Cyprianus, zich gedragende volgens een bevel van Alice, had niet

kunnen weigeren dat feest bij te wonen, daar het jonge meisje ook

genoodzaakt was tegenwoordig te zijn. Maar beiden waren wel droevig

gestemd, want--het viel niet te ontkennen--de bezitter van ruim

vijftig millioenen kon er niet aan denken de hand zijner dochter

te geven aan een eenvoudigen ingenieur, "die niet eens diamanten

kon vervaardigen". Ja, de zelfzuchtige behandelde zoo reeds den

jeugdigen geleerde, waaraan hij in werkelijkheid zijn nieuw vermogen

te danken had.

Het diner had zijn voortgang te midden van de zeker niet gematigde

geestdrift van de gasten.

Vóór den gelukkigen Engelschman--en volstrekt niet achter hem, zooals

vroeger--lag de _Zuidster_ op een klein kussen van blauw fluweel,

beschut door een traliewerk van metaaldraden en door eene glazen stolp,

en schitterde met vollen glans bij het licht der waskaarsen.

Er heerschte toen eene drukkende hitte.

Miss Watkins zat als in zich zelve gekeerd aan dien disch en scheen

niets te hooren. Zij had den blik op Cyprianus gericht, die even

mistroostig was als zij. De tranen stonden haar in de oogen.

Drie slagen, die luidruchtig op de deur klonken, braken plotseling

de gesprekken en het gerinkinkel der glazen af.

"Binnen!" riep John Watkins met schorre stem. "Wie gij ook zijn moogt,

gij komt ter rechter tijd, wanneer gij dorst hebt!"

De deur ging open. De lange en magere gestalte van Jakobus Vandergaart

verscheen op de drempel.

De gasten keken elkander verwonderd aan over die onverwachte

verschijning. Iedereen kende zoo goed de oorzaken van de vijandschap

tusschen John Watkins en Jakobus Vandergaart, dat een dof gemompel

vernomen werd. Iedereen verwachtte iets ernstigs.

Een diepe stilte was daarna ingetreden. Aller oogen waren op den

ouden diamantslijper met zijne witte haren gevestigd. Deze stond recht

overeind, met gekruiste armen en met den hoed op het hoofd, in zijn

lange Zondagsjas gehuld. Hij scheen het spook der wraak te zijn. John

Watkins voelde eene onbestemde vrees opkomen. Hij rilde en verbleekte

onder het vermiljoenrood, dat het alcoholmisbruik onuitwischbaar op

zijne hoekige jukbeenderen geverfd had. Toch poogde hij zich tegen

dat onverklaarbare gevoel te verzetten.

"He, he!" zei hij, terwijl hij het eerst het woord tot Jakobus richtte,

"het is langen tijd geleden, buurman Vandergaart, dat gij mij het

genoegen geschonken hebt u hier ten mijnent te vertoonen! Welk goed

gesternte voert u herwaarts?"

"Het gesternte der gerechtigheid, buurman Watkins!" antwoordde de

grijsaard koel. "Ik kom u mededeelen dat het recht eindelijk gaat

zegepralen en, na zeven jaren lang verscholen te zijn geweest,

te voorschijn gaat treden. Ik kom u aankondigen, dat het uur der

vergelding geslagen heeft, dat ik in het bezit van mijn eigendom

zal geraken, en dat de Kopjes-mijn, die steeds mijn naam gedragen

heeft, voortaan mij wettig toebehoort, zooals zij mij volgens de

billijkheidswetten steeds toebehoord heeft! Heden zijt gij het, dien

de wet het bezitrecht ontneemt en veroordeelt om mij terug te geven,

wat mij ontnomen is!"

Al had John Watkins zich ook, bij de plotselinge verschijning van

Jakobus Vandergaart en door het nevelachtige gevaar, dat zij scheen aan

te kondigen, aanvankelijk verstijfd gevoeld, zoo bracht zijn bloedrijk

gestel en ontembaar karakter hem er toe om een direct en afgebakend

gevaar stout onder de oogen te zien. Hij wierp zich dan ook tegen de

leuning van zijn stoel en lachte op de meest smadelijke wijze.

