I. Volksreligie en Geestenwereld.

Het kan niet in mijn bedoeling liggen hier het godsdienstig leven

der bewoners van Groot-Nederland in zijn veelvuldige uitingen te

schetsen. Hoe vreemd het bij den eersten oogopslag ook schijnen

moge: "religie des volks" en "volksreligie" zijn niet synoniem. Deze

laatste toch is spontaan uit het volk opgegroeid onder den invloed van

christelijke, maar ook van heidensche voorstellingen en begrippen. Het

religieuze denken en leven des volks vormt een machtig stuk van zijn

kultuurbezit, terwijl de volksreligie, die alleen tot het domein der

Volkskunde behoort, hiervan substraat of bezinksel is, vervorming,

uitvloeisel of uitbreiding, ressorteerend onder het gebied der

onderkultuur. Vandaar dat beide begrippen zich slechts dekken bij de

natuurvolken: de volksgoddienst is heel hùn godsdienst.

In de volksreligie zullen wij dus aantreffen een sterk uitgesproken

synkretisme, een intensieve wisselwerking van heidensche en

christelijke begrippen. Atributen van heidensche goden werden door het

volk op Christen-heiligen overgebracht, heidensche legenden werden

met christelijke persoonlijkheden verbonden. Anderzijds putte het

kerkelijk geloof uit het volksgeloof, of steunde daarop, waar het

gold heidensche gebruiken te kerstenen of met volksgebruiken haar

feestkring en liturgie te verrijken. Waar het volksgeloof met het

kerkelijk geloof in botsing komt, dus strikt-populair blijft, daar

draagt het den naam van bijgeloof. Het ligt derhalve op onzen weg,

dit bijgeloof nader te onderzoeken, alsmede den volksfeestkring,

waar de wisselwerking tusschen de verschillende bestanddeelen der

volksreligie het meest treffend tot uiting komt.

Ik zeg: "waar het volksgeloof strikt-populair blijft", en bedoel

hiermee: waar het een tegenstelling vormt niet het kerkelijk

geloof. Maar zoo vaak loopen volksreligie en kultuurreligie parallel,

kabbelt het beekje der religieuze volksopvatting en volksvereering

rustig naast den stroom der kerkreligie voort, om niet zelden daarin

uit te monden. Frissche, naïeve, dichterlijke opvattingen ontmoeten

wij hier in groote getale, opvattingen, die innige vroomheid ademen

en diepen godsdienstzin. Andermaal is een historisch-heidensche

of animistische voorstelling dermate verzwakt, dat slechts een

onschuldig residuum van naïeve volksverbeelding overblijft. Wie zal

de volksvoorstelling laken, dat Sinterklaas bij het gieren en loeien

van den Decemberwind op zijn schimmel heen rijdt over de daken,

of het volksgebruik van het bekransen der laatste schoof of van den

palmpaasch? Eindelijk, waar velen animisme speuren, zie ik niets dan

dichterlijke uitdrukking, dichterlijke persoonsverbeelding, met name

verpersoonlijking der natuur, waarvan elk animistisch begrip of elke

animistische nuance verre blijft.

In de volksreligie onderscheid ik in aansluiting met het bovengezegde

een _natuurlijke_ en een _historische laag_.

I. Op den bodem der _menschelijke natuur_ liggen de begrippen van

Godsbestaan, vergelding, voortleven der ziel e.a. Men vindt ze niet

alleen bij de kultuurvolken, maar--zij het ook in de grilligste vormen

gehuld--insgelijks bij de minst beschaafde stammen.

Daarenboven bevat het hedenclaagsche folklore de voortbrengselen eener

steeds werkzame, rusteloos arbeidende, mythenvormende aandrift des

volks, die eertijds zich voortbewoog op de dwaalwegen en kronkelpaden

van het polytheïsme, die het hare bijdroeg tot het tot stand komen

van menige mythische formatie van voorheen, maar die ook voor het

heden nog een overvloedige bron is van volksreligie en magie. Vooral

Wilh. Mannhardt heeft op dit bestanddeel de aandacht gevestigd

in zijn Baumkultus der Germanen und ihrer Nachbarstämme (Berlin

1877). Bij alle Noordeuropeesche volkeren, met name bij de Germanen,

neemt hij een uitgebreiden daemonkultus aan in een voorhistorisch

tijdperk. Deze kultus veronderstelt de primitieve wereldbeschouwing

van het _animisme_: het toekennen van een ziel aan alle dingen,

bewerktuigd en onbewerktuigd, gesproten uit een geestestoestand,

waarin de mensch geen scherpe scheidslijn weet te trekken tusschen

hem zelf en de hem omringende natuur. De kloof tusschen mensch,

dier, plant, mineraal is bij zulke wereldbeschouwing overbrugd, er

is geen plaats meer voor het wonderbaarlijke; het meest ongelooflijke

lijkt niet meer dan natuurlijk. Menschen kunnen evengoed in boomen en

rotsen veranderen als omgekeerd. Zie hierover verder mijne Essays en

Studiën in vergelijkende godsdienstgeschiedenis, mythologie en foklore

(Venloo 1910), bl. 51, 52.

Uit het beschouwen van den plantengroei, zegt Mannhardt, heeft de

mensch eertijds het besluit getrokken eener wezenlijke overeenkomst

tusschen de plant en hem. Aan de plant schreef hij een ziel

toe, gelijkvormig aan de zijne, en uit haar ontwikkelde zich de

_Vegetationsdämon_, die in de Germaansche boomvereering zulk een

gewichtige rol speelt. Van daar het gebruik, een boom te planten

bij de geboorte van een kind; vandaar de gebruiken, die samenhangen

met laatste schoof, meiboom, levensroede enz. Zij houden verband met

een voortsluimerende, hoewel onbewuste vereering van den geest der

vruchtbaarheid, die naar men eertijds geloofde in die voorwerpen zijn

verblijf hield. Verlaat echter de boomziel haar gewone verblijfplaats,

dan schenkt zij het aanzijn aan Wildemannen, Witte en Groene Juffers

en dergelijke.

Nu hoede men zich in deze voor overdrijving of generaliseering. Het

animisme, òok het thans nog onbewust voorttierende, is ten slotte een

primitief-wijsgeerige wereldbeschouwing, uit gebrekkige waarneming

met nog gebrekkiger oordeel afgeleid. Maar bespiegelende wijsbegeerte

is nog geen godsdienst, en dus gaat het niet aan van een werkelijken

volkskultus te spreken, wanneer geen hooger bestanddeel aanwezig

is. Men denke daarenboven, zooals reeds gezegd, aan de mogelijkheid

eener figuurlijke opvatting, eener poëtische persoonsverbeelding,

die m.i. in vele gevallen stellig aanwezig is. Moge b.v. met het

gebruik van den meiboom, in zijn verschillende vormen, nog in zekere

mate een vaag begrip van "boomziel" gemoeid zijn,--een "boomdienst" is

dit stellig niet meer. Ook weten wij, dat parallel met het Christendom

onder den vorm van bijgeloof een zeker volksgeloof aan de huisgeesten

bleef voortwoekeren, nu eens welig uitbottend, dan weer door gezonder

leer besnoeid. Maar men zal mij moeten toegeven, dat de vorm van

dit volksgeloof in de vereering--zoo daarvan sprake kan zijn--van

het gemoedelijk volkje der aardmannetjes en kaboutermannetjes op

vaderlandsche bodem al bizonder onschadelijk is.

II. Volgens het zooeven gezegde zullen wij in de _Germaansche

Mythologie,_ die in zoo nauwe betrekking staat tot het hedendaagsche

folklore, een tweevoudig bestanddeel moeten onderscheiden: een

lagere en een hoogere mythologie. Naast animisme in engeren zin,

d.i. zielengeloof en zielenvereering, voor een groot deel veroorzaakt

door den drang om het levensbeginsel, bij den dood geweken,

weder te vinden in de omringende natuur, bloeide een uitgebreide

daemonkultus; deze stoelde eveneens op genoemde primitief-wijsgeerige

wereldbeschouwing, maar werd als kultus voor een groot deel door

erkenning van het hoogere in de natuurkrachten te weeg gebracht. Aldus

werden geboren de wind- en berggeesten, aldus de woud- en watergodheden

der Oude Germanen.

Ziedaar den oorsprong van menige formatie in onze

volksreligie. Zielengeloof verklaart op de beste en eenvoudigste wijze

het verwijlen van koningen en andere lievelingen des volks in rotsen en

bergspelonken: men denke slechts aan Barbarossa, Hendrik den Vogelaar,

Karel V, Karel den Grooten in Duitschland, koning Artur in Engeland,

koning Olaf in Zweden, maar ook aan de Venus- en Hollebergen, waar

de zielen huizen onder den schepter der doodsgodin. Want Holle,

de vrouwe in het wit, is de doodsgodin. Tusschen het dorp Elspeet

en de buurtschap Uddel (G.) bevindt zich een hoogte, bekend onder

den naam van _de hulde_ of _het hul_, verdeeld in een kleine en

groote hul. Men heeft getracht deze benaming te verklaren als

verbastering van het Engelsche _hill_ "heuvel". Evenwel, "daar de

legende zich ook aan deze plaats heeft vastgeknoopt en zegt, dat een

reus daar eens het overtollige zand uit zijn klompen heeft geschud;

daar het bovendien vreemd zou zijn, dat juist die éene heuvel een

Engelschen naam ontving, moet men aan eene andere afleiding denken":

Dr. L. Knappert, De Beteekenis van de wetenschap van het Folklore

voor de Godsdienstgeschiedenis (Amsterdam 1887), bl. 157. Ik ga met

schrijver akkoord, wanneer hij hier aan Holdavereering denkt.

Want Vrouw Holle is de koningin der _elfen_: deze toch, de lievelingen

der volksfantasie en der dichtkunst, zijn zielen der afgestorvenen,

zijn dus van animistischen oorsprong in engeren zin. Troepsgewijze

wonen zij bij elkaar, niet slechts in de bergen, maar ook in

bosschen en rivieren. Zij komen uit Elfenheim of Engelland. Ook hun

eigen koning hebben ze, den _Alfen-, Ellen_- of _Erlen_-koning, in

het Fransch _roi des aunes_. Het woord _elf_, Middelnederl. _elf_

of _alf_, Angelsaks. _aelf_, is verwant met het Oudindische _rbhu_

"geest, ziel van een afgestorvene". In onze Middelnederlandsche

letterkunde zijn zij uitermate bekend, maar slechts in de ongunstige

beteekenis van kwelgeesten of bedrieglijke schijnbeelden, zoo b.v. in

de Sotternije van Lippijn 105:

Wat duvel heeft God die werelt gheplaecht

Met alven ende met elvinnen.

En aldaar 146:

Wat! ben ic dronken van den biere

Ochte vlieghen dalve achter straten?

Zie over dit onderwerp vooral de verhandeling van Dr. L. Knappert in

De(n) Tijdspiegel 1898 II, bl. 353 vlg., III, bl. 29.

