III. De Boerenwoningen.

Bij de beschouwingen over dorp en dorpsgebied zijn wij eigenlijk

slechts aan de oppervlakte van het volksbestaan gebleven. De aard der

verschillende nederzettingen vergunde ons geen diepen blik te slaan

in het volksleven: het hart van dat leven, de intieme haard van dat

bestaan is het huis.

Hoe heeft ons volk op Nederlandschen bodem zich zijn heemstede gebouwd,

ter berging en ter schutse van zich en zijn gezin, ter berging van

veestapel en moeizaam verworven hooi- en vruchtenoogst? Hoe hebben onze

vaderen dit heem geformeerd, ten einde er hun welbehagen te vinden,

zonder in strijd te komen met ekonomische vereischten?

"De landman die zijn huis bouwt", aldus Stijn Streuvels in zijn

bekoorlijk-frissche boekje over De Landsche Woning in Vlaanderen

(Amsterdam), "heeft iets van de begaafdheden die eigen waren aan

den middeleeuwschen bouwmeester. In alles gebruikt hij overleg en

gezond verstand en hij streeft er naar om met 't minste middelen,

het grootst mogelijk uitwerksel te bekomen. Hij bekommert zich niet

om pracht of praal--een huis dient enkel om er in te wonen en alzoo

ziet hij er niet naar of denkt er nooit aan dat zijn huis langs de

straat moet staan... om gezien te worden, maar als 't zoo gelegen komt,

bouwt hij het met den achterkant naar de straat om 't met den voorkant

naar 't Oosten of 't Zuiden te keeren en alzoo licht en warmte op te

vangen--twee dingen die hem van groote waarde zijn" (bl. 17, 18).

Ik spreek hier alweer over den bouwtrant der boerenwoningen, en niet

der stadswoningen. Want in de boerenwoningen spreekt zich meer het

volkskarakter uit, komt het volkseigenaardige meer tot zijn recht,

is het oorspronkelijke het best bewaard. Daarom heeft tot nog toe

de wetenschappelijke volkskunde dan ook zoo goed als uitsluitend oog

gehad voor de landsche woning,--al zou het zeker de moeite loonen na

te gaan, hoe deze huistypen in de steden tot burgerwoningen werden

vervormd. Vooral het Oudhollandsche en Oudvlaamsche koopmanshuis met

zijn smalle straatfaçade, en evenzeer de visscherswoning, die zich

stellig niet tot de eilanden beperkt, zijn nadere onderzoekingen in

deze richting overwaard. Wat betreft de publikatie van Mr. S. Muller

en Prof. Dr. W. Vogelsang: Het Oud-Hollandsche Huis (Utrecht 1909),

deze ontwerpt een beeld van de Nederlandsche beschaving in de XVIIe

en XVIIIe eeuw aan de hand der Nederlandsche poppenhuizen; zie aldaar

over de indeeling en het gebruik van de Oudhollandsche patricische

huizen, bl. 26, 27. Vrijwel uitsluitend op historisch-architektonisch

gebied liggen de belangrijke bijdragen over onze Oudgeldersche gevels

van C. L. van Balen, gepubliceerd onder de rubriek "Oud-Limburg"

in Limburg's Jaarboek XI, bl. 65, 153; XII, bl. 154; XIV, bl. 43.

Dan ook,--de industrie blijkt hier opnieuw de gezworen vijandin van

het typische in den volksaard, zelfs in de landsche woning. Dit kan

weer niemand beter betoogen dan Stijn Streuvels: "Waar de nijverheid

ergens een landstreek binnendringt en de bevolking overweldigt,

ziet men dien tooi en zorg aan de woningen gauw vergaan. Waar de

landsche lieden hun bestaan vinden in fabrieken of groote werkhuizen,

zelfs waar de huisarbeid geoefend wordt, ziet men die liefhebberij

niet om de woning een lachend uitzicht te geven. Gevels worden niet

meer gewit en de ramen niet meer geschilderd, bloemen en boomen

heeft men niet meer van doen en wat de huisbaas aan de woning niet

wil verstellen, laat de huurder maar vervallen. Daar heeft heel die

streek en het landschap een ander uitzicht--iets als de kleurlooze

verlatenheid van onbewoonde huizen, grauw, vaal als een achterbuurt en

't geheel heeft het aanzien van armoede en lustelooze slordigheid"

(De Landsche Woning, bl. 30).

