De nederzettingen der bevolking van Nederland in dorpen (gehuchten,
vlekken) en steden moeten in verband met de natuurlijke gesteldheid
van den bodem en het karakter van den stam der nederzetting, zooveel
mogelijk aan de hand der geschiedenis, worden verklaard. Deze
verklaring is onontbeerlijk voor het goed begrip van vele
folkloristische verschijnselen.
Ten tijde van Caesar leefden de Germanen nog grootendeels van
jacht en visscherij; ook met de veeteelt waren zij eenigermate
vertrouwd. Zij vormden nog een echt nomadenvolk, dat in groepen
van een zeker aantal families of geslachten rondzwierf van de eene
plaats naar de andere. Met privaatbezit waren zij ten eenenmale
onbekend. Gemeenschappelijk werd een ongedeeld stuk grond in
bezit genomen, een _marke_, d.i. grensland, een binnen bepaalde
grenzen omsloten gebied, dat in Saksische streken nog voortleeft als
"onverdeelde gronden, aan een markgenootschap behoorende" en verwant
is met het Oudsaksische _marka_, het Oudhoogduitsche _marcha_ en het
Latijnsche _margo_ "rand". Het verouderde Nederlandsche _mark, marke_
leeft voort in _markgraaf_ en _markies_. Zoodra dit stuk grond was
uitgeput, werd het met een ander verwisseld.
Tacitus kent echter ook zulke nederzettingen, waarbij elk familiehoofd
een bepaalde hoeveelheid land ter ontginning en bebouwing kreeg. Wij
vinden hier een overgangsvorm tot het privaatbezit, waarop wij nader
zullen terugkomen.
Toen eindelijk het akkerland in privaatbezit was overgegaan, bleef
toch weideland, heide, veen en bosschen in het bezit der gemeenschap:
_de allmende_. Ten slotte werd het recht hierop georganiseerd
en alleen toegewezen aan de nakomelingen der oude bewoners,
die daarop recht bezaten. Zoo ontstonden de markvereenigingen
of markgenootschappen, die meestal in de oorspronkelijk Saksische
gedeelten van ons land: Drente, Overijssel en Gelderland voorkwamen en
eerst door de wet van 10 Mei 1886 grootendeels zijn verdwenen. Deze
wet toch machtigde ieder markgenoot de verdeeling der onverdeelde
eigendommen te vorderen. In 1886 bestonden in Noord-Nederland nog ±
36000 H.A. onverdeelde markegronden. Zie hierover en tevens voor de
verdere behandeling van dit onderwerp Dr. H. Blink, Nederland en zijne
bewoners (Amsterdam 1889-1892) III, blz. 248; Ontwikkeling van den
grondeigendom in Nederland, in Vragen van den Dag IV, bl. 98 vlg.;
Studiën over nederzettingen in Nederland, in het Tijdschrift van het
Koninkl. Nederl. Aardrijksk. Genootschap 1902, XVIII, bl. 754 vlg.
Natuurlijk bleven de marken op de schrale gronden van het zand-
en grintdiluvium langer bestaan, dan b.v. in de eertijds Frankische
provincies. Daar verdwenen zij onder den invloed van het leenstelsel,
wat natuurlijk met de gesteldheid van den bodem samenhangt. In het
Gooi, op de Veluwe, en nog elders, met name in het Oosten van het land
is het gemeenschappelijk grondbezit nog blijven voortbestaan. Soms
in rudimentairen vorm; zoo b.v. in den _stoppelgang._
Wanneer n.l. het land na den oogst in de stoppels lag, keerde het
gemeenschappelijk grondgebruik weer. Dan ontstond de _stoppelweide_ of
de _stoppelgang_, het recht om vee op den akker te drijven na afloop
van den oogst. Men noemde dit ook _overal_, vanwaar het spreekwoord:
"Na St. Gal loopen de schapen overal".
Dit recht blijkt ook uit vele verboden en bepalingen. In een keure
van het Land van Cuijk uit het jaar 1538 leest men: "En als de half
oogst voorbij is, mag men de schapen en beesten laten gaan, als van
ouds gewoon is, ongeschut"; en in de landrechten van Roermond; "Alle
erfschap van akkerland, dat onbezaaid ligt, is den kerspelluiden met
schapen en varkens te bedrijven gemeen, tenzij dat het ware besloten,
want geenen scheper of zwijn geoorloofd is, besloten kamp te openen
en te bedrijven".
Een eigenaardige uitzondering vinden wij in het landrecht van Drente:
"Niemand zal op de gemeene esschen mogen weiden op de stoppelen,
zoolang in de groote buurtschappen en in de kleine twee verscheidene
lieden nog koren op het land hebben, uitgezonderd boekweit". Immers
boekweit, al was het reeds door de Kruisvaarders ingevoerd, werd als
een nieuw gewas beschouwd. Ook bij plakaat van Utrecht werd tijdens
prins Maurits het drijven van vee en paarden op het stoppelland
verboden.