Vele trekken van Holda en haar stoet zijn overgegaan op de _Witte

Vrouwen_ met haar sterk animistischen grondtoon. Men kent ze in

Engeland, Duitschland en Oostenrijk, maar ook in ons land. Kiliaen

neemt ze in zijn woordenboek op; de Teutonist noemt ze _guede holden_

en _belewitten_, dit laatste oorspronkelijk benaming van goede geesten,

later van tooverheksen: zie hierover het opstel van Prof. J. W. Muller

in Volkskunde XIX, bl. 8 vlg. De predikant Jan Picardt geloofde vast

aan haar en spreekt het anathema uit over allen, "die door ignorantie

van oude dingen voor fabeltjes houden al wat van deze witte wijven

verhaalt wert." Vooral in het Oosten van ons land zijn de _Witte

Wiêven_ bekend, met name in Gelderland en Overijssel. Op de Lochemsche

bergen kent men een Witte-wijvenkuil. V. D. Bergh beweert in zijn

Kritisch Woordenboek op bl. 361, dat zij bekend zijn "in N.-Brabant,

Gelderland, Overijssel, Drenthe, Groningen, Friesland en het dus

genoemde West-Friesland of N.-Holland", en, naar hij, meent, ook in

Zeeland. "In het eigenlijke Holland en Utrecht" heeft hij daarvan geen

sporen aangetroffen. Zij wonen in heuvelen, _wiêvenbelter_ geheeten,

meestal drie bij elkaar, soms talrijker, zeldzaam éene afzonderlijk;

zoo wonen zij te Buurse (O.) in den _Langenbelt_, en daar worden

nog eigenaardig-gevormde pijpjes gevonden, waaruit zij rookten. Te

Vriezenveen (O.) huisden zij op de _Jöst_. Niet zelden klopten zij

's avonds aan en vroegen dan om een _balkenhaze_ (kat); bij weigerend

antwoord oefenden ze wraak, drongen met gloeiende breinaalden in het

varkenshok en doodden de zwijnen. Zelfs door het riemsgaatje konden

zij binnenkomen: Driem. Bladen I, bl. 66, 101, 103; II, bl. 1. Eens

is het gebeurd, toen een boer bij maneschijn over de eenzame Groot

Driener heide reed (O.), dat in een oogwenk drie witte vrouwen uit

haar geheimzinnige verblijfplaatsen verrezen. De boer, goed geluimd,

sprak haar toe:

Witte wiêven wit!

'k Wol oe wal broan, maar hebbe geen spit;

En um da'k neet hebbe en spit,

Roop ik moar: witte wiêven wit!

Hierop antwoordden de geesten: "Wacht tot da' we deene schoband to

eknupt en doare' to erukt hebt". Maar de boer was zoo verstandig,

niet te wachten, anders was het hem slecht gegaan. Aldus Halbertsma,

Overijss. Alman. 1837, bl. 242.

Elders worden zij _Witte Juffers_ genoemd. Dr. L. Jansen heeft

verhaald over "de witte Juffer van Monferland", een berg, rond en

begroeid, gelegen aan den weg van Doesburg naar 's Heerenberg (G.),

zie Geldersche Volksalm. 1842, bl. 192 vlg. Volksverhalen van Witte

Juffers zijn ook in Limburg niet schaarsch. Zij vertoonen zich graag

bij warmen zonneschijn en helder maanlicht aan jonge schaapherders en

koewachters, kammen het lange haar, kloppen vlas, hekelen, spinnen,

en wijzen, stampend met den voet, de plekken aan, waar een schat

bedolven ligt. De Limburgsche volkskundige H. Welters verhaalt in zijn

Limburgsche Legenden, Sagen, Sprookjes en Volksverhalen (Venloo) I,

bl. 213 van de Witte Juffer van het "Gebroken Slot" bij Grubbenvorst;

Waling Dijkstra, Uit Friesland's Volksleven (Leeuwarden 1895) I,

bl. 120 van het Juffershout ten noorden van Sint Anna-Parochie,

en van de Juffersbrug te Harlingen.

Tot de elfen behooren ook de _dwergen_ of _aardmannetjes_, in Noord-

en Zuid-Nederland overbekend. In de volksfantasie leven of leefden

zij voort als oude mannetjes, klein van gestalte, met langen, grijzen

baard en in het grijs gekleed: immers, evenals alle elfen ontleenen

zij het kostuum aan hun omgeving. Zij huizen in de bergen en wellicht

wijst de kap, waardoor zij zich onzichtbaar kunnen maken, op den nevel,

die de bergen aan het oog onttrekt.

Overdag korten zij den tijd met spel en zang in hun ondergrondsch

verblijf; het is een jolig, snaaksch, doch tevens listig, sluw,

bedreven volkje. In Belgisch Limburg bewoonden zij de konijnenpijpen,

vooral in den Alverberg bij Diepenbeek; in Hollandsch Limburg de

zoogenaamde _haagten_, d.i. onderaardsche gangen. Zulke bestonden

o.a. te Geleen, Stein, Echt, Reuver, Brunsum en Hoensbroek, waar

men nog een Auverberg en een Auvermoerbeek heeft. Ook huisden zij

op den Krekelsberg te Roggel, op den Pijpenberg te Haelen, en op

den Spekberg te Steijl. Te Venloo vertelde men vroeger, dat de

aardmannetjes te middernacht op het fort Beerendonk uit den grond

kwamen en dansten. Want slechts des nachts wagen zij zich buiten,

zij schuwen het daglicht, en zoo wordt de animistische grondtrek

van hun karakter weer duidelijk zichtbaar. Een Alverberge bestaat in

Zuid-Brabant o.a. te Bekkevoort en te Lubbeek.

Over het algemeen zijn zij hulpvaardig en dankbaar voor bewezen

diensten. In Vlaanderen wasschen zij al het linnen op éen nacht,

in Belgisch en Hollandsch Limburg schuren zij het koper- en tinwerk

blank. Nog weet men rond Hasselt te verhalen, dat huisvrouwen

en meiden potten en pannen naar een bepaalde plaats brachten, en

daar ter vergoeding eenige centimes en een zakje tabak neerlegden:

want zij rookten uit kleine, typische pijpjes. Ook in Antwerpen,

en Brabant zijn zij bekend, b.v. te Mechelen, Leuven, Aerschot,

Turnhout, Ghyseghem, Tremeloo en Herselt, waar sommige hunner ook wel

in bosschen woonden. Dit geldt ook voor de Veluwe; in het Soerensche

bosch b.v. droeg een plaats den naam van _Aardmanshegge_.

De aardmannetjes heetten ook _alvermannekes, auvermannekes, laplanders,

klablers, roodmutsjes, Jan met de roode muts, bergmannetjes,

heuvelmannetjes_ enz.; een vrij volledige lijst geeft De Cock in

zijn Brabantsch Sagenboek I, bl. 183. Te Groningen noemt men ze de

_'Aimpies_, in Vlaanderen ook _de Alven_. Vandaar de uitdrukking: "gij

zult door d'Alven geleid worden", d.i. door de geesten, die iemand

het spoor doen bijster worden. Misleiding wordt ook toegeschreven

aan _den Dalf_ in het land van Aalst en aan _den Als_ in de buurt

van Dendermonde. Volgens Lenaerts, De verdwijning der Alvermannetjes

(Antwerpen 1898), bl. 136, moet _den Alf_, geest, die 's nachts de

reizigers misleidt, wel degelijk van de Aardmannetjes gescheiden

worden. Zie nog Ons Volksleven I, bl. 66, VIII, bl. 213, IX, bl. 160;

Volk en Taal III, bl. 89; IV, bl. 57, 123; Wolf, Niederl. Sagen,

no. 3 474, 475, 476, 479.

Eigenlijk verschillen van deze groep de _kaboutermannetjes_, ook wel

_boezemannen_ en _kobolden_ geheeten. Zij zijn aan het huis gebonden

en vertoeven meestal in de daksparren. Hulpvaardig staan zij den boer

in het ploegen van het land, den molenaar, den timmerman enz. in al

hun bezigheden ter zijde. Hun intiem, huiselijk karakter spreekt sterk

uit de opvatting, die men in Noord-Holland (Zuiderwoude, Koog aan de

Zaan, Tessel, enz.), luidens de mededeeling van Dr. Boekenoogen, van

de _klabouters_ of _nachtwerkertjes_ had. Veelal werd ter vergelding

voor de goede bewezen diensten eten neergezet. Dit bestond in een

schoteltje met melk, en men plaatste het in een blindvenster, dat

is: het terzijde van den schoorsteen in de tegels gemetselde nisje;

zie Volkskunde XXI, bl. 221 vlg.

Eertijds, bij het hooren van de echo, meende men de stem der

aardmannetjes te vernemen. Thans zijn zij grootendeels verdwenen, het

volk zegt, omdat zij het luiden der klokken niet konden verdragen.--

Vgl. Wolf, Niederl. Sagen, nos 206--211, 477, 478; V. D. Bergh,

Woordenb. 120; Gittée, Nederl. Museum II, 2 bl. 352; Welters,

Limb. Legenden II, bl. 25; Schrijnen, Essays en Studiën, bl. 59.

De watergeesten bij uitstek zijn wel de nixen en _meerminnen_. Zij

bezitten de proteusnatuur en de gave der voorspelling. Wandelt men

's avonds langs het water, dan hoort men veelal haar stem. Vaak ook

weerklinkt haar verlokkend gezang in het stille van den nacht en

trachten zij de menschen in het verderf te storten. De beleedigde

waternix vooral weet zich te wreken. Haar wezen is identiek met dat

der oude Sirenen.

Wellicht wijst op dit volksgeloof de naam van een bosch in de

nabijheid van O.L. Vrouw-Waver, nl. "de Meermin"; zie Volkskunde

XXII, bl. 68. Volgens een oude overlevering zou ook Muiden eens met

een meermin hebben kennis gemaakt, die, uit de Zuiderzee opgedoken,

dezen vloek over de stad zou hebben uitgesproken:

Muden sal Muden bliven

Muden en sal noit bekliven.

Naar men weet, heeft Muiden als wapen een blauwen paal op zilveren

schild, vastgehouden door twee meerminnen.--In de groote kerk te Edam

op een der beschilderde glazen achter den preekstoel is een meermin

afgebeeld; terwijl de Purmerpoort aldaar een konterfeitsel vertoonde

van het "groene wijf", met dit bijschrift:

Dit beeld hier opgericht tot een gedachtenis

Wat in het Purmer-meyr voorheen gevangen is.

Anno 1403.

Immers, volgens de legende werd in dat jaar in de Zuiderzee een

monster gevangen met de gedaante eener vrouw, geheel met groen

mos begroeid. Naar Edam gebracht, leefde zij nog eenige jaren. Zie

F. W. Drijver, Mozaïek (Groningen 1906), 3e druk, bl. 202.

Belangrijker is het stellig na te gaan, wat van dit volksgeloof aan

watergeesten nog rest. Spoken bant men in Belgisch Limburg naar de

_weiers_ (vijvers), wat wijst op hun karakter en herkomst. Ook kent

men de _Grijze Meer_. Kinderen maakt men bang met den _waterwolf_,

om het spelen aan het water tegen te gaan. In Vlaanderen dragen de

watergeesten den naam van _nekkers_. Ook in Overijssel worden of

werden nog voor betrekkelijk korten tijd geesten geacht in vijvers

hun verblijf te houden, zoo b.v. te Zwolle de _watersnaak_.

