II. De Volksfeesten.

Wanneer ik spreek van "volksfeesten", dan bedoel ik hiermee het komplex

van feestgebruiken, die bij het hedendaagsche volk van de viering van

Oudgermaansche of Christelijke feestgetijden zijn overgebleven. Immers

de feestvreugde kleedde zich in tal van overlevende blijheidsuitingen,

die niet zelden, van het oorspronkelijk hoofdmotief losgetornd,

ontaardden en oversloegen tot uitspattingen en misbruik.

Deze volksfeesten droegen dus oorspronkelijk een religieus, maar

ook een huiselijk karakter. Evenals in het oude Rome, wanneer ik

deze analogie hier mag aanvoeren, was het huisgezin de kern, de

cel, van waaruit de georganiseerde vroolijkheid en blijheid zich

in ruimer kring en op ruimer terrein verspreide; en in het gezin

zelf werd de feestviering, van geslacht tot geslacht overgeleverd,

onder toezicht en leiding van den vader of van de moeder des gezins

voltrokken. Ik spreek hier dus niet over de volksvermakelijkheden,

als loopen, springen, klimmen, harddraven, wedrennen enz., en over

de gezelschapsspelen evenmin; zie hierover desgewenscht Ter Gouw,

De Volksvermaken (Haarlem 1871), bl. 321-397 en 563-694. Immers deze

hebben met religie en familiale organisatie niets gemeen en dragen

een dermate internationaal karakter, dat zij onmogelijk kunnen dienen

om den volksaard nader te bepalen. Iets anders is het, wanneer een

bepaald spel door een bepaalde leeftijdsgroep op eigenaardige wijze

wordt uitgevoerd of gevarieerd, waarover nader.

De oude Germanen kenden eigenlijk geen feestdagen, maar wel

feesttijden, _hoogtijden_, een benaming, die zich tot heden staande

hield. Op voorname Christelijke feestdagen gaat in katholieke streken

de eene familie bij de andere nog "zalig hoogtijd" wenschen.

Men vierde eertijds waarschijnlijk vier offertijden, en om het offer

groepeerden zich dan de overige feestelijkheden: twee winterfeesten,

het lente- en zomerfeest. Eigenlijk begon het eerste winterfeest (of

herfstfeest), dat het Germaansche jaar opende, met de nachtevening

van September. Maar in den Juliaanschen kalender valt het begin

van den winter op 10 November, en zoo kreeg, door verschuiving der

feestgebruiken van het Germaansche nieuwjaar, de Martinidag zijn

beteekenis. Voeg hierbij, dat het kerkelijk jaar aanving met den

Advent, die oorspronkelijk 5 weken omvatte (eerst Paus Gregorius VII

bracht hem op 4 weken), terwijl het Adventsvasten den 11den November,

dus op Martinidag begon. Zoo vereenigde zich ook het eerste met

het tweede, het groote winterfeest, dat ook den naam draagt van

Midwinterfeest of Joelfeest en welks gebruiken voor een groot deel

op het Kerstfeest overgingen. Het _Joelfeest_ immers, ontegenzeglijk

het hoogste feest der Germanen, viel in de tweede helft van December

en in de eerste van Januari. Dit wordt het tijdperk der "Twaalf

Nachten" genoemd; de Duitschers spreken van de _Zwölften, Unternächte,

Rauchnachte_ of _Losstage_. Dit feest, dat, naar zijn etymologie te

oordeelen, zeer waarschijnlijk "het tooverrijke", dan "het vroolijke"

beteekende, werd inderdaad gekenschetst, evenals trouwens het

eerste winterfeest, door een uitgelaten vroolijkheid, veroorzaakt:

1o door het genieten der offergaven, die gedurende dien tijd aan de

zielen der afgestorvenen en aan Wôdan, Holda en andere chthonische en

windgodheden werden gebracht; en 2o--reden van ekonomischen aard--door

de twee groote slachttijden, die met de winterfeestviering samenvielen,

wanneer deze niet zelf de hoofdaanleiding tot de winterfeestviering

gegeven hebben, zooals Alex. Tille beweert in zijn boek over Die

Geschichte der deutschen Weihnacht (Leipzig 1893), bl. 6.

Het was de heiligste tijd van het jaar. Dromsgewijze joelden en

raasden de geesten door het luchtruim, door hun befaamden voorrijder

aangevoerd; lotsvoorspelling, droomverklaring en tooverij vierden

hoogtij; heel de geestenwereld: heksen, weerwolven, elfen, dwergen,

waren los; men dronk de _minne_, d.i. de gedachtenis der afgestorvenen;

men stelde de geesten onder allerlei vermommingen voor, die thans

nog in min of meer gekerstenden vorm voortbestaan.

Geofferd werd gedurende dit tijdperk aan de geesten en aan Wôdan,

in zijne hoedanigheid van god der vruchtbaarheid, ter wille der

vruchtbaarheid van de akkers. Uit menig volksgebruik, dat wij te

geschikter plaatse zullen bespreken, blijkt trouwens, dat deze

geheele periode een vruchtbaarheidskarakter draagt. Men beschouwde

--en beschouwt nog thans, zonder zich duidelijk rekenschap van

deze voorstelling te geven--in den barren Joeltijd de aarde als

sluimerend onder het mollig sneeuwkleed, nieuwe sappen garend, om in

de lente de natuur met bloemen te tooien en het wintergraan te doen

gedijen. Met goed recht zou men derhalve van een bevruchtingstijdperk

kunnen spreken, zooals ik in Volkskunde XII, bl. 89 vlg. voorstelde:

het schieten in de boomen, het binden van stroobanden om de boomen,

het zweepen der boomen heeft stellig bevruchting ten doel.

Gegeven nu, dat het eerste winterfeest een vrij groote reeks van

dagen in beslag nam, en dat het Joelfeest meestal tusschen Kerstmis

en Driekoningen, plaatselijk echter ook vroeger of later kon vallen,

dan krijgen we een bijna aaneengesloten feesttijdperk, dat zich

van omstreeks het begin van November tot het midden van Januari

uitstrekte. In dit tijdperk vallen vooral de Christelijke feesten:

St. Martinus (11 Nov.), St. Clemens (23 Nov.), St. Andreas (30

Nov., men denke vooral aan St. Andreasnacht), St. Barbara (4 Dec.),

St. Nikolaas (6 Dec.), St. Lucia (13 Dec.), St. Thomas (21 Dec.),

Kerstmis (25 Dec.), St. Stefanus (26 Dec.), Onnoozele Kinderen (28

Dec.), Besnijdenis (1 Jan.), Driekoningen (6 Jan.). Zie hierover mijn

geschrift De H. Nikolaas in het Folklore (Roermond, 1898), bl. 9, 10.

Het volksfeest stoelt dus op de religie. De godsvereering der Oude

Germanen schonk haar adepten echter ook verpoozing van den harden

arbeid op akker of weideveld: de feestviering droeg een religieus,

maar tevens een ekonomisch-maatschappelijk karakter, wat des te

meer in het oog valt, wanneer men bedenkt, dat onze voorouders

veel meer dan heden leefden met de natuur, arbeidden en rustten

overeenkomstig de natuur. Ook hier is het Christendom met wijs

beleid te werk gegaan, en heeft het niet willen uitroeien, maar

veredelen en verheffen of althans, in het geoorloofde, lijdelijk

willen toezien. Terecht. Want indien er iets bestaat, zegt Ozanam,

waaraan de menschen nog meer vasthouden dan aan den bodem, die hen

voedt, dan zijn het de overleveringen, welke hun land in hun oogen

verheffen, en de feesten of hoogtijden, die hen voor een wijl aan de

harde, eentonige zorgen des levens onttrekken.

Wij beginnen dus het feestelijk jaar in Groot-Nederland met _Sint

Maartensdag_ (11 November), gewijd aan de vereering van den grooten

volksheilige, Martinus, bisschop van Tours. Den apostel van Gallië,

den grooten heilige der Franken, is ook in Nederland en België een

ongemeen hooge vereering te beurt gevallen; in Duitschland viert men

hem vooral in Frankenland, en in het naburige Zwaben en Westfalen. In

België zijn honderden kerken hem toegewijd; in Nederland vereerde

men hem als patroon te Utrecht, Groningen, Middelburg, Sneek, Arnhem,

Tiel, Bolsward, Venloo, Weert, Wijk-Maastricht, Dokkum, Bovenkarspel

enz. enz. De dorpen St. Maarten, St. Maartensdijk, Maartenshoek voeren

zijn naam. Vooral het bisdom, de stad en de burgerij van Utrecht

stonden onder zijn bescherming. Te Utrecht stond zijn beeltenis op de

torenspits zijner kerk, aan de hoeken der straten, in het voorportaal

der kapittelzaal. Het prijkte op het oude wapen der stad en op de

bisschoppelijke banieren. Vandaar dan ook, dat de burgers van Utrecht

eeuwen lang den naam droegen van _Sint Maartens-mannen,_ evenals die

van Egmond _Sint Alberts-mannen_ en de Leuvenaren _Sint Pieters-mannen_

genoemd werden. Vielen de Hollanders de Stichtenaren aan onder het

krijgsgeroep "Holland! Holland!", deze beantwoordden het met "Sint

Martijn, Sint Martijn!" Zie o.a. Schotel, Tilburgsche Avondstonden,

bl. 36 vlg.

Ook kreeg de geheele periode van Sint Maarten tot Kerstmis--Adventstijd

in den ruimsten zin--den naam van Sint Maartensvasten. De H. Perpetuus,

bisschop van Tours, die in de Ve eeuw leefde, bepaalde nl., dat van

af 11 November tot Kerstmis driemaal per week moest gevast worden;

naar men weet, dagteekent dit 3 maal vasten per week (Woensdag,

Vrijdag en Zaterdag) reeds uit het einde der IIe eeuw. Naderhand werd

deze bepaling over heel Frankrijk uitgebreid.

Intusschen, hoe groot de vereering van den H. Martinus ook in

onze landen mag geweest zijn, zij verklaart kwalijk een aantal

feestgebruiken als: het Sint-Maartensvuur, de Sint-Maartensdronk,

-gans, -gaard enz.