"De oude vent is gek!" zeide hij, zich tot zijne gasten wendende. "Ik

heb altijd gedacht dat er een streep door liep; het schijnt in den

laatsten tijd erger te worden!"

Iedereen lachte om die grofheid. Jakobus Vandergaart bleef kalm en

knipoogde zelfs niet.

"Wie het laatst lacht, lacht het best!" zei hij ernstig, terwijl

hij een papier uit den zak haalde. "John Watkins, gij weet dat een

eindvonnis, dat in appèl bevestigd werd en dat zelfs de Koningin niet

meer zou kunnen vernietigen, u in dit district de terreinen toegewezen

heeft, die westwaarts van den vijf-en-twintigsten lengtegraad ten

oosten van den meridiaan liggen?"

"Volmaakt juist, waardige wauwelaar!" riep John Watkins uit. "En

daarom zoudt ge beter doen met naar bed te gaan, wanneer ge ziek zijt,

dan eerlijke lieden te komen storen, die bezig zijn met dineeren en

niemand iets verschuldigd zijn."

Jakobus Vandergaart had zijn papier ontvouwd.

"Hier," zeide hij, "is eene verklaring van het Kadastrale Comité,

welke door den Gouverneur gewaarmerkt en eergisteren te Victoria

geregistreerd is. Dat stuk constateert eene feitelijke vergissing,

welke tot heden in al de terreinopnamen van Grikwaland geslopen is. Die

vergissing, welke tien jaren geleden door de landmeters begaan is, die

met de opmeting van het district belast waren, en die geen rekening

gehouden hebben met de magnetische afwijking van de kompasnaald met

het ware noorden, die vergissing vernietigt alle opnemingen, die

deze dwaling tot grondslag hebben. Ten gevolge van de verbetering,

die plaats gehad heeft, bevindt zich thans de vijf-en-twintigste

graad oosterlengte van Greenwich drie mijlen meer westelijk. Die

verbetering herstelt mij dus in het bezit van de Kopjes-mijn, die

u toegewezen was, want volgens het advies van al de rechtsgeleerden

en van den chief-justice in persoon, kan de letter en de geest van

het geslagen vonnis niets van deszelfs kracht verliezen. Ziedaar,

John Watkins, wat ik u kom vertellen."

Het zij dat de Engelschman hem niet dan onvolkomen begrepen had,

hetzij hij voorbedachtelijk weigerde te begrijpen, wie zal dat

uitmaken? Hij beantwoordde den ouden diamantslijper nogmaals met

een hoonend gelach. Maar die lach klonk valsch en vond geen steun

bij de gasten. Deze hielden allen verwonderd den blik op Jakobus

Vandergaart gevestigd en schenen getroffen door diens ernst, door

de vrijmoedigheid zijner verklaring en door de onwrikbare zekerheid,

die uit zijne woorden, uit zijne geheele houding straalde.

De makelaar Nathan maakte zich tot tolk van het algemeen gevoelen,

toen hij sprak:

"Wat mijnheer Vandergaart daar zegt, bevat volgens mij niets, dat

voor dwaas kan uitgekreten worden. Die vergissing met dien lengtegraad

kan zeer goed geschied zijn. Mij dunkt dat nadere inlichtingen moeten

afgewacht worden, alvorens ons gevoelen uit te spreken."

"Inlichtingen afwachten?" riep John Watkins uit, terwijl hij met

de vuist krachtig op de tafel sloeg. "Ik heb met uwe inlichtingen

niets te maken!.... Ik lach om uwe inlichtingen!.... Ben ik hier

op mijn eigendom, ja of neen?.... Is mij de Kopjes-mijn bij een

eindvonnis, welks kracht die oude kaaiman zelf erkent, toegewezen, ja

of neen?.... Welnu, wat kan mij de rest schelen?.... Wanneer men het

mij nog omtrent het rustige bezit van mijn eigendom lastig maakt, dan

zal ik doen wat ik reeds gedaan heb: ik zal mij tot de gerechtshoven

wenden en wij zullen zien wie gelijk heeft!"

