Hij had zich door verblinding zoover laten vervoeren, dat hij zelfs

eene stelling voor die kristalvorming opgebouwd had!.... Het kon niet

bespottelijker!.... Was het dan de natuur alleen niet, die in staat is,

om met der eeuwen hulp zulke meesterstukken te vervaardigen?.... Maar

wie zou door den schijn niet bedrogen zijn? Hij had op een welslagen

gehoopt, hij had alles voorbereid om dat te bereiken en moest dus

logisch gelooven, dat hij geslaagd was. De buitengewone afmetingen

zelfs van den diamant leidden er toe om hem in die meening te

stijven!.... Een Despretz zou haar gedeeld hebben!.... Gebeuren

zulke vergissingen niet dagelijks?.... Ziet men niet de meest ervaren

muntkundigen vaak valsche medailles voor echte aannemen?

Cyprianus beproefde zich zoo moed in te spreken. Maar plotseling deed

hem een gedachte verstijven.

"En mijne memorie voor de Akademie! Als die fielten die maar niet

meegenomen hebben!"

Hij stak eene kaars aan. Goddank, neen! dat stuk lag daar nog. Niemand

had het gezien. Hij ademde eerst gerust, toen hij het verbrand had.

Het verdriet van Makatit was zoo hartverscheurend, dat zijn baas er wel

toe overgaan moest het te stillen. Dat was zoo moeielijk niet. Bij de

eerste welwillende woorden, die vadertje sprak, scheen de arme jongen

tot het leven weer te keeren. Maar al vergaf hem Cyprianus volgaarne

zijne misleiding, dan was dat toch op voorwaarde, dat hij het niet weer

zou doen. Makatit beloofde dat plechtig, waarna beiden gingen slapen.

Zoo besloot dat tooneel, dat in den aanvang een meer tragisch einde

in het verschiet toonde.

Voor Makatit zou het einde toch iets anders wezen.

Toen men den volgenden dag in het kamp vernam, dat de _Zuidster_ niets

minder dan een natuurlijke diamant door den Kaffer gevonden was,

die er de volle waarde van kende, toen ontstond al de verdenking

jegens hem opnieuw en thans met nog meerder kracht. John Watkins

schreeuwde het hardst. Die Makatit kon niet anders dan de dief

zijn van dien onschatbaren steen. Hij had hem zich een eerste maal

willen toeëigenen--had hij dat zelf niet bekend?--dus luidde de

gevolgtrekking, was hij het, die hem ook uit de feestzaal gestolen had.

Cyprianus had goed protesteeren en zich tot borg voor de eerlijkheid

van den Kaffer stellen. Men luisterde niet naar hem. Dit bewees ten

overvloede hoezeer Makatit, die zijne onschuld bezwoer, honderd

malen gelijk had gehad met te ontvluchten en hoezeer hij honderd

malen ongelijk had met in Grikwaland terug te keeren.

Maar toen deed de ingenieur, die het niet opgaf, een argument hooren,

waarop men geenszins verdacht was en dat volgens zijne meening Makatit

redden moest.

"Ik geloof aan de onschuld van den Kaffer," zei hij tot John Watkins,

"en daarenboven het geheele geval gaat mij slechts aan! Natuurlijk of

kunstmatig, de diamant behoorde mij toe, vóór dat ik hem mejuffrouw

Alice aanbood...."

"O zoo, hij hoorde u toe?" vroeg master Watkins op spottenden toon.

"Ongetwijfeld," hernam Cyprianus. "Is hij niet op mijn claim gevonden,

door Makatit, die in mijn dienst was?"

"Voorzeker, dat is waar," antwoordde de Engelschman, "en dus behoort

hij mij toe, daar ons contract luidt dat de eerste drie diamanten,

die op uwen gepachten grond gevonden worden, mijn eigendom zijn."

Daarop wist de onthutste Cyprianus niets te antwoorden.

"Is mijne bewering juist?" vroeg master Watkins.

"Zeer juist," antwoordde Cyprianus.

