Hoofdbeginsel is hier, dat de afzonderlijke deelen van het huis naast
elkaar liggen. Bij den voorgevel begint het woonhuis; dan komt de
voorstal, de koestal, de deel (veelal _den_ geheeten), de schuur
of bergplaats voor hooi en stroo, en de _schop_ of bergplaats voor
gereedschap en brandhout: dit alles achter elkaar zich aaneenrijend,
en gescheiden door wanden, die loodrecht op den langgevel staan.
Gewoonlijk is de hoofdingang een kleine deur, die even om den hoek
in den langgevel is aangebracht. Maar men vindt ze toch ook in den
gevel der smalle zijde. Hierdoor komt men in de keuken of voorhuis,
veelal ook kortweg _het huis_ of _de heerd_ genoemd. Hier is de
stookplaats onder de groote schouw, waaraan de draaiboom met den
haalketting is. Hieraan grenzen opkamer, kelder, waschhok (_stort_)
enz. Van het voorhuis komt men in een smalle gang, den zoogenaamden
_voorstal_, in welks muur aan de stalzijde een soort venster is
aangebracht, waardoor de koeien gevoederd worden. De zich hier
aansluitende koestal is diepliggend en niet geplaveid. Woning, stal,
deel enz. hebben alle afzonderlijke, meest groen geverfde deuren,
naast elkaar in den langgevel gelegen. Het groot aantal deuren in
den langgevel is reeds, van verre gezien, een duidelijk kenteeken. De
ligging der verschillende lokaliteiten is in ekonomisch opzicht hoogst
onpraktisch en werkt vooral storend bij groot bedrijf. Ook laat de
zindelijkheid vaak te wenschen over.
Huizen met dit grondbeginsel en deze rangschikking vindt men
bezuiden Maas en Waal door geheel Limburg en Brabant, behalve
in den Zevenbergschen hoek. In het Zuiden van Limburg heeft een
ander type de overhand, zooals wij zien zullen. Dan treft men het
sporadisch aan langs de zeekust: te Loosduinen, Wassenaar, Noordwijk,
Castricum enz. Noordelijk van de Waal vindt men het, volgens Gallée,
Het Boerenhuis, bl. 63, hier en daar in de Betuwe, benoorden den Rijn
langs den Veluwezoom, verder bij Amerongen, Bunnik, Utrecht, Harmelen,
Woerden. Dan nog verspreid in het Gooi, bij Amersfoort en eindelijk
bij Harderwijk, Nunspeet en op de Veluwe, o.a. bij Kootwijk. Bij de
westelijke vertegenwoordigers van dit type is somwijlen een groote
of kleine schuur bijgebouwd, waarin dorschvloer en wagenbergplaats
en varkenskotten.
_b_. Bij het Zeeuwsche type (Zeeland en het eiland Flakkée) zijn haast
overal huis en schuur gescheiden. De woonhuizen hebben nagenoeg alle
den ingang in den vlakken gevel. De schuren zijn van hout en vrij
groot. De schuurruimte bestaat uit eenige _winkels_ of _tassen_ voor
de veldvruchten. Daartusschen zijn de dorschvloeren, en vlak hierbij
de koe- en paardenstallen.
Het dak komt in konstruktie veel met het Brabantsche overeen: ook
hier wordt de daknaald door de sporen gedragen.
Hoogstwaarschijnlijk is deze bouwtrant van Keltischen oorsprong. Het
type sluit zich in plan en konstruktie van den opstand aan bij
huisvormen, die men in Frankrijk en ook in Engeland, Schotland en
Ierland vindt. In België heeft dit type onbetwistbaar de bovenhand,
men vindt het in Vlaanderen, Antwerpen en Brabant, maar vooral in
Belgisch Limburg.
Het is dan ook geenszins te verwonderen, dat deze huisvorm in
Noord-Nederland juist in die streken wordt aangetroffen, waar wij
de Keltische grondlaag der bevolking hebben aangetoond, met name in
Zeeland, Brabant, Limburg, in de Betuwe en op de Veluwe. Ook de taal
vertoont hier Keltischen inslag.
4. Het _Frankisch-Romeinsche type_, of de "Zuidlimburgsche hoeve"
begint in Hollandsch Limburg bezuiden Venloo.
De rangschikking der gebouwen is als volgt: de hoeve in haar geheel is
steeds omgeven door een muur met een ingang en enkele vensters aan de
zijde van den grooten weg. De gebouwen liggen om een rechthoekige,
ongedekte mestvaalt. Vlak om deze loopt de _luif_ (vgl. luifel),
d.i. de gang, die zich onder het overhangend dak, de eigenlijke _luif_
bevindt. Rechts van de opvaart of oprit ligt meestal het woonhuis;
dan volgen de stallen. De achterzijde dient als schuur, de linkerzijde
als stal en bergplaats. De weg van den ingang naar de schuur loopt
voor de oogstkar dwars over de mestvaalt.