Buiten beschouwing blijft hier ook het dorpshuis, niet hoeve

tevens, dat meestal in zijn tegenwoordigen vorm van jongen datum

is, afhankelijk van de gemeentelijke verordeningen. Wat de kleine

arbeiderswoning betreft, somtijds volgt zij op kleinere schaal het

type van het boerenhuis der streek. Maar de latere arbeiderswoning

vertoont meestal denzelfden droevigen internationalen stijl, dien

men ook in de kleine huizen der steden aantreft. Daarentegen gaat

de mijnwerkerswoning in Limburg, dank zij vooral de goede zorgen

der maatschappij "Ons Limburg", een aesthetisch en architektonisch

beslist beteren weg op.

De boer is in de wijze, waarop hij zijn woning bouwt, uitermate

konservatief. Gelijk zijn vaderen voor eeuwen hun hoeve ingericht

hadden, zoo doet hij het nog heden. Een treffend voorbeeld van dit

konservatisme geeft Prof. Gallée: "In de laatste vijf en twintig jaren

hebben groninger boeren aangevangen de heidevelden aan de Dedemsvaart

te ontginnen. Zij hebben hunne huizen en schuren daar naast die van

den overijsselschen landbouwer gevestigd. Men zou verwachten, dat

zij hun bedrijf zoo inrichtten als de sinds eeuwen en eeuwen daar

gezeten boer; maar neen. Terwijl deze op dezelfde wijze als zijn

stamgenooten aan Regge of IJssel zijn huis en hof heeft ingericht,

volgt de groninger boer daar aan de vaart geheel het friesche type,

waaraan hij in zijn groningsche land gewoon was." Zie het verslag

van het Provinciaal Utrechtsch Genootschap 1907, bl. 12.

De verschillende typen van de Germaansche woning--en hiertoe behooren

de boerenwoningen van Groot-Nederland--zijn het voorwerp van nauwgezet

en scherpzinning onderzoek geweest bij onze oostelijke naburen. Ik

wensch hier slechts te wijzen op Rudolf Henning, Das Deutsche Haus in

seiner historischen Entwicklung, Quellen und Forschungen XLVII; Die

Deutschen Haustypen, Quellen und Forschungen LV, 2; Otto Lasius, Das

Friesische Bauernhaus in seiner Entwicklung während der letzten vier

Jahrhunderte, Quellen und Forschungen LV, I; vooral: August Meitzen,

Das Deutsche Haus in seinen volkstümlichen Formen (Berlin 1882) en:

Siedelung und Agrarwesen der Westgermanen und Ostgermanen enz. (Berlin

1895), waar hij den Germaanschen woningbouw in de breede omlijsting

van het agrarische recht en de landbouwekonomie behandelt. Nu is op

het werk van Meitzen wel eens scherpe kritiek uitgeoefend, met name

door Karl Rhamm in Globus 1897, bl. 169 vlg., zóo scherp, dat hij

zelfs "in den bezüglichen Ausführungen Meitzens, wenigstens was die

Endergebnisse anbelangt, keinen Fortschritt gegen die Henningsche

Ära erblicken kann." Toch houdt het kloeke werk van Meitzen in deze

materie groote waarde en gezag,--al moeten wij Rhamm toegeven, dat

b.v. de theorie van den Keltischen oorsprong van het Saksische huis

verre van steekhoudend is (zie Siedelung und Agrarwesen I, bl. 184,

620; II, bl. 91 vlg.; III, bl. 126 vlg.).