"De competentie van de gerechtshoven is ten einde," antwoordde Jakobus

Vandergaart met opzettelijke kalmte. "Alles bepaalt zich thans tot de

daadzaak, tot de vraag: ligt de Kopjes-mijn rechts of links van den

vijf-en-twintigsten lengtegraad? En daar het nu officiëel uitgemaakt

is, dat een vergissing heeft plaats gehad, zoo is de onvermijdelijke

gevolgtrekking daarvan, dat die mijn tot mijn bezit wederkeert."

Terwijl hij dat zeide, toonde Jacobus Vandergaart het officiëele

dokument, dat van de vereischte handteekeningen en zegels voorzien was.

John Watkins was niet op zijn gemak. Hij bewoog en draaide op zijn

stoel. Hij trachtte te spotten; maar dat ging hem slecht af. Zijn

blik viel in dat oogenblik op de _Zuidster_. Dat gezicht scheen hem

het zelfvertrouwen, dat hem begon te verlaten, te hergeven.

"Als alles nu eens zoo was," riep hij uit, "als ik waarlijk tegen alle

recht en billijkheid in, dit eigendom, dat mij wettiglijk toegewezen

is en dat ik sedert zeven jaren bezeten heb, moest afstaan, wat zou

mij dat alles goed en wel beschouwd kunnen schelen? Bezit ik niet

meer dan genoeg om mij te troosten, al was het maar alleen met dat

juweel, dat ik in mijn vestzak kan meenemen en mij tegen alle ongeval

kan behoeden?"

"Dat's ook een dwaling, John Watkins," hernam Jacobus Vandergaart

op kort afgemeten toon. "De _Zuidster_ is mijn eigendom evenals

alle voortbrengselen, die uit de Kopjes-mijn gewonnen zijn en bij u

teruggevonden worden, evenals het meubilair van dit huis, evenals

de wijn in die flesschen, evenals dat gebraden vleesch op dien

schotel. Alles, alles behoort mij; omdat alles voortspruit uit het

onrecht, dat mij aangedaan is!.... En vlei u niet," vervolgde hij,

"mijne maatregelen zijn goed genomen."

Jacobus Vandergaart sloeg in zijn magere handen. Dadelijk verschenen

eenige konstabels op den drempel van de deur. Zij werden gevolgd

door een officier van den Sherif, die binnentrad en met de hand op

een stoel klopte, terwijl hij uitriep:

"In naam der wet leg ik voorloopig beslag op al de voorwerpen, meubelen

en waarden van welken aard ook, die zich hier in dit huis bevinden!"

Iedereen was opgestaan, behalve John Watkins. De Engelschman lag

vernietigd in zijn leuningstoel uitgestrekt en scheen door den

bliksem getroffen. Alice sloeg hare armen om zijn hals en zocht hem

met lieftallige toesprekingen op te beuren.

Jakobus Vandergaart verloor hem evenwel niet uit het oog. Hij

beschouwde hem meer met mededoogen dan wel met haat; maar waakte

daarbij over de _Zuidster_, die te midden van die ramp even luisterrijk

glinsterde.

"Verloren!.... Geruïneerd!...."

Die woorden ontsnapten slechts aan de trillende lippen van John

Watkins. In dat oogenblik stond Cyprianus evenwel op en sprak op

ernstigen toon:

"Mijnheer Watkins, daar uwe welvaart met een onherstelbaren ondergang

bedreigd wordt, zult gij mij vergunnen daarin slechts de mogelijkheid

te zien, mejuffrouw uwe dochter in stand meer nabij te komen!.... Ik

heb de eer u de hand van miss Alice Watkins te vragen."

VIER EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

EEN VALLENDE STER.

Dit aanzoek van den jeugdigen ingenieur veroorzaakte werkelijk eene

buitengewone verrassing. Hoe gretig de gevoeligheid van hunne half

wilde natuur ook was, zoo konden toch al de gasten van John Watkins

niet nalaten het luidruchtig toe te juichen. Zoo veel belangeloosheid

moest hen treffen.

