Op de Tentoonstelling van Nationale Kleerderdrachten in 1878
te Amsterdam gehouden vond men een merkwaardige verzameling van
hetgeen aan eigenaardige karateristieke kleedij in Nederland nog
voorhanden is. In het Rijksmuseum te Amsterdam zijn de voornaamste
stukken dezer verzameling ondergebracht. Voor de studie van
dit onderwerp verwijzen wij vooral naar Prof. J. H. Gallée, Het
Boerenhuis, bl. 76 vlg (met Atlas); Johan Winkler, Oud Nederland
('s Gravenhage 1888), bl. 105 vlg., 263 vlg.; Dr. J. C. De Kan,
Zeeuwsche Kleederdrachten. Herinnering aan het bezoek van Hare
Majesteit de Koningin en Hare Majesteit de Koningin-Regentes aan het
eiland Walcheren (Middelburg 1894); en Albert Dubois, Types et Costumes
(Bruxelles 1887). Over het algemeen geldt de opmerking, dat de oude,
nationale kleederdrachten hoe langer hoe meer verdwijnen.
_a_. In Friesland ziet men de korte jas en de korte broek alleen nog
bij volksfeesten. De vrouw uit het volk draagt over hemd en borstrok
_het onderst_, in Noord-Holland, om de Zuiderzee en in Drente _de
kroplap_ genoemd: een vierkante lap, met een gat om het hoofd door te
steken, terwijl op de borst een opening is aan den hals, die met knoop
en lus gesloten wordt. Eigenaardig is de hoofdbedekking. Over de haren
draagt de vrouw een wit mutsje, dan de zwartsatijnen muts, en hierover
het oorijzer. Over het oorijzer ging de groote floddermuts. De lange
floddermuts vindt men nog op de Zuidhollandsche eilanden; in Friesland,
Groningen en Noord-Holland is zij korter en korter geworden. Bewesten
Utrecht vindt men de Noordhollandsche muts met opgeslagen punten.
Het Friesche _oorijzer_ was oorspronkelijk een ring, zooals nog de
Zeeuwsche benaming "beugel" of "hoepel" getuigt. Inderdaad leeft
in de Friesche oorijzers nog voort de Oudgermaansche hoofdband of
diadeem; dit is bepaaldelijk betoogd door den Frieschen oudheidkundige
J. H. Halbertsma in zijn opstel over Den Ring van Epe, Overijsselsche
Almanak 1849. De oudste vorm der oorijzers was dan ook de volle
ongebroken ringvorm. Deze vorm was wellicht in 1600 nog niet geheel
buiten gebruik gekomen; althans op een afbeelding van Waterlandsch
landvolk uit het jaar 1611 draagt een boerenmeisje nog zulk een
hoofdring onbedekt over haar en voorhoofd; zie L. Splitgerber,
Boerenkleeding omstreeks 1600, in De Oude Tijd 1874. Volgens Winkler
is deze hoofdring tusschen 1000 en 1500 doorgesneden, opengebogen,
waardoor hij werd tot een veerenden, steeds passenden hoofdbeugel.
