3. Het _Frankisch-Keltische of langgevel-type._

Hoofdbeginsel is hier, dat de afzonderlijke deelen van het huis naast

elkaar liggen. Bij den voorgevel begint het woonhuis; dan komt de

voorstal, de koestal, de deel (veelal _den_ geheeten), de schuur

of bergplaats voor hooi en stroo, en de _schop_ of bergplaats voor

gereedschap en brandhout: dit alles achter elkaar zich aaneenrijend,

en gescheiden door wanden, die loodrecht op den langgevel staan.

Gewoonlijk is de hoofdingang een kleine deur, die even om den hoek

in den langgevel is aangebracht. Maar men vindt ze toch ook in den

gevel der smalle zijde. Hierdoor komt men in de keuken of voorhuis,

veelal ook kortweg _het huis_ of _de heerd_ genoemd. Hier is de

stookplaats onder de groote schouw, waaraan de draaiboom met den

haalketting is. Hieraan grenzen opkamer, kelder, waschhok (_stort_)

enz. Van het voorhuis komt men in een smalle gang, den zoogenaamden

_voorstal_, in welks muur aan de stalzijde een soort venster is

aangebracht, waardoor de koeien gevoederd worden. De zich hier

aansluitende koestal is diepliggend en niet geplaveid. Woning, stal,

deel enz. hebben alle afzonderlijke, meest groen geverfde deuren,

naast elkaar in den langgevel gelegen. Het groot aantal deuren in

den langgevel is reeds, van verre gezien, een duidelijk kenteeken. De

ligging der verschillende lokaliteiten is in ekonomisch opzicht hoogst

onpraktisch en werkt vooral storend bij groot bedrijf. Ook laat de

zindelijkheid vaak te wenschen over.

Huizen met dit grondbeginsel en deze rangschikking vindt men

bezuiden Maas en Waal door geheel Limburg en Brabant, behalve

in den Zevenbergschen hoek. In het Zuiden van Limburg heeft een

ander type de overhand, zooals wij zien zullen. Dan treft men het

sporadisch aan langs de zeekust: te Loosduinen, Wassenaar, Noordwijk,

Castricum enz. Noordelijk van de Waal vindt men het, volgens Gallée,

Het Boerenhuis, bl. 63, hier en daar in de Betuwe, benoorden den Rijn

langs den Veluwezoom, verder bij Amerongen, Bunnik, Utrecht, Harmelen,

Woerden. Dan nog verspreid in het Gooi, bij Amersfoort en eindelijk

bij Harderwijk, Nunspeet en op de Veluwe, o.a. bij Kootwijk. Bij de

westelijke vertegenwoordigers van dit type is somwijlen een groote

of kleine schuur bijgebouwd, waarin dorschvloer en wagenbergplaats

en varkenskotten.

_b_. Bij het Zeeuwsche type (Zeeland en het eiland Flakkée) zijn haast

overal huis en schuur gescheiden. De woonhuizen hebben nagenoeg alle

den ingang in den vlakken gevel. De schuren zijn van hout en vrij

groot. De schuurruimte bestaat uit eenige _winkels_ of _tassen_ voor

de veldvruchten. Daartusschen zijn de dorschvloeren, en vlak hierbij

de koe- en paardenstallen.

Het dak komt in konstruktie veel met het Brabantsche overeen: ook

hier wordt de daknaald door de sporen gedragen.

Hoogstwaarschijnlijk is deze bouwtrant van Keltischen oorsprong. Het

type sluit zich in plan en konstruktie van den opstand aan bij

huisvormen, die men in Frankrijk en ook in Engeland, Schotland en

Ierland vindt. In België heeft dit type onbetwistbaar de bovenhand,

men vindt het in Vlaanderen, Antwerpen en Brabant, maar vooral in

Belgisch Limburg.

Het is dan ook geenszins te verwonderen, dat deze huisvorm in

Noord-Nederland juist in die streken wordt aangetroffen, waar wij

de Keltische grondlaag der bevolking hebben aangetoond, met name in

Zeeland, Brabant, Limburg, in de Betuwe en op de Veluwe. Ook de taal

vertoont hier Keltischen inslag.

4. Het _Frankisch-Romeinsche type_, of de "Zuidlimburgsche hoeve"

begint in Hollandsch Limburg bezuiden Venloo.

De rangschikking der gebouwen is als volgt: de hoeve in haar geheel is

steeds omgeven door een muur met een ingang en enkele vensters aan de

zijde van den grooten weg. De gebouwen liggen om een rechthoekige,

ongedekte mestvaalt. Vlak om deze loopt de _luif_ (vgl. luifel),

d.i. de gang, die zich onder het overhangend dak, de eigenlijke _luif_

bevindt. Rechts van de opvaart of oprit ligt meestal het woonhuis;

dan volgen de stallen. De achterzijde dient als schuur, de linkerzijde

als stal en bergplaats. De weg van den ingang naar de schuur loopt

voor de oogstkar dwars over de mestvaalt.