Alice zat daar met neergeslagen oogen en met kloppend hart, misschien

als de eenige, die niet verwonderd scheen over des jonkmans stap,

in alle stilte naast haren vader.

De ongelukkige Engelschman was nog ter neergebogen onder den

vreeselijken slag, die hem getroffen had. Op die woorden verhief hij

het hoofd. En inderdaad, hij kende Cyprianus genoegzaam om te weten,

wanneer hij hem de hand zijner dochter schonk, dat hij de toekomst

en het geluk van Alice verzekerde; hij wilde evenwel nog niet, zelfs

niet met een teeken aanduiden, dat hij tegen dat huwelijk geene

tegenwerping meer te maken had.

Cyprianus, thans verlegen over den stap, waartoe zijne liefde hem

verleid had, voelde er ook de vreemdheid van en begon zich reeds te

verwijten, dat hij zich zelven niet meester gebleven was.

Te midden van de algemeene en zoo licht te begrijpen verlegenheid,

deed Jakobus Vandergaart een pas voorwaarts naar den Engelschman.

"John Watkins," zei hij, "ik houd er niet van om van mijne overwinning

misbruik te maken; ook behoor ik niet tot dezulken, die een gevelden

vijand onder den voet halen! Wanneer ik op mijn recht sta, dan doe

ik dat, omdat ieder mannenhart zulks betaamt en moet doen. Maar ik

weet bij ondervinding, wat mijn advokaat steeds herhaalde, namelijk,

dat het stiptste recht soms de onbillijkheid zeer nabij is. Ik zou

niet willen dat onschuldigen den last van feilen moeten dragen, die

zij niet begingen!.... Daarenboven, ik ben alleen op de wereld en

het graf reeds nabij. Waartoe zou mij zooveel rijkdom dienen, wanneer

ik niemand had om hem mede te deelen?.... John Watkins, wanneer gij

uwe toestemming tot de vereeniging van die twee kinderen geeft, dan

verzoek ik hen die _Zuidster_, die mij tot niets dienstig zoude zijn,

als huwelijksgift aan te nemen.... Ik verbind mij daarenboven om hen

tot mijne erfgenamen te benoemen en herstel dus binnen de grenzen

der mogelijkheid de onwillekeurige nadeelen, die ik uwe bekoorlijke

dochter berokken!"

Er ontstond bij die woorden onder de toeschouwers, wat men in de

verslagen van Kamerzittingen zoude noemen: "eene levendige beweging

van belangstelling en van sympathie." Aller blikken vestigden zich

op John Watkins. Zijne oogen waren plotseling vochtig geworden;

hij bedekte ze daarom met zijne bevende handen.

"Jakobus Vandergaart!...." riep hij eindelijk uit, de

stormachtige gevoelens, die hem bewogen, niet meer kunnende

onderdrukken. "Ja!.... gij zijt een braaf man en gij neemt, door het

geluk van die twee kinderen te bewerken, een edele wraak over al het

kwaad en al het leed, dat ik u berokkend heb!"

Noch Alice, noch Cyprianus waren in staat te antwoorden. Daartoe

weigerde hunne stem den dienst, maar hunne blikken spraken voor

hen. De grijsaard reikte zijnen tegenstander de hand, die John

Watkins met vuur greep. De oogen van alle omstanders waren vochtig,

zelfs die van den ouden konstabel met grijze haren, die er toch zoo

droog uitzag als eene scheepsbeschuit door de Engelsche admiraliteit

geleverd. Wat John Watkins aangaat, die was geheel veranderd. Zijn

gelaat vertoonde thans welwillendheid en zijne trekken zooveel

zachtheid als zij vroeger hardheid en boosheid te kennen gaven. Het

ernstige gelaat van Jakobus Vandergaart had zijne gewone plooi,

die van eene onverstoorbare zachtzinnigheid, hernomen.