Wat betreft de in België niet onbekende _boschnimfen_, die in

Duitschland de typische benamingen van _Moosfräulein, Wald-weiblein,

Selige Fräulein_ e.a. hebben, deze behooren tot de windgeesten. In

Noord-Bohemen heeft de boschnimf de gedaante van een stokoud

moedertje, met sneeuwwit, wild rondfladderend haar en bloote

voeten. Zij steunt op een knoestigen stok en schenkt gele blâren,

die in goud veranderen. Wanneer in de lente en in den herfst ijle

nevelgedaanten uit het gebergte opstijgen, wanneer "der Wald raucht",

dan pleegt men te zeggen: "Das Buschweibchen kocht".

's Winters, als de stormwind over onze lage landen heenvaart en door

't geboomte huilt en fluitend over de daken en om de schoorsteenen

giert, dan stormt het geestenheir door het luchtruim. Het is de _Wilde

Jacht,_ die in de volksverbeelding een zoo voorname plaats inneemt. De

voorstelling is ooroud en ook niet uitsluitend Germaansch. In de hymnen

van den Rig-Veda vinden wij als aanvoerder den windgod Vâyu-Indra

aan het hoofd van zijne _Maruts_. In de Germaansche landen voerde

Wôdan op zijn schimmel _Sleipnir_ het geestenheir aan. In den loop

der tijden hebben vele persoonlijkheden aan Wôdan deze eereplaats

betwist: in Engeland koning Artur, in Skandinavië koning Waldemar,

in Sleeswijk koning Abel. Frankrijk heeft de Germaansche voorstelling

overgenomen en op Karel den Grooten en Karel V toegepast; volgens

een Bourgondisch gedicht uit de XVIIe eeuw rijdt Charlemagne aan de

spits van het geestenheir, terwijl Roland het vaandel draagt.

Over geheel Duitschland is de sage van een vervloekten jager

verspreid, die, wegens het schenden van den Zondag, gedoemd werd,

met zijn honden achter zich, door het luchtruim te jagen tot den

jongsten dag. Hij draagt den naam van _Hackelberg_, uit _hackel

bärend_ "mantel dragend". Het Limburgsche folklore kent deze figuur

onder de benaming van "Henske met de hond"; "Henske" wordt ook

als duivelsnaam gebezigd. In Gelderland spreekt men plaatselijk

van de _Berndekesjacht_, en wordt als voorrijder genoemd _Dirk met

den beer_. Men meent te onderscheiden het gekrijsch van vogels en

verwijderd hondengeblaf. Wanneer op een hoeve "d'n bòvenste neendure"

's avonds wat laat open blijft, vliegt de Wilde Jacht wel eens

daarbinnen om uit te rusten. Ook hier leeft nog de legende, dat het de

jachtstoet is van een tot eeuwigdurig jagen gedoemden Zondagsschender;

vergel. Driem. Bladen III, bl. 3.

Somtijds, zooals plaatselijk in Hollandsch Limburg, is van een

aanvoerder volstrekt geen sprake, en dan openbaart zich de volksmythe

in haar ruimsten, wellicht ook in haar oudsten vorm. Veelal bestaat

het geestenheir uit de zielen van ongedoopte kinderen, of wel uit

dronkaards en allerlei soort misdadigers, zooals de _Aasgaardsreia_

in Noorwegen. In Belgisch Limburg spreekt men van _Helsche Jacht_ of

_Helsche Wagel_, ook wel van _Turkusjacht, Kluppeljacht, Tieltjesjacht_

(Hageland) en, evenals rond Leuven, _Tilkesjacht_: wonderschoone

muziek, maar als men slechts een woord spreekt, houdt ze op. Naar men

weet, verbreekt de menschelijke stem in het volksgeloof den ban van

de geestenwereld, van het bovennatuurlijke: vandaar, dat volstrekt

stilzwijgen gevorderd wordt bij het schatgraven, waterscheppen,

oudtijds bij het offeren enz. In Vlaanderen verklaart men het

geheimzinnige gerucht als de muziek van heksen of vrijmetselaars, die

zich naar hun vergaderplaats begeven. In Drente en Groningen geloofde

men aan een "vurigen" of "gloeienden" wagen, met vier of zes honden

bespannen,; en insgelijks sprak men van een "ijzeren" wagen, onder

vreeselijk geraas gemend door een voerman van ontzettende gedaante,

rijdend tusschen Nijkerk en Letterbert. In de Overbetuwe kende men

den _Helwagen_, te Zwartewaal in Zuid-Holland den _Oogstwagen_ met

overeenkomstige beteekenis. Zie verder Ons Volksleven II, bl. 9;

't Daghet in den Oosten II, bl. 167, 191.

Een animistisch karakter vertoont ook de _weerwolf_, letterlijk

"manwolf", immers het eerste gedeelte komt overeen met het Gotische

_wair_ en het Latijnsche _vir_, dat wij ook nog hebben in ons

"weergeld" d.i. "man-geld." De term "Lykanthropie" is van het

overeenkomstige Grieksche woord afgeleid.

De weerwolf-mythen hebben alle Indogermaansche volken gemeen; vooral

vindt men ze in grooten getale bij de Slaven, waar zij nauwverwante

trekken met onze heksen en vuurmannen vertoonen; zie b.v. Fr. Kraus,

Volksglaube und religiöser Brauch der Südslaven (Munster 1890),

bl. 112. Den Slavischen weerwolf slacht vrijwel diens naamgenoot op de

massale dijken langs Lek en Waal. De Betuwsche weerwolf, zegt Marie

Ramondt in Volkskunde XXIII, bl. 161, heeft niets menschelijks meer;

hij is niet de "man-wolf van onze andere landouwen, hij is een hond met

gloeiende oogen en een vurige tong, zooals Kludde uit de Brabantsche

sagenwereld, en evenals deze loopt hij op zijn achterpooten en rammelt

met een ketting.--Deze _Kludde_, die, naar het schijnt, benoorden

Brussel, en bezuiden Brussel onder den naam van _Lodder_, de plaats van

den weerwolf inneemt, houdt eigenlijk het midden tusschen weerwolf en

vuurman. Te Aalst en omstreken heet hij _Kledden_, te Brecht _Klodde

met zijn bellen_. Van bedriegers, die als weerwolf rondloopen, zegt men

dat zij "Kledden-loopen." Ook komt hij wel overeen met den grappigen

Gelderschen _Stoep_, die den verschrikten wandelaar voortdurend op den

rug springt. Zie De Cock-Teirlinck, Brabantsch Sagenboek (Gent 1909)

I, bl. 82 vlg.; Ons Volksleven V, bl. 147; X, bl. 142.

Het volk houdt zich vast overtuigd van de waarheid, dat sommige

personen de gave bezitten zich op bepaalde tijden, meest omstreeks

Kerstmis of St. Jan, in wolven te veranderen: de wolf is een mythisch,

daemonisch wind- of neveldier, zooals uit exotische gegevens voldoende

blijkt. De verandering in een wolf heeft plaats door het aanleggen

van de wolfshuid of den wolfsgordel--men vergelijke het aanleggen

van het zwanenhemd--, in de volkstaal kortweg "het vel" geheeten;

vgl. de uitdrukking "uit zijn vel springen", waarover Prof. Verdam,

Sporen van volksgeloof in onze taal en letterkunde, in de Handel,

van de Maatsch. d. Nederl. Letterk. te Leiden 1897--98, bl. 46.

Ons folklore is rijk aan verhalen, waarin op het middernachtelijk uur

het wolfsvel uit den schoorsteen op het vuur valt. Het verbranden van

de huid brengt de verlossing. Deze en dergelijke sagen zijn wijd en

zijd verspreid; in België, vooral in Vlaanderen en Limburg, ten deele

in Brabant, met name te Aerschot, Liedekerke, Hoogstraten, Hubertingen

en Maaseik; in de sagen van Belgisch en Hollandsch Limburg is de

weerwolf niet onkwetsbaar. Te Ohe en Laak b.v. bracht een jager hem een

zware wonde toe, en, het bloedspoor volgend, vond hij in een hut een

man liggen, die in de zijde doodelijk getroffen was. In Nederland kent

men den weerwolf in de provincies Limburg, Noord-Brabant, Friesland,

in de Graafschap, Salland enz. Van de zeven na elkaar uit hetzelfde

huwelijk geboren zoons of dochters is de zevende een weerwolf. Men

erkent hem o.a. aan eenige vezeltjes doek, die hij steeds tusschen

de tanden heeft. Ter bezwering trekke men met den voet een streep

over den weg, zeggende: "Als ge van God komt, dan nader; als ge

van den duivel zijt, dan blijf vóor de streep." Hij toont zich ook

dankbaar voor bewezen weldaden; zie Volk en Taal I, bl. 48; verder

III, bl. 209, IV, bl. 5. Vergel, ook H. Welters, Limb. Legenden II,

bl. 38 vlg.; De Cock-Teirlinck, Brabantsch Sagenboek I, bl. 93; Panken,

Noordbrab. Sagen (Brecht 1893), no 42 vlg.; Rond den Heerd IV, bl. 2.

Nauwverwant is de _mare_ of nachtmerrie. Het Middelnederl. _mâre_,

nog in Hollandsch Limburg en Zuid-Nederland gebruikelijk, is

verwant met het Oudhoogduitsche en Oudnoorsche _mara_ en beteekent

"nachtspook, nachtbelemmering"; in Noord-Brabant spreekt men dan ook

van _nachtmaar_. Het woord is waarschijnlijk afkomstig van een wortel,

die zoowel in ons _meren_ "vastleggen, binden", als in _marren_

"talmen, dralen" steekt. Met ons woord _alfdruk_ vergelijke men het

Fransche _cauchemar: cauche_ is afkomstig van het Latijnsche _calcare_

"drukken".

Wat bewoog het volk, de termen _nachtmare_ en _merrie_ in verband te

brengen? De ziekelijke verbeelding van den slapende of droomende stelt

zich den drukkenden, haast tastbaren last, die zijn borst beklemt en

zijn adem belemmert, onder allerlei dierlijke en menschelijke gestalten

voor, doorgaans van het vrouwelijk geslacht. Meestal is het een paard,

een _merrie_, die den slapende _berijdt_, vandaar de uitdrukking:

_marenrit_. Bij ons te lande hoort men de verwensching: "Ik wou, dat

je de maar reed". Taalkundig hebben wij hier dus te doen met een geval

van zoogenaamde volksetymologie: het volk verbindt _mare_ met het niet

vermaagschapte _merrie_; godsdiensthistorisch met den slaap en droom

als mythologischen faktor, waarop het eerst door Laistner gewezen is.

Deze nachtelijke kwelling wordt veelal aan heksen of aan den duivel

toegeschreven, maar oorspronkelijk aan luchtelfen. Zij plagen niet

slechts de menschen, maar ook het vee, met name de paarden. Zijn de

paarden 's nachts door de _maar_ gereden, dan vindt men ze 's morgens

nat bezweet en met gevlochten manen en staart op stal staan. Het kan

gebeuren, dat men de _maar_ in den stal verrast; dan zit ze onder de

krib, te Heerlen onder het paard zelf, in de gedaante van een oud wijf,

dat bezig is, met het haar te kammen.