Een hoofdring, gevonden bij een grooten _cairn_ in de gemeente
Lumphanan (Aberdeenshire) loopt, zooals Halbertsma in een tweede
opstel: Ringmutsen en Oorijzers t.a.p. 1853, bl. 283 vlg. meedeelt, in
twee geplatte vlakken uit, bestemd om op het voorhoofd te rusten. Deze
uiteinden konden kruisend in elkander haken en versierden aldus
het voorhoofd. Maar toen de mutsen zoo diep daalden, dat zij het
boven-voorhoofd niet meer vrij lieten, moesten deze vlakken of knoppen
ruimte maken. Men deed dit op tweeërlei wijze. Of wel men liet den
hoofdring zijn volle lengte houden, maar hing de uiteinden bij de
ooren schuins naar beneden om: van hier de naam "oorijzer". Deze
wijze was wel de oorspronkelijke; zij karakteriseert het oorijzer
van Groningen en Friesland, en ook in Holland waren blijkens de
afbeeldingen in de XVIIe eeuw nog de smalle oorijzers met omgebogen
punt in gebruik. Thans worden ze nog gedragen door de weezen in het
Burger-Weeshuis van Amsterdam en in het Weeshuis van Delft. Maar men
kon ook--en dit was de latere Hollandsche behandeling--den hoofdband,
tevens verbreed, in een rechte strook laten doorloopen, maar den
geheelen beugel zooveel inkorten, dat de knoppen niet verder dan de
hoeken der oogholten reikten, waardoor het voorhoofd vrij en onbedekt
bleef. In Noord-Holland worden de eenmaal omgebogen gedeelten, vierkant
en plat, aan het breede oorijzer geklonken. Deze vierkante stukken
heeten in Holland _boeken_ of _pooten_, in haakvorm _token_. Men
gaf ze allerlei vormen, allerlei versierselen, als dierenkoppen,
bloemvazen enz. In Groningen en Drente spreekt men van _stiften_,
in Friesland van _knoppen_, in Zeeland van _stikken_. Daar, waar
men de uiteinden omboog, liet niet zelden de weelde zich gelden, de
haken al grooter en grooter te nemen en al meer en meer in te krullen:
vandaar de kegelvormige spiralen, die men aantreft in Zeeland, op de
Zuidhollandsche eilanden en in de streken om de Zuiderzee.
De naam van het oorijzer schijnt vast verbonden aan den naam van het
metaal, waaruit de oudste ringen vervaardigd werden: het ijzer. Men
hoort ook "hoofdijzer", of kortweg "ijzer". Maar in werkelijkheid
worden ijzeren oorijzers nergens meer gedragen. Thans zijn ze van
koper, verguld koper, zilver of goud.
Het verspreidingsgebied van het oorijzer is vrij groot. Behalve bij
de eigenlijke Friesche bevolking vindt men het in Zeeland, om de
Zuiderzee, en ook in Drente, waarschijnlijk van wege de Friesche
dracht der marktcentra Groningen en Meppel. In België wordt het
aangetroffen daar, waar men Frieschen inslag vindt, nl. in noordelijk
Oost-Vlaanderen (in het Land van Waas en het Meetjesland), en in het
grootste deel van West-Vlaanderen.
Bij het oorijzer hoort de naald, oorspronkelijk even veelvuldig als
de haarring; thans wordt ze steeds zeldzamer. Om de Zuiderzee is ze
onbekend. Zij wordt ingestoken en heeft de gedaante van een halven
ring, die om het halve hoofd sluit, hooger dan het oorijzer: smal
aan het achtereinde, dat onder de muts en onder de bladen van het
oorijzer gestoken wordt, breed en plat aan het vooreinde, dat op het
vooreinde uitkomt. Zij is van goud en vaak met edelsteenen bezet. De
naald mag in Noord-Holland en Friesland slechts door gehuwden worden
gedragen. De boerin draagt ze slechts in vol ornaat. Andere, kleinere
naalden worden terzijde van het voorhoofd gedragen.
Eigenaardig is vooral de Friesche dracht op het eiland Marken. Tot
het zesde levensjaar is er geen verschil in de kleeding van jongens en
meisjes: zij dragen beiden de bonte kleeding der vrouw. Marken heeft
een voorliefde voor bonte, sterk sprekende kleuren, evenals het oude
Hindeloopen. Een jongen is slechts kenbaar aan de cirkelvormige vlak
achter op het mutsje. Het meisje houdt dezelfde kleeding. Maar is zij
grooter geworden en zijn haar eigen haren niet lang genoeg, dan hangt
zij zich twee lange blonde krullen over de ooren. Voorliefde voor het
bonte vindt men ook in de zuiver Friesche bevolking van Spakenburg
en Bunschoten (Vgl. Gallée, het Boerenhuis bl. 82).
_b_. In Zeeland is de vroegere kuitbroek nagenoeg verdwenen: voorheen
droeg men ook zilveren gespen op de knie en op de schoenen. Aan
het bovenlijf draagt de Zeeuw een gekleurden borstrok met twee
rijen zilveren knoopen, aan den hals gesloten door twee gouden
knoopen. Ook bleven bewaard twee of vier zilveren broekplaten, die
men _broekstrikken_ noemt. Het hoofd wordt gedekt met een hoogen,
eenigszins spits toeloopenden vilten hoed met kleinen omgeslagen
rand. Onmisbaar is het mes met zilveren heft in de lederen scheede en
de sierlijk gemonteerde houten pijpekast, die uit den broekzak steekt.
