_a_. De Friezen beschouwen als het voornaamste gedeelte hunner hoeve
de bewaarplaats van het hooi. Daar veeteelt en zuivelbereiding het
hoofdmiddel van hun bestaan uitmaken, is ruime hooiberging op de
allereerste plaats noodzakelijk. De hooiberg vormt dus het middelpunt,
waaromheen zich stalling, dorschvloer en melkerij groepeeren.
Hij verheft zich in het midden van een vrijwel kwadraatvormig
grondplan. Tusschen vier zware kapstijlen wordt het hooi hoog tot in
den nok opgetast, zoodat de lage, vierkante onderbouw door een hoog
rieten- of pannendak in den vorm eener pyramide wordt bekroond.
Dit viervakkig dak is het _stelpdak_, vanwaar de benaming: stelphoeve.
Waar de landbouw wordt uitgeoefend, die ruime berging van veldvruchten
en ruime dorschvloeren vereischt, daar neemt de schuur zeer groote
afmetingen aan. Aldus in Groningen en Friesland. Maar overal vindt
men hetzelfde grondbeginsel: de stapel, hooi of veldvruchten, vormt
het vierkant, waaromheen alles gelegen is.
De stijlen, _stenders_ of _zûlen,_ worden twee aan twee verbonden
door balken en onderling door twee dwarsleggers. Elk samenstel van
twee stijlen met een balk wordt een _bint_ genoemd. De ruimte binnen
vier van zulke stijlen heet het _vierkant_ of _vak_, in Friesland en
oostelijk _de golf_, in Noord-Holland _de tas_. Is éen vierkant niet
voldoende, dan worden de vakken vermeerderd en de schuur krijgt een
langwerpig uiterlijk (Gallée, Het Boerenhuis, bl. 17, 18).
Men heeft wel eens beweerd, dat het Friesche type zich uit het
Saksische heeft ontwikkeld, en wel door de deel met oogstgaven (hooi,
vruchten) te vullen en van wege het grootere brandgevaar huis en schuur
scherper te scheiden. Wat hiervan zij, dit eene staat vast, dat beide
typen in vroegere tijden veel dichter bij elkaar stonden. Bij het
Friesche type mist de boer het overzicht over het geheel, maar bij
de hoogopgevoerde ekonomische eischen is althans schijnbaar de vorm
van het éen-huis gered.
Dit type wordt aangetroffen in geheel Oost-Friesland, in Groningerland
en Noord-Holland tot even ten zuiden van Amsterdam. Verder in het
zuiden van Zuid-Holland (Alblasserwaard, IJselmonde, Beierland, Voorne,
het Dortsche eiland) en in den Zevenbergschenhoek in Brabant. Enkele,
en wel vrij oude vormen van dezen bouwtrant, vindt men in Zeeland.
Wat de stalling betreft dient te worden opgemerkt, dat het vee met den
kop naar den muur staat--dus omgekeerd als op de Saksische hoeve--en
met de achterzijde naar de stalgang. Elke koe, of elk paar koeien,
heeft een door planken of balken gescheiden stand. Het licht valt door
kleine venstertjes, veelal van gordijntjes voorzien. De zindelijkheid
is overal bepaald voorbeeldig te noemen. De meeste boerderijen hebben
een reusachtigen melkkelder, thans zoo goed als overbodig, daar de
bewerking der melk meestal in de centrifuges plaats heeft.
De dorschvloer heet in Noord-Holland de _darsch_. Aan de keuken, waar
de groote schouw is, geeft men in Friesland den naam van _pîzel_:
eigenlijk was dit de naam van de groote hang of schouw zelf, Latijn
_pensile._ Bij den Frieschen huisvorm in Duitschland beduidt _pêsel_
de woonkamer of feestzaal.
Voor België vind ik hieromtrent bij Claerhout, Biekorf XXIV, bl. 313
na de beschrijving van het Friesche type het volgende: "Zulke
Friesche hofsteden zijn er in Westvlaanderen niet te vinden, maar
de Westvlaamsche bergschuur, hier en daar nog te zien, namelijk te
Leffinghe, te Snaeskerke, te Steenkerke, te Heyst en te Ramskapelle
en wellicht elders, moet ook door Friezen gebouwd zijn, want zij
vertoont de gedaante eener Friesche hofstede; 't en is maar de woning
van den boer die er in te kort is." Een grondig onderzoek in deze is
m.i. noodzakelijk en kan tot hoogst belangrijke resultaten leiden.
_b_. Terwijl het type der eigenlijke Stelphoeve vrij zuiver in
Noord-Holland, met name in de Streek, wordt aangetroffen, vindt men in
Friesland en Groningen meestal het gewijzigde type van "de hoeve met
de lange schuur". Hier is het vierkant tot een rechthoek verlengd,
terwijl woning en schuur niet onder één dak zijn vereenigd. Het
woonhuis is daar met de schuur door een smal dwarshuis verbonden,
dat zich uit de verbindingsgang heeft ontwikkeld, of de woning is
dwars vóor de schuur gebouwd.
Van de eilanden heeft Terschelling het Friesche type. Ameland
is daarentegen geheel afwijkend; óok in taal en kleeding komen de
bewoners het meest met die van Holland om Amsterdam overeen.