Afweermiddelen zijn de volgende: men laat een kaars branden, of

plaatst een mes op de borst, met de punt omhoog, of men zet de

schoenen omgekeerd voor het bed. Op de Veluwe raadt men een vrouw,

bij het naar bed gaan den stoel te verzetten, waarop haar kleeren

liggen. Daar en in Overijssel bevestigt men ook als afweermiddel een

paardekop boven den stal, op welks beteekenis ik nader terugkom. Men

beveiligt de paarden ook, door ze te bestrooien met garst; dan is de

kwelgeest den volgenden dag in de schuur achter de wan te vangen. In

België nam men een handvol zand en strooide dat in het vertrek rond;

dan moest de nachtmerrie verschijnen. Teenstra, Volksverhalen bl. 52

verhaalt ook, dat men een pannekoek bakte: was er een nachtmerrie in

huis, dan kon die koek niet gaar worden en kwam geschonden uit de pan.

Ook marentakken (_viscum album_) houden de nachtmerrie uit den

stal. Berust dit op het algemeene beginsel der sympathie, in dit

geval taalkundige overeenkomst tusschen afweermiddel en te bannen

voorwerp? Of heeft de misteltwijg zijn naam ontvangen, òmdat hij

de mare afweert, of omdat zij op zijn bladeren uitrust--als op de

korenhalmen of de hop,--of dewijl hij den boom drukt evenals de mare

den mensch? Wij komen op dit punt nader terug bij het behandelen

der Plantlore.

Gaat de mare uit rijden, dan verlaat ze het lichaam als een bij, kever,

vlinder enz., en keert ook weer in deze gedaante terug. Te Vilvoorde

vertoonde zich de mare eens onder de gedaante van een klein diertje,

een vinger lang en zeldzaam gevormd, dat van verre kwam aanloopen

en een slapende vrouw in den mond kroop. Men ziet, hoe luidens de

volksopvatting de ziel het lichaam verlaat, althans kàn verlaten

gedurende den slaap. Dit geloof is wijd en zijd verbreid. Soedaneezen

zagen eens uit den mond van een slapende iets kruipen ter grootte van

een krekel, zich op weg begeven naar een sadagoristruik en weer den

neus binnensluipen; zie Wilken, Het animisme bij de volken van den

Indischen Archipel (Leiden 1885), bl. 16. Vaak neemt de ziel ook de

gedaante eener muis aan: de zielen der bannelingen vervolgen Hatto

van Bingen als muizen; als muizen verdwijnen de kinderen, door den

rattenvanger van Hamelen gelokt. Vergel. mijne Essays en Studiën,

bl. 83, 90 en een artikel in Volkskunde XIV, bl. 1 vlg.; Wolf,

Niederl. Sagen nos. 249, 253, 254, 515, 563; Ons Volksleven XI,

bl. 132; Biekorf V, bl. 301.

De woordafleiding en de mythische oorsprong der spookachtige wezens,

die men _heksen_ heet, ligt vrijwel in het duister. Slechts mag

men--hoe sterk het heksengeloof ook met Christelijke bestanddeelen

is vermengd--als zeker aannemen, dat zij haar oorsprong in het

heidendom hebben, vooral door hare betrekkingen tot den duivel; en

verder, dat zij van animistischen oorsprong zijn en deel uitmaken

van het geestenheir, dat rondvaart bij het woeden der elementen. De

Zuid-Slaven gelooven, dat in elke heks een booze, helsche geest huist,

die bij nacht het lichaam verlaat, en zich dan in een vlinder, kip,

kraai, maar het liefst in een pad verandert.

Wij hebben oorspronkelijk te doen met boosaardige spooksels, met

kwalijk-gezinde zielen van afgestorvenen. Het feest valt dan ook

samen met dat der ziele-geesten in het midden van den winter. Zooals

bekend is, gold het tooveren bij de oude Germanen als bizondere gave

der vrouwen. Na den dood zetten zij haar werkzaamheid voort. Maar

bij sommige vrouwen scheidt zich de ziel reeds tijdens het leven van

het lichaam, en neemt deel aan het joelen der zielegeesten. Van deze

moeten zij hare kunst leeren, en zoo ontstond het volksgeloof aan

de samenkomst van aardsche vrouwen met de geesten. Immers, telkens

valt er in de verhalen de nadruk op, dat de aardsche heksen op

bepaalde dagen, waarop vooral de geesten hun spel drijven, de macht

bezitten, door de lucht te rijden--op 'n bok, bezemsteel enz.--en

aan de vergadering der geesten deel te nemen. Zoo ontstond dus het

geloof aan de levende, menschelijke heksen, dat door de bekende

heksenprocessen een kultuurhistorische beteekenis kreeg.

Haar animistischen oorsprong verraden de heksen door haar

Proteus-natuur. Zij komen binnen door het sleutelgat en kunnen de

gedaante aannemen van hagedissen,--waarschijnlijk wortelverwant

met het woord _heks_--van uilen, honden en vooral van padden,

hazen en katten. De kat immers is een nachtdier en heeft, door den

lichtglans harer oogen in het duister, door haar onhoorbaren gang

en nachtelijk gejank, inderdaad iets daemonisch over zich: ook de

duivel verandert zich in een kat of kater, men denke aan _duvekater_

en _drommekater_. Maar juist als nachtdier is zij ook onweêrs- of

neveldier, en zoo komt het, dat zoovele weêrregels met de kat in

verband staan: als de kat zich poetst, wordt het weêr goed; likt zij

zich tegen het haar in, dan komt er regen: regent het in de wasch,

dan heeft men de kat niet goed verzorgd; zie vooral Sloet, De dieren

in het Germaansche volksgeloof en volksgebruik ('s-Gravenhage 1827),

bl. 1 vlg.--De verhouding van heks tot duivel blijkt ook nog uit de

parallelle der spreekwoorden: "Als het regent en de zon schijnt,

bakt elke heks pannekoeken";--"Als het regent en de zon schijnt,

is het kermis in de hel".

De heksen berokkenen steeds schade: zij melken de koeien des

nachts, veroorzaken veepest en muizenplaag, beheksen de kinderen,

leggen de kwade hand en veroorzaken daardoor allerlei ziekten,

beoefenen het nestelknoopen, door onder den echtelijken zegen een

slot toe te knippen en in het water te werpen (hierover nader),

bederven het graan en verwekken hagel, wind en storm. Ook kunnen

zij iemand op een bepaalde plaats vast tooveren, vanwaar het

Limb. _heksenscheut_, Hoogd. _Hexenschuss_. Grooten invloed hebben

zij ook op het karnen van de boter. Is de koe werkelijk "behekst",

dan mag de boerin karnen, zooveel zij wil: boter komt er niet;

terwijl de heks slechts met een stokje in de sloot heeft te roeren,

om alle boter te krijgen. Eindelijk, zij verdorren het gras, vanwaar

de heksenkringen. Het is geraden, eierschalen te vergruizelen, want

daarin verbergen zich de heksen.

Vindt men kroontjes in de bedkussens, dan zijn ook deze _betsjoend_,

zooals het in Friesland luidt. Hiertegen beveiligt een _kruuske-kaai_,

d.i. een sleutel met een kruis in het benedeneinde. Maar men kan

die verdachte voorwerpen ook in een ketel met kokend water werpen en

laten koken, dan moet de heks binnenkomen. Vrijwel hetzelfde effekt

verkrijgt men door een arend en zwarten haan in een ketel boven het

vuur te hangen. Een eigenaardig sympathetisch toovermiddel is nog het

volgende: men maakt een ploegijzer gloeiend en spreekt dan plechtig den

naam der vermeende heks uit; deze zal dan de hevigste smart voelen. Van

een heks mag men geen koffie of brandewijn aannemen, dan komt men in

haar macht, en evenmin mag men hare vragen driemaal achtereen met

"ja" beantwoorden. Vrouwen, die zich in heksen kunnen veranderen,

zijn dan ook wel buiten genoemde toovermiddelen kenbaar. Zij hebben

vergroeide wenkbrauwen, druipoogen en platvoeten. Iemand vlak in

het gelaat zien is haar niet mogelijk, en ook kunnen zij over geen

bezemsteel heenstappen, of over een kruis of kruisvormig voorwerp,

b.v. twee doodsbeenderen over elkaar.

Vooral beveiligt een hoefijzer boven den stal of elders

aangebracht. Het hoefijzer is een algemeene talisman, het brengt

geluk, maar vooral het heeft afwerende kracht. Daarom wordt het

ook op de masten van schepen gespijkerd. Ook behoort het tot

de Wôdanssymbolen, heilig was met name het hoefijzer van Wôdans

ros. Maar ik houd dit voor sekondair, en breng de primaire beteekenis

liever in verband met de paardeschedels, in stallingen ingemetseld,

en met de houten paardekoppen op den nok der huizen, vooral der

Saksische boerenwoningen, in die mate, dat men, in verband met andere

gegevens, het paard als een Saksisch stamteeken kan beschouwen. Ter

bescherming is het dier zelf niet noodzakelijk; het wordt ten volle

vertegenwoordigd door zijn exuviën, dus ook door het hoefijzer.

Na zich met heksenzalf bestreken te hebben, rijdt de heks door den

schoorsteen ter vergadering, door den duivel voorgezeten en geleid. Het

geschiedt natuurlijk bij nacht, en wel na twaalven; immers: "Tusschen

twaalf en een zijn alle heksen op de been". Zij rijden ook weg op een

spinnewiel, op bokken en kalveren onder de spreuk: "Over haag en over

heg, te Keulen (Spanje enz.) in den wijnkelder." De heksenvaart wordt

niet zelden begeleid door wonderschoone muziek. De verzamelplaats der

heksen is op weiden, heideplaatsen of galgenbergen. Zoo heeft men de

_Hommelheide_ nabij Susteren, waar men dan ook heksenkringen vindt, en

de _Haar_ bij Bunschoten; maar de groote verzamelplaats in Nederland

is toch de beruchte Mookerheide. In Belgische sagen worden als

zoodanig b.v. genoemd de _Kemmelberg_ bij Yperen en het _Galgenveld_

bij Antwerpen. Worden heksen eenmaal verhinderd in haar heksendans,

dan mogen zij gedurende zeven maal zeven jaren geen vergadering meer

bijwonen (Hageland).

Op den heksensabbath mag de naam Gods niet genoemd worden, noch ook

de naam van het zout. De geestenwerende kracht van het zout behoort

wel tot de oudste lagen van het volksgeloof. Ook in de klassieke

Oudheid gold het niet slechts als zeer waardevol, maar ook als

reinigend, van tooverij zuiverend: immers men meende, dat het de

elementen van water en vuur in zich vereenigde. Aldus begrijpt men

de heiligheid der zoutbronnen en der bosschen, waarin deze zich

bevonden, bij onze Germaansche voorouders; wij danken dit bericht

aan Tacitus. De bereiding van het zout stond dan ook onder toezicht

van priesteressen. Zoo begrijpen wij verder, waarom het morsen met

zout en het omstooten van het zoutvat ongeluk en tweedracht brengt;

waarom het zout zulk een voorname rol speelt in de volksgeneeskunde;

waarom schatgravers brood en zout bij zich moeten hebben; waarom men

plaatselijk, als men in België ter bedevaart tijgt, brood en zout

bij zich heeft; enz.--Ook de vlierstruik doet uitstekend tegen heksen

dienst, waarover nader in de Plantlore.