In Vlaanderen, Zeeland, Holland en Friesland, dus in landen met betere
gronden en levendiger verkeer, kwam het privaatbezit reeds vóor Karel
den Grooten tot stand.--
Bij de landelijke nederzetting onzer bevolking dient men twee
hoofdgroepen te onderscheiden, n.l. de nederzettingen in dorpen,
en in afzonderlijke hoeven.
I. _Nederzettingen in dorpen_. Hierin heerscht bonte
verscheidenheid. Een voorname afdeeling vormen de planloos
geconcentreerde nederzettingen, die wij _komdorpen_ noemen en voor
welke men in het Duitsch de benaming _Haufendorf_ heeft. Elk huis heeft
zijn eigen richting en ligt op zich zelf: het raakt de naburige huizen
niet en rijgt zich met hen niet tot éen reeks aaneen. Het wegennet
van een komdorp is dan ook planloos, krom en hoekig. In Duitschland
komt dit type oorspronkelijk in Sleeswijk-Holstein, Oost-Hanover,
Brunswijk, Hessen en Thüringen voor, om zich naderhand over het
grootst gedeelte van Middel- en Opper-Duitschland uit te breiden.
Tot de oudste Germaansche nederzettingen in Nederland kunnen gerekend
worden de komdorpen op de Drentsche hoogvlakte, die den naam van
Hondsrug draagt. Zij vertoonen het tijpe der
1. _Eschdorpen_ en liggen op hooge, droge gronden, waar het water
aan het bouwen geen beletsel bood en waar men niet zuinig behoefde
te zijn met de ruimte. De Hondsrug was eertijds de natuurlijke brug,
die de noordelijke kuststreken met de landstreken van het Bentheimsche
en Overijssel verbond. De Keltische bewoners, die zich daar hadden
gevestigd, werden verdrongen door een Germaanschen stam, die later
wel met Franksische en Saksische stammen in aanraking kwam, maar
toch zijn eigen aard wist te handhaven. Welke die eigen aard was,
is moeilijk te bepalen; in alle geval stond hij de Saksers nader dan
de Franken. Wij denken met name aan de dorpen Emmen, Borger, Rolde,
Gieten, Grolloo, Zwinderen en Weerdinge.
Men vestigde zich steeds in de nabijheid van zachtoploopende heuvels,
die goeden grond voor bouwland boden, zoodat in den regel de dorpen
gebouwd zijn op den rand der bouwlanden: _esschen_ of _engen_. De
grondverdeeling kan men zich ongeveer volgenderwijs voorstellen:
Elk der dorpelingen kreeg op dezen esch door 't lot--waaraan
niet zelden hoogere beschikking werd toegekend--een strook gronds
ter bewerking, zooals b.v. bij het aardappelen rooien aan elk der
arbeiders een strook wordt toegewezen. Later moest men weer andere
stukken in bewerking nemen, en ook daar werkten de dorpsgenooten in
dezelfde volgorde en op gelijken afstand van elkaar. Heide, bosch,
veen en weideland werd gemeenschappelijk benut.
Het bouwland werd verdeeld in drie slagen, en wel om de vruchtbaarheid
te bevorderen volgens het drieslagstelsel: éen gedeelte werd bestemd
voor wintergraan, het tweede voor zomergraan, het derde bleef braak
liggen. Elk dezer drie hoofddeelen werd dan in gelijke rechthoeken
verdeeld, en in elk der slagen kreeg de dorpsgerechtigde een aandeel
naar zijn recht. De scheiding dezer rechthoeken was door voren, met
den ploeg getrokken, en door zware grenskeien aangeduid. Van daar de
naam _voorgenoten_, Nederduitsch _Vorgenaten_.
De oudste nederzettingen werden gevestigd aan den rand van een
bosch; en hieraan herinnert een groot aantal Nederlandsche dorpsnamen
op--_woud,--holt,--loo,--horst,--rode,--rade_ enz. Elke woning nam dan
een open plek in het bosch in, en langzamerhand werd het bosch om en
te midden van de woningen der nederzetting meer en meer uitgeroeid,
en vormden de afzonderlijke huisplaatsen een aaneengesloten geheel.
Maar op de open plekken tusschen de huizen, de _brinken_ [1],
bleef het geboomte in stand, al werd elders het bosch gerooid. Daar
vergaderden de bewoners in de schaduw der oude eiken om naar de wijze
der oude Germanen hun belangen te bespreken. Is ook menig oud gebruik
verdwenen, nog heden zijn de brinken een sieraad onzer dorpen en uit
dorpen gegroeide steden (b.v. Laren, Blarikum, Bussum, Hilversum),
en wijzen op een nauw met het Saksisch element verwante herkomst. Ook
vindt men bij vele boerenwoningen nog begroeide brinken, "een spoor",
zegt Dr. Blink, "van den oorspronkelijken toestand, toen het geboomte
elke woning overschaduwde".
