De hoofdkaraktertrek van het Noordnederlandsche volk is wel het
flegmatische, het bedaarde. Dit begrip van bedaard "lost zich op in
de termen: bedachtzaam in het overleggen, langzaam in het handelen,
koel in voorspoed, geduldig in tegenspoed, volhardend bij weerstand,
niet hartstochtelijk in het ongeluk, niet druk onder het genot":
R. Fruin en S. L. Vissering, Het Karakter van het Nederlandsche volk
(zie Algemeene Statistiek van Nederland II, 3), bl. 7, 8.
Deze eigenschappen hebben aan het Nederlandsche volk den roep
bezorgd van betrouwbaarheid, bezadigdheid en deege degelijkheid. Maar
ontaarden zij tot gebreken en ondeugden, dan slaan zij licht over
tot traagheid, stroefheid, stijf- en stijfhoofdigheid, of ook tot
flauwheid en Jan-Salie-geest.
De Noord-Nederlander is bedachtzaam, zelden gehaast, meer man van ernst
dan van fantasie; tot doortastende maatregelen is hij niet dan in den
uitersten nood bereid. Het kost hem moeite zich over partikularisme
en provincialisme heen te zetten. Ondernemingsgeest is hem niet
vreemd--de geschiedenis getuigt het--maar hij gaat niet graag over ijs
van éen nacht: van grootsche plannen is hij huiverig, en volgen is
hem liever dan voorgaan. In alles toont hij nuchterheid, zuinigheid
en overleg; en dit bezadigd overleg, deze koele berekening, al voert
zij somswijlen tot trekschuit-sympathieën, geeft hem doorgaans taaie
vasthoudendheid en vooral zelfvertrouwen en zelfstandigheid. Vandaar
zijn sterk ontwikkelde praktische, persoonlijke vrijheidszin, die
zich liefst zoo min mogelijk om wet of regel bekreunt, en daarom niet
zelden in bandeloosheid ontaardt.
Eenvoud van zeden, godsdienstzin en huiselijkheid kenmerken over het
algemeen de Nederlandsche natie. De zindelijkheid in het beheer van
woning en huisraad heeft wel vooral haar grond in de vochtigheid van
het klimaat, dat die zorg noodig maakt; bodem en luchtgesteldheid nopen
tot het leven in besloten kring en kweeken zin voor huiselijkheid. De
vele behoeften, door het leven geschapen, eischen voortdurende
inspanning en zijn drijvende prikkels tot gestadige werkzaamheid.
De hoofdscheidslijn in karakter en volksaard ligt tusschen Noord
en Zuid, en hiermee bedoel ik niet alleen België, maar ook de
zuidelijke gedeelten van Nederland. Ook hier openbaart zich krachtig
de eenheid van stam, met haar Keltisch-Frankischen ondergrond of
inslag. Bedachtzaamheid en bezadigdheid ruimen hier de plaats voor
luchthartige zorgeloosheid, die vaak tot laksheid en lichtzinnigheid
overslaat. In het Zuiden vindt men meer geestdrift en bezieling,
meer durf en ondernemingsgeest, maar ook meer vermetelheid,
wispelturigheid en ras getogen zelfvergenoegdheid. Het leven is er
meer expansief, de gastvrijheid ruimer, het verkeer gemoedelijker,
de toon inniger, de vreugde luidruchtiger, niet zelden leidend tot
uitgelatenheid en buitensporig genot. Wij zochten de diepliggende
oorzaak van dit verschil in het stamkarakter; daarbij mag men echter
ekonomische, historische en religieuze invloeden niet uit het oog
verliezen. Handel en nijverheid geven het volkskarakter een scherpe
plooi; het zeemanswezen noopt zoo niet tot doortastendheid, dan toch
tot degelijkheid en energie, terwijl de landbouw--lokaal bedrijf bij
uitstek--behoudlievende gezindheid schenkt en gehechtheid aan oude
gewoonten, zeden en overleveringen. De nederzetting in afzonderlijke
hoeven kweekt zelfs niet alleen aanhankelijkheid aan eigen bodem, maar
leidt in tegenstelling met het krachtig-uitbottend gemeenschapsgevoel
der akkerdorpen, tot verregaand partikularisme. Op het kweeken
van den eigenaardigen zelfstandigheids- en vrijheidszin met name
in de Hollandsche, Zeeuwsche en Vlaamsche gewesten is ook wel van
invloed geweest de vroegtijdige ontwikkeling der vrije steden met
haar zelfstandig bestuur. De inwerking der religie blijkt b.v. uit
de tegenstelling der min of meer sombere levensopvatting van den
streng-Calvinistischen Veluwenaar met de blijde levenslust van den
katholieken Limburger of Brabander. Zoo is ook de bevolking van het
streng-protestantsche Marken ernstig en stug, die van het katholieke
Volendam jolig, opgewekt en vroolijk.
