisvader uit de

Antwerpsche volkswijken schenkt gewoonlijk aan elk kind slechts een

massepeinen scheepje," schrijft De Cock, Volkskunde, bl. 240; "soms

enkel een tikkenhaantje, uit brooddeeg gebakken, met een pluimpje

op den kop, wat voor het kind niet veel beteekent; vandaar bij den

Sinjoor [Antwerpenaar] het nog steeds populaire spreekwoord: Liever

geen Grèèf dan zoo'n tikkenhaantje."

Te Turnhout zingt men:

Kinderkens, hangt uw korfkens uit,

Ik heb wat nieuws vernomen:

Dat de Greef,

Uwe neef,

Die zal morgen komen.

Wat heeft de Greef al meegebracht?

Vijgen en rozijnen,

Koek en tes,

Scheer en mes,

Haantjens op een steksken!

Maar als gij dan niet wijzer zijt,

Dan zal ik m'er niet mee moeien;

Dan zal de Greef,

Uwe neef,

Brengen een dikke roeie!

Ook in Noord-Brabant en Limburg bestaat iets dergelijks. Te Geldrop

krijgen de kinderen op Halfvasten een haan van taai-taai, aan den

staart versierd. Te Munstergeleen en te Sittard worden dan krombroodjes

onder de kinderen geworpen, te Sittard bij de zeven kapelletjes

langs den weg naar den Kollenberg. Het Christelijk symbolisme ziet

hierin een herinnering aan het evangelieverhaal van dien dag over de

wonderbare spijziging der 5000 Galileeërs. Te Schaesberg (L.) wordt

op Laetare gefakkeld, waarbij men zingt (vgl. bl. 167)

Vink, vonk, fakkel.

Zoo menge vonk,

Zoo menge appel.

_Sint Pieter-in-den-Winter_ (_Cathedra Petri_, 22 Februari) is een

lotsdag, een _dies criticus_, eertijds als het begin van de lente

beschouwd. Vandaar zijn voorname rol in de volksweêrkunde. Vriest

het den nacht vóor dezen feestdag, dan duurt de kou veertig dagen;

is het zacht weer, dan vriest het niet in Mei.

Het volk viert dan een lente-vóorfeest, vooral de schippers en herders,

en wel over geheel het Germaansche en Slavische gebied. Op dezen dag

moet men beginnen de landerijen te bewerken; bouwlanden worden meest

verhuurd, om ze te aanvaarden op Sint-Pieter. Te Grouw (F.) viert mee

dan een kinderfeest; en evenals men den 5den December Sinterklaas-avond

noemt, zoo noemt men te Grouw den 21sten Februari Sint Pieter-avond.

Ook het balslaan, dat vroeger op verscheidene plaatsen in Friesland

voorkwam, is een typisch lentegebruik en heeft natuurlijk met

St. Petrus niets te maken. In Duitschland heeft het meestal op

Paaschdag plaats; ook schijnt het met het Paaschvuur samen te

hangen. Te Dantumadeel sloegen de kinderen ballen uit, waaronder

éen met loovers versierd; daarmee begon de wedloop, om den mooien

Sint-Petersbal te bemachtigen. Een andere manier van "bal uitslaan",

eveneens in de Dokkumer Wouden, was een vermakelijkheid, die uitging

van een jong paar, dat op trouwen stond, ter wille van hun vrienden en

vriendinnen, altijd op Sint Pietersdag; zie hierover Waling Dijkstra,

Uit Friesland's Volksleven I, bl. 168.

Te Gees (D.) trekt na 12 uur de geheele schooljeugd zingend door het

dorp en brengt een ovatie aan wie in 't afgeloopen jaar zijn getrouwd:

Hier komen wij knechtjes en meisjes aan,

Al om Sint Pieter den bal te slaan.

Waren wij niet in de gilde gegaan,

Dan hoefden we Sint Pieter den bal niet te slaan.