Welke die gemeenschappelijke belangen ter bespreking op den brink zijn
konden, springt in het oog. Allen, die een zelfden slag bebouwden of
bebouwd hadden, dienden een gemeenschappelijk overleg te plegen voor
het ploegen en oogsten, voor het gebruik der wegen, die naar het eene
stuk liepen over het land van den ander, en omgekeerd. Het gevolg dezer
samenkomsten was het tot stand komen van gemeenschappelijke bepalingen,
waaraan ieder zich had te onderwerpen, van een soort _velddwang_.
Tot het tot stand komen en in stand blijven van gemeenschapszin,
gemeenschappelijk overleg, gemeenschappelijke bepalingen droeg ook in
groote mate bij de gemeenschappelijke afkomst. Want doorgaans waren
de leden eener zelfde nederzetting door familiebetrekkingen verbonden,
zoodat men inderdaad van een "vermaagschapt" dorp zou kunnen spreken,
waarvoor men in het Duitsch de uitdrukkingen _Sippendorf_ kent. Ten
gevolge der isoleering bleef de herinnering aan de gemeenschappelijke
herkomst bestaan, ook toen de natuurlijke betrekkingen steeds losser
en losser werden. Oorspronkelijke verwantschapsverhoudingen spreken
ook uit plaatsnamen, die b.v. op--_ingen_ en--_ongen_ uitgaan,
want hierdoor wordt meestal de afstamming van een bepaalden persoon
uitgedrukt [2]. Breidde het gezin door het huwelijk der kinderen zich
uit, dan werd hierdoor de eenheid niet verbroken; het gezin bleef zoo
lang mogelijk op dezelfde hoeve, en de schoonzoon of schoondochter
trad eenvoudig als nieuwe werkkracht naast de andere kinderen bij
de familie in. Allen arbeidden voor _de_ familie, de zoons gingen
met den boer naar het land, de dochters bezorgden met de boerin de
huishouding. Nog heden treft men in Drente 3 tot 4 generaties aan in
één huis. Wie of in zulk een gezinskomplex den boventoon voert? Naar
verluidt, wordt het beslissend woord gesproken door "het oude mensch",
d.i. de oude boerin.
Zoo vormden dan de dorpelingen een zekeren clan, met een _buurtschap_
als nauwere kern. Vooral wanneer in bepaalde omstandigheden des
levens de hulpzame hand viel te bieden, waagde het niemand, zich aan
enkele clan-bepalingen in den vorm van dienstbetoon te onttrekken: bij
geboorte of overlijden, bij verhuizing, bij het bewerken van vlas, bij
het scheren der schapen, bij het oogsten, bij het bouwen eener woning
enz. Hier vinden wij ook de kiem van het soms op zoo eigenaardige
wijze zich uitende dorpsindividualisme, hierin b.v. dat, wanneer een
boerenzoon naar de hand dingt van een meisje uit een naburig dorp,
hem door de jongelieden van dat dorp allerlei zwarigheden in den weg
gelegd worden.
Nog lang riep de _boerhoorn_ de Drentsche dorpsgenooten ter vergadering
tot het gemeenschappelijk vaststellen van zaai- en oogsttijd en tot
het bespreken van onderwerpen van algemeen belang. Na het laatste
signaal op den boerhoorn waagde geen maaier het meer, de zeis te
haren,--wie zich verzette, werd beboet. Den boer, die den dekstier
hield, was dat jaar ook de boerhoorn toevertrouwd. Met trots sneed
hij er zijn naam in; met een gevoel van zelfwaarde blies hij ter
waarschuwing of verzameling bij brand, dreigend onweer en begrafenis.
Ook bij onze oostelijke naburen vertoont het volksleven van dezen
oorspronkelijken toestand nog menig rudiment. In Anhalt worden op
derden Pinksterdag des namiddags de paarden en koeien schoongemaakt en
de geiten gemolken; en zoodra de koeherder op den boerhoorn blaast,
verzamelen zich allen met hun vee vóor het dorp. In plechtigen
stoet, de paarden voorop en de ganzen het laatst, gaat het dan naar
de pinkstweide, door den "Dorfknecht" afgezet en ieder weidt zijn
vee. Bekranst keert het vee huiswaarts en de koeherder krijgt van den
boer, die dat jaar den bul houdt, het schoonste geschenk, een hals-
of zakdoek en een stuk koek. Veelal wordt elders in Nederduitschland
de hoorn vervangen door de klok.
2. Een anderen vorm van het komdorp vertegenwoordigen de _terpdorpen_
in Groningen en Friesland, en elders.