Maar ook elke stam, hoezeer vermengd, behoudt zijn eigenaardig cachet,
stamkarakter, dat spreekt uit het gelaatstype. Weinig sprekend--het
is waar--is over het algemeen het Friesche gelaatstype; maar de
gedecideerde trek om den ietwat breeden mond en het terugwijkende van
de breede kin verraadt toch vrij sterk die beslistheid, die vastheid
en vastberadenheid, welke, tot stugheid en onbuigzaamheid aangescherpt,
spreekwoordelijk werd.
De Sakser is meer terughoudend, ook stroever en hoekiger, en hoekigheid
van gelaatsvorm is dan ook kenmerkend voor het type. Daarbij geven de
sterk ontwikkelde beenderen en het naar verhouding breede bovenhoofd
den indruk van wilskracht en van zelfbeheersching, die zich ook in
soberheid van woorden uit. Sober, terughoudend, berekend, eenigszins
wantrouwend en wantrouwen wekkend is de Tucker bovenal. De somberheid
en geslotenheid van het halle-huis heeft zonder twijfel zijn invloed
op de bewoners doen gelden, maar niet minder de huiselijke innigheid,
die deze woningsvorm kweekt en openbaart. Want moge het Saksisch
karakter weinig rimpeling vertoonen aan de oppervlakte, het meet
groote diepte en bergt een schat van zonnewarmte.--In de plaatselijke
nuances weerspiegelt zich de verscheidenheid van het landschap: guller,
goedhartiger, meer open is het karakter van den Graafschapper, stoerer
dat van den Twentenaar, stijf en afgemeten de bevolking der Drentsche
veendorpen; daarentegen stoelt de levendige en beweeglijke aard der
kolonisten ten oosten van den Hondsrug op grooter internationaliteit
van herkomst. Harmonie tusschen landschap en bewoners vindt men ook bij
de sobere, stemmig, bij voorkeur donker gekleede, kalme Veluwenaars te
midden van hun schrale heidevelden, en dat bij al de rasvermenging,
waarvan de Veluwe getuige was. Zie ook de karakterschets van den
Veluwenaar door Mr. C. A. Nairac, in zijn aantrekkelijk boekje:
Een oud hoekje der Veluwe (Barneveld 1878), bl. 88 vlg.
Sterk gedifferentieerd is vooral het Frankisch karakter. Wat ik van
het Noordnederlandsche karakter in het algemeen gezegd heb, is voor
het meerendeel meer in het bijzonder op het Hollandsch-Frankische type
toepasselijk, en dit laatste heeft zich tengevolge van het staatkundige
en godsdienstige overwicht van Holland--zij het ook maar officiëel--min
of meer op de geheele natie afgedrukt. In Zeeland teelde de kruising
van het blondine met het brunette type innigheid van temperament tot
dolle hartstochtelijkheid toe, maar bezonken tot duurzaamheid van
affektie. Spreekwoordelijk is ook Zeeuwsche rondheid, en niet ten
onrechte. Konservatisme gaat gepaard met frisschen ondernemingsgeest,
terwijl het stille element durf en ondernemingsgeest schonk. De
Zeeuwen vormen als het ware de schakel tusschen Westvlamingen en
Hollanders, en bij het zien van deze en dergelijke karakterketens,
wier schakels door een som van overeenkomsten worden verbonden,
denkt men onwillekeurig aan Joh. Schmidt's golf-theorie.