De Nederlandsche bouwtrant is hoofdzakelijk onderzocht door wijlen

Prof. J. H. Gallée: Het Boerenhuis in Nederland en zijne bewoners

(Utrecht 1908), waaraan ik in de volgende uiteenzettingen dankbaar

meerdere gegevens en beschouwingen ontleen. Van de hand van denzelfden

geleerde verscheen een verhandeling in Les Pays-Bas (Cercle des

Journalistes étrangers), bl. 501 vlg., getiteld: Moeurs et Coutumes;

zie ook zijn rede gehouden in het Provinciaal Utrechtsch Genootschap,

medegedeeld in het Verslag van 5 Juni 1907.

Wij onderscheiden in ons land vier hoofdtypen: het Saksische,

het Friesche, het Frankisch-Keltische en het Frankisch-Romeinsche

type. Gallée noemt het Saksische type liever het halle-huis,

omdat het toch ook bij anderen dan Saksen gevonden wordt; en het

Frankisch-Keltische huis noemt hij liever het langgevel-type, of het

huis met den breeden, horizontalen voorgevel. Dit is ongetwijfeld

juist. Maar ik verkies uit praktisch oogpunt de benamingen, die in

verhouding staan tot de drie hoofdstammen, welke de bevolking van

Groot-Nederland uitmaken.

I. Het _Saksische type_ vertoont éen groote halle met hoog dak,

waaronder mensch en vee zonder eenige afscheiding huizen. Nu

vertegenwoordigt deze huisvorm echter niet alleen het alleroudste

Germaansche type, maar is in wezen met het oudste Indogermaansche type

identiek. Dit toch had den vorm van een vierkante hut, uit balken

en leem, rijshout en ruwe steenen, met of zonder mortel verbonden

opgetrokken. Wij onderscheiden twee lange en twee smalle zijden met

hoog en schuin dak. Driedeelig, met langwerpig grondvlak, vereenigt

het onder deze hellende afdakking woning, schuur en stalling.

Wijd en zijd vinden wij dit type verspreid. "Ueber die Anlage und die

Dimensionen des alt-europäischen viereckigen Hauses sind wir durch

sorgfältig ausgeführte Untersuchungen der Ueberreste von Ansiedlungen

im Erdboden an vielen Stellen Europas genau unterrichtet," schrijft

Sigmund Feist, Kultur, Ausbreitung und Herkunft der Indogermanen

(Berlin 1913). "Demnach ist der Urtypus dieses germanischen, slavischen

und griechischen Hauses ein Viereck, mit deutlich unterschiedener

Giebel und Langseite, der Herd steht ungefähr in der Mitte und eine

offene (oder spater geschlossene) Vorhalle von geringer Tiefe liegt vor

dem Hauptgebäude. Dieser Haustypus erstreckt sich von Norwegen durch

Norddeutschland, Polen und die Karpathenländer bis nach Griechenland

und Kleinasien (bl. 128, 129).

Maar dit type is toch vooral Saksisch. Hoe treffend b.v. de grenzen

van het Oudsaksische taaleigen en van "het huis met de lange deel"

elkaar dekken--behoudens enkele goed-verklaarbare afwijkingen--blijkt

wel het best uit Willi Pessler's opstel over de "Ethno-geographische

Wellen des Sachsentums" met bijgaande Is-ethnenkaart in het tijdschrift

Wörter und Sachen I, bl. 49 vlg. [6]

In het Saksische boerenhuis in zijn meest oorspronkelijken vorm

koncentreert zich alles om de deel. Aan de eene gevelzijde van het huis

woont de boer, de andere omspant een reuzenpoort, die naar de deel

leidt; aan weerszijde van het huis zijn de huisdieren ondergebracht;

hierbij valt op te merken, dat de koeien op de mest met de koppen

naar de deel gekeerd staan, waar de voedergoot is.

In de oudste huizen ontbreekt hier zoo goed als elke scheidsmuur of

schutting. Tegenover de groote schuurdeur, aan het andere eind van de

deel, bevindt zich de haard, waar de boerin den maaltijd bereidt en

waaromheen het gezin zich verzamelt. Deze open, vrij-liggende vuurstede

behoort mèt het omsloten-zijn van woning, stalling en schuur in éen

enkele ongescheiden ruimte tot de meest karakteristieke kenteekenen

van het Oudsaksische type en getuigt tevens van hooge oudheid.