Slaan, slaan, slaan,

Het liedje, dat is gedaan.

Dan worden pepernoten en andere versnaperingen gestrooid en de

kinderen grabbelen; vgl. J. Bergsma, Driem. Bladen XII, bl. 117;

Heuvel, Volksgeloof en Volksleven, bl. 113.

_l Maart_ treden veelal de knechten en meiden in dienst. Zoo zegt

men te Esch (N.-B.):

Op den eersten Mert

Moeten de booien zijn op den herd,

Anders zijn ze de kost niet werd.

Elders is de datum half Maart, weer elders de 1e Mei. De boer zelf

haalt de nieuwe meid of knecht op den _kistenwagen_ af. Bij het

verhuren ontvangen zij den gods- of goospenning, oorspronkelijk het

geld, dat men bij het aangaan van de huur den arme "om Godswille"

gaf; vergelijk hiermede den trouwpenning, waarover nader.

_Gregoriusdag_ (12 Maart) was voorheen in geheel Brabant, Vlaanderen

en Antwerpen het groote schoolfeest: prijsuitdeeling, Gregoorkes-mis,

en naderhand het _Gregoria-zingen,_ een rondgang van de jeugd langs

de huizen, zingend en bedelend om eieren en geld.

_Sint Geertrui_ (17 Maart). De dochter van Pepijn van Landen is een

zeer bekende volksheilige. Volgens de legende stuitte zij eens een

muizenplaag; feitelijk wordt zij door het volk als patrones tegen

de muizen aangeroepen, o.a. te Ternath, Appelterre, Wichelen en

Baasroode-Vlassenbroek rond Aalst en Dendermonde. Ook vindt men haar

vaak met een muis voorgesteld, o.a. in de Gertrudiskerk te Leuven en

in de Groote Kerk te Breda; de reden is wel deze, dat de H. Gertrudis

eenige trekken van de Germaansche doodsgodin heeft overgenomen; immers

in de volksvoorstelling neemt de ziel vaak de gedaante eener muis

aan. Zoo verklaart men ook het voormalig gebruik der _Sint Geerten

Minne_ of _Schaal van Nivelles_: want even als de Sint Jans Minne was

dit oorspronkelijk een herinneringsdronk aan de afgestorvenen gewijd;

zie mijne Essays en Studiën, bl. 226 vlg.--

Wij komen nu tot de eigenlijke periode van het Lentefeest (of

begin-Zomerfeest), dat zich tot na Pinksteren uitstrekt; en in

het midden der feestviering staat het symbool van den genius der

groeikracht, van het nu welig-uitbottende jonge leven: de Meiboom

in zijn verscheidenheid van vormen en eenheid van beteekenis. Op den

1sten Mei, met Pinksteren of op den avond van den 23sten Juni heeft

in Duitschland, Engeland, Frankrijk en in de Westslavische landen het

inhalen en planten van den meiboom plaats. In Nederland kwam hij in

't begin der vorige eeuw nog slechts sporadisch voor en thans is hij,

tenminste in zijn volstrekt-oorspronkelijken vorm, geheel verdwenen. De

eenige bekende afbeelding van den Nederlandschen meiboom komt voor bij

J. Cats, Spiegel van den Ouden en den Nievven Tijdt (Den Haag 1632).

De groote meiboom werd geplant midden op den markt of het

dorpsplein. Niet zelden was de stam tot aan de bladerkroon van takken

beroofd en afgeschild, terwijl alleen de top prijkte met vollen

bladerdos. Maar steeds was--en is dit nog, waar in het buitenland het

gebruik heerscht in zijn oorspronkelijken vorm--de mei met linten,

kransen en klatergoud gesierd, met koek en vruchten en vooral

met eieren--symbool der vruchtbaarheid--behangen. En dat wij hier

werkelijk te doen hebben met de verpersoonlijking der levenverwekkende

natuurkracht, kan blijken uit een Poolsch lied, dat te Lacza in

Opper-Silezië gezongen wordt, wanneer het volk, na eerst een stroopop

in het water te hebben geworpen, geld en eieren verzamelend met den

Mei het dorp binnenkomt (vgl. Mannhardt, Baumkultus, bl. 181):

Wij droegen de pest uit het dorp,

Wij brengen _de spruit_ (of zomer) in het dorp.