Buitengemeen groot is het aantal volksverhalen, waarin een heks als

kat, kraai enz. wordt gewond; den volgenden dag is dan de verwonding

bij de een of andere vrouw merkbaar. Personen, vooral kinderen, die

onder den invloed van heksen geraken, worden _behekst_, en dienen

door een heksenmeester of heksenbanner _belezen_ te worden. Staan

de paarden met verwarde manen en druipend van het zweet op stal, dan

zijn ook deze waarschijnlijk behekst. Zie vooral Waling Dijkstra, Uit

Friesland's Volksleven II, bl. 158. Verder Welters, Limb. Legenden

II, bl. 65 vlg.; De Cock-Teirlinck, Brabantsch Sagenboek I, bl. 7

vlg; Friesche Volksalm. 1865, bl. 17; Rond den heerd V, bl. 70;

Ons Volksleven II, bl. 8; VI, bl. 119; IX, bl. 201.

Een laatste animistische groep vormen de _dwaallichten_, eigenlijk

de zielen als vlammen op graven of in hunne nabijheid. Zij

worden beschouwd als de zieltjes van ongedoopte kinderen en heeten

plaatselijk: _divaal-, drog-, hip-, dwaas-, stallichten; drogfakkels;

stalkaarsen; valsche lantarens_. De Friesche benaming _wylde

lanteernen_ geldt eigenlijk over het algemeen de afgestorvenen, die

geen rust kunnen vinden in hun graf. Ook meent men, dat ter plaatse,

waar men vaak een dwaallichtje ziet, een schat begraven ligt; men

noemt ze dan ook wel _blauwe vuurtjes_. Tot deze groep kan nog gerekend

worden het _St. Elmsvuur_, dat op de masten der schepen verschijnt.

Aanvankelijk waren de dwaallichtjes boosaardig, trachtten zij den

eenzamen wandelaar opzettelijk te misleiden. Maar het volk heeft deze

opvatting op eigenaardige en dichterlijke wijze gekerstend; het zijn

nu de zielen der ongedoopte kinderen, die op den reiziger toehuppelen

en trachten hem naar een water of poel te leiden, om gedoopt te

worden. Als men in Vlaanderen en Noord-Brabant de _stalkeersen_ wil

doopen, een kruis over hen maakt en de doopformule uitspreekt, komen

ze in ontzaglijken getale rondom u. Het best is dan maar te zeggen:

"Ik doop u allen" enz.

Nauw met hen verwant is de _vuurman_. In Drente zijn vuurmannen meestal

landmeters, die, omgekocht als ze waren, hun taak niet eerlijk hebben

verricht. Deze opvatting geldt ook voor Zuid-Holland, Friesland,

Groningen, de Overbetuwe. In geheel Drente is de vuurman _Lapöoge_

bekend, de kwelgeest met zijn gloeienden meetketting. _Glende kerels_

zweven ook als vlammende stroobossen langs de marke-scheidingen,

b.v. te Havelte, Zuid-Laren, Borger, Rolde, Zeegze, Tijnaarloo enz. In

Belgisch Limburg heeten ze _vierman, schoevert, schoeffer, sjoverik_

(b.v. te Genk) enz.; in de Kempen ook wel _brandende schoof_. Men

mag niet met den vinger naar den vuurman wijzen en ook niet fluiten

of hem bespotten: dan komt hij op u af en, redt u de vlugheid niet,

dan zijt ge verloren,--òf ge moest bij u hebben een knipmes met

houten hecht. Kunt ge het lemmer in den grond steken, dan komt het

licht daar op af, en ge zijt verlost. In Hollandsen Limburg wandelt

hij o.a. tusschen Arcen en Velden. Ook spookte eertijds een vuurman

te Venloo in de nabijheid van den ondersten Houtmolen. De bewoners

van den omtrek moesten hem elk jaar een kar zand, een paar blikken

schoenen en zeven en een halven stuiver geven. Eens kwam een knecht

van den bovensten Houtmolen 's avonds laat van de stad en zag op een

hoogte een man staan, dien hij voor een zijner vrienden hield. Hij

riep hem dus toe: "Dikke, geef me eens wat vuur", doch daar kwam de

vuurman hem na. Zoo hard hij kon ging de knecht er van door en was

juist de schuur van den molen binnen, toen de vuurman op het punt stond

hem in te halen. Den volgenden morgen vond men op de schuurdeur een

koolzwarte hand afgeteekend. Dit is trouwens het eensluidende slot

van dergelijke geschiedenissen.

Over den Brabantschen _Kludde_ is gesproken. Zulk overgangstype

tusschen vuurman en weerwolf vindt men hier te lande in het

_hêmanneken._ Te Hoogland b.v. wordt hij gezien bij ruw weêr en

roept aldoor: "hêej, hêej." Beantwoordt iemand dat geroep, dan

springt hij hem op den rug en verlaat hem niet, tot de woning bereikt

is. Intusschen gluurt hij den drager voortdurend met "gleunige ôogen"

als een kat aan. Zie Welters, Limb. Legenden II, bl. 31; Drentsche

Volksalm. 1845, bl. 232; Nederl. Museum II 12, bl. 352; Volkskunde X,

bl. 182, 206, 236 vlg.; XIV, bl. 161.

Waar de geestenwereld haar spel drijft, daar _spookt_ het. "Spook"

en "spoken" zijn dus generische uitdrukkingen. Weer is de etymologie

van het Germaansche _spôka_- raadselachtig. Het spoken is gebonden aan

bepaalde tijden en plaatsen, zooals wij reeds ten deele zagen. Vooral

spookt het op de kruiswegen; daar drijven de geesten hun spel, daar

kan men met hen in gemeenschap treden. Reeds de H. Eligius en Burchard

van Worms ijveren tegen de bijgeloovige vereering der kruiswegen

(VIIe en XIe eeuw). Toch zwijgen de Oudgermaansche bronnen hierover,

zoodat het niet onwaarschijnlijk is, dat dit volksgeloof zich onder

Romeinschen invloed ontwikkeld heeft. Anderzijds oefenen de kruiswegen

ook weer geestwerende kracht uit en moeten de geesten zich hierover

laten heendragen; ter belooning werpen zij dan een goudstuk toe.

Ook de doode, die "terugkeert", komt spoken en geeft stof tot vele

spooksagen. Meestal zijn dit personen, die in hun graf geen rust

kunnen vinden, omdat zij tijdens hun leven hebben misdaan, of een

gelofte--b.v. een bidweg--niet zijn nagekomen, of wien de overlevenden

de verschuldigde eerbewijzen niet hebben gebracht. Zij kunnen verzoend,

"verlost" worden en vinden dan eindelijk rust. Wie geld begraven heeft,

moet zoolang tusschen hemel en aarde zweven, tot de schat gevonden is.

Maar het volksgeloof kent ook _spookdieren_. Wij zagen reeds

herhaaldelijk, dat de ziel in diervorm het lichaam kan verlaten; in

diervorm kan zij ook "terugkeeren" of blijven voortleven. Zielen,

die in diervorm rondspoken, kiezen daartoe bij voorkeur de

gedaante van katten, hazen, wolven, honden en paarden, storm- of

onweêrsdieren. Vandaar, dat katten, hazen enz., die over den weg

loopen, ongeluk beteekenen; het is niet het dier, dat de mensch

ontmoet, maar de ziel van een gestorvene. Vooral in den vroegen

morgen is zulke ontmoeting van belang, "het eerste gemoet", zegt

men te Brugge. Zoo komt het, dat de dieren ook de toekomst kunnen

voorspellen; immers de ziel van een overledene kan in de toekomst

zien. Hierdoor verklaart men licht de beteekenis van het blaffen van

honden, het hinniken van paarden, het krassen van raven en uilen,

het janken van katten. "Krast er een uil, breekt er een glas. Dan

sterft de meesteresse ras", zegt men in Gelderland. Ook het huilen

van honden bij nacht kondigt doorgaans een sterfgeval aan. Vooral

kraaien en raven zijn ongeluksvogels; men dient te weten, dat de raaf

oorspronkelijk wit was en eerst na den zondvloed zwart geworden is. Te

Canne, bij Maastricht, zingt de jeugd:

De eksters en de kraaien,

Die zwaaien al over mijn hoofd

En snakken al naar mijn dood;

Die dood begint te naken,

Ik zal het niet lang meer maken.

De zienersgave dezer zielevogels blijkt ook uit spreekwijzen als:

"De kraaien zullen het uitbrengen";--"Alles komt uit, al moesten de

kraaien (of raven) het uitbrengen", en ook wellicht "Daar zal geen

haan naar kraaien."

Spookdieren zijn over het algemeen een kwaad voorteeken en verkondigen

onheil; niet aldus de zwaluw, de ooievaar, de koekoek. Hoe kan het

anders? Het zijn alle drie lenteboden. Vandaar dan ook, dat het als

een zegen wordt beschouwd, wanneer zwaluw of ooievaar op een huis hun

nest bouwen. "Zwaluwen in 't dak, guldens op zak;" en op de Veluwe:

"Waar een zwaluw aan den stal nestelt, daar sterven de kalveren

niet." Dit teekent meer onze praktische, nuchtere levensopvatting;

poëtischer is de Duitsche spreuk: "Wo die Schwalbe nistet im Haus,

Zieht der Segen niemals aus". Een zwaluwnest vernielen, brengt

ongeluk. Ook het Westvlaamsche volk toont dichterlijken zin, als het

de zwaluwen "de vogels van O.L. Vrouw" noemt, dewijl zij omtrent Mei

(Maand van Maria) aankomen en omstreeks Maria Geboorte (8 Sept.) weer

vertrekken. Een volksverhaal weet te vertellen, dat, waar O.L. Vrouw

ook reisde of vluchtte, een zwaluw steeds met haar medevloog: Rond

den Heerd XXIV, bl. 115.

Ook de ooievaar brengt geluk en welvaart en lang leven. Waar hij

nestelt, is het huis gevrijwaard tegen vuur en bliksem, en sterven

geen kraamvrouwen. De kinderen zingen:

Ooievaar, lepelaar,

Met je lange bekke,

Wanneer zal je thuis kommen?

Als de muis piep zeit.

Piep zei de muis:

Ooievaar komt t' avond thuis.

Ooievaar brengt ook de kindertjes. "Als een stork over 't huis

vliegt", heet het te Almelo, "komt er gauw een kleine schreeuwer in

de wieg". Hierop wijst o.m. het Geldersche rijmpje:

Uiver, uiver, pielepoot,

Breng een kindje in moeders schoot.

Maar de waarzegger bij uitstek is de koekoek. Het Belgisch rijmpje,

dat zijn voorzeggingsgave inroept, luidt:

Koekoek Steven (of even),

Hoelang mag ik leven?

en vrijwel gelijkluidend hoort men in het Sassenland:

Kukuk vom häven,

Wo lange sall ik leven?

en dan telt men: zooveel maal de koekoek roept, zooveel jaren blijven

den vrager te leven over. Op de Veluwe bekransten de jongens en

meisjes zich bij den eersten koekoeksdeun en riepen dan:

Koekoek, bakkersknecht,

Zeg mij recht,

Zeg mij waar,

Hoeveel jaar

Ik dit kransje nog dragen zal?

