"O! geen bevel waarlijk niet," antwoordde miss Watkins met een

bekoorlijken glimlach. "Het is hoogstens een verzoek!.... Och, mijnheer

Méré," hernam zij ernstig, als om den luchtigen toon harer woorden

te doen vergeten, "als gij wist hoe ongelukkig ik mij gevoelde bij

het bewustzijn van al de vermoeienissen, van al de gevaren, die gij

ondergaan, die gij geloopen hebt. Ik was natuurlijk onkundig van al

die bijzonderheden, maar toch meende ik er het algemeene overzicht

van geraden te hebben. Ik zei zoo in mij zelve: moet een man, die

zoo geleerd is, die zoo voorbestemd is om groote zaken tot stand te

brengen, groote ontdekkingen te doen, moet zoo iemand blootgesteld

zijn, om ellendig in de woestijn om te komen, om te sterven tengevolge

van den beet eener slang of onder den klauw van een tijger, zonder

eenig voordeel voor de wetenschap en voor de menschheid?.... Maar,

het is waarlijk eene misdaad, hem te hebben laten vertrekken!.... En,

ik had gelijk!.... want is het geen wonder bijna, dat gij teruggekomen

zijt? Zonder uw vriend Pharamond Barthès, dien de hemel zegene,

zoudt...."

Zij kon niet voortgaan; hare stem hokte; maar twee dikke tranen

ontrolden aan hare schoone oogen en voltooiden haren gedachtengang,

dien zij niet vermocht uit te spreken.

Cyprianus was op zijne beurt ook zeer ontroerd.

"Zie daar twee tranen, die voor mij kostbaarder zijn dan alle

diamanten ter wereld en die mij alle de ondergane vermoeienissen,

al waren zij nog veel grooter geweest, zouden doen vergeten," sprak

hij op eenvoudigen toon.

Er trad eene stilte in, die het meisje met haren gewonen takt verbrak,

door het gesprek weer op het terrein der scheikunde terug te voeren.

Middernacht was reeds voorbij, toen Cyprianus naar zijne hut

terugkeerde, waar een pak brieven uit Frankrijk aangekomen, op hem

lagen te wachten. Die brieven waren zorgvuldig door miss Watkins op

zijne werktafel gerangschikt.

Zooals het meermalen na eene lange afwezigheid gebeurt, hij was bang

om die brieven te openen. Als zij hem eens de tijding van eenig ongeluk

overbrachten!.... Zijn vader, zijn moeder, zijn zusje Johanna!.... Zoo

veel had toch gedurende die drie maanden kunnen gebeuren!

Hem ontsnapte een zucht van verlichting, toen hij zich overtuigd

had, dat die brieven slechts stof tot tevredenheid bevatten. Al

de zijnen waren welvarend. Van het ministerie ontving hij slechts

warme lofuitingen ten opzichte van zijne fraaie stelling omtrent de

diamantvormingen. Hij kon zijn verblijf in Grikwaland nog een semester

rekken, wanneer hij dat dienstig voor de wetenschap achtte. Alles

was dus ten beste geschikt en Cyprianus sliep dien nacht in, met zulk

een verlicht gemoed als hij in lang niet ondervonden had.

De voormiddag van den anderen dag werd besteed om zijne vrienden

te bezoeken, voornamelijk Thomas Staal, die werkelijk prachtige

vondsten op de gezamenlijke claim gedaan had. De brave kerel uit

Lancashire ontving zijn vennoot met de meeste hartelijkheid en

kwam met Cyprianus overeen, dat Bardik en Li evenals vroeger hunne

werkzaamheden hervatten zouden. Hij behield zich voor, om, wanneer

hunne nasporingen met goed gevolg bekroond werden, hun een deel van

de winst af te staan en zoodoende een klein kapitaal te verzekeren.

Wat Cyprianus betrof, hij was vastbesloten de kansen van het mijnleven

die hem steeds ongunstig geweest waren, niet meer te beproeven. Hij

volgde daarbij den wensch op van Alice en besloot derhalve zijne

scheikundige nasporingen te hervatten.

Zijn onderhoud met het jonge meisje had tot niets anders geleid,

dan om zijne eigene overwegingen te bekrachtigen. Hij had zich

zelven reeds sedert lang gezegd, dat zijn pad, het pad niet was van

handenarbeid, ook niet der avontuurlijke tochten. Hij was te loyaal

van karakter en te trouw aan het eenmaal gegeven woord, om er een

oogenblik aan te denken misbruik van het vertrouwen van Tonaïa te

maken, en de kennis der onmetelijke grot, met kristalformatiën gevuld,

te benuttigen; maar hij vond in die daadwerkelijke zekerheid eene te

kostbare bevestiging van zijne stelling over de diamantlegeringen,

om daaruit niet een nieuwen grond voor zijne onderzoekingen te putten.

Cyprianus hervatte dus zijn laboratorium-bestaan, zooals hij dat

noemde. Hij wilde evenwel het pad niet verlaten, waarop hij reeds

eenmaal geslaagd was en was dan ook vast besloten op dien weg zijne

eerste nasporingen te vervolgen.