"Gij zult mij dus zeer verplichten, wanneer gij mijn recht schriftelijk

zult erkennen, voor het geval dat wij er toe komen dien ellendeling

te noodzaken den diamant, dien hij zoo onbeschaamd gestolen heeft,

terug te geven."

Cyprianus nam een vel wit papier en schreef:

"Ik erken dat de diamant, op mijn claim door een Kaffer in

mijnen dienst gevonden, volgens contract het eigendom is van

Master John Stapleton Watkins.

Cyprianus Méré."

Helaas! dat was eene omstandigheid, die al de fraaie droomen van den

ingenieur verwoestte. Want inderdaad, als de diamant ooit teruggevonden

werd, dan zou hij niet als een ontvangen geschenk, maar volgens

contract toebehooren aan John Watkins, waardoor eene nieuwe klove,

die slechts door zoo en zooveel millioenen aan te vullen zoude zijn,

tusschen Alice en Cyprianus zou ontstaan.

Maar was de eisch van den Engelschman nadeelig voor de belangen der

twee verliefden, hij was dat nog veel meer voor Makatit! Het was nu

aan John Watkins, dat hij nadeel had toegebracht. En John Watkins

was er de man niet naar, om werkeloos te blijven, wanneer hij meende

overtuigd te zijn, dat hij den dief te pakken had.

De arme drommel werd dan ook gearresteerd, gevangen gezet en nauwelijks

waren twaalf uren verloopen of hij werd veroordeeld, en alles wat

men op de vertoogen van Cyprianus ten zijnen gunste doen wilde,

was dat hij gehangen zoude worden, wanneer hij er niet toe besloot

de _Zuidster_ terug te geven.

Maar daar hij haar niet kon teruggeven, omdat hij haar nooit gestolen

had, zoo stond zijn zaak slecht, en Cyprianus wist niet meer wat te

doen om het leven van den ongelukkige te redden, dien hij in weerwil

van alles voor onschuldig hield.

TWEE EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

EEN NIEUWE SOORT MIJN.

Miss Watkins had intusschen alles vernomen, wat voorgevallen was,

zoowel het tooneel der gemaskerde mannen als de teleurstelling,

die den ingenieur overkomen was.

"Och, mijnheer Cyprianus," zei zij, toen deze haar alles verteld had,

"is uw leven niet meer waard dan alle diamanten ter wereld?"

"Waarde Alice...."

"Laten wij dat alles maar trachten te vergeten en denk er voortaan

niet meer aan zulke proeven te nemen!"

"Gij beveelt het?".... vroeg Cyprianus.

"Ja zeker," antwoordde het jonge meisje. "Ik beveel u om op te houden,

zooals ik u bevolen had om te beginnen.... daar gij wel bevelen van

mij wilt ontvangen."

"O, ik zal ze allen uitvoeren!" antwoordde Cyprianus, terwijl hij de

hand greep, die miss Watkins hem toestak.

Maar toen de ingenieur haar het vonnis mededeelde, waartoe Makatit

veroordeeld was, voelde zij zich verpletterd, vooral door het aandeel

dat haar vader daaraan genomen had.

Zij ook geloofde niet aan de schuld van den armen Kaffer. Zij ook

zou alles hebben willen aanwenden om hem te redden en was daarin

geheel eenstemmig met Cyprianus. Maar hoe dat aan te leggen? En

vooral hoe moest John Watkins tot hun gevoelen overgehaald worden,

hij de onhandelbare aanklager in die zaak? Hoe hem gunstig te stemmen

voor een ongelukkige, dien hij zelf zoo met onbillijke beschuldigingen

overladen had?

Er moet bij gevoegd worden, dat de Engelschman nog geen enkele

bekentenis uit Makatit had kunnen verkrijgen, hoewel hij

hem levensbehoud en genade in het uitzicht stelde, wanneer hij

bekende. Hij was dus genoodzaakt de hoop op te geven de _Zuidster_

ooit terug te vinden en was daardoor dan ook in een verschrikkelijk

booze luim. Intusschen wilde zijne dochter nog eene laatste poging

bij hem wagen.