Vooreerst dan het Sint-Maartensvuur. De meeste feestvuren zijn niet

van christelijken, maar van heidenschen oorsprong. Naderhand heeft

men de Sint-Maartensvuren aldus verklaard, dat zij oorspronkelijk uit

vreugde over den val van het heidendom zouden ontstoken zijn. Dit

is echter een van de vele verklaringen, die de feiten zoekt aan te

passen aan vooropgestelde theorieën. In waarheid hangen de feestvuren

samen met de Oudgermaansche _noodvuren_, Oudsaksisch _nôdfiur_,

waarin _nôd_- verwant is met het Oudhoogduitsche werkwoord _nûan_

"stukwrijven". Immers het werd ontstoken, doordat men een stuk hout in

de opening van een ander of van een wagenrad stak en zoolang draaide,

tot het hout vuur vatte. Het voedsel voor het nieuwe vuur, hout en

stroo, moest door alle leden der gemeente worden meegebracht. Brandde

het vuur, dan moesten menschen en vee daar driemaal doorheen loopen. Na

afloop nam ieder een verkoold stuk hout mee naar huis: het was een

voorbehoedmiddel tegen besmettelijke ziekte onder menschen en vee.

Merkwaardig is hetgeen Sebast Frank in zijne Wahrhaftige Beschreibunge

aller Teile der Welt (1567) over een dezer vuren meedeelt: "Zu

Mitterfasten flechten sie ein alt Wagenrad voller Stroh, tragens auf

einen hohen, jähen Berg, haben darauf den ganzen Tag einen guten Mut,

mit vielerlei Kurzweil, singen, springen, dantzen, Geradigkeit und

anderer Abenteuer, umb die Vesperzeit zünden sie das Rad an, und

lassens mit vollem Lauff ins Thal lauffen, das gleich anzusehen ist,

als ob die Sonne vom Himmel liefe". Dit noodvuur had het karakter van

een zoenoffer aan de hoogere machten, het was een reinigings (en dus

vruchtbaarheids-) vuur, dan ook een offervuur aan de verpersoonlijkte

vegetatie en vruchtbaarheidsgoden, wellicht met name aan Wôdan

als zonnegod, wiens symbool het rad, het zonnerad was; vandaar,

dat de _Indiculus superstitionum et paganiarum_, een opsomming van

capitularia uit de VIIe eeuw, waarschuwt tegen het heidensch gebruik

van vuur door het wrijven van hout: _De igno fricato de ligno, id est

nôd-fyr_. Oorspronkelijk stonden deze vuren met geen bepaalden tijd van

het jaar in verband en werden ontstoken, telkens als men de godheid

iets te vragen had of ook haar dank wilde brengen. Maar mettertijd

hebben zij zich bij de hoofdofferfeesten gevoegd, en zoo krijgen wij

dan onze Sint-Maartensvuren, Kerst- en Nieuwjaarsvuren, Vastenavond-

en Paaschvuren, en St. Jans of Pinkstervuren, die vrij wel met de vier

genoemde groote ofifertijden der Germanen samenvallen. Als kriteriën

van den heidenschen oorsprong der nog bestaande vuren kan men met

Grimm, Deutsche Mythologie I, bl. 35 aannemen: "das reiben der heiligen

Flamme, laufen durch die brände, werfen von blumen in das feuer, backen

und austheilen grosser brote oder kuchen, und der reihentanz." Voegen

wij hierbij het rondloopen met fakkels door de velden.

Talrijk zijn de dorpen, vooral in het Zuiden van ons land, waar

de Sint-Maartensvuren nog opflikkeren; ook springt men nog over

het vuur heen. Daarentegen is het _fakkelen_ veelal verdwenen, --in

België bestaat het nog plaatselijk, b.v. te Hombeek, Hoeleden, enz.,

en ook in Hollandsen Limburg en Brabant, vgl. Limburg's Jaarboek I,

bl. 72: "Op Sint Maartensavond kan men door geheel Limburg en Brabant

op de heuvelen langs de Maas de Sint Maartensvuren in flikkerende

vlam met rossen gloed zien opgaan.... Terwijl de stapel brandt,

zwerven de knapen met ontstoken fakkels door de velden." Te Obbicht,

Papenhoven enz. noemt men dit _flakkeren_. De toortsen zijn slechts in

rudimentairen vorm overgebleven in de kaarsjes of gekleurde lampions

of uitgeholde en tot lantaarns vervormde rapen en pompoenen (pronk- of

bronkappelen), waarmee thans de dorps- en veelal ook nog de stadsjeugd

langs de huizen trekt. Te Brugge en rond Maaseik loopen de kinderen

met eindjes touw, bestreken met teer. De vuren vervangt men in de

steden, b.v. te Venloo, door kaarsjes. Op Sint-Maartensavond vormen

ouden en jongen een kring; dan wordt lustig in de rondte gedanst en

de kinderen springen herhaaldelijk over het vlammetje. Dit kinderlijk

gebruik verbindt dus ons folklore niet alleen met den grijzen voortijd,

maar ook met de volksgebruiken der verre Donaulanden, van Meissen

en Thüringen, waar men althans bij de Sint-Jansvuren nog over den

gloed heenspringt.

Bij den rondedans zingt men te Venloo het bekende:

Sintermertes veugelke

Hêt ein roeëd keugelke

En ein blauw stertje

Hoepsa Sintermerte!

Appingedam:

Sunte Meertens vogeltje

Met ziên kip kap kogeltje

Met ziên rooie rokje,

Met ziên vleddern stokje.

Ter vergelijking diene nog het door Halbertsma meegedeelde:

Sunte Maartens veugeltje

Zat al op een heuveltje

Met zijn rood rokje;

en verder het rijmpje, dat men hoort in de Altmark:

Märtiin Märtiins Vaegelken

Mett siin verguit Snaevelken!

Geft us watt un lat us gan,

Datt wii hüüt noch wiier kam'n.

In het leven van den heilige komt geen vogel voor, en toch ontmoet

men den Martinusvogel reeds in de gedichten der Middeleeuwen. Ook in

Frankrijk kent men den "oiseau St. Martin" en in Spanje den "pajaro

St. Martin."

Over dezen Sint-Maartensvogel is heel wat geschreven, zie

b.v. Dr. Knappert, Wödan-St. Maarten in den Gron. Volksalmanak 1899,

bl. 102; Dr. Knippenberg, Sintermertesveugelke, in Limburg's Jaarboek

1911, bl. 75 enz. Persoonlijk heb ik deze kwestie onderzocht in mijn

opstel, getiteld: Overblijfselen van den Wôdan-kultus in Limburg,

in Limburg's Jaarboek 1898, bl. 34 vlg. Mij dunkt thans, dat men

de zaak als uitgemaakt kan beschouwen. De handschriften, die "Sant

Martisvogel, Mertissvogelin" geven, wekken het gegronde vermoeden,

dat _Martini avis_ uit _Martis avis_ ontstaan is; in alle geval is

de specht bedoeld, de bonte specht (_picus maior_), met zijn donkere,

staalblauwe staartveêren en donkerrooden nek. Het woord "keugelke" is

immers het Middelnederlandsche _cogele_ "halskraag, mantelkap", men

denke aan de zegswijze: "kat en kogel verliezen", ontstaan uit "kap

en kogel verliezen", elders "kap en keuvel"; vergel. ten overvloede

het Veendamsche en Delfzijlsche rijmpje:

Kip, kap, kogel,

Sint Maartinsvogel.

Zoo ook het Duinkerksche:

Sinte-Martens veugeltje

Kwam met zijn roo kapeugeltje

Gestoven

Gevlogen

Al over den Rijn,

Waar dat vette verkens zijn!

Goede vrouwe, geeft ons wat,

Alle hennen leggen wat!--

Ik keer nu terug tot den ronddans in de binnenkamer. Als tweede

couplet zingt men een lied, dat aanvankelijk bij het inzamelen van

hout enz. aan de huizen gezongen werd, en thans nog gezongen wordt

dáar, waar deze inzameling door de jeugd in typischen lichtstoet

nog gehouden wordt. Tot goed begrip dezer strofe dient men zich de

legende van den H. Martinus te herinneren. Het was in den strengen

winter van het jaar 332, toen Martinus, nog krijgsman en katechumeen,

een naakten en van koude schier verkleumden bedelaar ontmoette bij

een der poorten van Amiens. Terstond trekt hij zijn zwaard en deelt

zijn krijgsmantel in tweeën, geeft de eene helft aan den arme, die

in Christus' naam een aalmoes vraagt, en bedekt zich zelf zoo goed

mogelijk met de ander. Vandaar in het lied de uitdrukking "met zijn

bloote armen". Denzelfden nacht zag hij in zijn slaap den Zaligmaker,

met het deel van den mantel, dat hij den bedelaar gegeven had, bedekt,

zeggende: "Martinus, hoewel nog katechumeen (niet gedoopt), heeft mij

met dit kleed gedekt." De bedelaar heet in het lied "Sinterkrukken".

Vooraf nog een algemeene opmerking over volksrijmpjes, of volkspoëzie,

zoo men wil. Een groot deel dezer gelegenheidsrijmpjes, die van

mond tot mond gaan, is verdorven en onverstaanbaar geworden. De

volksfantasie varieert op alle mogelijke wijze, verbastert, neemt

allerlei bestanddeelen en restantjes van andere, vreemde liedjes op,

enz. Maar bij de rekonstruktie moet men uiterst voorzichtig zijn en

vooral niet te veel logica verwachten. Niet slechts het eene idee,

maar ook het eene rijm, de eene klank roept den anderen op, vooral

in de zoogen. _kettingrijmpjes_, en zoo wijkt men soms mijlen ver

van het hoofdthema af. Ik geef hier enkel de stroofjes, die m.i. de

meest voorkomende en de minst verhaspelde zijn, en zooveel mogelijk

ontdaan van hun dialektisme, voor zoover zij een algemeen karakter

dragen. Voor de volledige Vlaamsche liedjes zie De Cock-Teirlinck,

Kinderspel en Kinderlust VII, bl. 110 vlg.; voor Noord-Nederland

vooral ook Driem. Bladen III, bl. 64; IV, bl. 113; VII, bl. 80.

Vandaag is 't Sinter Marten

En morgen Sinter Krukken,

Wij komen uit goeder harte

En hadden zoo gaarn een stuksken:

Een houtjen of een turfjen

In Sinter Martens kurfjen,

En wij zullen van hier niet gaan,

Of wij hebben wat opgedaan.