Ons boompje is groen,

Schoon opgesierd,

Op ons Meiboompje

Zijn geverfde eieren, enz.--

Eindelijk, de meiboom wordt doorgaans gekroond door een weèrhaan,

rechtstreeks afweervogel van booze invloeden, en daardoor

onrechtstreeks ook weer vruchtbaarheidssymbool.

Deze meiboom is het oortype van den _oogstmei_, die de laatste voer

hooi siert, wanneer de oogst wordt binnengehaald; van den _richtmei,_

die op het dak gezet wordt, als men "gericht" d.i. het huis onder de

kap gebracht heeft,--in het Noorden van ons land is dit dichterlijk

en sprekend gebruik verdwenen en kent men slechts een versiering

met de vlag; van den _liefdemei_ vóor het huis of op het dak van de

aangebedene, waarover nader; van den _bruidsmei_, den levensboom,

op den bruidswagen gestoken, of vóor het huis van het jonge paar

geplant; van den _schutsmei_: jonge berken- of dennenboompjes, door de

dorpsjeugd op den 1sten Mei uit het bosch gehaald en vóor de huisdeur,

den veestal, of op den nok geplant, dat zij het huis mogen beschermen,

het vee vruchtbaar maken en alle kwade invloeden verdrijven,--hiermee

gaat vaak een inzameling van eieren, brood, spek en geld gepaard;

eindelijk van den _palmpaasch_, zooals door Mannhardt, Baumkultus,

bl. 246 wordt betoogd. Op deze verwantschap vestigde ik reeds voor

een vijftiental jaren de aandacht door deze regelen: "De palmpaasch

is in laatste analyse slechts een rudimentaire meiboom, zoo men

wil een christelijke loot van den heidenschen stam, een schamele

rest, evenals het Sint Maartens-kaarsje in de binnenkamer niets

dan een zwakke weerschijn is van het Sint Maartens-vuur daarbuiten"

(Volkskunde XIII, bl. 108). Hij vindt zijn plaats op

_Palmzondag_, reeds in de IVde eeuw door de Kerk gevierd ter

gedachtenis van Jezus' intocht te Jeruzalem. Van deze feestviering

bezitten wij eene nauwgezette beschrijving in een voor de liturgie

hoogst belangrijk reisverhaal eener non uit Provence (Arles?), die in

de IVe eeuw een reis naar het H. Land ondernam en in haar nagelaten

aanteekeningen de hoogoude ceremoniën der Kerk te Jeruzalem beschrijft:

de _Peregrinatio Aetheriae_: "Tegen vijf uur in den namiddag wordt de

plaats uit het evangelie gelezen, waar de kinderen met olijftwijgen of

palmtakken den Heer tegemoet gaan, roepende: Gezegend, Die komt in den

naam des Heeren. Dan staat de bisschop en het heele volk onverwijld

op en trekken van den top van den Olijfberg te voet naar beneden:

heel het volk gaat hem voor onder het gezang van hymnen en antifonen,

waarop telkens geantwoord wordt met de woorden: Gezegend, Die komt in

den naam des Heeren. Alle kinderen uit deze plaatsen, zelfs zij, die

te klein zijn om te kunnen loopen en gedragen moeten worden, hebben,

hetzij palmtakken, hetzij olijftwijgen in de hand; en zoo begeleidt

men den bisschop naar de wijze, waarop toen Christus begeleid werd"

(c. XXXI, 2, 3).