Daags na de veroordeeling had master Watkins een weinig minder last dan

gewoonlijk van het pootje en had hij van die verademing gebruik gemaakt

om zijne papieren in orde te brengen. Gezeten voor een schrijftafel

van zwart ebbenhout, die met gele versierselen ingelegd was,--een

antiek stuk uit den oud Hollandschen tijd, dat daar in Grikwaland

na tal van wederwaardigheden was komen aanlanden,--bezag hij een

voor een zijne verschillende eigendomsbewijzen, zijne contracten en

zijne correspondentiën.

Alice zat achter hem over haar borduurraam gebogen en hield zich bezig

met haar werk, zonder veel op haren struisvogel Dada te letten. Dit

dier kwam en ging door de zaal met zijnen gewonen ernst, keek nu eens

door het venster en sloeg dan weer eens den blik op de bewegingen

van master Watkins en van zijne dochter.

Plotseling uitte de Engelschman een kreet, die zijne dochter deed

schrikken.

"Dat dier is onverdragelijk," zei hij. "Daar heeft het waarachtig een

mijner dokumenten gepakt.... Dada!.... hier!.... Geef dat dadelijk

terug!"

Maar die woorden waren nauwelijks uitgesproken of daar volgde een

stroom verwenschingen op.

"O, dat vreeselijke dier heeft het ingeslikt!.... Een zeer belangrijk

document!.... Het origineel van het besluit, waarbij mij de ontginning

der Kopjes-mijn is toegewezen....! Maar dat kan zoo niet!.... Ik zal

dat stuk terug hebben--al moest ik het dier verworgen!"

John Watkins was rood van kwaadheid en geheel en al buiten zich

zelven. Hij sprong plotseling op en liep den struisvogel achterna,

die een paar malen rond het vertrek liep en toen het raam uitwipte,

dat met den grond gelijkvloers was.

"Vader," zei Alice, die de nieuwe misdaad van haren gunsteling

betreurde, "vader, wees bedaard! Luister naar mij!.... Gij zult u

eene ziekte berokkenen!"

Maar de woede van John Watkins was ten top gestegen. Die vlucht van

den vogel gaf er den doorslag aan.

"Neen!" riep hij met bevende stem, "dat is me te sterk!.... Daar

moet een einde aan komen!.... Ik kan zoo niet mijn meest belangrijk

eigendomsbewijs prijs geven. Een flinke kogel in zijn kop zal dat

verwenschte dier dien streek wel betaald zetten. Ik zal mijn perkament

terug hebben! Dat beloof ik je!"

Alice volgde hem met betraande oogen.

"Ik smeek u vader," zei ze, "spaar dat arme dier. Is dat papier wel

zoo belangrijk? Kan men er geen duplikaat van bekomen?.... Zoudt

gij mij het verdriet willen aandoen mijn arme Dada voor zoo'n gering

vergrijp voor mijne oogen te willen dooden?"

Maar John Watkins wilde naar niets hooren, hij keek overal naar zijn

slachtoffer om. Hij bespeurde den vogel eindelijk op het oogenblik,

toen hij zich in de nabijheid van de hut van Cyprianus trachtte

te verschuilen. De Engelschman bracht dadelijk zijn geweer in die

richting; maar alsof Dada dat noodlottige plan jegens haar gesmeed,

raadde, nauwelijks zag zij die beweging of zij kroop achter het huis.

"Wacht, Wacht maar! Ik zal je toch vinden, verwenscht beest!" riep

John Watkins, terwijl hij zich naar de hut begaf.