Te Nederweert (L.) is hij ook weêrprofeet.--Maar het wordt tijd,

tot onze spookdieren terug te keeren. Van spokende honden weet men

vooral in Groningen en in de Ommelanden veel te vertellen; verder

in Friesland, Brabant, Zeeland en elders. Plaatselijk draagt de

spookhond den naam van _stommelstaart, borries_ of _helhond_. Het

is een zwarte hond met vurige oogen, soms beladen met gloeiende

ketenen.--Het spookpaard heet in het Oldambt _hommel-stommel_; ook

waren veelal spokende veulens rond, en zonder kop. In België zijn de

spookdieren doorgaans hazen en konijnen. Niet zelden worden al deze

spookdieren driebeenig en éenoogig gedacht.

Er bestaat nog een andere reden, waarom sommige dieren in ongunstigen

roep staan, deze namelijk, dat zij uiteraard in nadere betrekking

traden tot de Germaansche godenwereld. Aldus het snelle ros

(_Sleipnir_) tot Wôdan als Windgod; aldus de raven (_Hugin_ en

_Munin_: de Gedachte en Gedachtenis) en de wolven (_Geri_ en _Freki_:

de Gulzige en Vraatzuchtige) tot Wôdan als Wind- en Oorlogsgod. De

kat was gewijd aan Frija, de huwelijksgodin en de godin van den

huiselijken arbeid. Daar nu de geloofsverkondigers de afgoden

als duivels voorstelden, werden gemelde dieren ook satellieten

van den satan. Zelfs de koekoek, de blijde lentevogel, ontging

niet volstrekt het lot van zijn heer, wien hij als waarzegvogel

heilig was: en zoo verklaart men het best de ongunstige beteekenis

onzer zegswijzen: "Loop naar den koekoek" (d.i. naar den drommel);

"hale u de koekoek", vgl. "hol dich der Kukuk und sein Küster", en

"le diable t'emporte";--"Dat wete de koekoek" (d.i. dat mag Joost

weten);--"Je bent een koekoekskind" (d.i. een satanskind).

Hierbij komt nog, dat sommige dieren, als katten en raven, ook

rechtstreeks tot duivel en heksen in betrekking gebracht werden;

en eindelijk, dat de begrippen "gewijd, heilig" en "gevaarlijk, te

vermijden" in het volksgeloof veelal synoniem zijn. Maar dit geldt

eigenlijk meer voor personen, dan ook voor zaken.

Voor zoover ik weet, is de specht alleen dezen dans

ontsprongen. Plinius gaf hem den bijnaam _Martius_, daar hij den god

Mars was gewijd. Maar uit _Martis avis_ is _Martini avis_ gegroeid,

zooals ook blijkt uit de variant van sommige handschriften: "Sant

Martisvogel, Mertissvogelin." Ik kom naderhand op dezen vogel terug,

maar wensch hier alleen de aandacht te vestigen op het feit, dat de

specht, die toch óok gevaar van vermaledijding liep, aan dit lot

is ontsnapt, doordat het volk hem aan St. Maarten toevoegde. Zie

V. D. Bergh, Kritisch Woordenboek, bl. 210; Sloet, De Dieren in het

Germaansche volksgeloof, _passim_; De Cock, Een en ander over de

folklore van dieren en planten, in de Handel. v. h. derde Vlaamsche

Natuur- en Geneeskundig Congres (1899), bl. 85 vlg.; Ons Volksleven

XII, bl. 15; 't Daghet in den Oosten XIX, bl. 6; Limburg's Jaarboek V,

3, bl. i vlg.; Volkskunde XXI, bl. 211 vlg.; XXII, bl. 33 vlg.

Verpersoonlijking der bandelooze elementen, der ruwe natuurkrachten

is het geslacht der _reuzen_. Nu eens vertegenwoordigen zij den

winter, dan weer den nacht of den stormwind. Zoo ver de mensch in

lichaamskracht boven den dwerg of kabouter staat, zoo ver blijft hij

beneden de plompe dommekracht van den reus. Bekend uit de Noorsche

mythologie is de oorreus IJmir, uit wien de wereld geschapen werd:

uit zijn vleesch vormden de goden de aarde, uit zijn bloed de zee,

uit zijn beenderen de bergen, uit zijn schedel het hemelgewelf.

Ook in ons volksgeloof zijn de reuzen niet onbekend. Een Overijsselsche

sage verhaalt van een reus, die aarde in de slip van zijn mantel

droeg. Bij het overstappen van de Vecht ontviel hem de Bestemerberg,

bij het gaan over de Regge de Lemelerberg, eindelijk de Luttenberg. De

rest niet meer dragenswaard achtend, had hij die langs Hellendoorn en

verderop uitgeschud. Een analogen oorsprong hebben twee heuvels bij

Heelsum, een heuvel bij Valburg, de Woldbergen op de Veluwe. Ook

West-Friesland werd eertijds door reuzen en reuzinnen bewoond,

van wie Lem, Dibbald, Walberich, Hillegond omstreeks Leiden,

Haarlem en Rotterdam gelokaliseerd worden. Deze Hillegond had eens

een schortekleed zand van het zeestrand gehaald. Maar gekomen ter

plaatse, waar thans de kerk te Hillegersberg staat, brak de band van

haar voorschoot, en het uitgestorte zand vormde een heuvel. Het is wel

onnoodig te zeggen, dat wij hier met natuurverklarende volksverhalen

te doen hebben.

Dit is ook het geval met de sage der beide Rijn-gravende reuzen. Volle

honderd jaren hadden zij dapper gedolven zonder een woord te wisselen,

toen de éen het stilzwijgen brak. De ander wordt hierop toornig,

antwoordt, dat hij niet langer met zulk een babbelaar wenscht samen

te werken, en gaat de Waalbedding graven. In een Belgische sage van

dezen aard, gelokaliseerd te Hekelghem, is de reus reeds een duivel

geworden. Em. Seipgens verhaalt, dat het reuzengat te Echt (tusschen

Echt, Montfort en Posterholt) eigenlijk een onvoltooid gebleven

reuzenwoning is. De koning der reuzen zou gaan trouwen en volgens

's lands wijs moest hij met de aanstaande koningin zijn eigen woning

in den grond delven; wegens het gepraat zijner aanstaande liet hij

ten slotte het werk steken. "Daarom is de koning der reuzen nooit

getrouwd en de woning onafgewerkt gebleven. De reuzen volgden het

voorbeeld van hun koning, omdat zij alle vrouwen snapsters vonden,

en zoo is het reuzengeslacht in Limburg uitgestorven." (In Welters,

Limb. Legenden I, bl. 219).

Volgens een overoude sage hebben de reuzen een gedeelte van Brussel

gesticht; vandaar natuurlijk ook de naam van Reuzenberg. Eertijds

gingen dan ook elf reuzen, met verschillende benamingen, in den

vermaarden Brusselschen Ommegang, en wel achter de Gilden en Ambachten;

thans nog twee: Janneken en Mieke. Ook te Venloo werden van oudsher

twee reusachtige poppen rondgedragen, die de stichters van Venloo:

"Valuas en z'n vrouw" voorstelden, en wel door het akkermansgilde op

Maandag vóor de zomerkermis. Sedert eenige jaren is dit gebruik weer

ingevoerd. Luidens een Venloosch archiefstuk werden in het begin der

XVIIIe eeuw deze beelden ook in de processie rondgedragen. Zooals te

Brussel, worden ook te Geerardsbergen Janneken en Mieke rondgedragen;

te Hasselt kent men den Langen Man, te Antwerpen Druon Antigoon,

te Wetteren den Reus en de Reuzin.

De reuzen hebben niet alleen rivieren gegraven en bergen opgestapeld,

zij hebben ook de terpen en de hunebedden gebouwd. Hier heeft

verwisseling of liever vermenging der begrippen "reuzen" en "hunen"

plaats. Ook is het begrip van den term _hunen_ zelf niet homogeen:

immers het woord _hûn_, een echt-Germaansch woord, beteekent

"reus", maar ook "Hun, Hongaar"; waarschijnlijk is de naam _Hûn_

op verschillende volkeren toegepast. Misschien vertegenwoordigen

zij, hetgeen ook wel van de Elfen beweerd wordt, het een of ander

uitgestorven Europeesch oorvolk. Wat hiervan zij: de Hunen vormden

in het volksgeloof een met de reuzen nauw verwante, maar toch

zelfstandige, meer historische groep. Hun naam leeft voort in de

Hunenbedden niet alleen, maar ook in den Overijsselschen _Hunerborg_,

in den _Hunerberg_ en de _Hunerpoort_ te Nijmegen en in den _Hunsberg_

van Merchtem. (Z.B.)

De reuzen vormen als het ware den middelterm tusschen de lagere en

de hoogere mythologie; van overgang geen sprake. Het reuzengeloof

wortelt in de omringende natuur, in de elementen, maar vertoont geen

spoor van zielengeloof. De hoogere mythologie, volstrekt zelfstandig

ten overstaan der lagere, wordt vertegenwoordigd door de vereering van

den machtigen god des hemels, den Indischen _Dyâush_, den Griekschen

_Zeus_, den Romeinschen _Jupiter_, die bij de Oude Germanen den

naam droeg van _Ziu_. Alle Indogermaansche talen wijzen hier op

een vereering van den "Stralenden Hemel" als hoogste godheid. Maar

op den duur veranderde het wezen van dezen hoogsten hemelsgod, óok

van den Germaanschen _Ziu_; velerlei attributen zijn hem ontnomen,

om aan afzonderlijke godheden te worden toevertrouwd. De weg loopt

hier van de eenheid of betrekkelijke eenheid naar de veelheid. Zóo

ontstonden de Westgermaansche godheden: Wódan, Donar, Frija enz.

Van deze hoogere mythologie is bezinksel in ons folklore

achtergebleven, en niemand heeft dit beter aangetoond dan Jacob Grimm

in zijn standaardwerk "Deutsche Mythologie". Al blijkt het, dat hij

veel te eenzijdig is te werk gegaan, met volle recht mag hij den titel

dragen van "vader der Germaansche mythologie" als wetenschap; met

behulp der kritiek wordt zijn werk de rijkst mogelijke vindplaats. Wij

zullen in de volgende bladzijden dan ook herhaaldelijk stooten

op survivals van Wôdan en zijn kring: een sekondaire mythologische

vorming dus. Laat ik slechts wijzen op enkele uitdrukkingen. Wij lezen

in een Nederlandsch hs. van 1470: "Ende de poeten in heure fablen

heetend ourse, dat is te segghene Woenswaghen". Het sterrenbeeld van

den Grooten Beer werd dus als Wôdanswagen beschouwd. In Zuid-Limburg

spreekt men nog van een "zielewagen", die door de lucht rijdt. De naam

leeft ook voort in ons hedendaagsch _Woensdag_, dial. _Goonsdaag_,

en in de plaatsnamen _Woensdrecht_ = Wodani traiectum, _Woensel_,

wellicht _Woenum_ of _Wenum_. De herinnering aan Donar bewaart ons

_Donderkruid_ of _Donderbaard_, het _Sempervivum tectorum_, voorheen

ook _Barba Jovis_ genoemd, in Zwitserland nog _Joubarbe_. Bij de

invoering van het Christendom droeg de volksfantasie vele attributen

van goden en godinnen op Christus en de heiligen over; vandaar dat het

_Frigjargras_ tot _Mariagras_ werd; de aan Frija als godin der geboorte

heilige _Asperula odorata_, waarvan een bundel bij zwangere vrouwen

in bed gelegd werd, ontving den naam van _O.L. Vrouwenbedstroo_, het

_Labrum Veneris_ dien van _Mariadistel_; enz. Ook behoort het hoogst

waarschijnlijk tot de sekondaire laag in ons folklore, wanneer de

kat, het heilige dier van Frija-Frigg, in zoo nauwe betrekking tot

het huwelijk treedt. Wie op zijn trouwdag door goed weêr begunstigd

wil worden, moet de kat goed voeren, of de kat streelen (_kören_),

zooals men te Ubach-over-Worms zegt. Wie geen katten lijden mag,

meent men ook, krijgt geen mooie bruid.