Zoo vormen ook weer de Noord- en Zuidbrabantsche Franken den middelterm
tusschen de Frankische kustbewoners en de Limburgsche, Ripuarische
Franken. Gemoedelijkheid voert bij hen den boventoon, de volksaard is
losser, levendiger, in het Zuiden mogen wij zeggen rumoeriger. Met
het Brabantsche type worden de Franken meer gemoedsmenschen, breekt
het sanguïnisch temperament door. In afzonderlijke hoeven voelen
zij zich dan ook niet thuis; steeds scholen zij in dorpen en dorpjes
samen op hun uiterst versnipperd grondgebied. De familiezin is sterk
ontwikkeld, groot de eerbied voor het gezag, de godsdienst omsluit
hen als een hechte band. Zelden verlaten zij hun dorp, want, vertelde
eens een boer uit Wijk, zij beschouwen het als een groot verlies,
ook maar éen dag den klokketoon van hun kerktoren te moeten missen.
Ik kom eindelijk tot Oost-Brabant, Belgisch en Hollandsch Limburg,
de Lijmers, de Overbetuwe. De Oostbrabanders typeert Dr. Van Ginneken
in zijn Handboek der Nederlandsche taal (Nijmegen 1913) I, bl. 170 met
den geur hunner boekweitvelden: in de verdrukking ietwat dof geworden
zielsparfum.--Maar met dat zielsparfum gaat heel wat welgedaanheid
en een voortreffelijke lichaamskultuur gepaard. Aan vroolijkheid
geen gebrek, evenmin als in het Land van Maas-en-Waal en in de
Overbetuwe. Zijn kulminatiepunt bereikt dit zuidoostelijk karakter
bij de Limburgers, van wie genoemde taal-psycholoog t.a.p. deze fraaie
schets geeft: "De Limburgers zoowel Zuid als Noord, West als Oost, zijn
de Italianen van ons land. Juist als hun oude stamgenooten bij Keulen
aan den Rijn, zijn zij lichthartiger en vroolijker, veel beweeglijker,
veel veranderlijker, maar ook veel rijker van geest dan de Hollanders
niet alleen, maar dan de Noord-Brabanders, Vlamingen en Antwerpenaars
bovendien. Zij hebben veel meer met de Luiker Walen gemeen, die
even wisselend en vol zijn als zij, met evenveel lust in feesten en
optochten, gaarne opgewonden praten bij een glas zwaar rinsch bier:
Lambiek of Maastrichtsch. Daarbij hoort en komt een levendige, dolle
verbeelding, zich uitsprekend in allerlei vertellingen en sagen,
en soms ook wel eens in tamelijk avontuurlijke daden. Veel aanleg
voor zang en muziek. Velen kunnen het den Rijnlander Rückert nazeggen:
"Ein denkendes Gefühl, ein innerlicher Sang
Ist alles was ich bin, was mir zu sein gelang."
Toch zijn ze verre van oppervlakkig en gewoonlijk veel scherpzinniger
en geestiger dan hun Noordelijke taalbroeders, die ze, fijne
menschenkenners als ze zijn, o zoo graag beetnemen, en bij wie ze dan
wel eens niet zonder reden den indruk van sluwe geslepenheid wekken,
die ze zelf liever als voorzichtige wijsheid betitelen. Veel geleerden
van grooten naam zijn in Limburg geboren en getogen. In Limburgsche
kloosters bloeien mystieke rozen. Ietwat neiging tot chauvinisne en
opvliegende woede ontsieren dezen schoonen aanleg.
Kortom tegenover de perseveratie of secundaire functie der Hollanders,
wordt het temperament der Limburgers heel en al gedomineerd door de
primaire functie: d.w.z. den oogenblikkelijken indruk. Bovendien zijn
zij óók emotioneel, hoewel ietwat minder dan de Vlamingen, die mede
door hun vlugger bewegelijker activiteit, evenals zij, scherp bij de
kalme Hollanders afsteken".