Wij hebben hier dus een plechtige processie met palmtwijgen op

Palmzondag; vanaf de VIIe eeuw werd deze ook in de Westersche Kerk

gehouden. De palmzegening is iets jonger en dagteekent waarschijnlijk

uit de VIIIe of IXe eeuw. In de Middeleeuwen nam deze omgang in

vertoon en luister toe; hij kreeg een geheel dramatisch karakter,

overeenkomstig de liturgisch-didaktische praktijken van dien

tijd. De persoon, die Christus uitbeeldde, reed op een ezel. Maar

somwijlen stelde men zich met een houten Christusbeeld tevreden,

gezeten op een houten ezel. Deze werd gedragen of getrokken. Vandaar,

dat Palmzondag door de Vlamingen vroeger wel eens het "Ezelsfeest"

werd genoemd. Te Utrecht trok deze stoet van de Domkerk naar de vlak

bijgelegen Pieterskerk. Te Amsterdam had hij aanvankelijk alleen aan

de Oude Zijde plaats, d.i. uit Jeruzalem (een kapel naast de St.-Olofs-

of Oudezijdskapel) naar de Oude Kerk; doch sedert 1498 kreeg de Nieuwe

Zijde om 't andere jaar ook haar beurt. De houten ezel wordt op enkele

plaatsen in het buitenland thans nog rondgevoerd.