2. _Romeinsche Mythologie_.--Dat de betrekkingen tusschen Romeinen en

Germanen niet spoorloos voor de religie onzer vaderen voorbij gingen,

ligt voor de hand; met name met het oog op de hoogere Romeinsche

kultuur. Laat ik terstond enkele voorbeelden geven. Romeinsch

was het gebruik, namen te geven aan de dagen der week, gewijd

aan de Zon; de Maan; Things, resp. Tius: Mars; Wôdan: Mercurius;

Donar: Jupiter; Frija: Venus; en Saturnus, voor wien geen passende

Germaansche interpretatie kon gevonden worden. Deze substitutie had

vermoedelijk in de IIIe of IVe eeuw n. Ch. plaats; zie Dr. Roesler,

Ueber die Namen der Wochentage (Berlin 1865), bl. 20 vlg.--Volledige

ontleening had plaats met de namen Venus en Diana, men denke aan de

Venusbergen en het Venushaar. Verder hebben wij de votiefsteenen,

door Germanen geplaatst, waarop men nu eens een Romeinschen god,

dan weer een Romeinschen god met Germaanschen bijnaam vindt. Zoo was

b.v. in den muur der oude Romaansche kerk te Horn bij Roermond een

geloftesteen aan Mars en een aan Mercurius ingevoegd.

Trouwens het plaatsen van votiefsteenen op zich zelf is specifiek

Romeinsch; zie hierover Karl Helm, Altgerman. Religionsgeschichte

(Heidelberg 1913) I, 345 vlg. Op twee votiefïnskripties wordt _Mars

Thincsus_ gezamenlijk met twee Germaansche godinnen genoemd. De

vindplaats van beide inschriften ligt in Engeland te Housesteads, nabij

den Hadrianuswal; zij dagteekenen uit den tijd van Alexander Severus

(222-235) en werden gesticht door een afdeeling Germaansche ruiterij,

die den naam van _Cuneus Frisorum_: "Friesche afdeeling" droeg. Hiermee

is echter niet gezegd, dat het Friezen waren; waarschijnlijk Bataven,

in alle geval Twentenaren. Te vermelden valt nog de bijzonderheid,

dat op een bij de altaren behoorend halfrond kapiteel in het midden

een gewapend krijger (Mars) met een vogel is voorgesteld, en aan

weerszijden twee zwevende geniën; zie verder W. Pleyte, Mededeel,

d. Kon. Akad. van Wetensch. III, 2, bl. 110 vlg.--Van een onbekende

godin _Vagdavercustis_ spreekt een votiefsteen, gevonden in het

riviertje de Linge bij Hemmen (G.).

Een vrij groote verspreiding had de vereering der godin _Hludana_,

getuige o.a. een steen uit Beekgum (F.), verwant met de Noorsche godin

Hlódyn en, wat meer zegt, met de besproken godin Holda. Buitengewoon

rijk is de monumentale overleving van de godin _Nehalennia_. Zij

wordt vermeld op niet minder dan 26 votiefsteenen, die alle--met

uitzondering van 2 te Deutz gevonden--bij Domburg op Walcheren uit het

duinzand zijn opgedolven. Tien ervan zijn geheel, acht ten deele door

een brand der kerk te Domburg in 1848 vernietigd; maar zij bleven

voor ons weten behouden door de publikatie van L. J. F. Janssen,

De Romeinsche beelden en gedenksteenen van Zeeland (1845). Men

noemt Nehalennia een Bataafsche godin, ofschoon voor haar vereering

eigenlijk eerder de zuidwestelijke buren der Bataven, n.l. de Marsaci

en Sturii in aanmerking komen. Maar het Germaansche karakter der godin

is boven allen twijfel verheven. Zij schijnt beschermster van handel

en scheepvaart te zijn en godin der zee, en wordt voorgesteld, gezeten

op een troon, of ook staande; naast haar een hond, aan weerszijden

hoorns van overvloed. Op drie steenen steunt zij met den linkervoet

op den voorsteven van een schip. Wellicht behoort de hond bij het

type der met haar vereenzelvigde Egyptische godin Isis thuis.

Sporen van den Nehalennia-kultus vinden wij wellicht in een

Middeleeuwsch gebruik, van kracht in Zuid-Nederland en in de

Rijnprovincie: een feestelijk opgetuigd en versierd schip op

raderen werd van plaats tot plaats getrokken onder het feestgejubel

der bevolking. Zulk een optocht uit het jaar 1133 wordt uitvoerig

beschreven in een klooster-kroniek van St. Truiden. Het schip kwam

het eerst naar Aken, dan naar Maastricht, waar het van mast en zeilen

voorzien werd, dan naar Tongeren, Looz enz. Maar door toedoen der

geestelijkheid werd deze stoet door den Graaf van Leuven met kracht

onderbroken en belet, en hiermee schijnt het gebruik aldaar uitgeroeid

te zijn. Waarschijnlijker echter dan met den Nehelennia-kultus bestaat

samenhang met de karnavalsgebruiken van Romeinsche herkomst.

Over het algemeen mogen wij besluiten tot een Germaansch-Romeinsch

synkretisme, welks sporen in het hedendaagsche folklore nog aanwezig

zijn.

3. _Keltische Mythologie_.--Inwerking van den godsdienst der kultureel

hoogstaande Kelten op de Germanen kon niet uitblijven. Op een bij

Vechten (U.) gevonden votiefsteen wordt een zekere godin _Viradecdis_,

voor wie in het Germaansche domein geen aanknoopingspunt te vinden

is, vereerd door de Batavi en Tungri. Maar verreweg het voornaamste

verschijnsel is de Matronenvereering, die beslist aan de Kelten is

ontleend. De Matronen zijn plaatselijke schutsgodinnen, wellicht

ook beschermgodinnen eener familie met haar bezittingen, en wier

vereering bij de Keltische volken inheemsch was. Wij ontmoeten ze hier

te lande in een min of meer Kelto-Romaanschen vorm. Ik wijs b.v. op de

inschriften, die voor het bestaan van zulk een Matronendienst pleiten,

bij de Marsaci aan den Scheldemond en bij hun naburen de Frisaevonen

(C. I. L. XIII 860, 8633). Meestal zijn de schutsgodinnen ten getale

van drie.--Tot oudere Keltische lagen behoort de vereering van den

handelsgod _Lugus_ of _Lug_.

III. Volstrekt eenig is de invloed op de volksreligie uitgeoefend door

het _Christendom_, een invloed, die grootendeels nieuw-scheppend,

somwijlen sparend en hervormend was. Waar opvattingen en gebruiken

lijnrecht in strijd waren met de nieuwe heilsleer, daar werd een

onverzoenlijke strijd aangebonden en de oude volksreligie met kracht

onderdrukt. Maar dit verhinderde niet, dat echte "survivals" of

overleefsels den strijd met de Christelijke ideeën bleven voortzetten,

verbod en prediking ten spijt; laat ik onmiddellijk wijzen op het taaie

bijgeloof, dat zich in valsche heiligenvereering en ongemotiveerd

wondergeloof uitbundig uit. Op bedevaartsplaatsen b.v. ziet men bij

het volk thans nog vaak een zeker synkretisme van christendom en

heidendom. Andermaal hooren wij in het huidige folklore onschuldige

nagalmen uit den heidenschen voortijd zachtkens voorttrillen. Eindelijk

vond de Kerk aanleiding onderscheid te maken tusschen vorm en stof,

tusschen schors en kern, dan werd deze verworpen, maar gene niet zelden

gered, dienstbaar gemaakt aan het Christelijk geloof en aldus gelouterd

en "gekerstend." Het zou vreemd geweest zijn, wanneer de Kerk, die zich

wenschte te verspreiden te midden der Graeco-Romeinsche beschaving,

een geheel nieuwe taal gebezigd had en systematisch alle vormen had

versmaad, die tot dan toe dienst gedaan hadden om aan de begrippen en

gevoelens van godsvereering uiting te geven. Dit geldt natuurlijk ook

voor de Germaansche beschaving. Laat ik nog slechts het psychologische

dezer verkerstening in herinnering brengen. "Naast onwankelbare

eenheid der groote en heilige beginselen", schrijft Dr. Gisb. Brom,

"een onuitputtelijke verscheidenheid en plooibaarheid van vormen. Zij

[de Kerk] gebruikt niet een en denzelfden stijven vorm, om dien met

despotisch gezag aan al haar bekeerlingen, van welke natie ook, op te

dringen en te drukken. Een Procustus-bed bleef haar ten allen tijde

vreemd. Maar zij voegt zich naar de natuurlijke geaardheid van ieder

volk, zoowel als van elk individu.... Hoe dit ééne met het andere

samengaat? Omdat al wat de Kerk rein _natuurlijks_ aantreft in de

samenleving of in den individueelen mensch, zij dat niet tracht

te vernietigen, maar het onder den leuterenden, veredelenden en

verheffenden invloed der genade laat voortbestaan."

Aldus vinden wij wijding en veredeling van oorden, feestdagen,

feestgebruiken, volksvoorstellingen enz. Kenschetsend en teekenend

is b.v. de geschiedenis onzer Nederlandsche _kerstputten_

of kerstpoelen. Het meerendeel is van heidenschen oorsprong

d.w.z. stond met een heidenschen kultus in verband. Maar doordat

in die bronnen gedoopt werd, zijn zij gekerstend en in dienst van

Christus gesteld. Vandaar het groot aantal putten, die den naam der

heilige geloofsverkondigers Bonifacius en Willebrordus dragen. Te

Dokkum vindt men b.v. drie Bonifaciusbronnen; Willebrordusputten

treft men aan te Osch, Diessen, Deurne, Zoutlande, Bakel, Asten,

Maarhees, Geisteren, Venray, Stamproy, Wulpen en eertijds te Berchem

bij Antwerpen. Natuurlijk werd ook een groot aantal bronnen aan Maria

gewijd. Verder zijn om meermalen vermelde reden verscheiden bronnen

met den satan in verband gebracht; vandaar de Duivelsput te Herdersen

en te Hekelgem, het _Heintjes-börreken_ te Meerbeke (men denke aan

"Heintjepik") en de Helleput te Dendermonde.