Terpen zijn kunstmatige kleiheuvels met zacht-oploopende hellingen,
slechts enkele meters lang, en dienende als vluchtheuvels. De hoogste
dier terpen vond men te Midlum, Winsum, Dronrijp, Beetgum, Holwerda,
Anjum. Enkele zijn weer geheel of gedeeltelijk afgegraven; "want thans
wordt weder vernietigd", schrijft Dr. Blink, "wat voor eeuwen met
veel moeite tot stand werd gebracht": _Nederland en zijne bewoners_
II, bl. 306; vgl. III, bl. 259.
De naam _terpen_ geldt meest voor Friesland en Groningen. Hier spreekt
men ook van _wierden_, in Zeeland van _killen_ en _vliedbergen_;
de Zeeuwsche hillen zijn over het algemeen kleiner dan de Friesche
en Groningsche terpen.
Welnu, deze terpen hebben in overoude tijden tot het vestigen van
nederzettingen gediend, n.l. op zeekleilanden, reeds bewoond vóor
er bedijking langs de zee had plaats gevonden. Deze nederzettingen
zijn de kern onzer terpdorpen: Marsum, Kantens, Warfum, Bafloo, dan
ook Dokkum, Franeker, Leeuwarden enz. De kringvormige ligging wijst
op hun herkomst.
In de geschiedenis der nederzettingen op terpen kunnen wij vier fazen
onderscheiden. [3]
In de eerste faze waren de bewoners nog arme visschers, die op de
uiterste kust hun bedrijf uitoefenden. In het midden der eerste
eeuw na Christus beschrijft de Romeinsche natuurvorscher Plinius de
vluchtheuvels met haar schamele hutten gedurende dit tijdperk. [4]
Hij zelf heeft ze aanschouwd, in het Noorden, bij het volk der
groote en kleine Cauchen, oprijzend te midden eener uitgestrekte
vlakte, die tweemaal des daags en des nachts door den oceaan wordt
overstroomd. "Het armzalige volkje woont daar op hooge heuvels of
banken, met de hand opgeworpen tot op een hoogte, waar zij beschermd
zijn tegen de hoogste vloeden en waarop zij hutten bouwen, gelijk
zeevarenden omringd door de wateren, gelijk schipbreukelingen, die
op het droge gered zijn en bij hun vlucht voor het water jagen op
de visschen der zee". Ook de terpen der tweede faze zijn nog niet
hoog. Men vindt daarin lagen mest, stroo en afval, afwisselend met
kleilagen of daarmee aangevuld. Reeds zijn de bewoners veehouders
geworden. De gevonden palen zijn afkomstig van schuttingen,
drinkwaterputten, palen waaraan het vee gebonden werd, misschien van
leem- en stroohutten. Vermoedelijk verbouwden zij ook zomervruchten,
maar niet geregeld en slechts in geringe hoeveelheid.
Landbouwers in den engeren zin des woords worden zij eerst in de
derde faze. In deze heeft een ophooging der terpen plaats gehad door
het aanbrengen van klei, en in deze ophooging wordt veel minder mest
gevonden. De landbouwers achtten het noodzakelijk een afzonderlijke
kleilaag ten behoeve hunner behuizingen aan te brengen.
Gedurende de vierde faze verrijzen op de terpen dorpen met kerken
en kloosters: men denke aan Warfum, Uskwerd, Rottum, Oldeklooster
in de Marne, Oldeklooster bij Appingedam, Mariëngaard te Hallum,
O.L. Vrouw ten Dale te Lidlum, Klaarkamp bij Dokkum enz.
In den regel werden de terpen in de oudste tijden slechts door éene
familie bewoond. Bij al te groote uitbreiding der familie legde men
dan in de nabijheid der oude hoeve een nieuwe aan. Later, onder de
schutse der bedijking, waagde men het ook, nieuwe nederzettingen te
vestigen in het vlakke land. Zoo ontstonden huizengroepen van een
vijftal of ook meer woningen met een kleine gemeenschap, waaronder
de eigenaar der oudste woning het familiehoofd en als het ware de
landheer was [5]. Daar, waar zulke nederzettingen op een kruispunt van
land- of waterwegen lagen, waar een kerk, klooster of herberg stond,
ontwikkelde zich de nederzetting tot een dorp.
Toch waren op de grootere terpen reeds van meet af aan ook grootere
nederzettingen gevestigd, die men terecht als oorspronkelijke
terpdorpen mag beschouwen.--
Andere groepen van dorpen zijn niet komvormig, maar reeks- of rijvormig
gebouwd; het zijn de
3. _Streekdorpen_ of _rijdorpen_, meestal twee rijen huizen langs
wegen en kanalen; zijstraten zijn zoo goed als onbekend. Evenals
in de komdorpen woont en leeft men naast elkaar, maar ieder bewerkt
zijn grond naar eigen goeddunken. De verre lengtewegen en de talrijke
kanalen en slooten--hoe noodzakelijk ook-- verslinden veel terrein.