Het geheel is opgetrokken in steen; veelal is de bovenbouw van houten

vakwerk met steenen er tusschen. Somtijds bestaan de muren uit vakwerk

met vlechtwerk van takken en leem aangevuld. De meeste kamers zien op

de binnenplaats en zijn zeer eenvoudig; een enkele pronkkamer heeft

ramen aan de straat.

Het ruimst treft men dit type aan bij de groote boerenhoeven, de

zoogenaamde "pachthoeven". De kleinere hoeven daarentegen behelpen

zich vaak met de beide dwarsgebouwen en begrenzen de mestvaalt door

een _schop_.

Ook in Belgisch Limburg is dit type sterk verspreid; volgens Claerhout,

Biekorf XXIV, bl. 312, wordt het verder aangetroffen in Oostvlaanderen,

Brabant, Henegouwen, Luik en Namen. Voor het Zuiden van Westvlaanderen,

b.v. Kortrijk, vind ik hiervan de bevestiging bij Johan Winkler,

Oud Nederland ('s-Gravenhage 1888), bl. 112.

Het uitzicht dezer hoeven lijkt Herm. van der Kloot Meyburg, Onze Oude

Boerenhuizen (Rotterdam 1912), veelal onvriendelijk, "de binnenplaats

daarentegen is, ondanks haar onzindelijkheid, zeer aantrekkelijk. De

gevels zijn hier zeer afwisselend samengesteld; niet alleen, dat

zij van vele raam- en deuropeningen zijn voorzien, doch ook de aard

hunner constructie is zeer gemengd. Vakwerkbouw en massief muurwerk

van bak- of groepsteen werden gelijktijdig toegepast, waardoor het

schilderachtig karakter ten zeerste wordt verhoogd. Bovendien strekt

het dak, dat op zware karbeels rust, ver over.... De muren zijn

geheel of gedeeltelijk gepleisterd en doorgaans lichtblauw getint;

overigens zijn de kleuren weinig sprekend" (bl. XXII).

Deze bouworde is sterk verspreid in Midden- en Zuid-Duitschland en

strekt zich uit van den Midden-Rijn tot in Silezië en Zevenburgen. Of

de Romenische villa hier als model gediend heeft? Een treffende

overeenkomst is zeer zeker niet te ontkennen: de gebouwen zijn

gerangschikt om de mestvaalt evenals bij de Romeinen om het

_compluvium_. Verder is het merkwaardig, dat juist in Zuid-Limburg

verscheidene Romenische _villa's_ zijn opgegraven, zoo b.v. in 1870

door Habets op het plateau "op den Billich" ten Zuiden van Haasdal,

gemeente Schimmert, en door Dr. W. Goossens en Dr. J. H. Holwerda

bij den Heihof en bij het Ravenbosch bij Valkenburg. Van de

inrichting dezer laatste hoeve geven genoemde geleerden in de

Oudheidkundige Mededeelingen van het Rijksmuseum van Oudheden te

Leiden II (1908), bl. 34 het volgende zeer duidelijke overzicht:

"Door de smalle vestibule den geplaveiden hoofdingang binnentredende

staat men in den noordwesthoek van een hof, die links en rechts

door zijvertrekken begrensd wordt, terwijl het geheel door eene

breede achtergalerij wordt afgesloten; deze laatste staat dan nog

in verbinding met een klein bijgebouwtje. In den hof zelf heeft men

onmiddellijk links een afdak en daarop volgend eene afgeschoten ruimte

in den noord-oosthoek; vóor dat afdak ligt de mestvaalt en daarachter

bevindt zich nog een afsluitingsmuurtje. Recht achter den ingang ziet

men den toren, en daarachter toont nog een smal plaveiseltje door de

achtergalerij de plaats van een achteruitgang van het gebouw" (bl. 34,

35). Zeer onlangs, van 1911-'13, werden door dezelfde oudheidkundigen

opgegraven en onderzocht de overblijfselen der villa Vlengendaal,

gemeente Bocholz.

Over het grondtype der Romeinsche _villae_ vindt men een uitvoerige

beschrijving van de hand van Dr. J. H. Holwerda in Elzeviers

Maandschrift 1907.

In weerwil van de vele punten van overeenkomst is het niet onmogelijk,

dat andere faktoren op den bouwtrant der Zuidlimburgsche hoeven hun

invloed hebben doen gelden. Zulke faktoren kunnen volgens Dr. Goossens

geweest zijn: de wijze van exploitatie van een groot domein door

lijfeigenen, vrijheids- en veiligheidsoverwegingen, en vooral de

konstruktie der Lombardische kloosters.

De inrichting van de huizen, de versiering der gevels, de aesthetische

waarde der verschillende bouwvormen enz. bespreken wij in het Vijfde

Hoofdstuk, dat gewijd is aan de Volkskunst.

Nederlandsche Volkskunde · 第 66 / 117 题