Sinter Marten is zoo koud,

Geef 'm een turfjen of een hout,

Om zich bij te warmen

Met zijn bloote armen.

Geef wat, houd wat,

Tegen 't jaar al weer wat.

Of wel:

Geef vuur, geef vuur,

Sinter Marten is zoo duur.

In de volkspoëzie vinden we ook metrische eigenaardigheden, en behalve

sporen van stafrijm, allerlei verouderde rhythmische vormen. Het hier

volgende rijmpje herinnert aan het oude metrum, dat geregeld werd

door het aantal heffingen in ieder vers, en niet door het aantal

lettergrepen; zie hierover G. J. Boekenoogen, Onze Rijmen (Leiden

1893), bl. 32.

Híer wóont een ríjk mán,

Díe véel géven kán.

Véel wíl hij gévén,

Láng zál hij lévén,

Zálig zál hij stérvén,

Den hémel zál hij érvén;

Gód zál hem lóonén

Met hónderddúizend krónén,

Met hónderddúizend rókjes an,

Dáar komt Sínter Márten áan.

Of wel:

Met hónderd dúizend líchtjes áan,

Dáar komt Sínt Martínus weer áan.

Te Venloo volgt na den vierden regel ook wel:

Honderd joar en einen daag

Zit det mêdje op die bank,

Loat det mêdje valle,

Tröl, tröl

Loat det mèdje valle (?).

Ruim verspreid is verder:

Sint Martinus bisschop,

Roem van onze landen,

Dat wij hier met lichtjes loopen

Is voor ons geen schande.

-----------------

Martijn,

Turf in den murf [mond] in den maneschijn.

Gooi in den most,

Gooi in den wijn,

Hier woont Sinte Martijn.

Martijn had een schaartje, dat wou niet knippen,

Martijn had een mesje, dat wou niet snijden,

Martijn had een touwtje, dat wou niet knoopen,

Geef me een korfje of een houtje en laat me loopen.

Alkmaar, Hoorn:

D'r is brand al in de lantaren,

En de vonken, die vliegen d'r uit,

De meisjes loopen om garen

En de jongens om beschuit.

------------------

Sinte, Sinte Marten,

De kalveren dragen starten,

De koeien dragen horens,

De kerken dragen torens,

De torens dragen klokken,

De meisjes dragen rokken,

De jongens dragen broeken,

De wijven schorteldoeken.

West-Vlaanderen:

Sinte Martens avond,

De torre [lantaarn] gaat mee naar Gent,

En als mijn moeder wafels bakt,

Dan ben ik daar geern omtrent.

Stook vier, maak vier,

Sinte Maarten komt hier,

We zetten hem in een hoekje,

We geven hem daar een koekje,

En we zetten hem onder de tafele,

En we geven hem daar een wafele.

Land van Waas:

De jongens van de dorpen,

Die waren hier al bijeen,

Het geldeken, dat wij 's jaren haên,

Dat is hier al verteerd.

Wij zullen gaan leeren hout rapen,

Turf rapen,

Al op Sint Jans manieren!

Vrolijk zullen wij vieren,

Gelijk wij 's jaren plachten.

Een stuk van zijnen mantel

Al met zijn billekens bloot!

En wilde gij dat niet geven,

Dan zijde gij een groote jood!

Een houtje of een turf ken

In Sinte Maartens kurfken.

Krijgt men niets, dan wordt gezongen:

Hier hangt een baksken met zemelen uit,

En daar vliegt de gierige duivel uit.

Of wel:

Een bosje met zwavel,

Een bosje met kruit,

Hier hangt de gierige duivel uit.

Reeds in de XIIIe eeuw wordt de Sint-Maartensdag _Scuddecorfsdag_

genoemd; niet zoozeer, omdat dan de broodkorf geschud werd, d.i. een

algemeene uitdeeling onder de armen plaats had [8] maar een korf

met appelen, kastanjes, noten, mispelen enz. werd boven het vuur

aanhoudend geschud, zoodat de inhoud naar alle kanten vloog en door

de grabbelende jeugd werd opgeraapt. De korf zelf verbrandde langzaam

onder het schudden; vanwaar in Duitschland het rijmpje:

O Marten, Marten,

Der Korb muss verbrennet sein;

Das Geld aus den Taschen,

Der Wein in die Flaschen,

Die Gans vom Spiess,

Da sauf und friss,

Wer sich vollsaufen kann,

Wird ein rechter Martensmann.--

In den Gelderschen Volksalmanak van 1837 leest men, hoe het

Schuddekorfsfeest binnenshuis werd gevierd. Aan den zolder werden

papieren builen opgehangen met rozijnen, amandelen, kastanjes enz. Aan

deze builen bevestigde men een langen papieren slinger. De slinger

wordt aangestoken, de vlam komt nader en nader, het laatste vonkje

deelt zich mee aan 'n kleine hoeveelheid buskruit, die ontvlamt,--en de

buil scheurt aan stukken. Nu regent het lekkernijen, en de grabbelende

jeugd stoeit en strijdt, wie het meest mag oprapen.

Veel meer karakteristiek is het uitdeelen van versnaperingen aan de

kinderen in de zuidelijke provinciën. De avond vóor Sint Maarten is

de echte strooiavond; en de kinderen, ronddansend om het kaarsje

en "Sinter Mertes veugelke" zingend, zien verlangend naar den

schoorsteen, want Sint Maarten rijdt, d.i. werpt zijn gaven door den

schoorsteen. Sint Maarten is de kindervriend en treedt herhaaldelijk

voor Sinter Klaas in de plaats. Te Herdersem, te Aalst, te Sint

Nikolaas zetten de kinderen hun schoen op Sint Maartensavond. Men

legt voor het paard van den heilige, die 's nachts rondrijdt, hooi en

wortelen in den schoen; te Ieperen hangen de kinderen op den vooravond

hun met hooi gevulde kous in het huis hunner ouders of grootouders

op, in de hoop deze 's morgens met geschenken gevuld te vinden. Te

Antwerpen is het strooiavond, evenals te Venloo en in de Kempen;

in bisschoppelijk ornaat verschijnt de heilige in de kinderkamer en

beloont of tuchtigt naar verdienste.

Immers, wij staan aan het begin van het Joeltijdperk, eertijds

gewijd aan Wôdan, als god der vruchtbaarheid, maar ook aan de

schimmen der afgestorvenen, het tijdperk der vruchtbaarheid en der

bevruchting, gedurende hetwelk genoten en gegeven wordt, en nieuwe

gaven worden verhoopt van de aarde, sluimerend en welhaast zich

dekkend met het mollige, blanke dekkleed van sneeuw. Onmiskenbaar

heeft het Oudgermaansche Midwinterfeest een grooten invloed op onze

hedendaagsche gebruiken uitgeoefend. Men toonde zich dankbaar voor

het genotene, men bracht het eerste winteroffer, maar genoot ook van

de offergaven en vierde feest met uitgelaten vroolijkheid. Martinidag

was de eerste smuldag bij de intrede van den winter. De oogst is nu

binnen gehaald, ten volle kan men genieten van de rust na den arbeid

en van den oogstzegen,--en de eerste groote slachttijd is daar. Zoo

vindt men in dit Joeltijdperk dan ook de meeste smuldagen en de meest

verscheiden gebaksvormen; zoo worden dan in deze periode de kinderen

op allerlei snuisterijen onthaald, voorgesteld als hemelgaven, door

de godheid verleend,--naderhand nemen Sint Maarten, Sinterklaas, het

Kerstkind, de Driekoningen enz. de plaats der chthonische godheden

in: ekonomische en religieuze motieven gaan hier hand in hand. Sint

Maarten _rijdt_ deze gaven, evenals Sinterklaas en de Engelen op

Palmzondag; _rijden_ is gelijkwaardig met "geschenken geven", door

welke synonimie het verband tusschen "wind" (rijden door de lucht)

en "vruchtbaarheid" in een helder daglicht treedt. "Veel wind, veel

ooft", zegt een spreekwoord. In Limburg kent men zelfs Sint Maarten

in de funktie van den Wilden Jager (vgl. bl. 71), als aanvoerder van

het geestenheir, begeleid door zijn knecht.

Aldus verklaart men ook de eigenaardige koeken, met Sint Maarten

gebakken en _Sint Maartenshoorntjes_ genoemd. Ook in het Freudental

(Oostenr. Silezië) mogen de _Martinshörndl_ niet ontbreken. Hiermee

hangt samen het varkensslachten, dat op Sint Maarten gebruikelijk is,

zoodat men in Duitschland schertsend van _Speckmärten_ spreekt. Vooral

de kleine man slacht dan het zorgzaam gemeste dier:

Op Sint Martijn

Slacht de arme het zwijn.

Te Hoogstade (België) zingt men:

Sinte Maarten,

Koeken en taarten,

Brood en wijn,

Al voor Sinte Maartens zwijn!

Niet minder past bij de opening van dit tijdperk de Sint

Maartensgans. Zij is om dezen tijd het vetst en wordt dus als

bijzondere lekkernij genoten; vroeger werd zij over het algemeen

meer gegeten dan thans, ik herinner slechts aan de markten, die nog

haar naam dragen. Het gebruik der Sint Maartensgans is heinde en ver

verbreid en houdt met geen enkel goed vaststaand feit uit het leven

van den heilige verband. Men denke er toch aan, dat het volk niet

met getaldatums, maar met heiligendagen rekende, zoodat men tegen

Sint Maarten (d.i. 11 Nov.) de gans slachtte, tegen Sint Andries

(d.i. 30 Nov.) de pacht betaalde, tegen Sint Margriet (d.i. 10 Juni)

omslag in het weer verwachtte enz., enz.--Slechts in Engeland is de

gans de oudvaderlijke schotel op Sint Michaëlis (29 Sept.), n.l. de

_Michaelmass-goose,_ terwijl den 11en November het _Martinmass-beef,_

gerookt vleesch, op tafel prijkt. Ook in Friesland is het eten van

ganzen meer omstreeks Sinterklaas en Kerstmis gebruikelijk.