Alice, al meer en meer beangst, volgde hem om een laatste poging bij

hem aan te wenden. Beiden kwamen zoo voor het huis van den ingenieur

en gingen er achter kijken. Maar geen struisvogel meer! Dada was

onzichtbaar. Het was toch onmogelijk dat zij den heuvel afgerend

was, dan had men haar moeten zien. Zij had dus eene toevlucht in de

hut moeten zoeken langs een der deuren, die van achteren toegang

verleenden. Zoo dacht althans John Watkins. Hij schreed dan ook

dadelijk naar de voordeur en klopte aan. Het was Cyprianus zelf,

die hem open deed.

"Mijnheer Watkins!.... Juffrouw Watkins!.... Verrukt om u in mijne

nederige stulp te zien!" zei hij beteuterd.

De Engelschman was buiten adem en vol woede. Met horten en stooten

deelde hij den ingenieur mede, wat er gebeurd was.

"Welnu, wij zullen den schuldige zoeken!" zei Cyprianus, John Watkins

en Alice uitnoodigende zijne woning binnen te treden.

"Ik verzeker u, dat hare rekening gauw opgemaakt zal zijn!" antwoordde

John Watkins, terwijl hij zijn geweer als een strijdbijl zwaaide.

In hetzelfde oogenblik openbaarde aan Cyprianus een smeekende blik

van het jonge meisje al den afschuw, dien zij voor dat wreede plan

koesterde. Zijn voornemen was dan ook spoedig opgevat. Het was

eenvoudig genoeg, hij besloot den struisvogel niet te vinden.

"Li," riep hij den Chinees, die pas binnengetreden was, in het

Fransch toe. "Ik vermeen, dat de struisvogel in uw kamer is. Zoek

hem en tracht hem behendig te doen ontsnappen, terwijl ik mijnheer

Watkins langs den anderen kant rondleid."

Ongelukkig moest dit plan falen; want de struisvogel had juist

eene toevlucht gezocht in het eerste vertrek, waar de nasporingen

begonnen. Dada had daar, zeer ineengedrongen om zich onzichtbaar te

maken, het hoofd onder een stoel verborgen, maar was overigens zoo

duidelijk te zien als de zon op vollen middag.

"O, schurk! jou rekening is gemaakt!" riep master Watkins, terwijl

hij zijn geweer aan den schouder bracht. Toch, hoe verwoed hij ook

was, deinsde hij terug voor die daad van geweld: een geweerschot te

lossen in een huis, dat toch het zijne niet was. Alice had het hoofd

omgekeerd, om van den gruwel niets te zien. Toen bracht hare smart

een schitterend denkbeeld in het brein van den ingenieur te weeg.

"Mijnheer Watkins," zei hij eensklaps, "het is u slechts te doen om uw

document terug te hebben, niet waar? Welnu, het is volstrekt noodeloos

Dada daarvoor te dooden. Het is voldoende haar den krop te openen,

dien het perkament nog niet voorbij kan zijn. Wilt gij mij toestaan de

bewerking uit te voeren? Ik heb het in Museum te Parijs een cursus in

de dierkunde bijgewoond en ik geloof dat ik die heelkundige bewerking

tot een goed einde zal brengen."

Hetzij dat een vooruitzicht van zulk een proef op het levende dier

den wraakzuchtigen Engelschman streelde, hetzij dat zijne woede begon

te verminderen, hetzij eindelijk dat hij zijns ondanks getroffen was

door het verdriet zijner dochter, hij liet zich vermurven en stemde

in dien middenweg toe.

"Maar ik wil mijn document niet kwijt zijn," zeide hij. "Bevindt

het zich niet in den krop, welnu, dan moet het maar in de maag of

in de andere ingewanden gezocht worden! Ik moet het terug hebben,

het koste wat het wil!"

De bewerking was niet zoo gemakkelijk, als men wel gemeend had,

toen men de onderworpen houding van de arme Dada zag; want een

struisvogel, al is het er ook een van slechts kleine gestalte, bezit

een verbazende spierkracht. Nauwelijks zou de huid van den vogel door

het mes van den nieuwbakken heelkundige aangetast zijn, of, daarvan

was Cyprianus zeker, Dada zou weerstand bieden, in woede ontsteken,

en zich met razernij verdedigen. Li en Bardik werden dan ook geroepen

om als assistenten dienst te doen.