Natuurlijk ligt de reden van dezen bouwtrant in de gesteldheid
van den bodem. Verlaat men het Drentsche diluviale hoog-plateau
en nadert men de veenranden, dan stoot men vrij plotseling op
streekdorpen. Wie opmerkzaam door de verschillende nederzettingen
heentijgt, ziet de agrarische ontwikkeling van het land als een
reuzenfilm voorbijtrekken. In elk dorp wandelen wij als het ware
door de ruïnen van den voortijd, ouder en merkwaardiger dan zoovele
befaamde gedenkteekenen uit de Middeleeuwen, en de staalkaart der
bezittingen vertolkt ons de begrippen en bedoelingen der stichters.
Wij wijzen vooreerst op de _veendorpen_. Zij vertoonen alle een
eigenaardig karakter en een systeem van grondverdeeling, dat in nauwe
betrekking staat tot hun wording. Het landschap is geenszins rijk
aan afwisseling, veeleer eentonig. "Het poetische, schilderachtige
landschapsbeeld der oude zandgronden ontbreekt er geheel, ook al
bieden enkele gedeelten door goede bebossching werkelijk natuurschoon
aan. Stijf, afgemeten als het landschap, is het karakter van de
bevolking der [veen]kolonie; geen dichterlijke sagen leven er voort
in de volksverbeelding, en alleen de overleveringen van heksen en
spoken, droog en dor als zij zijn, tendencieus als zij werken, zijn
hier niet zelden blijvend en inwerkend": Dr. H. Blink, Studiën enz. in
het Tijdschrift v. h. Koninkl. Nederl. Aardrijksk. Genootschap 1902,
dl. XIX, bl. 66.
In sommige nederzettingen, als Ruinerwold, Giethoorn en Koekange,
zijn de huizen als één vaste reeks gegroepeerd. Zij ontstonden
als vaste dorpen aanvankelijk midden in het afgeveend land, niet
aan een rijweg. Daarentegen zijn b.v. Hoogeveen en Smilde jonge
nederzettingen in de venen, die zich tot een dubbelrijig lengtedorp
hebben geformeerd. Hier is dus het dorp in twee rijen gebouwd, aan
weerszijde van den weg, welke de lange, smalle landerijen aan beide
kanten rechthoekig snijdt. Zoo nog Wanneperveen, Koldeveen en Veendijk.
Staphorst en Rouveen zijn verschoven veenkolonies. Hier volgde
de nederzetting de afgraving van het veen, om ten slotte stabiel
te worden aan beide zijden van een geschikten verkeersweg. Beide
dorpen hebben waarschijnlijk thans hun derde plaats. Terwijl de
andere tweereeksige veenkolonies meestal door een mengelmoes van
velerlei herkomst bevolkt worden, wijzen deze beide dorpen op een
gemeenschappelijke, eenvormige afkomst. De bevolking heeft dan ook
iets zeer typisch en oorspronkelijks. Zij houdt weinig voeling met
de buurtschap, terwijl aloude zeden en gewoonten veelal in eere bleven.
Nog niet zoo heel lang geleden had te Staphorst bijna geen huis een
schoorsteen. Gaat de boer een nieuw huis bouwen, dan verzekert hij
zich eerst van de toestemming der buren, die dan weer ouder gewoonte
de verplichting hebben, hem bij het transport van het bouwmateriaal
en anderszins behulpzaam te zijn.
De greppels tusschen de verschillende akkers worden nooit in orde
gebracht of in rechte lijn doorgetrokken, maar kronkelen zich
in allerlei bochten en zigzaglijnen tusschen de akkers van twee
buurlieden heen.
Elk Staphorster is boer. Een eigenlijke arbeidersbevolking
ontbreekt. Wie op zijn land niet genoeg werk en verdienste vindt,
helpt zijn beter gezeten nabuur.
Hoogst belangrijk is ook de ontwikkeling van den grondeigendom aldaar;
zie hierover Dr. J. Frost, Agrarverfassung und Landwirtschaft, bl. 143
vlg. Staphorst dankt zijn oorsprong aan een kleine nederzetting van
Friesche monniken in de XIIIe eeuw.
Tot de tweereeksige dorpen behooren ook de nederzettingen der
veengravende boeren, die eigenlijk van meet af aan van de boerderij hun
hoofdbedrijf maakten. Zij liggen aan de veenranden, b.v. de Meeden,
Kropswolde, Beerta, en de nederzettingen ten Oosten der Hunze, als
Wolfsbergen, Annerveen, Gieterveen enz. In de kern van het hoogveen
verrezen mettertijd de veenkolonies Veendam en Wildervank; het eerste
nam een stedelijk karakter aan, terwijl het tweede meer het cachet
van een dubbel streekdorp behouden heeft.