Reeds sinds eeuwen werd de heilige met een gans afgebeeld; op Noorsche

runenkalenders vindt men 11 Nov. door een gans aangeduid, evenals op

Tirolsche boerenkalenders. Luidens de legende zouden de ganzen den

heilige door hun gesnater bij het preeken gestoord hebben, waarom

hij ze slachten en oppeuzelen liet! Anderen berichten, dat de ganzen

zijn schuilplaats verrieden, toen hij zich had verborgen, ten einde

zich aan de bisschoppelijke waardigheid te onttrekken. Op het dak

der Sint Maartenskerk teWorms (XIIe eeuw) is mede een gans geplaatst.

In Gelderland, Overijssel enz. werd de gans 4 weken te voren

gekocht en dan gemest; befaamd waren de ganzenmarkten te Deventer en

Zwolle. Sommigen _pilden_ de beestjes, d.i. duwden hun meel-ballen tot

barstens toe in den gorgel. Te Deventer werd zelfs door de schooljeugd

aan "Meester" een malsche gans ten geschenke gegeven; deze gaf dan

vakantie. Hier en ook nog in enkele andere plaatsen van Noord-Nederland

bleef na de Reformatie de "papistische grouwel" van het gans-eten

voortbestaan.--Een deftig Deventersch hooggeleerde uit de XVIIe eeuw,

Martinus Schoockiius verhaalt, hoe de hoogstgewichtige vraag behandeld

werd, of het geoorloofd was, op Sint Maarten een gans te eten, en meer

bepaaldelijk, of men een Sint Maartensgans mocht opdisschen aan de

Deventersche studenten in de heilige godgeleerdheid, die gezamenlijk

het middagmaal gebruikten. De hooggeleerde is vrijzinnig genoeg,

er geen bezwaar in te zien; zie Eelcoo Verwijs, Nutsalmanak. 1868,

bl. 151 vlg.

Eigenlijk behoort de St. Maartensgans thuis in de Saksische gewesten

van ons land. Ik ben de meening toegedaan, dat men de gans kan

beschouwen als een Saksisch stamdier, waarop m.i. ook het liedje uit

Westerwolde wijst:

Er kwam een gans uit Sassen,

Uit Sassen kwam die gans,

Hij was zoo wel gewassen,

Gewassen was die gans.--

Voor een groot deel van ekonomischen aard is ook de

Sint-Maartensdronk. In de volksrijmpjes heet het:

Sint Martijn, Sint Martijn,

T' avond most en morgen wijn.

Men dronk nieuwen most en nieuwen wijn, want het feest valt omstreeks

den tijd, dat de nieuwe wijnen worden gekelderd: het valt samen met

het einde van den wijnoogst. Van oudsher werden b.v. te Dordrecht,

de stapelstad, de Fransche wijnen gekelderd op Sint Maarten. Zoo

komt het, dat in sommige Fransche kalenders een beker het attribuut

van Sint Maarten is, en dat hij in Frankrijk veelal als de patroon

der wijnbouwers en hotelhouders geldt.--Uiteraard ontaardde dan ook

het Sint Maartensfeest niet zelden in een zwelgpartij, zooals dit

b.v. op de bekende schilderij van den Boeren-Breughel in het Museum

van Antwerpen is voorgesteld.

De historische Martini-dronk, die den naam van _Sint Maartens minne_

draagt, is oorspronkelijk een heidensche offerdronk. Hierover spreek

ik nader bij het behandelen der Sint-Jansminne.

Eindelijk, Sint Maarten evenals Sinterklaas en andere persoonlijkheden,

die geschenken uitdeelen, is gewapend met een roede of gaarde. Deze

staat met het vruchtbaarheidsbegrip in verband, en elk begrip van

tuchtroede is haar aanvankelijk vreemd. Het is een oud Indogermaansch

volksgeloof, dat het treffen van dier of plant met een roede, onder

zekere plechtigheden, dat dier of die plant vruchtbaar maakt. Mannhardt

vooral heeft over dit onderwerp in zijn Baumkultus onder den titel

van: "Der Schlag mit der Lebensrute" een meesterlijk gedachte en

keurig uitgewerkte verhandeling geleverd. Den 10en November wordt de

_Martinsgerte_ door den Beierschen herder aan zijn meester ter hand

gesteld: achter krib of staldeur gestoken, beschut zij gedurende

den winter het vee tegen alle onheil, en in de lente drijft men er

de koeien mee naar de weide. Hierbij bedient men zich te Etzendorf

(Beieren) van de volgende spreuk:

Kommt der heilig St. Märten

Mit seiner Gerten;

_Soviel Krawitbeeren_,

_Soviel Ochsen und Stiere!_

_Soviel Zweige, soviel Fuder Heu!_

Steekt sie hinter den Kühbarn,

So wird auf's Jahr keine Kuh verloren,

Und steckt sie hinter der Stalltür,

Treibt sie auf's Jahr mit Freuden herfür.

Bij de kerstgebruiken kom ik op dit onderwerp terug. Laat ik nog

slechts aanstippen, dat ook het slaan met riemen, hetwelk de _Luperci_

zich te Rome op het feest der _Lupercalia_ veroorloofden, slechts

in schijn een tuchtiging was. Zelfs versperden de vrouwen, volgens

Juvenalis, den _Lupercis_ den weg, om zich in de vlakke hand te doen

treffen: Nec prodest agili palmas praebere luperco: "En het baat niet

den vluggen Lupercus de vlakke hand te bieden" (_Sat._ II, 14).

Wij volgen nu verder den kalender, door de heiligenfeesten aangeduid:

den waren _volks_kalender.

_Sint Katharina (25 Nov.),_ van Alexandrië, maagd en martelares. Door

hare wijsheid beschaamde zij de heidensche wijsgeeren, van waar zij

van oudsher als patrones van de wijsgeeren en redenaars gold, en ook

de Seminaries haar als zoodanig huldigen. Geen wonder, dat ook eenige

der oudste Belgische Rederijkerskamers haar als patrones verkozen,

b.v. te Hasselt, Eecloo, Leuven en Aalst, waar de _Catharinisten_

nog heden bestaan. De Romeinsche keizer Maximinus veroordeelde haar

na vele folteringen om geradbraakt te worden; maar op haar gebed werd

het met scherpe punten beslagen wiel verbrijzeld, waarna men haar

onthoofde: zoo werden een gebroken rad, boek, palm en zwaard hare

attributen, en verkozen haar de wiel- en wagenmakers, pottebakkers

en spinsters als patroonheilige. Evenals de namen der HH. Lucia en

Clara, staat haar naam etymologisch met het begrip "licht, reinheid,

helderheid" in verband. Dit had tot gevolg, dat de Kathrijnedag tot

_dies criticus_ werd: beslissende dag voor het weêr. Herhaaldelijk komt

hij in weêrregels voor. Men laat plaatselijk omtstreeks dezen datum

den winter een aanvang nemen, en zoo heet het dan: "St. Katharina

komt in het wit gekleed". In Westfalen zegt men: "Katharina hett den

winter innen Schraine". Ook kent men bij ons het rijmpje:

Met Sint Katrijn

Moeten de koeien aan de lijn.

Na regen verleent zij zonneschijn. Dit blijkt o.a. uit het volgende,

op vele plaatsen en met vele varianten (vooral aan het slot) gezongen

rijmpje:

Sinte-Katerijne (of Katelijne),

Laat het zonneke schijnen,

Laat den regen overgaan,

Dat de kinderkens naar school toe gaan!

Wie zal hun leeren?

Onze lieven Heere.

Wie zal ze trouwen?

Onze lieve Vrouwe.

Wie zal hun te eten geven?

Sinte-Pieter, die goede man,

Die alle kinderen geeselen kan.

Of:

Wie zal de misse doen?

Peetje met zijn gelapten schoen; enz. enz.

Sint-Kathrijnedag is ook een Schuddekorfsdag. De schoolkinderen gaan

in Belgisch Limburg van deur tot deur en roepen: "Geeft aan de jongens

van St. Katrien!" Krijgen ze centen, appelen, noten enz., dan roepen

ze nog eens: "Goê Sinte-Katrien!" Krijgen ze niets, dan schreeuwen

ze heel hard: "Kwâ Sinte-Katrien!" Eenige jaren geleden zong men nog:

Wij komen al rond op Sinte-Katriene,

Wij hadden zoo geerne wat boekweitbloem.

Wij zullen ze luisterlijk vieren

Al op een zalige maniere.

Of:

Al op onze oude manieren.--

Gelijk wij verleên jaar hebben gedaan,

Huis voor huis al afgegaan,

Ter eere van Sinte-Katriene.

Geeft wat

Houdt wat

Tegen 't jaar nog wat.

Zie 't Daghet in den Oosten II, bl. 179; IX. bl. 95; XI. bl. 47; De

Cock en Teirlinck, Kinderspel en Kinderlust IV, bl. 180 vlg., VII,

bl. 174, 175; De Cock, Volkskunde, 259; Schrijnen, Essays en Studiën,

bl. 68, 251.

_Sint Andries (30 Nov.)_ is insgelijks een kritische dag: "Sint Andries

brengt de vries", ook weer niet zonder volksetymologischen bijsmaak.

Deze dag deelt verder in de St. Maartens- en Sinterklaasgebruiken. Het

is hier of daar weer Schuddekorfsdag. Op Sint Andriesavond gaan te

St. Marie-Laathem de jongens rond om een _snik_ (appel). Zij staan

bij elk huis stil en roepen:

'k Kom om mijnen snik!

Wie geeft, wordt bedankt; wie niet geeft, wordt onthaald op;

Wilde nie geên, ge meugt 'et houwen,

Maar 'et zalder u wel berouwen!

Die niet en geeft, die es en beest,

Dat es N.N. om te meest!

Sint Andries_nacht_ speelt ook een voorname rol in de tooverwereld,

al mogen wij niet vergeten, dat het rekenen met nachten wel het

oorspronkelijke was; vgl. Volk en Taal I, bl. 11, 12.

_Sint Elooi (l Dec.)._ De H. Eligius werd in 588 in het Westen van

Frankrijk geboren en toonde reeds als knaap groote vaardigheid in

de teeken- en goudbewerkerskunst. De koningen Clotarius en Dagobert

lieten hem kunstvoorwerpen voor zich vervaardigen, o.a. een gouden

zetel. Naderhand stichtte hij een klooster en werd bisschop van

Noyon. De volkssage maakt hem tot een gewonen smid, vooral hoefsmid,

en vereerde hem tevens het patroonschap over de paarden. Vooral bekend,

en ook vaak in lijn en beeld gebracht, is de legende, hoe de heilige

een koppig paard, dat hij beslaan moest, den poot afsneed, zonder het

een druppel bloed te doen verliezen. Dan besloeg hij den hoef op het

aanbeeld en zette de twee stukken weer aan elkaar.