Men kwam overeen dat de struisvogel vooraf gebonden zou worden. Daartoe

had Li steeds touw genoeg bij de hand. Weldra waren de pooten, de

vlerken en de bek van de ongelukkige Dada stevig omwoeld en was zij in

de onmogelijkheid gesteld om weerstand te bieden. Maar Cyprianus liet

het daar niet bij. Om de gevoeligheid van miss Watkins te ontzien,

wilde hij haren struisvogel ieder lijden sparen. Hij omwikkelde

het hoofd van den vogel dus ook met een doek, dien hij vooraf met

cloroform gedrenkt had. Daarna eerst ging hij over tot de bewerking,

hoewel hij er niet geheel zonder ongerustheid over was. Alice had

doodsbleek een toevlucht in het daarnaast gelegen vertrek gezocht.

Cyprianus begon met den hals van het dier met de hand te betasten,

om de ligging van den krop goed te bepalen. Dat was niet moeielijk;

want die krop vormde bij het bovengedeelte van de kliermaag een

aanmerkelijke dikte, die hard was en door de vingers zeer duidelijk te

midden der weekere deelen, die hem omsloten, waargenomen kon worden. In

de huid van den hals, die wijd en week was als de huid van een kalkoen

en met een grijs dons bedekt, dat gemakkelijk verwijderd kon worden,

werd toen met een pennemes eene insnijding gemaakt. Er had daarbij

slechts weinig verbloeding plaats, die nog gemakkelijk met eene

natte spons verwijderd kon worden. Cyprianus verkende nu aandachtig

de ligging van twee of drie belangrijke aderen, die hij zorgvuldig met

behulp van haakjes van ijzerdraad, die hij door Bardik liet vasthouden,

ter zijde schoof. Daarna zette hij het mes in een wit paarlmoerachtig

weefsel, dat eene uitgestrekte holte boven de sleutelbeenderen afsloot,

en had weldra den krop van den struisvogel blootgelegd.

Als men zich den krop van een hoen voorstelt, die honderdmaal in

omvang, in dikte en in gewicht toegenomen is, dan zal men een vrij

juist denkbeeld hebben van het bekken, wat thans zichtbaar was.

Dada's krop vertoonde zich als een bruine zak, die door de vreemde

lichamen, welke het vraatzuchtige dier op dien dag en ook al vroeger

ingeslikt had, zeer uitgerekt was. Het gezicht van dat vleeschachtige

orgaan, dat zich krachtig en gezond voordeed, was alleen voldoende, om

te doen begrijpen, dat er geen gevaar bestond door er eene insnijding

in te maken. Cyprianus nam dan ook zonder aarzelen het jachtmes,

dat Li hem aanreikte na het eerst goed aangescherpt te hebben, en

maakte een diepe snede in die massa. Het was daarna zeer gemakkelijk

de hand door die spleet tot onder in den krop te brengen. Al dadelijk

werd het zoozeer verlangde document te voorschijn gebracht. Het was

als in een bal samengerold, zeer gekreukeld, maar overigens ongedeerd.

"Er zit nog wat anders in," zei Cyprianus, die de hand andermaal

in de holte gebracht had en ditmaal een ivoren bal te voorschijn

bracht. "De maasbal van miss Watkins!" riep hij uit. "Men bedenke,

dat het vijf maanden geleden is, dat die vermist is. Bepaald heeft

die de beneden-opening van den krop niet voorbij kunnen komen!"

Na dien maasbal aan Bardik overgereikt te hebben, vervolgde hij zijne

nasporingen in dien vreemdsoortigen zak, zooals een oudheidkundige

in een pas opgedolven Romeinsch kamp zoude gedaan hebben.

"Een koperen blaker!" riep hij verrast uit, terwijl hij een van

die nederige huishoudelijke voorwerpen te voorschijn bracht, dat er

gedeukt, platgedrukt uitzag en vol kopergroen, maar toch nog volkomen

herkenbaar was.