Den vorm van een streekdorp vertoonen nog de veendorpen Helenaveen
in Noord-Brabant en Griendtsveen (gemeente Horst) in Limburg.
Eenigermate het type der veendorpen vertoonen de Noord-Brabantsche
_straatdorpen_, met name de dorpen in de Langstraat: Raamsdonk, Waspik,
Kapelle, Besooien, Waalwijk, Baardwijk, Drunen en Nieuwkuik. Dit kan
niet bevreemden, als men weet, dat in 1396 een turfvaart van Den Bosch
naar 's Gravenmoer werd gegraven, en dat in het begin der XVIe eeuw de
turfhandel van de Langstraat op Holland en Zeeland zeer aanzienlijk
was. Toen het vervenen verliep, meent Blink, zochten de arbeiders
naar werk. De kleibodem was niet geschikt voor bouwland; daarentegen
gaf het vele goede water uitstekend gelegenheid tot leerlooierij,
waartoe de veeteelt vele huiden, de bosschen op de zandgronden niet
zeer verre de schors leverden. Zoo ontwikkelde zich in de Langstraat
de schoenen- en leerindustrie.
Meer nog vertoonen het karakter van veenkolonies 's Gravenmoer,
Vrijhoeve, Kapelle en Sprang. Tot de straatdorpen behooren ook de
dorpen in de Streek tusschen Hoorn en Enkhuizen.
4. Veel overeenkomst met de streekdorpen vertoonen de _dijkdorpen,_
nederzettingen gevestigd langs een dijk. Zij zijn veelvuldig op
kleigronden en laagveenlanden, waar de bodem meestal door dijken tegen
overstrooming moet beschermd worden. Zij liggen op den oever van groote
rivieren, maar ook aan de kleinere waterwegen. Wij noemen de dorpen
in de Haarlemmermeer en de Beemster; in Zuid-Holland: Kinderdijk,
Alblasserdam, Ridderkerk, Papendrecht, Sliedrecht, Giessendam.
5. De _duindorpen_ en de dorpen op de geestgronden onderscheiden zich
door hun verstrooide, onregelmatige of centrale groepeering der huizen.
6. De _groepdorpen_ zijn overheerschend in Noord-Brabant, Limburg
en een gedeelte van Gelderland, maar ook in dat deel van België,
waarover zich ons onderzoek uitstrekt; m.a.w. in geheel ons zuidelijk
volksgebied. Zij vertoonen het Frankische type. "Groepdorpen" noemen
wij deze, omdat zij doorgaans hun ontstaan danken aan den drang der
bewoners, in grootere of kleinere groepen bij elkaar te wonen, zonder
dat die groep op verwantschap berust. De levendige, sociaal-aangelegde
aard, het Frankisch karakter met zijn Keltischen ondergrond, noopte hen
zich te vereenigen in dorpen en dorpjes en gehuchten. Gehuchtsgewijze
hebben oorspronkelijk de talrijke verstrooide nederzettingen plaats
gehad, die de Frankische gouwen overdekken. Op den voorgrond staat
het begrip van de vrije deelbaarheid van den bodem, welke zich in die
streken reeds vroeg moet hebben ontwikkeld. Op kleine schaal heeft het
in bezit nemen van den bodem plaats gehad. De oudste nederzettingen
vormden zich op smalle, groene strooken, vlak aan het water, soms aan
weerszijden van een beek. Nergens is de grond zoo versnipperd: hoekjes,
kampjes, akkertjes liggen verstrooid door elkaar; de verstrooide
ligging van het grondbezit was nog willekeuriger en planloozer dan
in de akkerdorpen.
Alles wijst op partikularisme, op ontginning van partikulieren, die
onregelmatig en naar de omstandigheden hun kultuurland uitbreidden;
zie Blink, Studiën enz., t.a.p., dl. XXI, bl. I vlg.; Frost,
Agrarverfassung und Landwirtschaft, bl. 129 vlg.
De bewoners waren buitenmate gehecht aan de plek hunner inwoning,
en de landgewoonte wilde, dat de landbezittingen door de ouders onder
de kinderen werden verdeeld. Dit leidde er toe, dat ieder boer moest
trachten het kultuurland uit te breiden; maar dit gebeurde buiten de
gemeenschap, het was overgelaten aan elks persoonlijk initiatief.
