1. Het somatische volkstype.

Het spreekt wel van zelf, dat men het type der oorspronkelijke bewoners

het zuiverst ten platten lande aantreft. De vermenging met vreemd

bloed is het sterkst geweest en is dit nog in de groote steden. Ook

zijn historische momenten in deze van grooten invloed geweest; laat ik

slechts wijzen op Spanje,--al is de bewering onjuist, dat de Zeeuwsche

bevolking haar donker uiterlijk aan een vermenging met Spaansch

bloed te danken zou hebben--"mariage de la neige et du soleil"--en

op de Fransche uitgeweken Protestanten. Somatisch en maatschappelijk

nemen ook de Israëlieten, ofschoon sinds lang staatsrechtelijk en

burgerrechtelijk met de overige ingezetenen van de Nederlanden volkomen

gelijkgesteld, nog steeds een eenigszins afgezonderde positie in.

Zooals wij hebben aangetoond, behoort de bevolking van Nederland voor

het meerendeel tot het Teutonische of Germaansche en tot het Alpine

of Keltische ras.

Het Teutonische ras is langhoofdig (dolichocephaal), lichtblond van

haar, grijs-blauw van oog en rijzig van gestalte. Het Alpine ras

is korthoofdig of rondschedelig (brachycephaal), donkerblond tot

zwart van haar, bruinoogig, en meer middelmatig van lichaamsbouw:

over het algemeen is dit ras sterker gepigmenteerd. Daar nu juist

de pigmentatie zich het best van de drie kenmerken tot een globaal

overzicht bij een rassenonderzoek leent, heeft Prof. Bolk te dezen

einde in de verschillende provincies van Nederland gegevens verzameld

omtrent het voorkomen der onderscheiden oog- en haarkleuren. Zijne

resultaten heeft hij neergelegd in de Verslagen der Koninkl. Akad. van

Wetenschappen te Amsterdam, 5 Mei 1904, en in Gallée's meermalen

aangehaald werk over het Boerenhuis in Nederland, Bijlage III, bl. 12

vlg. Wij ontleenen hieraan het volgende.

Het lichte oog is in het Noorden van ons land het talrijkst, en naar

het Zuiden toe ziet men dit allengs minder talrijk worden, om in de

beide meest zuidelijke provinciën--Limburg en Zeeland-- het minimum

te bereiken. Hand in hand daarmede neemt in zuidelijke richting de

bruinoogigheid toe. Ten opzichte van dit verschijnsel kan men het

land in drie zònen verdeelen. De vier noordelijkste provinciën hebben

gezamenlijk 79.1 procent lichtoogigen, de vier provinciën, die de

middelzône innemen, 69.9, en de drie zuidelijke provincies gezamenlijk

gemiddeld 60.5. Vergelijkt men met deze cijfers de vermindering der

blondharigen, dan blijkt het, dat deze beide verschijnselen vrijwel

evenwijdig verloopende reeksen vormen, n.l. de noordelijke zône staat

bovenaan met 80 procent blondharigen, dan volgt de middelste met 72.2,

dan de zuidelijke met 64.2. Duidelijkheidshalve zij nog vermeld,

dat de noordelijke zône omvat de provincies Groningen, Friesland,

Drente en Overijssel; de middelzône Gelderland, Utrecht en Holland;

de zuidelijke Limburg, Brabant en Zeeland. De totale vermindering

aan lichtoogigen bedraagt dus 18.6%, aan blondharigen 15.7%.

Ter vergelijking volge hier een staatje, waaruit blijkt, hoe ook in

Duitschland het blonde type van het Noorden naar het Zuiden afneemt. De

pigmentatie van haar, oog en huid is hier gezamenlijk genomen.

Noord-Duitschland 43-33% blondinen, 12-7% brunetten

Middel-Duitschland 32.5-30% ,, 18-13% ,,

Zuid-Duitschland 24.5-18.4% ,, 12-7% ,,

Uit het hooge percentage aan brunetten in de zuidelijke zone van ons

land blijkt ook weer, dat de bewoners van Noord-Brabant, Limburg,

zuidoostelijk Gelderland en Zeeland een eenheid vormen, welke geen

andere is dan de eenheid van het Alpine ras. Deze bevolking zet zich

ook in België voort tot op het plateau der Ardennen.

Nu zou men verwachten, dat met het brunettengehalte ook de

brachycephalie in zuidelijke richting zou toenemen; immers het

Teutonische ras is lang-, het Alpine rondhoofdig. Maar de verandering

in den _index cephalicus_ (die de verhouding aangeeft van de lengte

tot de breedte van het hoofd) blijkt bijna geheel onafhankelijk van de

veranderingen in het brunettenpercentage; terwijl het brunettengehalte

in zuidelijke richting toeneemt, neemt de brachycephalie toe in

oostelijke richting. Deze toestand is dus niet primair: de noordelijke,

blonde bevolking is rondhoofdig, en de donkere rondhoofdige bevolking

van de zuidelijke gewesten is meer langhoofdig geworden. Prof. Bolk,

De Bevolking van Nederland t.a.p. bl. 182 vlg. verklaart dit zóo,

"dat een uit het Oosten afkomstig volkstype, dat blond en rondhoofdig

is, zich gemengd heeft met de oorspronkelijke langhoofdige bevolking

onzer Noordelijke provinciën, en de geschiedenis leert ons, dat

deze volksstam de zoogenaamde Saksen waren." Wat nu deze Saksen

betreft, "een ding kan men wel als vaststaand beschouwen, dat

zij anthropologisch niet als zuivere Teutonen of Germanen zijn te

beschouwen. M.i. komt eene verwantschap met de Slavische bevolking

van het westelijke en middelste gedeelte der Noord-Duitsche laagvlakte

veel meer in aanmerking" (bl. 185, 186).

Dat de tegenwoordige bevolking van Zeeland langhoofdig is geworden, is

te danken aan de vermenging van het alpine type met het Teutonische,

nl. met de Friezen. De fusie is echter eerst na 1500 tot stand

gekomen. "Deze kruising mag vooral door de kombinatie van het bruine

oog met het lang ovale aangezicht een zeer gelukkige genoemd worden. De

Zeeuwsche bevolking geldt met recht als een der schoonste van Europa".

Laat ik hier ten slotte nog aanstippen, dat volgens Prof. Bolk het

Germaansche type het zuiverst bewaard is gebleven in de dorpen Katwijk

en Noordwijk, misschien in 't algemeen in de visschersbevolking van

onze Hollandsche Noordzeekust, en het Alpinetype in de omstreken

van Venlo. Het wil mij echter voorkomen, dat de frekwentie van het

brunette type in Zuid-Limburg veel grooter is. Wellicht komt hier

echter de invloed der Romaniseering in het spel.

Ook in België neemt volgens Léon Vanderkindere, Recherches sur

l'Ethnologie de la Belgique (Bruxelles 1872), het brunette type van

het Noorden naar het Zuiden aanmerkelijk toe. Het hoogste percentage

aan lichtoogigen en blondharigen heeft de provincie Antwerpen.

Wat den lichaamsbouw betreft kan men België in drie zônen verdeelen. De

eerste omvat West- en Oostvlaanderen; de tweede Antwerpen, Limburg,

Brabant en Henegouwen; de derde Namen en Luxemburg. Het percentage der

personen met rijzige gestalte neemt regelmatig toe van Noord naar Zuid.

Nederlandsche Volkskunde · 第 68 / 117 题