"Laat ons alles vergeten," riep hij uit, "en laten wij met den wijn,

waarop beslag gelegd is, op het welzijn en op het geluk van deze

kinderen drinken--wanneer, wel te verstaan, mijnheer de officier van

den Sherif zulks veroorloven zal."

"Een officier van den Sherif heeft soms tot plicht om zich tegen den

verkoop van dranken te moeten verzetten, waarop beslag gelegd is,"

antwoordde de magistraat met een glimlach, "maar nimmer zal hij zich

tegen hunne verorbering aankanten!"

Op die woorden, die van welwillendheid getuigden, gingen de flesschen

rond en heerschte weldra weder de meest gulle hartelijkheid in

de eetzaal.

Jakobus Vandergaart had plaats naast John Watkins genomen en beraamde

thans plannen voor de toekomst met hem.

"Wij zullen hier alles verkoopen," zei hij, "en wij zullen de kinderen

naar Europa volgen! Wij zullen ons buiten in hunne nabijheid vestigen

en dan zullen ons nog fraaie dagen beschoren zijn."

Alice en Cyprianus, die naast elkaar gezeten waren, hadden een

fluisterend gesprek in het Fransch begonnen, dat niet minder

belangwekkend was, wanneer men ten minste mocht afgaan op de

levendigheid van gebaren der beide partijen.

De warmte was al meer en meer toegenomen. Eene zwaarwichtige en

drukkende hitte verdroogde de lippen bij den rand der glazen en

vervormde al de gasten in electrische werktuigen, die gereed waren

vonken van zich af te geven. Het was tevergeefs dat vensters en deuren

opengezet werden. Niet de minste zucht van frissche lucht deed de

vlam der waskaarsen heen of weer bewegen.

Een ieder gevoelde dat slechts eene oplossing bij zoo'n luchtdruk

mogelijk was, namelijk door een van die onweders, welke, vergezeld

van donder, bliksem en stortregens, in Afrika op eene samenzwering

van al de elementen der natuur gelijken. Men verwachtte dat onweder,

men hoopte er op.

Plotseling verlichtte een bliksemstraal alle gezichten met een

groenachtigen weerschijn, terwijl tegelijkertijd het geratel van den

donder, die over de vlakte rolde, aankondigde dat het concert ging

beginnen. Op dit oogenblik overviel eene plotselinge windvlaag de

zaal en doofde alle lichten uit. Daarop openden zich zonder overgang

alle sluizen des hemels en begon de zondvloed.

"Hebt gij dadelijk na dien donderslag een klein droog geluid niet

gehoord, alsof er iets brak?" vroeg Thomas Staal, terwijl men zich

beijverde de ramen en deuren te sluiten en de waskaarsen aan te

steken. "Men zou gezegd hebben dat een glazen bol uit elkaar sprong."

Alice's blikken richtten zich onwillekeurig naar de _Zuidster_....

De diamant was weg. Toch waren èn de kooi van ijzerdraad èn de

glazen stolp, die hem overdekt hadden onbeschadigd en niet van hun

plaats geweest. Het was klaarblijkelijk onmogelijk dat iemand er

aan geraakt had. Het was alsof er tooverij gebeurd was. Cyprianus,

die zich snel voorovergebogen had, bespeurde een soort grijs poeder,

dat op het kussen van blauw fluweel lag, op de plaats straks door den

diamant ingenomen. Hij kon een kreet van verrassing niet onderdrukken

en beduidde met een korten volzin, wat er voorgevallen was.

"De _Zuidster_ is uit elkaar gesprongen!" zei hij.

Iedereen in Grikwaland weet, dat dit eene bijzondere ziekte of beter

een gebrek is, aan de diamanten van het land eigen. Men spreekt er niet

over, omdat het hunne waarde zeer vermindert, maar het feit bestaat,

dat, tengevolge van eene tot nog toe onverklaarbare moleculaire

werking, die meest kostbare steenen uit elkander springen als waren

het eenvoudige voetzoekers. In dat geval blijft er niets anders van

over dan een weinig stof, dat hoogstens bij industrieële bewerkingen

gebezigd kan worden. De jeugdige ingenieur had veel meer het brein

vervuld met het beschouwen van den wetenschappelijken kant van het

ongeluk, dan wel dat hij acht gaf op het overgroot verlies dat hem

dit berokkende.