Versnippering van kultuurland en gemis aan aaneengesloten grondbezit
vindt men ook, en wel in hooge mate, in de Graafschap Zutfen,
ofschoon daar toch slechts een klein gedeelte der bevolking in
dorpskommen gevestigd is. De woningen staan er meestal over de velden
verspreid. Zij vertoonen het type der:
II. _Afzonderlijke hoeven_. Geïsoleerd liggende te midden van
de bijbehoorende landerijen dragen zij een Saksisch en Friesch
karakter. Men vindt ze dan ook in het Zuid-Oosten van Groningen, het
Westerwolder kwartier, in het Oosten van Overijsel en Gelderland,
in Twente en den Gelderschen Achterhoek, in Friesland, Noorden
Zuid-Holland en sporadisch op Frankischen bodem. Zoo treft men ze in
België, Nederland en Duitschland aan benoorden een lijn, die loopt
van Bergen langs de Dyle naar Leuven, en vandaar langs de Demer in
de richting van Maastricht. Bij Maaseyk gaat zij volgens Meitzen,
Siedelung und Agrarwesen I, bl. 517, over de Maas, en loopt dan
de Swalm opwaarts over Wegberg, Dahlen, Odenkirchen, Grefrath en
Neuss naar den Rijn, dien zij te Kaiserswerth kruist. Voor België
zijn typeerende voorbeelden: Berghem bij Brussel, Meygem bij Gent en
Ellicum bij Maaseyk. In Nederlandsch Limburg begint dus het gebied der
afzonderlijke hoeven benoorden Roermond en valt min of meer samen met
dat van het Frankisch-Keltische huis, waarover naderhand meer. Men
treft echter weer afzonderlijke hoeven aan in de zuidlimburgsche
zijdalen: Geuldal, Geleendal enz.
De meening van Meitzen, dat deze afzonderlijke hoeven niet van
Germaanschen, maar van Keltischen oorsprong zouden zijn, vindt niet
voldoende steun in den woontrant der Gallische, Britsche en Iersche
Kelten, terwijl zijne hypothese, die hiermee verband houdt, dat het
Keltische halle-huis als het type van het Nederlandsche woonhuis
moet worden beschouwd, beslist onwaar blijkt. Afzonderlijke hoeven
liggen in echt kern-Germaansche streken, die nimmer door Kelten zijn
bewoond, als in Noorwegen, noordelijk Zweden en op de Westkust van
Sleeswijk-Holstein.
Karakteristiek voor de nederzettingen in afzonderlijke hoeven is minder
de bouwtrant der huizen, dan wel de eigenaardigheid, dat elk huis door
de bijbehoorende landerijen omgeven is, en dat deze bezittingen in
kampen zijn verdeeld, d.i. kwadraatvormig begrensde stukken bouwgrond
of weiland, door afzonderlijke heggen of greppels omgeven. Deze
afgeslotenheid der afzonderlijke bezittingen heeft tot gevolg, dat
zij geïsoleerd verspreid liggen over de geheele uitgestrektheid van
het dorpsgebied. Het kultuurland ligt versnipperd en verstrooid,
omgeven door hagen en singels van hakhout. Iedere boer woont op een
afzonderlijk stuk gronds. Zóo is de gesteldheid van nederzetting en
grondverdeeling b.v. te Terborg, Lichtenvoorde, Varsseveld, Groenloo,
Beltrum enz. Waar men hier dorpen of gehuchtvormige huizengroepen
vindt, die kerk of markt omzoomen, zijn deze hoofdzakelijk niet door
landbouwers, maar door ambtenaren of neringdoenden bewoond.
Wat de verkeerswegen betreft: zij verbinden eigenlijk niet hoeve
met hoeve, maar dorp met dorp en stad met stad. De hoeven bereikt de
wandelaar slechts op zijpaden, en de bewoners trachten langs allerlei
zijweggetjes en dwarspaadjes, kriskras getrokken over de kampen heen,
kerk en markt te bereiken. Aan de hoofdstraat te wonen wordt heel
niet als een voordeel beschouwd.
Deze vorm van nederzettingen, die ook in geheel West-Duitschland van
Noord tot Zuid wordt aangetroffen, wortelt zeer zeker ten deele in het
stamkarakter, ten deele ook in oorspronkelijke familieverhoudingen: had
de landbouwer geen maagschap, stond hij met zijn familie geïsoleerd,
dan zal hij vaak zelfstandige bodemkultuur verkozen hebben boven een
zich-aaneensluiten met niet-verwante personen. Maar de machtigste
faktor was toch de gesteldheid van den bodem. Zoo was het b.v. in de
vette greidstreken van belang, het vee in de onmiddellijke nabijheid
van het huis te laten weiden. Verder treffen wij de afzonderlijke
hoeven daar aan, waar de betere grondgesteldheid en verscheidenheid van
den bodem aan een algemeene bebouwing der landerijen geen hinderpalen
in den weg stelde; terwijl de akkerdorpen bij al hun verruiming
en uitbreiding toch steeds oasen in het dorre heideland gebleven
zijn. Anderzijds duldde echter het feit, dat de bodem door watertjes
en rivier doorsneden was, geen inbezitneming van omvangrijke stukken.