De _Zeeuwsche knoop_ en gordel- of broekplaat gaan terug tot den
primitieven doorn, dien de oude Germanen voor spang bezigden. Toen
deze doorn vervangen werd door een metalen spang, ging men deze
spoedig versieren, zooals de spangen, in de Friesche terpen gevonden,
getuigen; zie Mr. P. Boeles in de Vrije Fries XX, bl. 431 vlg. De
groote vorm dient om mantel of gordel vast te houden, de kleinere om
lichte kleedingstukken te verbinden of op te sieren: de knoop. De
knoopen vindt men in Zeeland en elders in het Friesche stamgebied;
de gordelplaten slechts in Zeeland, om de Zuiderzee, op Urk en Marken
en in Volendam. Deze versierselen vertoonen een spiraalbasis met
ringen en knoppen van gevlochten draad. Een ander soort knoopen en
platen hebben den vorm van halfronde bollen van plaatgoud, van boven
belegd met knopjes in geometrische vormen of bol uitgeslagen. De aldus
bewerkte knoopen worden aangetroffen in Zeeland, Zuid-Holland en om de
Zuiderzee; de broekplaten in Zeeland, Staphorst en Rouveen en op Urk.
De vrouwenkleeding is specifiek Friesch; het "onderst" heet in
Zeeland _de beuk_: hierover draagt men een gekleurden omslagdoek met
zijden rand. De haarbedekking bestaat uit ondermuts, oorijzer en
bovenmuts. Het smalle oorijzer wordt hier _de beugel_ of _hoepel_
genoemd. De gebogen gouden uiteinden noemt men de _krullen_ en zij
hebben dan ook den vorm van een krul, van een spiraal of kurkentrekker;
aan deze krullen hangen de gouden plaatjes, die men _strikken_ noemt,
ronde, gouden plaatjes, plat, niet bol. Ook de naald ontbreekt niet.
De ondermuts, hagelwit en van gebloemd katoen, met kantjes er aan,
sluit netjes om de slapen, maar komt van voren een goed stuk uit
de bovenmuts uit. Deze heet gewoonlijk _de langet muts_, ook in
Zuid-Holland en in Groningen. Op Walcheren haalt men ze van achter
met een lintje bij, reden waarom ze _trekmuts_ heet. Daarover draagt
men aldaar een geelstrooien _kaphoed_, aan de achterzijde met een
smaakvolle waaiervormige garneering van gekleurd zijden lint, en aan
de voorzijde met loshangende linten van dezelfde stof. Zuid-Beveland
onderscheidt zich door zijn zwierige bovenmuts. Zij is van terzijde,
rond, breed-uitstaande, met een steunsel van karkas, bij het
achterhoofd vierkant. De muts is bij de roomsch-katholieke vrouwen veel
grooter en het onderste gedeelte van naar achteren afhangende kant;
bij de protestanten loopt de muts in een boog door naar voren. In
westelijk Zeeuwsch-Vlaanderen (Cadzant, Aardenburg enz.) draagt men
een karkasmuts met breeden, gelaat en kin omplooienden rand; zij is
van kant of tule, en het achterstuk, het rabatje, heet kortweg _de
kant_. Van beugel, strikken of krullen hier geen spoor.
Zeer eigenaardig zijn in het land van Axel de hooge pofmouwen,
eigenlijk ontstaan door het eigenaardig plooien van den doek. Hulst
onderscheidt zich door den Vlaamschen klepmantel en de muts, die
althans wat de slippen betreft, veel op de Brabantsche lijkt. Deze
overeenkomst is weer opmerkelijk, maar kan goed op ontleening
berusten. De min of meer kostbare kant, met _het pasje_ er aan, daalt
langs de schouders naar beneden; maar van achteren komen die slippen
eenvoudig tot den hals bij elkander en niet met een lange strook
langs den rug, zooals bij het Thoolsche model. Vgl. Dr. J. C. De Man,
Zeeuwsche kleederdrachten, bl. 11, 21, 36, 50, 57 enz.