Wat deed intusschen de volksfantasie? Bij de intrede van het

Christendom werd haar werkzaamheid niet gebroken; zij spon haar

draden en weefde haar weefsel voort, maar meestal met veranderd

patroon. Wegens toevallige overeenkomst van hoedanigheid of het

samenvallen van den tijd der feestviering werden heidensche

mythen op menigen heilige overgebracht, werden mythologische

trekken in hun legenden ingelascht; zoo trad Maria in meer dan

één opzicht in de plaats van Frija, terwijl Sinterklaas de figuur

van Wôdan uitbeeldde. Maar afgescheiden hiervan dient men in de

Christelijk-geaarde volksreligie in ruime mate rekening te houden met

de steeds levendige, steeds vruchtbare, dichterlijke, sagenscheppende

aandrift des volks. Zoo is het b.v. gesteld met de attributen en

legenden der HH. Katharina, Lucia en Clara: met voldoende zekerheid

mag men beweren, dat deze attributen en legenden te danken zijn aan

het feit, dat de drie heiligen etymologisch met het begrip "licht,

reinheid, helderheid" in nauw verband staan. Zie hierover mijne Essays

en Studiën, bl. 68, 251.

Eindelijk, de goden werden vaak als duivels voorgesteld, en zoo

is het gebeurd, dat menige heidensche overlevering op den satan is

overgedragen. Eenzelfde godheid kan dus nu eens in de volkslegende van

een heilige, dan weer in die van den satan opduiken. In plaats van

"der goden minne" te drinken, d.i. een herinnerings- en offerdrank

aan de goden te wijden, dronken de bekeerde heidenen, met vermijding

van het offerbegrip, voortaan de "minne" van St. Jan, St. Maarten,

St. Steven enz. Maar bij Luitprand in zijn _De rebus gestis Ottonis_

vindt men ook: "des duivels minne drinken."

Zoo komen wij er als vanzelf toe, een enkel woord te zeggen over de

volksdaemonologie: over den _duivel_ in het volksgeloof.

Het begrip "duivel" als zoodanig was aan de heidensche godenleer

vreemd. Het meest nabij kwam nog de Oudnoorsche Loki, die bij het

daemoniseeren dan ook het eerst zijn beurt kreeg. Slechts met het

Christendom deden leer en voorstelling van een volstrekt boosaardig

wezen, dat de menschen kwelt, haar intrede in de Germaansche wereld;

doch meer dan éene nadere bepaling ontleenden zij in de volksopvatting

aan de heerschende heidensche ideeën.

De Germaansche duivels vormen een soort van monarchie, maar de

zinnelijke voorstelling van hun rijk komt geheel op rekening

van fantasie en tradioneele voorstellingswijze des volks. Er zijn

Germaansche duivels, die eenige attributen van de kobolden overnemen,

evenals deze den mensch dienstbaar zijn. De duivel moet zich soms

bepaald afsloven; hij bouwt molens, beploegt steengronden en graaft

rivierbeddingen, maar komt hij om zijn loon, dan is men veelal "den

duivel te slim af." De "bedrogen duivel" of "domme duivel" is een

geliefkoosde figuur van onze sagenwereld. Men laat den duivel wegen

aanleggen, als te Ternath, schuren bouwen, als te Galmaarde, Hamelgem,

Vilvoorde, Kessel-Loo, Bierbeek enz. Maar door het hanengekraai na

te bootsen dwingt men hem, op de vlucht te slaan; het werk blijft

dan, althans ten deele, onvoltooid. Immers de roode haan stelt den

bliksem voor, in zoover deze de onweêrswolken splijt en den dampkring

zuivert. Het heldere weêr roept hij andermaal te voorschijn. Zijn

gekraai verdrijft ook het nachtelijk duister, de bonte, veelkleurige

tinten van zijn vederdos zijn de weerglans der morgenschemering. Bij

het eerste hanengekraai is dan ook de hellemacht gebroken, de geesten

slaan op de vlucht. "Men verhaalt", zoo getuigde eertijds de Romeinsche

dichter Prudentius, "dat de rondwarende duivels, die zich vermeien in

het nachtelijk duister, bij het gekraai van den haan in verschillende

richtingen heenvluchten." Uit deze aanhaling blijkt de algemeenheid

van dit volksgeloof.

Ook wanneer de duivel kloosters of kathedralen wilde verpletteren,

werd hij niet zelden misleid; dit getuigt b.v. de duivelsberg bij

Rolduc (L.).

Een enkele maal, wanneer de duivel de menschen wil plagen, bedriegt

hij zich zelf; zoo b.v. toen hij het zaagblad kerfde en aldus de

getande zaag uitvond.

Natuurlijk speelt de duivel een groote rol in de volksuitdrukkingen;

zoo b.v.: "Hij is een duivelskind;--hij vloekt alle duivels uit

de hel;--hij laat geen duivel op zijn hart barsten;--hij heeft

den duivel in, of den duivel in den zak;--daar kan geen duivel uit

wijs worden;--hij is uit de hel gekropen, toen de duivel sliep;--

't is, of de duivel er in zit;--de duivel steekt zijn staart op;--

de duivel steekt er zijn staart tusschen;--hij is er op uit, als de

duivel op een ziel;--hij is te gek, om met den duivel te dansen;--

den duivel een kaarsje aansteken;--dat dank je den duivel; enz. enz;

zie b.v. J. A. Hoens in Limburg's Jaarboek VIII, bl. 239. Ik kom

hier nader op terug. Laat ik voor het oogenblik slechts opmerken,

dat onze uitdrukking de "de duivel is los" of "dan is de duivel los"

niet specifiek Nederlandsch, zelfs niet specifiek Germaansch is. Het

is waar, ook van den god Loki geldt het: _Loki er or böndum:_ "Loki is

ontbonden." Maar de "gebonden duivel" is ook elders bekend, b.v. bij

Lactantius, die beweert, dat de satan in boeien geklonken zal worden,

wanneer het zoogenaamd millenarische rijk begint.--Verder is het

eigenaardig, dat in de folklore zoo vaak van 's duivels vrouw, moeder

of grootmoeder sprake is; ik herinner aan het Venloosche aftelrijmpje:

Ter duvel zien vrouw ging wortele schrabbe,

Ze wis neet woa ze 't mets meus pakke,

Ze pagde 't hii, ze pagde 't doa,

Ze pagde ter duvel bii de hoar.

Waarschijnlijk hebben we met werkelijk heidensch bezinksel te doen;

maar de grootmoeder is het oorspronkelijke. Immers wij worden herinnerd

aan het Noorsche verhaal, hoe Thórr en Týr bij den reus Hymir aan huis

komen, en daar zijn negenhonderdhoofdige grootmoeder aantreffen. Op een

mythische verklaring van een natuurverschijnsel wijst onze zegswijze

"de duivel slaat zijn wijf", als het regent en de zon schijnt.

Volksbenamingen zijn: _blikskater, boeman, bokspoot, de booze,

deksel, duker, donder, droes, drommel, duivekater, hänsken, heintje,

heintjepek, hinkepoot_, (men denke aan "kromme duivel"), _joost,

koekoek, nikker, d'olle, pikheintje, de zivarte, zwarte piet_. In

Belgisch Limburg noemt men hem veelal kortweg _"het kwaad_."

De duivel is pikzwart en draagt bokshoorns, bokspooten of

paardenhoeven; men denke aan de betrekking van den bok tot de heksen

en aan de Zuidlimburgsche _bokkenrijders_. Ook vertoont hij zich als

Italiaan, onberispelijk in het zwart gekleed, met zwarten baard. Hij

bezit de gave, zich in dieren te veranderen, en verschijnt als kat,

zwarte hond met gespleten pooten, draak, spin, vlieg. In een oude

Brabantsche sage komt de duivel onder de gedaante eener reusachtige

spin een kontrakt terugbrengen. Gaarne mengt hij zich ook ongekend

onder de menschen, vorscht hen uit, speelt met hen kaart, ziet of er

niets voor hem te halen is; hij is uitnemend musicus en voortreffelijk

danser. Hij speelt valsch, drinkt en vloekt zwaar. Daar zijn menschen,

die den duivel hun ziel verkoopen; menigeen, die plotseling, zonder

kenbare reden, rijk werd, heeft aldus zijn vermogen verworven. Is de

termijn afgeloopen, dan haalt hem de duivel en breekt hem den hals

of draait hem den nek om.

Hij houdt er ook personeel op na. Te Utrecht werd eertijds een groote

keisteen, scheiding tusschen twee buurten, steeds verplaatst. Het

heette, dat de duivel en zijn zwarte knechts met dien steen kaatsten

van de Volderbrug naar de Geertebrug.

Zijn idenditeit met den voorrijder der "Wilde Jacht" blijkt wel uit

een trek in het Geldersche folklore, waar hij wordt voorgesteld,

zich vertoonende in een windhoos. Hij huist veelal in de lucht;

somwijlen langs den straatweg. Ook te Nederweert voert _Hänske_ het

joelende geestenheir aan. In Duitschland behoort deze voorstelling

tot de meest gewone. Zie De Cock, Brabantsche Sagen I, bl. 225 vlg.;

Geldersche Volksalm. 1853, bl. 98; Limburg's Jaarboek VI, bl. 183;

Volkskunde XXI, bl. 5; XXII, bl. 10; V. D. Bergh, Kritisch Woordenboek,

bl. 27.

De duivel is vooral bang voor het gelui der _klokken_. Het

volk hecht iets specifiek-Christelijks aan het klokkengelui. En

inderdaad: de klokken worden "gedoopt", de klokken roepen ter kerke,

de klokken vermelden den huwelijkszegen, zij begeleiden ter laatste

rustplaats. Zoo vaak voelt het volk zich door het klokkengelui verheven

boven het saaie, alledaagsche proza-leven. In de Goede Week reizen de

klokken naar Rome, en wel op Goeden Donderdag na het _Gloria_, om op

Goeden Zaterdag terug te keeren; dan brengen zij de paascheieren mee.

Op ongedoopte, ongewijde klokken heeft de duivel natuurlijk vat. Zoo

had men bij de stichting van het klooster Sint-Odolf te Staveren

vergeten de klokken te wijden. Honderd jaar later vloog _Joost_ in

woeste vaart naar den toren, haalde de klokken er uit en slingerde

ze weg. Sedert hooren de visschers op de Fluessen en de bewoners van

Galamadammen (F.) soms des nachts een dof gebombam in de diepte: dan

luidt de duivel de klokken van Sint-Odolf. Hetzelfde wordt verhaald

van de klokken van Driel en van Lochem. Deze wierp de duivel in twee

kolken niet ver van den Berkel, waar men ze nog in den Kerstnacht

te twaalf ure kan hooren luiden. Vandaar dat deze twee plassen

den naam van "duivelskolken" dragen. Zoo dompelde de satan nog een

klok van Horst in het zwarte, diepe water der Peel, en begroef te

Hoensbroek een ongedoopte klok in den waterplas tusschen de kerk en

de Geleen-beek. Al deze klokken luiden op Kerstnacht; ook die van

den _klokkekuil_ te Swolgen: Welters, Limb. Legenden II, bl. 71;

Dijkstra, Uit Friesland's Volksleven I, bl. 31.

Wanneer dus het volk heden ten dage zegt, dat de duivel vlucht bij

het hooren van het klokkegelui, en dat de alvermannetjens verdwenen

zijn, omdat zij het klokkegelui niet konden verdragen, dan hecht het

hieraan zonder den minsten twijfel een Christelijke beteekenis. Toch

ligt hieraan ten deele een heidensch begrip ten grondslag, nl. de

geestenwerende en geestenbannende kracht van het klokkengelui. Vandaar

ook het klokkenluiden bij onweêr en sterfgeval,--niets dan een

gekerstende volksopvatting.

Nederlandsche Volkskunde · 第 72 / 117 题