"Wat zonderling is," zei hij te midden van de algemeene verbazing,

"dat is, niet dat de steen uit elkander gesprongen is, maar dat hij

tot heden daarmede gewacht heeft; dat is merkwaardig. Gewoonlijk

gebeurt dat met die diamanten veel vroeger, meestal binnen de tien

dagen nadat zij geslepen zijn. Is dat niet zoo, mijnheer Vandergaart?"

"Volmaakt juist," antwoordde de oude diamantslijper met een zucht,

"en dit is de eerste maal in mijn leven, dat een diamant uit elkander

springt, nadat hij drie maanden geslepen is. Kom.... het was door

hooger macht besloten, dat de _Zuidster_ niemand zou toebehooren. En

als ik bedenk, dat een dun laagje vet dat ongeluk voorkomen zou

hebben, dan...."

"Waarlijk," riep Cyprianus uit met de voldoening van iemand, die

eindelijk een moeilijk raadsel opgelost ziet. "In dat geval wordt

alles verklaard. De breekbare ster heeft voorzeker aan den krop van

Dada de beschermende laag vet ontleend en die heeft haar tot heden

bewaard. Waarlijk, zij had beter gedaan met vier maanden vroeger

uit elkander te springen, dat zou ons het reisje door de Transvaal

uitgespaard hebben!"

Men lette thans op John Watkins, die zich ongeduldig in zijn

leuningstoel heen en weer bewoog.

"Hoe kunt gij zoo'n ramp zoo licht opnemen?" zei hij eindelijk,

terwijl hij rood van verontwaardiging was. "Gij zit daar allen over

die vijftig millioenen, die in rook verdwenen zijn, te wauwelen,

alsof het eene eenvoudige cigarette gold."

"Dat bewijst u, dat wij wijsgeeren zijn," antwoordde

Cyprianus. "Waarachtig, het is nu wel tijd om de wijsbegeerte te

beoefenen, nu wij niet anders kunnen."

"Wijsgeer zooveel ge wilt!" pruttelde de Engelschman, "maar vijftig

millioenen zijn vijftig millioenen en die vindt men niet onder den

hoef van een paard!.... Kijk, Jacobus, gij hebt mij heden waarlijk

een grooten dienst bewezen, zonder het evenwel te weten. Ik geloof,

dat ook ik uit elkander zou gesprongen zijn als een kastanje in de

heete asch, wanneer de _Zuidster_ mijn eigendom ware gebleven!"....

"Om het even," viel Cyprianus hem in de rede, terwijl hij daarbij

met een liefdevollen blik het frissche gelaat van miss Watkins, die

naast hem zat, aankeek, "ik heb heden avond een zoo kostbaren diamant

veroverd, dat het verlies van elken andere mij geheel onverschillig

laat en mij niet kan deren!"

Zoo eindigde plotseling, als eene verwisseling van dekoratief op een

tooneel, het veel bewogen maar korte bestaan van den grootsten geslepen

diamant, die ooit op de wereld aanwezig was. Een zoodanig einde bracht,

zooals men wel begrijpen kan, niet weinig het zijne er toe bij, om

de bijgeloovige meeningen, die op zijne rekening in omloop waren,

te bevestigen en te bestendigen. Meer dan ooit waren èn de Kaffers,

èn de mijnwerkers van meening, dat zulke groote diamanten slechts

ongeluk aanbrengen.

Jakobus Vandergaart, die hem geslepen had, en Cyprianus, die het plan

gevormd had om hem aan het museum van de Mijnschool aan te bieden,

ondervonden meer spijt over dat onverwachte verdwijnen van den steen,

als zij wel wilden bekennen. Maar in weerwil daarvan bleef de wereld

toch hare baan ongestoord vervolgen en niemand kan verklaren, dat

zij bij het verdwijnen van de _Zuidster_ veel verloren heeft.