In België vindt men het oorijzer vooral noord- en oostwaarts van Brugge
en langs de Noordnederlandsche grenzen, in het stadje Damme en in de
dorpen Lapscheure, Oostkamp, Moerkerke, Dudzele, Heyst enz. Verder,
zooals gezegd, in noordelijk Oost-Vlaanderen, in het Land van Waas
en in het Meetjesland. In de eerste helft van verleden eeuw werd het
nog gedragen door geheel het noordelijk en middendeel van Vlaanderen,
tot Kortrijk en Poperinghe toe.
_c_. Bepaalde eigenaardigheden vinden wij in het Zuiderzeegebied met
zijn gemengde bevolking. Vooral in de omstreken van Kampen, Elburg,
Harderwijk enz. vindt men de krullen en spiralen aan het oorijzer, die
wij leerden kennen in Zeeland en op de Zuidhollandsche eilanden. In dit
gebied kent men verder, alweer evenals in Zeeland, de groote gordel-
en broekplaten, en eindelijk den eigenaardiggevormden Zeeuwschen
knoop, waarvan bl. 56, 57 sprake was. Het oorijzer is hier nauwelijks
twee of drie vingers breed; de vorm van Staphorst en Rouveen kan als
model gelden.
In het Gooi en op de Veluwe tusschen Nijkerk en Nunspeet, daar waar
de Keltisch-Frankische inslag wellicht het aanzienlijkst is, hebben
de sloten der halskettingen een vierkanten vorm, en wel vooral bij
de bevolking met donkere pigmentatie en met het Keltisch-Frankische
huis. Meestal zijn dan negen knoppen in het vierkant aangebracht,
omgeven door bladwerk, dat verbonden is door spiraalwerk. Een
vierkanten vorm, maar met late motieven, vindt men ook van Twente
tot in het Westland. Meestal zijn de sloten echter rond.
Overigens komt de kleederdracht van dit gebied vrijwel overeen met
die der andere bewoners om het bekken der Zuiderzee, die nog de oude
dracht hebben bewaard. Tot het vierde jaar hebben de jongens en meisjes
de dracht der vrouw, de jongens onderscheiden door een zilveren knoop
onder de mouw, de meisjes door een rood koorden afzetsel aan de muts.
_d_. Wij maakten reeds de opmerking, dat Drente de Friesche
kleederdracht heeft aangenomen. Daarentegen heerscht in Overijssel
en Gelderland de Saksische dracht. Ook hier is de korte broek
verdwenen. Maar typisch is de _pijjekker_ of lange jas, die over
het vest met dubbele rij knoopen gedragen wordt en tot ver over de
grenzen te vinden is. De hoofdbedekking is de pet, eertijds was het
de hooge hoed, die thans nog alleen voor staatsie dient.
Het meisje draagt in de eerste jaren _de bonnet_, een zwarte, zijden
muts. Daarna bestaat de hoofdtooi uit een ondermuts, wit of zwart,
waarover de bovenmuts gaat. De witte bovenmuts of _knipmuts_ heeft van
voren een geplooide, door karkas strak en uitstaande strook. Vroeger
was die "streppel" heel breed, zegt W. H. Heuvel, Volksgeloof en
Volksleven (Zutphen 1909), bl. 338, zoodat het hoofd als in een
huifwagen wegdook; thans is hij smal en meestal zonder karkas. Achter
hangt de kant in den nek af, vroeger kort, thans lang, vaak tot over
de schouders. De muts zelf was vroeger met bloemen geborduurd. Bij
feestelijke gelegenheden of bij kerkgang wordt hierover dan nog
een stroohoed gedragen, waaraan twee linten met zilveren haak. Maar
meestal draagt men thans over de muts een modernen hoed, en eveneens
een modern kleed in plaats van het van voren laag uitgesneden wollen
of linnen lijfje, dat op zijde werd vastgemaakt. Nog thans draagt
men in het Overveldsche op de Veluwe over het jak een geplooiden
wollen omslagdoek, die elders op den duur door de knoopdoekjes werd
verdrongen.