Bij het erfrecht staat de ondeelbaarheid van hoeve en hoeveland op
den voorgrond. Alles lag hier bij elkaar, en wel in voldoende mate
om de familie te onderhouden. Waartoe zou men deelen, terwijl elders
nog zooveel gelegenheid tot nederzetting geboden werd? Daarom werden
jongere zoons en dochters, die de hoeve verlieten, met vee, huisraad
enz. tevreden gesteld, terwijl de boer zijn wensch kon vervullen:
de hoeve voor de familie te behouden. Zoo hoort men nog: "de hoeve
moet bij het bloed blijven", en "hoeve gaat boven kind".
Het heden ten dage geldende erfrecht heeft deze in het kern-Saksische
gedeelte van ons land ingewortelde rechtsbegrippen slechts onbelangrijk
kunnen wijzigen: in Twente, in den Achterhoek en elders is het erfrecht
Oudsaksich gebleven.
Elk boerenerf draagt zijn eigen naam en oorspronkelijk zijn eigen
huismerk: een eenvoudige, uit enkele lijnen samengestelde figuur,
later een monogram. De naam blijft aan het huis gehecht in weerwil
van alle wisseling van bezitters. Het "heem" of "heim" gaat boven
het geslacht. De hoevenamen zijn ouder dan de famielienamen.
III. Meerdere dezer dorpen zijn uitgegroeid tot _steden_ van den echt
Germaanschen stempel.
Verscheidene faktoren hebben tot den Nederlandschen stedenbouw
meegewerkt. De Kelten hadden steden als handelscentra; ik noemde reeds
Noviomagus, Batavodurum, Lugdunum Batavorum, Coriovallum. Om deze
centra zelf zette zich een belangrijke laag Romeinsche beschaving,
zoo b.v. Nijmegen, een bij uitstek belangrijk strategisch, staatkundig
en ook ekonomisch middelpunt, door Tacitus de stad der Batavieren bij
uitnemendheid genoemd: _Oppidum Batavorum_ (Hist. V, 19). Andere steden
van Romeinschen oorsprong vermeldde ik bl. 8. Tot de allervoornaamste
behoort zonder twijfel het oude Trecht, een plaats, door de natuurlijke
ligging aangewezen als grensstation. Over het bestuur en burgerrecht
dezer steden zijn wij slecht ingelicht.
De steden nu van beslist Germaanschen oorsprong, zooals gezegd uit
dorpen gegroeid, zijn te danken aan een geleidelijke ekonomische
ontwikkeling. De aanleiding, de stoot tot die ontwikkeling
werd gegeven door het bouwen van een kerk, het stichten van een
klooster, het optrekken van een burcht, welks heer ten slotte de
heer werd over de stad. Maar zeer juist zegt Prof. Brugmans in zijn
Oud Nederlandsche Steden in haar ontstaan, groei en ontwikkeling
(Leiden 1912), dat deze oorzaken niet steeds afzonderlijk werkten,
maar te zamen en in vereeniging: "Niet alleen omdat er een kasteel,
kerk, klooster of marke was ontstaan, vormde zich daar een tot
stad uitgegroeid dorp, maar omdat de plaats, waar dat kasteel,
die kerk, dat klooster of die marke gelegen was, gunstig was voor
het ontstaan van een handelscentrum. Dezelfde oorzaken, die eerst
het kasteel hebben doen ontstaan, doen daarna de stad uitgroeien;
beide zijn in hun soort, op eigene wijze, ekonomische middelpunten
van den omtrek. Veelal is de stedenformatie de resultante van een
parallelogram van krachten. Groningen b.v. is tegelijk een marke en
een markt, een landbouwdorp en een handelscentrum" (bl. 4).
De ekonomische emancipatie ging de politieke vooraf. Het
staatsgezag heeft hier niet scheppend, maar bevorderend en ten slotte
sanktioneerend gewerkt. Maar de voornaamste aanleidende oorzaak houdt
op de stad haar stempel gedrukt. Bisschop Balderik was de eigenlijke
stichter van het Middeleeuwsche Utrecht: en zoo draagt deze stad in
haar staatsrechtelijken en maatschappelijken bouw en ontwikkeling alle
eigenaardigheden van een bisschopsstad. Groningen is een gildestad. De
Friesche steden Sneek, Bolsward, Franeker, Dokkum, Leeuwarden
blijven het karakter vertoonen van zuivere landsteden. Nijmegen
is een keizersstad, Zutfen, met haar talrijke dochtersteden, een
grafelijke hofstad. Brugge, Gent, Yperen, Antwerpen, Amsterdam,
Dordrecht, Vlaardingen en het jongere Rotterdam zijn op-ende-op
handelssteden. Tot de min talrijke kategorie der gestichte steden
behoort 's Hertogenbosch.