Nu weten wij, dat voorheen de palmboomen of -boompjes, in deze

processie rondgedragen, niet zelden met koekjes, vruchten en andere

versnaperingen waren behangen. Dit is ons niet alleen bekend uit

een bericht over de Moskousche palmprocessie in de XVIIe eeuw; maar

de Calendrier belge I, bl. 212 weet te verhalen, hoe te Thienen

de kinderen gedurende den stoet den palmtak poogden te plunderen,

dien het Christusbeeld droeg: immers hij hing vol vijgen, druiven en

wafeltjes. De verklaring is deze, dat hier wederom een synkretisme,

een vermenging van heterogene bestanddeelen, van twee verschillende

gebruiken heeft plaats gehad: palmprocessie en meiboom, christendom

en (onbewuste) natuurreligie. Want de Palmzondag viel samen met den

aanvang van het lentefeest, en zoo drong de langzamerhand verkleinde,

maar steeds met rijke gaven behangen meiboom de palmprocessie

binnen. Op den duur werd hij nog kleiner, zoodat ieder kind een

exemplaar erlangde. Als gever dezer goede gaven trad nu de Zaligmaker

op, of liever de Zaligmaker met behulp der Engeltjes (b.v. te 's

Hertogenbosch, Roermond, Venloo enz.). Deze organiseeren des nachts een

soort van Wilde Jacht door de lucht, als Sinterklaas en Sintermaarten,

en "rijden" den overvloed van goede gaven op den palmpaasch, te Venloo

voor de grooteren op een bord. Maar behalve de "rijdende" engeltjes

heeft het Christendom _de palmen_ aan den palmpaasch afgestaan.--In

België vindt men geen spoor van den palmpaasch; de kinderbedeeling

heeft daar, zooals reeds vermeld, door den Greef op Halfvasten

plaats. Kerkelijk verband tusschen palmpaasch en liturgie bestaat

b.v. nog te Venloo, in zoover daar de kinderen met het _palmhoutje_

ter kerk tijgen en zich onder de geloovigen opstellen, die palmtakjes

en palmbundels (_buxus sempervirens_) laten zegenen. Ook te Basel laat

ieder knaap zijn palmboompje ter kerke zegenen; dit bestaat uit een

rijk met linten en appelen versierd dennenboompje, welks kruin met

een schat van steekpalmen--liefst met roode bessen--prijkt. En dat

de palm en de wijding niet tot het wezen van den verkleinden meiboom

behooren, blijkt o.a. uit het feit, dat zonder de minste religieuze

betrekking te Stockholm, volgens getuigenis van Mannhardt, telken

jare den 22sten juni een formeele markt "mit Laubzweigen und _kleinen

Maistangen für Kinder_" gehouden wordt, voor welke de heele omtrek

de handelsartikelen levert (Baumkultus, bl. 152). Een herinnering

aan de palmprocessie is wellicht ook het _Hei, koerei_ of _Eikoerei_

van het meest gebruikelijke palmpaaschrijmpje; dit is waarschijnlijk

de verbastering van _Kyrie eleison_: "Heer ontferm U onzer" uit het

litaniegebed. Bedoeld rijmpje, gebruikelijk bij het rondtrekken met

den palmpaasch, luidt:

Palm, palmpaschen!

Hei, koerei!

Over eenen Zondag,

Dan krijgen wij een ei.

Eén ei is geen ei,

Twee ei is een half ei,

Drie ei is een paaschei!

Of ook:

Palm palmpaschen!

De koetjes die gaan grazen,

De schaapjes in de wei,

Als het Paasch is krijgen wij een ei!

Te Dwingeloo en Ruinerwold luidt het:

Haentien op 'n stokkien,

Biet moar van mien brokkien,

Biet moar van mien stukkien brood,

Morgen is mien haentien dood.

Vrij schaars komt de palmpaasch voor in Zeeland, Groningen, Friesland,

Zuid-Holland, Noord-Brabant en Limburg. Het ware palmpaaschgebied

is Gelderland, Drente en Overijssel. Behalve _palmpaasch_ en

_palmpaschen_, vindt men de benamingen _palmstok, palmpaascheistok,

palmpaaschtak, palmpaaschstok, palmtak, pikhaan, weitenhennetje,

zwaantje, palmhoutje, palmebessem, krakeling, haantje, haantjepik,

eendje, kukelehaantje_ enz. Dr. C. V. D. Graft onderscheidt twee

hoofdtypen: 1e De lange stok, die allerlei lekkernijen doorboort,

het Friesche type; en 2e De vlechtvormige hoofdkrans, gewoonlijk

"krakeling", maar ook wel "rad" of "wiel" genoemd: het Saksische

type. Wat hiervan zij,--indien het waar is, dat men de palmpaasch als

een kleinen meiboom dient te beschouwen, dan moet zij ook, althans

oorspronkelijk, de drie hoofdbestanddeelen van den meiboom vertoond

hebben, te weten: _stam_ (stok), _krans_ en _haan_. De krans is

nagebootst in koekdeeg--ten onrechte spreekt Höfler van "haaroffer

in deegvorm",--terwijl de haan, in zijn nagebootsten vorm onkenbaar

geworden, vaak door andere vogels vervangen is. De roode haan stelt den

bliksem voor, in zoover deze de onweerswolken splijt en den dampkring

zuivert. Het heldere weêr roept hij andermaal te voorschijn. Zijn

gekraai verdrijft immers ook, zooals gezegd (bl. 96), het nachtelijk

duister, bij het eerste hanengekraai is de hellemacht gebroken. Daarom

troont ook een haan op den nok van vele Westfaalsche huizen en doet

daar, ter bescherming tegen onweêr en andere rampen, denzelfden dienst,

dien een paardenkop elders in Duitschland verricht; want ook het paard,

als stormdier, weert onheil af.-- Aldus verklaart men de gewoonte, den

top van sommige boomen in haanvorm te knippen; zoo verklaart men ook

het haantje op den toren, naderhand met de verloochening van Petrus

in verband gebracht, of ook uitgelegd als symbool der waakzaamheid

en der verrijzenis. Maar haan en paard waren Saksische stamdieren,

terwijl in Friesche (en Vlaamsche) streken de zwaan als zoodanig de

gevelversiering vormt. Het is dus zeer waarschijnlijk, dat de zwaan,

als Friesch stamdier, op Frieschen bodem den haan op de Palmpaasch

verdrongen heeft. Een Frankisch palmpaasch-type bestaat niet.