_e_. In het Frankische gebied zijn de mannen gekleed als in
Gelderland. Bezuiden Roermond vindt men echter voor mannen- en
vrouwenkleeding bijna overal de dracht der groote magazijnen. De
blauwe kiel bij de mannen, zoowel in Nederland als in België, en de
omslagdoek en het manteltje bij de vrouwen geven soms aan de kleedij
nog iets eigenaardigs. Het witte mutsje met een gekleurd bloempje,
dat de vrouw om het hoofd draagt, heet _het pläkske_. De mannen
dragen veelal knevel, of knevel en baard, in tegenstelling met het
gladgeschoren gelaat, waaraan men gewoon is in het Noorden.
Terwijl het Land van Heusden wat betreft de vrouwenmuts meegaat met
de Betuwe en Veluwe, waar immers de knipmuts domineert, is de gewone
dracht in Brabant en Noord-Limburg de Brabantsche "groote muts",
de zoogenaamde _huifmuts_. Over de gladgestreken haren gaat eerst de
zwarte ondermuts. Dan komt de eigenlijke huifmuts, van tule, en hierop
wordt de groote tuil bloemen en linten gelegd, dien men _de poffer_
noemt; de geheele dracht is zeer kostbaar. Daarnaast heeft men nog
een groote zwarte muts. In sommige plaatsen, b.v. te Bergen-op-Zoom,
Ossendrecht enz., draagt men reeds de zwierige Vlaamsche muts met
haar losplooiende, wuivende slippen, die wij ten deele ook in Zeeland
hebben aangetroffen. Zie H. Hymans in Patria Belgica (Bruxelles 1875)
III, bl. 755.
Naast de Vlaamsche muts heeft men nog den Vlaamschen stroohoed met
zijn eigenaardigen kapvorm en zijn linten versierselen en ontelbare
spelden, door de landmeisjes óok in de omstreken van Antwerpen veel
gedragen. Men treft hem verder nog aan op de grens, b.v. te Clinge,
Stoppeldijk, Hontenisse enz. Elders, rond Brussel b.v., en wel in heel
Zuid-Brabant, plooit men een doekje om het hoofd, dat onder de kin
wordt vastgeknoopt. Algemeen vindt men den _neuzik_ of _neusdoek_,
een vierkanten omslagdoek, gebloemd of gekleurd, die om de schouders
gedragen wordt.
Er resten nog twee vrouwelijke kleedingstukken te vermelden, die
voor het meerendeel in België gedragen worden, slechts sporadisch
in Nederland. Dat is vooreerst de falie, een kleedingstuk van
zwarte zijde, met een rand van franje, waarmee men het hoofd omhult,
terwijl de van voren elkaar kruisende slippen een soort van boezelaar
vormen. Bij Bergen-op-Zoom en in de Langstraat wordt zij o.a. gedragen
bij kerkgang; ook in Limburg is zij nog bekend. Bij kerkgang in
engeren zin, d.i. wanneer volgens katholiek gebruik de kraamvrouwen
kerkwaarts togen ter zegening van moeder en kind, droeg men tot voor
enkele jaren in Limburg de bonte Schotsche shawl. De falie is niet
onwaarschijnlijk van Spaansche herkomst en herinnert aan de artistiek
gedrapeerde mantilla. De Vlaamsche huik, kap, of klepmantel, is een
soort cloak van vrij dikke stof, die men 's winters en 's zomers bij
regenweer draagt. De kap slaat men over muts en hoed. Voorheen werd
zij ook in geheel Staats-Vlaanderen gedragen, thans nog slechts in
het Land van Hulst.
Eindelijk in Brabant, Limburg, de Lijmers, het Rijk van Nijmegen en in
Zeeland, dus over de geheele uitgebreidheid van het Keltisch-Frankische
gebied, worden hangers gedragen. Zij zijn vooral bij de katholieken
in zwang om het kruis te dragen en bestaan doorgaans uit bladgoud
met spiralen aan metalen kettinkjes. De hartvormige hanger heet _de
schoef_. Merkwaardiger wijs vinden wij dezen hanger met eenigszins
gewijzigden vorm ook weer in het Zuiderzeegebied (met het Gooi). Nauwer
hangt dit gebied weer met Zeeland samen door een breeden platten ring
met spiraalwerk van blaadjes. Daarentegen vindt men uitsluitend in
Brabant en Limburg een eigenaardigen gouden of zilveren mantelhaak,
die uit verschillende stukken is samengesteld.