Alle die gebeurtenissen, die opeenvolging van pijnlijke aandoeningen,

het verlies van zijn vermogen, gevolgd door het verlies van de

_Zuidster_, misten hunne uitwerking op John Watkins niet. Zijne

gezondheid was zeer ondermijnd. Hij werd bedlegerig, kwijnde gedurende

eenige dagen en ging als eene kaars uit. Noch de zorgen vol toewijding

zijner dochter, noch die van Cyprianus, noch de mannelijke vermaningen

van Jakobus Vandergaart konden baten. De oude Engelschman voelde

zich getroffen in zijn hoogmoed, in zijne eigenaars-voorliefde,

in zijne zelfzucht, in alle zijne gewoonten. Neen, hij gevoelde dat

hij verloren was. Op een avond trok hij Alice en Cyprianus tot zich,

legde hunne handen in elkander en blies zonder een woord te spreken,

den laatsten adem uit. Hij had zijne geliefde _Zuidster_ geen veertien

dagen overleefd.

Weinige weken later werd het huwelijk van Cyprianus Méré met Alice

Watkins op de meest eenvoudige wijze voltrokken. Alice was thans de

echtgenoote van Cyprianus!.... Wat kon zij, wat kon hij meer verlangen?

Maar al was het vermogen van John Watkins verdwenen, toch was de

ingenieur rijker dan zijne jonge vrouw kon vooronderstellen, rijker

dan hij zelf wist. Tengevolge van de vondst van de _Zuidster_ was

zijn claim toch buitengewoon in waarde gestegen. Gedurende zijne

reis naar de Transvaal had Thomas Staal de ontginning voortgezet en

daarbij veel geluk gehad. De aanbiedingen stroomden Cyprianus dan ook

toe om zijn gedeelte te verkoopen. Hij verkocht dat dan ook vóór zijn

vertrek naar Europa voor vijftigduizend gulden.

Nu draalden Alice en Cyprianus niet meer om Grikwaland te verlaten,

teneinde naar Frankrijk terug te keeren. Zij volvoerden dat plan

evenwel niet dan nadat zij de toekomst van Li, van Bardik en van

Makatit verzekerd hadden. Jacobus Vandergaart bracht daartoe het

zijne bij.

De oude diamantslijper had toch de Kopjes-mijn verkocht aan eene

vennootschap, die door den ex-makelaar Nathan bestuurd werd. Toen die

likwidatie afgeloopen was, vertrok hij naar Frankrijk, om bij zijne

aangenomen kinderen te leven.

Deze vonden het geluk in hun wederzijdsch bezit. Cyprianus verwierf

evenwel, dank zij zijne werkkracht, zijne algemeen erkende verdiensten

en de waardeering, die hij van wege de geleerde wereld ondervond,

een onafhankelijk vermogen.

Thomas Staal keerde naar Lancashire terug met een kapitaaltje van

ongeveer twee en een halve ton. Hij is daar getrouwd, neemt als een

gentleman trouw aan de vossenjacht deel en drinkt alle avonden zijn

flesch Portwijn leeg.

Dit laatste mag niet als het fraaiste van zijn geschiedenis beschouwd

worden.

De Vandergaart-Kopjes-mijn is nog niet uitgeput. Zij levert nog steeds

ongeveer het vijfde gedeelte van de diamanten, die van de Kaapstad

uitgevoerd worden; maar niemand heeft meer het goede of kwade gesternte

gehad,--zooals men wil,--om andermaal eene _Zuidster_ te vinden.

Einde.

AANTEEKENINGEN

[1] De Engelsche mijl bedraagt 1609 Meters.

[2] Een groot getal Boeren of Hollandsche landlieden, die in

Zuid-Afrika wonen, stammen af van Franschen, die ten gevolge van de

intrekking van het édict van Nantes naar Holland uitgeweken en van

daar naar de Kaapkolonie vertrokken zijn.

[3] 4800 gulden.

[4] 1080 gulden.

[5] Weegt zuiver, 0,2052 gram.

De Zuidster, het land der diamanten · 第 20 / 21 段