De feestdag van Sint-Elooi wordt op het Vlaamsche platteland door

smeden, voerlieden en paardeboeren nog gevierd, o.a. te Poeke, Vinkt,

Vosselare, Burst, Herdersem, Grembergen en Tielrode. Wat betreft de

zoogenaamde paardenprocessies ter eere van den heilige, deze hebben

thans meestal den 29sten Juni, dus op St. Petrus en Paulus plaats. De

boeren leggen dan met hun rijdieren in vollen draf driemaal den grooten

processieweg af, vatten daarna post voor de kerkdeur, worden gezegend

en rijden dan stapvoets driemaal om de kerk.

Te Mechelen hadden volgens V. Reinsberg-Düringsfeld, Calendrier belge

II, bl. 295, de leerjongens de gewoonte, dien dag van meester tot

meester te gaan om een fooi te vragen onder het zingen van bepaalde

rijmpjes.

_Sint Barbara (4 Dec.)_ werd door haar heidenschen vader in een

toren opgesloten; vandaar, dat de metselaars en timmerlieden haar tot

patrones kozen. Te Keulen is zij met haar geschenken de voorloopster

van Sinterklaas. In Limburg snijdt men de zoogenaamde _Barbara-takken:_

kersen- of berkentwijgen, die in water of in vochtige aarde gezet,

op Kerstmis zullen bloeien,--treffende kerstening en symboliseering

van het vruchtbaarheidsidee.

_Sint Nikolaas (6 Dec.)._. Een groote, krachtige gestalte te paard,

den staf in de hand, den mijter op het hoofd, den ruim-geplooiden

bisschopsmantel om de schouders geslagen,--zoo stelt zich de

kinderwereld den heiligen bisschop van Myra voor. Hij lijkt inderdaad

veel op de figuur van Wôdan, het rijzige lichaam in een wijden,

donkeren mantel gehuld, waarin hij zijn beschermelingen door de lucht

draagt, en gezeten op zijn trouwe schimmel Sleipnir.

Na de overwinning van het Christendom in de IXe en Xe eeuw, toen het

werkelijk geloof aan Wôdan en zijn kring was verloren gegaan, was die

schimmel een onbeheerde zaak, een _res derelicta primi occupantis,_

slechts bereden door een half-goddelijke, half-daemonische schim,

die zich nog hier of daar in het folklore vertoont (zie bl. 72),

maar welke het niet moeilijk viel voor edeler, meer reëele figuren

te doen wijken. Op dien schimmel heeft het volk in den loop der

tijden aan allen, die het hoog hield, omdat zij een aanzienlijke rol

gespeeld hadden in kerkelijke of staatkundige geschiedenis of ook

sage--heiligen, koningen, legerhoofden en anderen--een eereplaats

gegund; en zoo heeft Sleipnir ook als substraat gediend voor de

vereering van Sint Nikolaas.

Het paard is voor den heilige het onmisbare vervoermiddel op zijn verre

tochten. Soms is hij gedwongen, de reis te onderbreken en zijn paard

te laten beslaan; de smid wordt rijkelijk beloond. Het laat ook niet

zelden een hoefindruk achter, evenals de schimmel van _Karel Quinte_,

als deze uit den _Gudinsberg (Wuodenesberg_) komt. Sinterklaas komt van

verre, van het land van licht en zonneschijn, vanwaar hij appelen en

kastanjes meebrengt. In onze Sinterklaasliedjes is dit meestal Spanje,

dan ook Condé:

Drie appelkens van Condé,

Breng mijn broerkens ook wat mee.

(West-Vlaanderen).

Om appelkens van Condé,

Breng er mij een g'heel schootjen mee!

(Oost-Vlaanderen).

Te Venloo laat men hem weer terugkeeren naar Picardië:

Gank oet rieje

Noa 't lendje van Picardië.

Tegen voetzeer schijnt het paard niet beveiligd:

Sinter Klaas zen peerdje,

Dat häd een kranke poot,

Laten we doa voor bejen,

Dat het beter weurdt.

(Hasselt.--'t Daghet in den Oosten IV, bl. 121).

Beter lijkt me de Venloosche lezing:

En Sinterklaos zie(n) pêrd,

Det hêt 'n kwoaje voot,

En as me doa veur bêjt,

Dan wuurdt dê ouk weer good.

In ons land is Sinterklaas het voornaamste schenkingsfeest; hij _rijdt_

geschenken, met name voor kinderen. De _pakjesavond_ onzer noordelijke

provinciën is een late, gladstrijkende en prozaïsche vervorming. Aan

het vruchtbaarheidstijdperk herinnert verder de peperkoek in zijn

tal van grillige vormen en benamingen, waaraan oud en jong zich te

goed doet. Men vergelijke hiermee de _Klausenmannle_ in Hohenzollern,

de _Nicolaus-Lebkuchen_ in Hessen-Nassau enz.

Evenals de Wilde Jager en Sint Maarten _rijdt_ Sinterklaas door

den schoorsteen. En inderdaad, de schoorsteen is de koker der

geestenwereld, de verbindingsweg tusschen de hoogere wezens en de

gewone stervelingen,--de ruime, ouderwetsche schoorsteen boven

den oorspronkelijk vrijliggenden haard, de aloude offerstede,

steeds het gezellige middelpunt van het intieme huiselijke

leven. Is het wonder. dat de schoorsteen een groote rol in de

tooverwereld speelt? Dat men op Silvesteravond, in het hartje

van den Joeltijd, in den schoorsteen ziet, om de toekomst te

doorschouwen? Dat toovermiddelen bij voorkeur in den schoorsteen

worden opgehangen? Vooral de huisgeesten dalen door den schoorsteen

tot den huiselijken haard af. Bij het plaatsen van vulkachels en het

aanleggen van centrale-verwarming nemen zij al schielijk de vlucht.

Onder den schoorsteen wordt de schoen gezet, vanwaar de uitdrukking

"een schoen zetten bij iemand" synoniem is van "iemand iets

afbedelen." Nu staat de schoen van Sinterklaas in het folklore niet

alleen. Ook de Wilde Jager vult schoenen en laarzen, en wel met

goud. Op Kerst- en Silvesteravond, en ook wel op Thomasavond, werpen

zich in Oostenrijk en Mecklenburg jongens en meisjes een schoen over

het hoofd, om te zien, wat hun te wachten staat. Maar hoofdzaak is,

dat de schoen hier op de eerste plaats dient om het voeder te bevatten

"voor Sinterklaas zijn paard." Plaatselijk in heel ons land, maar

met name in de zuidelijke provinciën en in België, wordt in schoen of

klomp haver, hooi, wortelen enz. voor het dier gereed gezet. Vergelijkt

men nu hiermee het op vele plaatsen van Duitschland en Skandinavië,

en ook nog in Twente bestaande oogstgebruik, eenige halmen op den

akker te laten staan, zooals het veelal uitdrukkelijk heet, "voor Wode

en zijn paard," dan dunkt me, dat ook hier weer de oorsprong van een

volksgebruik naar het land moet verlegd worden. Op dit hooioffer kom

ik te gelegener plaatse nader terug; hier volge slechts de slotsom,

dat wij in het hooi voor het paard van den heilige hoogstwaarschijnlijk

een schamel, overigens onschuldig _survival_ te zien hebben van een

voormalig offer aan den god, of liever aan het paard van den god der

vruchtbaarheid, en wel een offer van hooi, dat immers reeds in de

Oudnoorsche Edda _Sleipnis verdr_, "Sleipnir's spijs" genoemd werd.

Bij het schoenzetten behooren enkele liedjes, waarvan hier de

voornaamste, meest algemeen verspreide lezing:

Sinte Niklaas,

Nobele baas,

Breng iets in mijn schoentje,

Een appeltje of een citroentje (limoentje).

Sinte Niklaas kapoentje,

Rijd wat in mijn schoentje,

Een appeltje of een citroentje,

Een nootje om te kraken,

Het zal zoo lekker smaken!

Sinterklaas bisschop,

Zet uw hooge muts op,

Trek uw besten tabbaard aan,

Rijd er mee naar Amsterdam,

Van Amsterdam naar Spanje,

Appeltjes van Oranje!

Sinterklaas, goed heilig man,

Trek uw besten tabbaard aan,

Geef de kleine kinderen wat,

Geef de grooten een schop voor het gat,

Laat ze daarmee loopen,

Kousen en schoenen verkoopen.

Sint Niklaas, mijn goede man,

Wilt ge me wel wat geven,

Dan dien ik u al mijn leven;

Geef je me niet,

Dan dien ik je niet,

Dan ben je mijn Sint-Niklaasje niet.

Sinterklaas rijdt rond met zijn knecht, in ons land meest Pieterman

geheeten, in de Rijnprovincie _Hans Muff_, in den Elzas _Hans Trapp_,

elders anders. In Noord-Duitschland verschijnt op Kerstavond een

baardige, in pels en erwtenstroo gehulde figuur, die appelen, noten

enz. onder de jeugd rond deelt. Wij hebben hier stellig te doen met

een elfische gedaante. Sinterklaas of Pieterman dragen de roede,

evenals Sint Maarten. In Zwitserland draagt St. Nikolaas plaatselijk

een opgesmukt boompje, in Hamburg voorheen een groene twijg. Over de

beteekenis dezer roede is boven gesproken (bl. 116). Laat ik hier

nog slechts bijvoegen, dat te Mähren (Oostenrijk) op den vooravond

van Sinterklaas boerenknapen met zweepen de velden doortrekken,

om de groeikracht te bevorderen. Volgens TlLLE, Die Geschichte der

deutschen Weihnacht, bl. 196, heeft het Protestantisme de levens-

en vruchtbaarheidsroede van onzen heilige tot strafinstrument en

plak hervormd.

Sinterklaas, eindelijk, is ook de patroon der schippers, en dit

attribuut heeft er zeker niet weinig toe bij gedragen, dat zijn feest

te Amsterdam zoo uitermate populair is. Het schipperliedje luidde:

Wij sullen ons scheepken wel stieren

Al over die wilde see,

Al op Sinterklaes manieren,

Soo gaet er ons soetlief meê.