In de groote, ruime halle heeft de boer heel zijn have en goed, heel

zijn bezittingen onder de oogen, in zijn onmiddellijke nabijheid. Zij

wordt begrensd door twee rijen van zuilen of stijlen. Boven deel

en stalling en woongedeelte verheft zich het hooge dak, dat als

bergplaats dient, en welks nok van voren naar achteren in éene

onafgebroken lijn doorloopt.

De ontwikkeling is tweeërlei richting gevolgd. Eenerzijds streefde

en streeft men er naar, den haard uit het midden naar den zijkant te

verdringen, uit de vrije, aloude woonruimte naar een engere keuken,

en hem een soort van hulphaard toe te voegen ter verwarming van een

meer moderne woonruimte, n.l. de kachel. Anderzijds tracht men woning,

stalling en schuur te scheiden, aanvankelijk nog onder éen dak,

dan over verschillende gebouwen verdeeld.

_a_. In Twente en in het Oosten der Graafschap vindt men nog het

"lösse hoes", de hoeve met éen enkele ruimte voor mensch en vee. Als

ingang tot de deel dient de groote _bansdeure_ en _niendeure_, die

onder het eerste _gebint_ staan, terwijl het dak oversteekt. Deze

oversteek heet de _oos_ of de _onderschûr_ [7].

Daarnaast vindt men niet zelden rechts en links afhangende dakvakken,

waaronder veelal rechts de paardenstal is. De woonruimte is soms met

tegeltjes geplaveid. Aan den wand bij de voordeur is de _götte_ of

't waschhok; aan de andere zijde zijn de bedsteden. In sommige huizen

vindt men achter de bedsteden een kleine kamer voor "de deerns".

De stijlen, waarop het dak rust, worden twee aan twee door _bakke_

verbonden, die een _gebint_ vormen; het meerendeel der huizen heeft

vier gebinten. Op de stijlen worden de sporen gesteld, die zich

boven de dakspar vereenigen en een eind onder de dakspar door de

_hanenbalken_ samengehouden worden. Onderling zijn de balken verbonden

door de _balkensleete_, dunnere boomen, die de deel dekken; hierop

wordt het koren of hooi gevlijd. De groote opening, waardoor het

hooi wordt opgestoken, heet het _balkenslob_ (Gallée, het Boerenhuis,

bl. 45, 48).

Het Saksische boerenhuis munt uit door zijn ekonomische eenheid en

overzichtelijkheid. Bij den _haard_ is de zitplaats der boerin, die

van daaruit haar oog laat gaan door de geheele ruimte, om het doen

en laten, het komen en gaan, het rustelooze beweeglijke leven van

mensch en vee gade te slaan. Als op een open schouwtooneel speelt het

zich vóor den haard af. De arbeidsgemeenschap van daarbuiten wordt in

het inwendige des huizes voortgezet: nergens grijpt het veelzijdige

arbeidsleven zóo vastsluitend ineen, nergens is het samenleven van

familie en gezin zóo innig als onder het ruime Oudsaksische dak,

om den gezelligen Oudsaksischen haard.

Die haard, het middelpunt van dit oorkonservatieve familieleven,

de aan alle zijden vrijliggende _heerd_, de _raakkûle,_ is eigenlijk

en oorspronkelijk niets dan een rond gat in den bodem, omgeven door

steentjes. Hierop wordt het vuur van turf of _schadden_ en hout

ontstoken. Aan de eene zijde ligt het brandhout: dit is _den stòkhôk_.

Het vuur vlamt op en walmt op en hult somwijlen de heele ruimte in

dikke rookwolken, opkronkelend langs de stijlen en binten, een uitweg

zoekend langs het _balkenslop_, door de _walmgaten_, ja door de voegen

en naden van het stroodak, alles beroetend en besmeurend. Op den haard

wordt het vuur smeulende gehouden in de asch, en eerst wanneer gloed

noodig is, word het tot nieuw leven opgewekt. Zoo wordt naar aloude

zede bewaard het eeuwige haardvuur.