Het lachen van Bardik en Li daarover was zoo aanstekelijk, dat

Alice zelf, die intusschen het vertrek weer binnengetreden was,

moest meedoen.

"Muntstukken!.... Een sleutel!.... Een hoornen kam!...." vervolgde

Cyprianus, terwijl hij voortging den inventaris van den inhoud van

dien krop op te maken.

Hij verbleekte plotseling. Zijne vingers beroerden thans een voorwerp

van niet alledaagschen vorm!.... Neen, hij kon zich niet vergissen

omtrent den aard van hetgeen hij daar in dien zak betastte.... En

toch.... aan zoo'n toeval kon hij niet gelooven!

Hij trok eindelijk zijne hand uit de holte terug en vertoonde het

voorwerp, hetwelk hij gegrepen had....

Maar welke kreet ontsnapte aan den mond van John Watkins!

"De _Zuidster_!" gilde hij.

Ja, de beroemde diamant was gaaf en wel teruggevonden. Hij had niets

van zijn glans verloren en hij schitterde onder het daglicht, dat

door het venster binnenviel, als eene ster van de eerste grootte!

Maar zonderling en opmerkenswaardig was het feit, dat alle getuigen

van dat tooneel dadelijk opviel. De diamant was van kleur veranderd. De

_Zuidster_ was van zwart, zooals zij vroeger was, rooskleurig geworden,

van dat bevallige roséachtige, hetwelk, als het mogelijk ware, hare

helderheid en pracht nog vermeerderde.

"Denkt ge niet dat dit hare waarde vermindert?" vroeg John Watkins,

zoodra hij weer spreken kon, met levendige stem. De verrassing en de

vreugde hadden hem waarachtig den adem benomen.

"Volstrekt niet!" antwoordde Cyprianus. "Het is integendeel eene

merkwaardigheid te meer, die dezen steen tot de zoo zeldzamen groep

van de "cameleon-diamanten" doet behooren!.... Drommels!.... het

schijnt dat het niet koud in den krop van Dada is; want

die verandering van tint bij de gekleurde diamanten geschiedt

gewoonlijk niet dan tengevolge van eene plotselinge en aanmerkelijke

temperatuursafwisseling. Zoo is tenminste het oordeel der geleerden."

"Oh!.... Goddank!.... dat ik u teruggevonden heb, mijne

schoone!" herhaalde master Watkins, terwijl hij den diamant met

angstvalligheid in zijne handen besloot, alsof hij zich verzekeren

wilde, dat hij niet droomde. "God, wat hebt ge mij zorg en verdriet

berokkend door uw uitstapje, o, ondankbare ster! Maar ik zal oppassen,

dat gij mij niet weer ontsnapt!"

Hij bracht den steen daarbij ter hoogte zijner oogen, streelde hem met

den blik en zou waarlijk haast het voorbeeld van Dada gevolgd hebben

door hem op te slikken, zoo bang was hij hem andermaal kwijt te raken!

Onderwijl liet Cyprianus zich door Bardik een naald, voorzien van

een dikken, stevigen draad, aanreiken, waarmede hij den krop van den

struisvogel zorgvuldig dichtnaaide. Daarna sloot hij de wondvlakken

aan den hals met hechtpleister en ontdeed het dier van zijne banden,

die het tot machteloosheid doemden.

Dada scheen zeer afgemat en terneergeslagen; zij boog het hoofd en

legde geen neiging aan den dag om weg te loopen.

"Zal zij er van opkomen, mijnheer Cyprianus?" vroeg Alice, die meer

begaan was met het lijden van hare gunstelinge dan dat zij ingenomen

was met het terugvinden van den diamant.

"Of zij er van zal opkomen, miss Watkins?" antwoordde Cyprianus. "Zoudt

gij dan kunnen denken, dat ik de bewerking ondernomen had, wanneer ik

daarvan niet zeker was?.... Geloof mij, over drie dagen zal er van

die snede niets meer te bespeuren zijn, en over drie uren zal Dada

weer neiging aan den dag leggen, dien zonderlingen zak, dien ik daar

geledigd heb, andermaal te vullen!"