Dit patroonschap is zonder twijfel te danken aan het bekende verhaal,

waarvolgens de heilige, op reis naar het H. Land, een door hem

voorspelden storm door zijn gebed deed bedaren.

Zie Eelco Verwijs, Sinterklaas ('s Gravenhage 1863); Schrijnen,

De H. Nikolaas in het Folklore (Roermond 1898); Ter Gouw, De

Volksvermaken, bl. 252 vlg.

_Sint Lucia (13 Dec.)_ is een echte volksheilige. Zij heeft tal van

attributen van de godin Holda-Perchta overgenomen. In Nederland en

België wordt zij bij oogziekten aangeroepen, op grond der etymologie

van haar naam (van _lux_ "licht"). Vandaar, meent De Smedt, de

gewoonte, haar voor te stellen met twee oogen in de hand of op een

schotel; en hiervandaan komt de legende, volgens welke zij zich de

oogen zou hebben uitgerukt, om zich aan de lagen van een door hare

schoonheid betooverd jongeling te onttrekken. Zie mijne Essays en

Studiën, bl. 68, 251, 244.--

Den eersten der Quatertemperdagen in den Advent, dus

Quatertemperwoensdag vóór het kerstfeest, wordt ter eere der H. Maria

een plechtige mis gezongen, die den naam draagt van _Guldenmis_: niet

omdat zij vroeger met gulden letters in de missalen stond geschreven,

of van wege de gulden pracht der misgewaden; maar "gulden" beteekent

hier "voortreffelijk", "krachtig". Zij wordt ook de _Rorate-mis_

genoemd, omdat zij begint met de woorden _Rorate cocli_. In de

noordelijke provinciën heet zij ook wel de _Schippersmis_. De

Westvlaamsche naam is _Duvekedaals-messe,_ omdat in het mysteriespel

der Boodschap, dat eertijds in Vlaanderen met haar verbonden was,

bij de woorden: "De H. Geest zal over u nederdalen en de macht des

Allerhoogsten zal u overschaduwen", uit de hoogte een duif, door

licht omgeven, over Maria werd neergelaten.

Volgens V. Reinsberg-Düringsfeld, Das festliche Jahr, bl. 424, is dit

mysteriespel in sommige katholieke landen nog gebruikelijk. Zoodra

de zegen gegeven is, begint een knaap, die den engel voorstelt,

welke de boodschap bracht, te zingen:

Ave Maria, gratia plena!

(Wees gegroet Maria, vol van genade),

en het volk valt in en zingt verder:

Benedicta tu in mulieribus!

(Gezegend zijt Gij onder de vrouwen).

_St. Thomasdag (21 Dec.)_ wordt beschouwd als de inleiding tot het

tijdperk der _Twaalf Nachten_. De geesten drijven hun spel, tooverij

en bijgeloof vieren hoogtij. Deze dag is een lotsdag, geschikt om

de toekomst te doorschouwen. In Bohemen meent men, dat Sint Thomas

op een vurigen wagen door de lucht rijdt,--een bijzonder aspekt van

het volksgeloof aan de Wilde Jacht en haar voorrijder. In Oostenrijk

en Mecklenburg is op Thomasavond het schoenwerpen (bl. 123) nog meer

gebruikelijk dan op Nikolaas- of Sylvesteravond.

Het is de kortste dag van het jaar en daarom geldt het als een schande,

op dezen dag lang te slapen. Evenals in Westfalen eertijds degene,

die 's morgens dien dag het laatst ter school kwam, door de kinderen

_Domesesel_ (Thomasezel) genoemd werd, zoo noemt men in Hollandsch

Limburg nog thans den langslaper _Thomas_; analoog is het gebruik,

waarvolgens jaren geleden in Noord-Brabant de jongen, die op den

laatsten dag van het jaar, Sint Silvester, het laatst ter school

kwam, _Paus Silvester_ geheeten werd. En K. de Gheldere, Dietsce Rime

(Brugge 1896), bl. 148 vermeldt: "Die op dezen dag [St. Silvester] in

't een of ander de laatste bevonden wordt, heet _Silvester_ en moet

beschenken." Het is een straf voor de lang-slapers en telaat-komers,

die eveneens den _Luilak_ treft, die den eersten meidag verslaapt. Ook

de _Pinksterbruid_ is een langslaapster, waarover nader. Natuurlijk

heeft men dit gebruik in verband gebracht met het Evangelieverhaal

van den H. Thomas, die "te laat kwam", toen de anderen reeds vergaderd

waren. In Rond den Heerd IV, bl. 130 wordt nog vermeld: "De Maandag na

Palmen-zondag hiet te Brugge over oude tijden Kalfdag; die op Kalfdag

laatst in schole of te huis kwam was kalf, wierd kalf gescholden,

en, in die hoedanigheid, geplaagd en gezeerd." Op Palmzondag begint

het tijdperk van het eigenlijke Lentefeest.

Het begrip "'s morgens te laat komen" trad meer en meer op den

voorgrond; en zoo komt het, dat men heden ten dage hier vader

en moeder, ginder den onderwijzer buitensluit. Men noemt dit te

Brugge iemand _thomassen_. Het feest heet "Sluiterkensavond",

"Sluiterkensdag", "Buitensluit", enz. Het te laat komen wordt

op de eene of andere wijze afgekocht. Merkwaardig zijn nog de

Sluitertjensdagen vóor Aschwoensdag (dus in het begin der lente)

in West-Vlaanderen. Den eersten dag sluit men de moeder uit: 't is

Wijvekenszaterdag; den tweeden den vader: 't is Mannetjeszondag;

den derden de dochters: 't is Meisjesmaandag; den vierden de zoons:

't is Knechtjesdijsendag. Te Waasmunster worden op Zaterdag vóor

Nieuwjaar, en Maandag en Dinsdag daarna de vrouwen (Zaterdag),

de meisjes (Dinsdag) en de jongens (Maandag) buitengesloten. Te

Velthoven wordt de meester op den feestdag der Onnoozele Kinderen

buitengesloten, bewijs te meer, dat dit gebruik niets met den dag,

en nog minder met het feest heeft uitstaan. Zie De Bo, West-Vlaamsch

Idioticon; zie ook De Cock en Teirlinck, Kinderspel en Kinderlust

VII, bl. 152, 252; Volkskunde XIV, bl. 111; V. Reinsberg-Düringsfeld,

Calendrier belge II, bl. 319 vlg.

Eindelijk, de verwantschap van Midwinter- en Lentefeest blijkt o.a. ook

nog hieruit, dat men te Venloo den 21sten December kinderen naar

den Lichtenberg stuurt, om te gaan zien naar "het wijfje, dat daar

peperkoek spint". De overeenkomst is hier sprekend met den 1en April:

"Verzendekensdag," waarover nader.

_Kerstmis (25 Dec.)_. Den 25sten December begon het groote

Germaansche Midwinterfeest ter eere der chthonische godheden, het

groote zielenfeest of Joelfeest, dat het tijdperk der _Twaalf Nachten_

opende. Ook hier heeft de groote vroolijkheid, waarmee de feestenreeks

werd gevierd, hoofdzakelijk haar oorsprong in het genieten der gaven

voor het groote winteroffer, alsmede in redenen van ekonomischen aard:

de groote slachttijd, die met de winterfeestviering samenviel. Of

dit feest ook een zonnefeest was, ter eere van het terugkeerende en

groeiende zonnelicht--hetgeen door Mogk e.a. wordt betwist--laat

ik buiten bespreking. Maar een feit is het, dat geofferd werd aan

de geesten voor de vruchtbaarheid, en dat in de kerstgebruiken van

heden nog schuil gaat een zekere vereering van de groei- en teelkracht

der natuur. De aarde slaapt nu, nieuwe sappen garend, om in de lente

de natuur met jeugdige, frissche kruiden en bloemen te tooien: wij

bevinden ons in waarheid in het bevruchtingstijdperk. Zooals ik reeds

zeide, heeft het schieten in de lucht en in de boomen, het luiden

met klok en bel rechtstreeks reiniging, zuivering van kwade geesten

en andere schadelijke invloeden (evenals het berooken), en daardoor

vruchtbaarheid ten doel ook. Ook met het binden van stroobanden om

de boomen en met het slaan der boomen op kerstnacht wordt bevruchting

beoogd. Gerucht, in welken vorm dan ook, is een probaat middel om de

geesten te verdrijven: het lossen van geweerschoten, in het Noorden

van ons land en in Zuid-Brabant nog veelal gebruikelijk, is hiervan

slechts een moderne vorm. Op kerstavond loopen op vele plaatsen van

Duitschland knapen met riemen vol koebellen door de dorpen. Over de

Barbara-takken is reeds gesproken. De Westvlaming zet op St. Luciadag

een kersen- of appeltakje in water, en beweert, dat het in den

kerstnacht zal uitbotten. Meestal echter snijdt men een twijgje in

den kerstnacht af, dat, in water gezet, op O.L. Vrouwe Lichtmis zal

bloeien. Als men dien nacht den tak van een vruchtboom in water zet,

meent men in Limburg, zal een goed fruitjaar niet uitblijven.

Nu is het geenszins te verwonderen, dat, toen het feest van de geboorte

van Christus op 25 December in de IVe eeuw door de Kerk werd ingevoerd,

aldra de gekerstende volksfantasie gebruiken en volksvoorstellingen ten

deele in christelijken zin herschiep. De christelijk feestmystiek is

ten deele volksmystiek; en vooral de volksmystiek van het Kerstfeest

bergt menig Oudgermaansch overleefsel.

Een voorbeeld. In Limburg vindt men nog kwijnende het gebruik, op

kerstavond een plant in water te zetten, die den naam van _Roos van

Jericho_ draagt. Tegen middernacht spreiden de korte vertakkingen der

plant zich uit en vertoont ze een bloeivorm als van een roos. Hetzelfde

gebruik is in zwang in het Zuid-Zwitsersche _Val di Poschiavo_. Terwijl

men op de ontplooing der bloem wacht, worden kerstliederen gezongen,

of men brengt den tijd in gebed en overweging door. Ook in Duitschland

is de _Roos van Jericho_ geen onbekende. De berichten over dit gebruik

klimmen op tot het begin der XVIIe eeuw.