Vóor den haard, op de deel, worden de feestgelagen gehouden; daar

wordt het bruiloftsmaal gevierd; daar wordt lustig gedanst op het

oogstfeest; ... daar, in de gemeenschap van mensch en vee, op het

tooneel van het roerige, bonte alledaagsch-leven, wordt ook het lijk

ter schouw gelegd. Maar de gewichtigste en schoonste handeling van

het privaatleven, de blijde inkomst der bruid, het binnenleiden der

jonge huisvrouw in haar nieuwe huisgenootschap en het tooneel harer

huiselijke bezigheid,--die plechtigheid wordt bij den haard zelf

gevierd. Zij is van groote kultuur-historische beteekenis er in haar

bleef voortleven een der schoonste en zinrijkste handelingen van het

Indogermaansche bruiloftsritueel. De bruid--naderhand de meid--wordt

om den haard geleid ten teeken, dat zij daarvan bezit neemt; zij wordt

_gehaald_. Op dit gebruik kom ik in het Derde hoofdstuk (Privaatleven)

nader terug. Hierbij spelen ook de haal en de haalketting een voorname

rol, die aan de _wendezûle_, een zware, rechtopstaande stijl met

dwarsbalk, hangt. Aan de haal, die hooger en lager kan gesteld worden,

hangt de ketelhaak met den grooten ketel.

Bij de groote, eigenlijke hoeve bevinden zich veelal binnen een

omwalde of omheinde ruimte nog een hooischuur, meestal van hout,

met riet gedekt, dan een wagenschuur, een korenschuur (_het spîker_),

kalverstallen, bergplaatsen, varkenskotten, bijenschuur, waschhuis,

bakhuis enz.

Over een reusachtige uitgestrektheid van de Germaansche laaglanden is

dit type verspreid, omvattend de Saksische gouwen benoorden een lijn,

die van af de Maas--naar het heet nabij Venloo--in oostelijke richting

loopt en haar weg vervolgt over het Rothaargebergte. In Nederland--en

op Nederland past het boven beschreven type in de eerste plaats--vindt

men dezen huisvorm in het Oosten van Groningen, in Oost-Drente,

Overijsel, Gelderland, Utrecht, een groot deel van Zuid-Holland en

Limburg. Het zuiverste en meest archaïeke type vindt men in Twente

en den Achterhoek van Gelderland, Drente en Westerwolde; elders komen

verschillende varianten voor, ten deele onder te bespreken.

Een eigenaardig type treft men te Staphorst en Rouveen aan

(bl. 21). Gallée beschrijft dit type (Het Boerenhuis bl. 39 vlg.),

dat ook beoosten de Boorne, in een deel van Friesland gevonden

wordt, als een gemengd-Friesch type, en geeft het den naam van

"Zuiderzee-type". Zeker vallen hier Friesche bestanddeelen

waar te nemen. Maar op beslist Saksisch karakter wijst toch de

vrijliggende haard, de lange, ruime deel en de _banderdeur_. Thans

is de woning veelal van de schuur gescheiden door een _middelschot_

met _middeldeure_ of _milldeure_.

Men vindt dezen bouwtrant ook nog in het Gooi, bij Bussum, Hilversum,

Laren, Blaricum, Soest, de Vuursche. Volgens J. Claerhout, Biekorf

XXIV, bl. 312 komt de Oudsaksische bouworde mede in de Kempen voor.

_b_. Voor Twente vormt de Regge de westgrens van het zuivere,

onvermengde type. Westelijk van de Regge heeft men al vroeg een

scheidsmuur tusschen dorschvloer en woning, tusschen den koestal en

de bewoners opgericht. Op dezen scheidsmuur rust dan soms een zeer

lage zoldering boven het woonvertrek. Het hooi wordt hier geborgen in

afzonderlijke hooischuren of _hooibergen_. Deze bestaan uit vier of

vijf zware palen, de _bergroeden_, welke door een vierkant of vijfkant

dak steken, verplaatsbaar, van hout gemaakt en met riet gedekt.