Op het eiland Schouwen (Zierikzee enz.) kent men zoogenaamde

_aeremstokjes_, d.i. ruitertjes te paard van brooddeeg, die op een

stokje door de kinderen worden rondgedragen, óok op Palmzondag,

en dan zijn er palmtakjes in gestoken. Daarbij wordt gezongen:

Aerem stokje

Turf in je rokje,

Turf in je staart,

Aerem stokje is geen oortje meer waard.

Een lentegebruik, ten deele christelijk gekleurd, leeft ten slotte

nog in het steken van gewijde en niet-gewijde palmtakjes achter de

daksparren, in de schuur, in het woonvertrek, in den akker enz., en

dat gebruik is over geheel Nederland en België verspreid. In België,

Noord-Brabant en Limburg steekt men een palmtakje op de vier hoeken

van den akker ter bevordering der vruchtbaarheid, veelal onder het

lezen van 't Sint Jans evangelie.

Zie Mannhardt, Baumkultus, bl. 160 vlg., 246 vlg.; vooral ook

Volkskunde XII, bl. 229, waar Dr. A. Beets een oproep richtte tot

de lezers, om nadere berichten over de palmpaasch te ontvangen. Aan

dezen oproep werd vlijtig gehoor verleend; Beets gaf ook den stoot tot

de palmpaaschtentoonstelling te Utrecht in 1906. Verder: Volkskunde

XIII, bl. 52, 81, 104; XIV, bl. 117, 221; XVII, bl. 1; XVIII, bl. 40;

XX, bl. 157, 205; Driem. Bladen II, bl. 95; VI, bl. 40; De Cock,

Volkskunde, bl. 241; V. D. Graft, Palmpaasch; Ter Gouw, Volksvermaken,

bl. 202.

Over _Kalfdag_, den dag na Palmzondag, werd reeds bl. 127 een woord

gezegd. Het wijst stellig op een lentegebruik, wanneer te Brugge en

elders de leerling, die dien dag het laatst in school of thuis kwam,

geplaagd en uitgelachen werd; hij werd "kalf" genoemd. Men vergelijke

verder de gebruiken op den 1sten Meidag.--

Met dezen dag is de _Goede Week_ begonnen, ook wel de _Heilige-,

Pilatus-, Judas-, Duivelsweek_, in protestantsche streken de _Stille

Week_ genoemd. Het weêr is in deze week meestal slecht, meent het volk.

_Witte of Groene Donderdag_ dankt zijn naam waarschijnlijk aan de

witte misgewaden, die de priester dien dag aanlegt. In de omstreken

van Weert en Thorn (L.) eet men dien dag soep van twaalfderlei

groenten. Men noemt ze _discipelen_- of _apostelensoep_. Hij, die

het eerst den lepel in den schotel steekt, wordt Judas genoemd. In

Vlaanderen at men dien dag _weitene weggen_ of wittebrood met _mede_;

dit heette _soppen_, vanwaar _Soppendonderdag_.

Als bijzondere eigenaardigheid dient nog vermeld het

_apostelbrokken-rapen_ te Rupelmonde, vlak onder de vensters van

't stadhuis; zie Volkskunde XX, bl. 163.

Na de Gloria zwijgt in de kerken klok, orgel en bel. Dan gaan de

klokken naar Rome, zeggen de kinderen, om door den paus te worden

gezegend.

Op Witte Donderdag

Gaan de klokken naar Roomen,

Al over hagen en boomen,

En Paaschavond komen ze thuis.

Aldus een Vlaamsch rijmpje; de Westvlaamsche speldenwerksters tellen:

Den Donderdag is 't soppedoppe,

Den Vrijdag zoo kruipt men,

Den Zaterdag klopt men de Vasten uit.

Nederlandsche Volkskunde · 第 74 / 117 题