De hygroskopisciteit der plant, het sluiten en vrij plotseling

heropenen harer bladeren, haar vluchtig herleven werd steeds als iets

wonderbaars beschouwd en zoo kreeg zij een eereplaats tusschen de

tooverplanten en speelt ze een voorname rol in de waarzeggerij, in de

droomverklaring vooral. Maar tevens is zij de plant der dichtkunst,

van het volksgeloof en van de legende. Wonderbare nevelen spreidden

zich als een zilveren waas geheimzinnig om stengel en knop. Men

beschouwde haar als het zinnebeeld der opstanding, vanwaar haar naam:

_Anastatica_. Volgens de sage ontlook de eerste bloem bij de geboorte

van Christus; zij sloot zich bij de kruisiging en ontlook ten tweeden

male bij 's Heeren Verrijzenis. Bij de vlucht naar Egypte ontsproot zij

in de woestijn op de plaatsen, die Maria met haar voet had aangeraakt.

Op de vraag: "Waarom wordt deze plant in den kerstnacht in water

gezet?" dient m.i. een drieledig antwoord. De _Roos van Jericho_ is

het zinnebeeld van de geboorte van Christus; men denke slechts aan het

treffende Oudduitsche kerklied: "Es ist ein ros entsprungen--aus einer

wurzel zart" enz. Ook deed de vrome christelijke volksverbeelding

de geheele natuur deel hebben aan de vreugde, die den mensch bij

de geboorte des Heeren doortintelt: "D'Erd grünet und bringet

rössle,--der Heyland kompt von Himmel" enz. Dan, op kerstavond

bereikt het volksgeloof aan de groei- en bloeikracht der natuur

haar toppunt: deze tijd is immers het kulminatiepunt van het

vruchtbaarheidstijdperk. Maar dit geloof is hier op eigenaardige wijze

door het volk gekerstend. Ook de mystieke beteekenis blijft niet uit:

Christus is de boom des levens. "Hij staat in het midden der Kerk",

zegt Hugo van St. Viktor, "zooals de levensboom stond in het midden van

het paradijs". Tot de uitverkoren gewassen, die in den kerstnacht in

bloei raken, behoort ook nog de doornstruik en het _Allräunchen;_ in

Tirol bloeit zelfs het varenkruid. In Overijssel zegt men, dat dan de

vlierboom uitbot: immers het kruis was van vlierhout. Volgens een oude

Bruggesche overlevering openen alle bloemen hare kelken en knoppen.

Eindelijk, de kerstnacht is vermaard in de tooverwereld. Te

middernacht wordt alle water wijn. De bijen gaan aan 't gonzen en

zingen kerstliedekens; in West-Vlaanderen spreken de paarden, en de

schapen zitten geknield; in Limburg staan de koeien op stal te praten;

te Moelingen (B.-L.) roept de haan: "'t Kindeke Jezus is geboren,"

waarop de duif vraagt: "Moe, moe?" (waar, waar?), en het lammetje

antwoordt: "Te Bêthlehêm". In Brabant richten de schapen hun oogen

naar de ster uit het Oosten, en te Brugge richt het vee zich op,

om het kindeke te groeten. Te Heel, Beek en elders in Limburg wordt

het veevoeder buitengezet, dat het gezegend worde; nog elders is dit

gebruik in zwang. Het schoenwerpen wordt toegepast. In de Graafschap

bergen de boeren alle gereedschap op, omdat zij meenen, dat dit anders

beschadigd wordt door _Derk met den Beer_--een soort voorrijder van

de Wilde Jacht. Vuurbollen vliegen rond. Klokgelui stijgt op uit de

diepte van vijvers en bronnen.

De vereering van de teelkracht der natuur treedt ook sterk op den

voorgrond bij de gebruiken van het kerstblok en den kerstboom. Het

kerstblok of de kersttobbe, Duitsch _Julblock, Weihnachtsblock_

enz., herinnert aan de offervuren; maar daarenboven vertegenwoordigt

het een algemeen verspreide, immers Indogermaansclie symboliek: het

nieuwe leven, door den wederkeerenden zonnegloed de vegetatiewereld

ingestort. In dezen zin kan het Kerstfeest toch ook een zonnefeest

genoemd worden, al was de zon niet het hoofdobjekt der vereering. Dat

het kerstblok eertijds in Limburg bekend was, blijkt o.m. uit eene

uitspraak der schepenen van Susteren in een charter van 1264. Hierdoor

wordt bepaald: "dat elk der ingezetenen een dooden boom uit het bosch

mocht halen, om tegen kerstmis in zijn huis te verbranden." Heden nog

worden o.a. te Belfeld, Echt, Weert, Heithuizen enz. de beste stukken

hout voor kerstmis bewaard. In andere deelen van ons land spreekt

men van _kerststokjes_. Ook in de oostelijke provincies wordt hier

of daar de kersttobbe nog op den haard gelegd. Overblijfsels van het

verkoolde blok hebben onheil-afwerende en vruchtbaarheidschenkende

kracht: zij worden op den akker gestrooid. Wat den kerstboom betreft,

deze is in ons land nog van verschen datum en komt uit Duitschland. Hij

heeft vele trekken met den meiboom gemeen. De kerstboom vervangt dan

Sinterklaas.--In sommige deelen van Vlaanderen, waar geen kerstboom

bekend is, "rijden" de engeltjes op kerstnacht; de kinderen vinden

's morgens den _engeltjeskoek_ op hun peluw.

In verband hiermee zingen de kinderen te Veurne op kerstavond:

Engeltjen, engeltjen Gabrieël,

Woont zooverre van mijn kasteel,

Op mijn kasteel alleene!

Bak mij een koekjen kleene

En een koekjen groot,

Om te leggen

Op Moeder Mariaatjes schoot!

Te Gent noemt men dezen koek _engelbewaarderskoek_. Gaan de Belgische

kinderen op kerstdag "Zalig Hoogtij" wenschen, dan zingen zij:

Heerderkens van buiten,

Spoedt u op de been,

Met trommelkens en met fluiten

Recht naar Bethleëm;

Want daar is geboren

Den God van al,

Die ons het leven

Heeft gegeven

In den stal.

Ik heb hier nog drie eieren,

Warm uit den nest;

Ik heb hier nog een kalfken,

Dat is vet gemest;

Ik heb hier nog wat vlaaikens

In mijn korfken staan,

Om te vereeren

Het kindeken teere,

Laat ons gaan!

Als zij nog heel klein zijn:

Met den tikkenhaan in de hand

Komen wij den herder groeten;

Met den tikkenhaan in de hand

Groeten den herder van het land.

Tik, tik, tik, tikkeliere,

Groeten den herder van het land.

Het vruchtbaarheidsbegrip uit zich in vele gebaksvormen, ik noem

slechts de in ons land zoo bekende kerstbrooden, kerstkransen,

en de Vlaamsch-Brabantsche kerstkoeken, van welke reeds Kiliaan

vele benamingen geeft; de kerst-wikken, kerst-stoeten enz. De

Noordhollandsche benaming is _deuvekater_; in Delft en Schieland

_kersttimp_. Een bijzondere vermelding verdient het kerstbroodje

van Geleen (L.). Dit werd op kerstdag na de Vespers door den koster

uit den kerktoren aan de verzamelde jeugd van Geleen, Lutterade en

Krawinkel toegeworpen, nadat hij het gedurende zes weken in den oven

had laten hard worden; tot loon voor zijn moeite mocht hij in elk

huis der parochie een brood ophalen. Het behalen van dit kerstbrood

werd met moed en vuur betwist, terwijl de overwinnaar, na reusachtige

inspanning daarvan meester geworden, het boven zijn hoofd verhief en

uitriep: "Kerstbrood, mijn brood", en den titel van "broodjeskoning"

ontving. Dit gebruik is in 1842 afgeschaft; zie Jos. Russel, De

heerlijkheid Geleen, bl. 73.

Het ekonomisch karakter (Kerstmis als slachttijd) uit zich o.a. in

het eten van zwijnskop, waarbij dan b.v. te Zelhem gezongen werd:

Kärsöaventjen, Kärsöaventjen,

Dan hebben we volop,

Dan slacht miên vader 'n verksken,

En dan krieg ik de kop.

Zie A. Tille, Die Geschichte der Deutschen Weihnacht, _passim_:

Schrijnen, Essays en Studiën, bl. 237 en Volkskunde XVII, bl. 161;

Aug. Gittée, Nederlandsche Kerstgebruiken, in Vragen van den Dag XI,

bl. 52; Mannhardt, Baumkultus, bl. 224 vlg.; V. Reinsberg-Düringsfeld,

Calendrier belge, bl. 319; De Cock, Volkskunde, 229.

_St. Stefanusdag (26 Dec.)_ heeft ook zijn vruchtbaarheidsuitingen. Te

Merkelbeek, Brunsum, Oirsbeek (L.) gaan dan de kinderen het dorp rond

en roepen "heio", waarop hun appelen en noten worden toegeworpen. Te

Neeroeteren (B.L.) halen alle kinderen een broodje bij den

molenaar. Voorheen at men op Stefanusdag in den Eifel tweërlei brood,

het eene zuur, het andere zoet, zooals nog thans in de Rijnlanden.

Deze dag, waarop eertijds de Sint Stefanus Minne werd gedronken, is

ook, mèt Sint Elooi, de paardendag. Dan werd eertijds hooi en haver

voor de paarden gewijd; maar vooral worden op dezen dag omritten

te paard gehouden om huis en dorpsgebied, ten einde de landerijen

tegen schadelijke invloeden te bewaren en hare vruchtbaarheid te

verzekeren. Zulke omgangen ten behoeve der vruchtbaarheid zijn overoud,

men denke slechts aan het Romeinsche _pro frugibus lustrare agros_:

de akkers rondtrekken voor het gedijen der veldvruchten. Zoo kwam het

hoogst waarschijnlijk, dat Sint Stefanus beschermheilige der paarden

werd, al is het niet te ontkennen, dat hij ook enkele trekken van

een of ander Germaanschen god heeft aangenomen,--zonder daarom een

"verkapte god" te zijn, zooals schijngeleerdheid wel eens betoogt. In

zekere zegenspreuk heelt Michaël (Wôdan?) het paard van Stefanus

(Baldr?); zie Grimm, Deutsche Mythologie II, bl. 1033, vgl. 1030.