De haard wordt verlegd naar den scheidsmuur of naar de keuken. De

ingang tot de keuken is nu eens in een gang, die van de voordeur tot

de deeldeur doorloopt, dan weer door een klein portaal. Aan de eene

zijde van de keuken is de opkamer, aan de andere een slaapplaats voor

de volwassen dochters.

Dit type komt met belangrijke wijzigingen hier en daar ook in

Noord-Brabant voor, b.v. in het land van Heusden en in de Langstraat.

_c_. "Ook in het noorden van Limburg, beoosten de Peel en ten noorden

van Tegelen, wordt een huistype gevonden, dat hiermede overeenkomt ...,

nergens echter met een hooiberg, noch met een dorschvloer in dezelfde

schuur met de koeien. Schijnbaar is er volkomen overeenkomst, doch

de langdeel ontbreekt en in de plaats daarvan heeft men een koestand

met mestvaalt en een gang voor den koestand langs den zijmuur. De

groote schuurdeur in den achtergrond geeft toegang tot de mestvaalt

en geeft gelegenheid om in te rijden met hooiwagens ten einde het

hooi boven de koeien te bergen. In een schuur achter het woonhuis is

de dorschvloer en daarboven de bergplaats voor koren, hooi en andere

gewassen ..." Aldus Gallée, Het Boerenhuis, bl. 57, 58.

De uitdrukking "in het noorden van Limburg, beoosten de Peel en ten

noorden van Tegelen" kan ik niet beamen. Ik ontken niet het bestaan

van enkele hoeven, die dezen vorm vertoonen, benoorden Tegelen b.v. te

Well, Bergen, Gennep enz. Maar dit is een groote zeldzaamheid. Uit

autopsie weet ik, dat de gewone huisvorm in de omstreken van Venloo,

te Velden, Grubbenvorst, Horst, Arcen, Well, Wellerlooy, Bergen,

Afferden, Heijen enz. de Keltisch-Frankische is, reden, waarom ik

hierbij afzonderlijk een grondplan geef der boerenwoning van Venloo

en omstreken. Gallée geeft ook slechts één voorbeeld, n.l. een huis

te Gennep (pl. XIX, 3--5, pl. XXII, 8, 9).

Bij Willi Pessler, Das altsächsische Bauernhaus in seiner

geographischen Verbreitung (Braunschweig 1906), vind ik overeenstemmend

met mijne bevindingen bl. 137: "Jenseits der Maas in der holländischen

Provinz Limburg bei Venloo und Roermond finden sich keinerlei Anklänge,

sondern nur langgestreckte Wohnbauten, in denen Stuben, Viehstall,

Diele von einem Giebel bis zum anderen aneinander gereiht sind". Dan

stelt hij zich de vraag, bij welk Duitsch dorp beoosten Venloo de

huisgrens dan wel eigenlijk begint? Hij komt tot de slotsom, dat

wij "Gladbach, Hinsbeck und Leuth (alle Kreis Geldern) getrost mit

dem Zeichen des ausgestorbenen sächsischen Bauernhauses bezeichnen

können". Ik geloof, dat wij voor de dorpen benoorden Venloo tot

een zelfde konklusie kunnen komen. Wij bevinden ons hier in een

Saksisch menggebied, zooals de taalgrenzen uitwijzen; hierop kom

ik nader terug. Maar de Saksische bouwtrant mag men in deze streek

grootendeels als uitgestorven beschouwen.

_d_. Een laatste type is het T-huis of dwarshuis, in Noord-Brabant

_krukhuis_ genoemd. Hier is de schuur, die wat inrichting der

stijlen en van het dak, verdeeling der stalruimte en plaatsing van

deur betreft, met het hallehuis groote overeenkomst vertoont, in een

zijgevel ondergebracht, waarvan de dakspar met die van het woonhuis

een hoek van 90 graden vormt. Men vindt deze huizen langs Rijn,

IJssel en Vecht. In de Betuwe is het de meest voorkomende vorm; vrij

veelvuldig is hij ook in het land van Maas en Waal en in de Langstraat.

Nederlandsche Volkskunde · 第 64 / 117 题