Door die woorden gerustgesteld, schonk Alice den jeugdigen ingenieur

een dankbaren blik, die hem voor al zijne moeiten ruimschoots beloonde.

Eindelijk was John Watkins er in geslaagd tot de overtuiging te

geraken, dat hij zijn gezond verstand had, en dat hij weer in het

bezit was van zijn bewonderenswaardige ster. Hij verliet het venster

en zich tot Cyprianus wendende:

"Mijnheer Méré," sprak hij op statigen toon, "gij hebt mij daar een

grooten dienst bewezen en ik weet niet hoe ik dien ooit zal kunnen

vergelden."

Vergelden!.... O! John Watkins had daartoe een zeer eenvoudig

middel! Zou het hem zoo moeilijk vallen zijn belofte te houden,

namelijk den jongen man de hand zijner dochter te schenken? Hij had

die hand toch beloofd aan hem, die de _Zuidster_ zou terugbrengen. En

waarlijk, was het niet alsof Cyprianus den diamant van uit het

binnenste der Transvaal had aangebracht?

Ziedaar wat de verliefde in zich zelven prevelde; maar hij was te

fier om die gedachte met luider stem voor te dragen. Hij meende

daarenboven zeker te zijn, dat die gedachte van zelf in het brein

van den Engelschman zou opwellen.

Maar John Watkins repte daarvan geen woord. Hij wenkte zijne dochter

om hem te volgen en verdween in zijne woning.

Het is bijna onnoodig te vertellen, dat weinige oogenblikken later

Makatit zijne vrijheid herkreeg. Maar het had toch weinig gescheeld

of de arme drommel had de slokkerigheid van Dada met zijn leven

betaald. Hij moest zich zelf bekennen, dat hij den dans ter nauwernood

ontsprongen was.

DRIE EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

EENE VERSCHIJNING.

De gelukkige John Watkins, die thans de rijkste inwoner van Grikwaland

was, kon niet anders, na vroeger een maaltijd aangericht te hebben

om de geboorte van de _Zuidster_ te herdenken, dan een tweede te

geven om hare wedergeboorte te vieren. Maar dezen keer zouden de

voorzorgsmaatregelen voldoende getroffen worden, om te voorkomen,

dat zij niet ten tweeden male verdween, terwijl thans Dada niet

uitgenoodigd werd.

Het feestmaal was dan ook in den namiddag van den volgenden dag reeds

in vollen gang.

John Watkins had reeds vroeg in den morgen zijne gewone genoodigden om

zich verzameld en had bij de slagers van het distrikt vleeschstukken

besteld, die voldoende zouden geweest zijn om eene geheele kompagnie

infanterie te voeden; hij had zijne keukens met levensmiddelen,

zoowel versche als verduurzaamde, en met zooveel wijnen en vreemde

likeuren gevuld als de leveranciers in den omtrek slechts hadden

kunnen bijbrengen.

Tegen vier uur was de tafel in de groote zaal gedekt, stonden de

flesschen behoorlijk gerangschikt op het buffet en staken de stukken

ossen- en schapenvleesch aan het spit en waren flink aan het braden.

De genoodigden verschenen te zes uur, natuurlijk in hunne

schoonste kleederen gedost. Tegen zeven uur had de toonladder van

de spraakzaamheid der gasten reeds zulk een hoogte bereikt, dat een

trompetter met moeite dat geschreeuw met zijn instrument zou hebben

kunnen overstemmen. Matthijs Pretorius, die sedert hij de akelige

grappen van Hannibal Pantalucci niet meer te verduren had, veel

geruster van inborst was geworden, zat daar aan met Thomas Staal,

die van gezondheid en kracht straalde, met den makelaar Nathan,

met andere pachters, mijnwerkers en kommissarissen van politie.

De Zuidster, het land der diamanten · 第 19 / 21 段