Het geheel is opgetrokken in steen; veelal is de bovenbouw van houten
vakwerk met steenen er tusschen. Somtijds bestaan de muren uit vakwerk
met vlechtwerk van takken en leem aangevuld. De meeste kamers zien op
de binnenplaats en zijn zeer eenvoudig; een enkele pronkkamer heeft
ramen aan de straat.
Het ruimst treft men dit type aan bij de groote boerenhoeven, de
zoogenaamde "pachthoeven". De kleinere hoeven daarentegen behelpen
zich vaak met de beide dwarsgebouwen en begrenzen de mestvaalt door
een _schop_.
Ook in Belgisch Limburg is dit type sterk verspreid; volgens Claerhout,
Biekorf XXIV, bl. 312, wordt het verder aangetroffen in Oostvlaanderen,
Brabant, Henegouwen, Luik en Namen. Voor het Zuiden van Westvlaanderen,
b.v. Kortrijk, vind ik hiervan de bevestiging bij Johan Winkler,
Oud Nederland ('s-Gravenhage 1888), bl. 112.
Het uitzicht dezer hoeven lijkt Herm. van der Kloot Meyburg, Onze Oude
Boerenhuizen (Rotterdam 1912), veelal onvriendelijk, "de binnenplaats
daarentegen is, ondanks haar onzindelijkheid, zeer aantrekkelijk. De
gevels zijn hier zeer afwisselend samengesteld; niet alleen, dat
zij van vele raam- en deuropeningen zijn voorzien, doch ook de aard
hunner constructie is zeer gemengd. Vakwerkbouw en massief muurwerk
van bak- of groepsteen werden gelijktijdig toegepast, waardoor het
schilderachtig karakter ten zeerste wordt verhoogd. Bovendien strekt
het dak, dat op zware karbeels rust, ver over.... De muren zijn
geheel of gedeeltelijk gepleisterd en doorgaans lichtblauw getint;
overigens zijn de kleuren weinig sprekend" (bl. XXII).
Deze bouworde is sterk verspreid in Midden- en Zuid-Duitschland en
strekt zich uit van den Midden-Rijn tot in Silezië en Zevenburgen. Of
de Romenische villa hier als model gediend heeft? Een treffende
overeenkomst is zeer zeker niet te ontkennen: de gebouwen zijn
gerangschikt om de mestvaalt evenals bij de Romeinen om het
_compluvium_. Verder is het merkwaardig, dat juist in Zuid-Limburg
verscheidene Romenische _villa's_ zijn opgegraven, zoo b.v. in 1870
door Habets op het plateau "op den Billich" ten Zuiden van Haasdal,
gemeente Schimmert, en door Dr. W. Goossens en Dr. J. H. Holwerda
bij den Heihof en bij het Ravenbosch bij Valkenburg. Van de
inrichting dezer laatste hoeve geven genoemde geleerden in de
Oudheidkundige Mededeelingen van het Rijksmuseum van Oudheden te
Leiden II (1908), bl. 34 het volgende zeer duidelijke overzicht:
"Door de smalle vestibule den geplaveiden hoofdingang binnentredende
staat men in den noordwesthoek van een hof, die links en rechts
door zijvertrekken begrensd wordt, terwijl het geheel door eene
breede achtergalerij wordt afgesloten; deze laatste staat dan nog
in verbinding met een klein bijgebouwtje. In den hof zelf heeft men
onmiddellijk links een afdak en daarop volgend eene afgeschoten ruimte
in den noord-oosthoek; vóor dat afdak ligt de mestvaalt en daarachter
bevindt zich nog een afsluitingsmuurtje. Recht achter den ingang ziet
men den toren, en daarachter toont nog een smal plaveiseltje door de
achtergalerij de plaats van een achteruitgang van het gebouw" (bl. 34,
35). Zeer onlangs, van 1911-'13, werden door dezelfde oudheidkundigen
opgegraven en onderzocht de overblijfselen der villa Vlengendaal,
gemeente Bocholz.
Over het grondtype der Romeinsche _villae_ vindt men een uitvoerige
beschrijving van de hand van Dr. J. H. Holwerda in Elzeviers
Maandschrift 1907.
In weerwil van de vele punten van overeenkomst is het niet onmogelijk,
dat andere faktoren op den bouwtrant der Zuidlimburgsche hoeven hun
invloed hebben doen gelden. Zulke faktoren kunnen volgens Dr. Goossens
geweest zijn: de wijze van exploitatie van een groot domein door
lijfeigenen, vrijheids- en veiligheidsoverwegingen, en vooral de
konstruktie der Lombardische kloosters.
De inrichting van de huizen, de versiering der gevels, de aesthetische
waarde der verschillende bouwvormen enz. bespreken wij in het Vijfde
Hoofdstuk, dat gewijd is aan de Volkskunst.