Het rondrijden met de paarden, den _Stephanusrit_, vindt men in

Zweden, Holstein, Engeland, Estland, Finland enz. In het Oosten

van ons land noemen de boerenjongens het "Sint-Steffen rieën" of

"Sinte-Steffen jagen."--

Arme kinderen geven dezen dag een stukje brood of een topje hooi aan

de koeien en zeggen tegen de boeren: "Ik steffen jôe kôe", en bij

arbeiders, die geen koe hebben,: "Ik steffen jôe." Te Borger (D.) ziet

men vroeg in den morgen kleine jongens rondloopen met een bosje hooi

onder den arm. Zij gaan van 't eene huis naar het andere, het eerst

naar de deel om de koeien te steffen (stèffenen), al zingende:

Hum, kôe, hum.

Sint Steffen is gekomen

Hard geloopen; duur verkoopen,

Honderd gulden veur dieë kôe,

En een dikke stoetbrugg' toe.

Te Oosterhesselen komt hier nog bij:

Met dikke boter, die mag ik, en die mag elk,

Dan gef de kôe ook botter en melk.

Dan legt de knaap een weinig hooi voor elke koe, gaat naar de keuken

en zegt: "Ik heb jôe kôenen steft"; waarop hij door de boerin wordt

onthaald.

_Sint Jan Evangelist (27 Dec.)_. Een eigenaardig gebruik op dezen

dag, dat dreigt welhaast te zullen verdwijnen, bestaat of bestond

nog kortelings in sommige plaatsen van Hollandsch Limburg, met name

te Simpelveld, Mechelen, Vijlen, Munstergeleen en Oirsbeek. Het

volk drinkt dan ter kerke uit een beker met gewijden wijn, onder

de formule: "_bibe amorem sancti Johannis, in nomine patris_ etc.":

"drink St. Jans Minne, in den naam des Vaders enz." Hetzelfde gebruik

leeft nog op verscheidene plaatsen in Duitschland, vooral in Zwaben.

Evenals de St. Geerten Minne, St. Michaëls Minne, St. Martinus

Minne en St. Stefanus Minne is de St. Jans Minne oorspronkelijk

een herinneringsdronk, een offerdronk, aan de goden gewijd. Immers,

het woord "minne" heeft met "genegenheid, liefde" niets gemeen, maar

wordt slechts volksetymologisch hiermee verbonden; vandaar het Duitsche

_St.-Johannisliebe_, vandaar de term _amor_ in de Limburgsche formule:

_bibe amorem sancti Johannis_ enz. Het woord is afkomstig van den

Indogermaanschen wortel _men_, met de beteekenis "denken, overdenken,

zich herinneren"; slechts in het Westgermaansch ontwikkelde zich de

beteekenis van "beminnen."

Men dronk eertijds de "minne" der goden, vooral van Wôdan-Odhin;

hij toch was de doodengod, en ook aan de afgestorvenen werd deze

offerdronk gebracht: reden, waarom het tijdperk der Twaalf Nachten

daartoe bij uitstek geschikt mocht heeten. Na hun bekeering wijdden

de Germanen dezen dronk aan Christus en de heiligen, doch niet meer

als offerdronk, maar als herinneringsdronk. De volksfantasie kan met

volle recht het vaderschap van de verkerstening dezer minnedronken

voor zich opeischen. Voor het meerendeel bleven zij volksgebruiken

in den engeren zin des woords; slechts van de St. Jans Minne weten

wij, dat zij althans sedert de XVe eeuw, toen de christelijke tint

de oorspronkelijke beteekenis geheel gedekt had, den kerkelijken

drempel overschreed.

Ter verklaring van het kwalijk begrepen gebruik werd naderhand de

legende uitgedacht, als zou een zekere afgodendienaar, Aristodemus

genaamd, den H. Johannes vergiftigden wijn hebben aangeboden, met

de verklaring, christen te willen worden, wanneer de heilige den

beker zonder letsel zou ledigen. Deze dronk vervolgens den giftbeker,

zonder dat hem eenig nadeel overkwam. Volgens een andere lezing zou

de lieveling des Heeren den wijn gezegend hebben, waarop het vergif

uit den beker spatte in de gedaante eener slang. St. Jan wordt daarom

veeltijds met een beker en een slang daar boven afgebeeld.

Waarom de offer- en herinneringsdronk van het Joeltijdperk nu

juist op den H. Johannes is overdragen, is wel hieraan te danken,

dat hij--evenals St. Stefanus, St. Maarten, St. Michaël--een zeer

geliefde volksheilige is. Den 29sten December dronk men eertijds in

Brabant nog St. Davids-minne. Maar een gewichtige faktor was ook de

term _minne_ zelf. Was het niet natuurlijk, dat der goden _minna_,

door het Latijnsche _amor_ weergegeven, bij voorkeur op den apostel der

liefde overging? Ook vindt men _dilectio_ en _potus caritatis_. Zoo

verklaart men tevens m.i. het best, dat de St. Jans Minne naderhand

ook verzoeningsdronk werd; zie mijne Essays en Studiën, bl. 221 vlg.

_Allerkinderen (28 Dec.)_ vertoont een beslist christelijk karakter en

herinnert aan de vermoording der Onnoozele Kinderen te Bethlehem. Dan

viert men in de weeshuizen feest. In de families zijn de kinderen

baas, of eigenlijk het jongste kind, dat dan mag zeggen, wat dien dag

gegeten wordt: de kinderen voeren het huiskommando. In Zuid-Nederland,

Noord-Brabant en Limburg leeft nog het gebruik, dat de kinderen dan,

in het pak hunner ouders gestoken, als "vader en moeder" over straat

loopen en zich bij hun familieleden laten zien. Plaatselijk is dit

gebruik in een bedelpartij ontaard; zoo b.v. in het Land van Waas,

waar men zingt:

't Is vandaag Onnoozele-Kinderdag,

Geeft de moerkens en de vaarkens wat!

Geeft wat, houdt wat,

't Naaste jaar nog wat!

Ik weet daar nog een goede vrouw.

Die mij zoo geern wat geven zou.

Zij zal mij wel wat geven;

Hoelang mag zij leven?

Honderd jaar en éenen dag,

Zoolang als ze kaas en brookes mag.

Men vergelijke hiermee de liedjes op Schuddekorfsdag, b.v. bl. 108 vlg.

Verder dient vermeld het Middeleeuwsch gebruik van den

"Kinderbisschop", ook in de noordelijke provinciën bekend, b.v. te

Oldenzaal, Utrecht, Dordrecht enz. Een kind beneden de twaalf jaar

fungeerde dien dag in de kerk als bisschop en zat met myter en staf

op den bisschoppelijken troon. Hij ontving den staf in de eerste

Vespers bij de woorden van het _Magnificat_: "Hij heeft heerschers

van tronen neergehaald en geringen verheven", en behield hem tot de

tweede Vespers. Reeds in 1304 komt in de stadsrekening van Brugge een

post voor: _Item_ den biscop van den scoelkinderen van Sint Donaas

... XVIJ schellinghen"; en eveneens wordt in 1363 een gift vermeld voor

de Dordsche "scoelnaars ende horen biscop". Hij draagt dan ook den

naam van "Bisschop van de scholieren", "Bisschop van de koorknapen",

enz. Ook in andere landen was de kinderbisschop bekend. Het gebruik

klimt tot de oudste tijden op en is m.i. evenzeer van christelijken

oorsprong. Men bedenke ook, dat het feest der Onnoozele Kinderen

op 28 December reeds op den oudsten kalender der kerk van Karthago

voorkomt en in het Westen overal deze plaats handhaaft.

Daarentegen leven hier en daar nog enkele typische Midwintergebruiken,

b.v. het geven van geschenken en het slaan met roede en zweep als

tuchtiging voor de langslapers; zie Rond den Heerd I, bl. 26. Eindelijk

op enkele plaatsen, b.v. te Herdersem (O.-V.), wordt deze dag gevierd

als St. Gregoriusdag, waarover nader.

_Oudejaarsavond_ en _Nieuwjaarsdag (31 Dec. en 1 Jan.)_.

Ik wensch U al te gaar

Een zalig Nieuwe Jaar;

In voorspoed en verdriet

Vergeet den Schepper niet!

klonk het op nieuwjaarsnacht door de straten, toen de klepperman nog

het nachtelijk uur aankondigde.

Eertijds was het nieuwjaar-zingen over geheel Nederland sterk

verspreid. Maar sedert kerkeraad en regeering hiertegen, als zijnde

"onnutte superstitiën" of "ongeregelheden", te velde trokken, zijn

er in Noord-Nederland nog slechts schamele resten van overgebleven;

zoo verzekert b.v. de Drentsche Volksalmanak van 1842, dat men daar

nog "aan datzelfde euvel mank ging". Het is heden ten dage vooral

nog in België gebruikelijk; men raadplege de rijke verzameling van

nieuwjaarsliedjes bij De Cock en Teirlinck, Kinderspel en Kinderlust

VII, bl. 7 vlg. Slechts een enkel wensch ik hieraan te ontleenen.

Herdersem:

Op eenen nieuwjaarsavond,

Dan zullen wij vroolijk zijn,

Met een geboren maged

En een klein kindeken klein.

Wie zal dat kindeken dragen?

De dochter al van Jeroen!

De klokken zullen luien,

Den kerkweg zullen wij doen.

Als wij op 't kerkhof kwamen,

Wie zagen wij daar staan?

Jezus van Nazarenen

Aan 't kruis genageld staan.

Met eenen doornenkroone

Op Jezus hoofd gedaan,

Vol rozen en roo nelen (_leeljen_)

Om naar den hemel te gaan.

Echte kinderrijmjes vindt men in de Kempen. Zoo b.v.

Maria was gezeten

Met 't kindjen op den schoot,

Om pappeken te laten eten,

Gekookt met wittebrood.

Daar zat een ratteke

Aan Jezus pappeke!

Maria maak het klaar,

Met deze zalige nieuwjaar.

Van geheel anderen aard is het zeer verspreide:

Op eenen nieuwe jare

Sloeg een bakker zijn wijf,

Met eenen eiken kluppel

Zoo deerlijk op haar lijf!

Nederlandsche Volkskunde · 第 73 / 117 题