Er was daarvoor een reden, een der meest geldende redenen, zooals

men zien zal.

Sedert toch de kunstmatige diamant als onherroepelijk verloren moest

beschouwd worden, sprak master Watkins, die eerst met het huwelijk

van Cyprianus en Alice scheen in te stemmen, er in het geheel niet

meer over.

Nu was het waarschijnlijk, dat wanneer de jeugdige ingenieur er in

slaagde, andermaal een diamant van overgroote waarde te vervaardigen,

die bijvoorbeeld op ettelijke millioenen zou geschat worden, de

Engelschman wel weer tot zijn vroegere opvattingen zou terug te

brengen zijn.

Vandaar dan ook het besluit, om zich zonder dralen weer aan den

arbeid te zetten; en Cyprianus hield dat niet genoegzaam geheim voor

de arbeiders in de Vandergaart-Kopjes-mijn.

Nadat hij zich andermaal eene buis, welker wanden een groot

weerstandsvermogen bezaten, aangeschaft had, begon hij andermaal

zijne werkzaamheid.

"En toch, wat mij ontbreekt," zei hij tot Alice, "om gekristalliseerde

koolstof, d.w.z. diamant te bekomen, dat is een doelmatig

oplossingsmiddel, dat hetzij door verdamping, hetzij door afkoeling,

de koolstof laat kristalliseeren. Voor het aluminium heeft men dat

oplossingsmiddel in de zwavelzure koolstof gevonden. Het komt er nu

op aan om bij wijze van overeenkomst voor de koolstof, of voor de

daarmee vrijwel overeenkomende lichamen als het borium en silicium,

zulk een oplossingsmiddel te vinden."

Intusschen zette Cyprianus, hoewel hij dat oplossingsmiddel niet

bezat, alle haast bij zijn werk. Bij afwezigheid van Makatit, die

zich voorzichtigheidshalve nog niet in het kamp vertoond had, was

Bardik thans belast om het vuur dag en nacht levendig te houden. Die

taak vervulde hij met denzelfden ijver als zijn voorganger.

Inmiddels wilde Cyprianus, in het vooruitzicht van na afloop van zijn

verlenging van verblijf in Grikwaland, genoodzaakt te zijn naar Europa

terug te keeren, zich van een arbeid kwijten, die op het programma

zijner uit te voeren verrichtingen voorkwam, maar dien hij nog niet

had kunnen ondernemen. Dat was de nauwkeurige ligging aan te geven

eener terreinplooi, die noordwestwaarts van de vlakte aangetroffen

werd. De terreinplooi beschouwde hij, of beter verdacht hij te zijn de

trechter waardoor de wateren weggevloeid waren in het lang vervlogen

tijdperk, waarin de diamant-vormingen van het district door de natuur

tot stand gebracht waren.

Vijf of zes dagen na zijn terugkeer in de Transvaal, hield

hij zich dus onledig met die plaatsbepaling en deed dat met de

hem eigene nauwgezetheid, die hij bij alles wat hij ondernam,

betrachtte. Nu was hij sedert een uur bezig om bakens te plaatsen

en die op eene topografische kaart op groote schaal, die hij zich

te Kimberley aangeschaft had, als vaste punten aan te teekenen. Maar

opmerkenswaardig was het daarbij, dat zich steeds bij zijne becijfering

eene groote vergissing of minstens eene minder goede overeenkomst

met die kaart voordeed. Eindelijk was het niet meer te ontkennen,

dat die kaart onnauwkeurig georiënteerd was; de breedten en de lengten

daarvan waren foutief.

Cyprianus had nauwkeurig op het middaguur gebruik gemaakt van een

uitmuntenden chronometer, die volgens de Sterrenwacht van Parijs

geregeld was, om de lengte van de plaats te bepalen. Hij was daarbij

volkomen verzekerd van de onfeilbaarheid van zijne boussole en van zijn

deklinatie-kompas. Hij kon dus geen oogenblik aarzelen om te erkennen,

dat de kaart waarop hij zijne punten vastlegde, geheel dwaalde door

een groote fout in de oriëntatie.

En inderdaad, het noorden van die kaart, hetwelk op Britsche wijze

door een opstaanden pijl aangegeven was, bevond zich in het werkelijke

noord-noord-westen. Een gevolg daarvan was, dat al de aanwijzingen

der kaart noodwendig in diezelfde evenredigheid dwaalden.

"Ik zie wat er aan hapert!" riep eensklaps de jeugdige ingenieur

uit. "De ezels,--die deze streek in kaart brachten, hebben

eenvoudig geen rekening gehouden met de magnetische afwijking van de

kompasnaald. En die afwijking bedraagt hier niet minder dan negen en

twintig graden westerring. [8] Daaruit volgt dat al hunne aanwijzingen

van breedte en lengte, om nauwkeurig te zijn, langs een boogje van

negen en twintig graden van het westen naar het oosten rondom het

middelpunt van de kaart moeten verplaatst worden!.... Het is aan te

nemen dat Engeland zijne kundigste topografen niet uitgezonden heeft,

om die opmetingen te doen!"

Hij lachte om den beganen bok. Hij had evenwel geen enkele reden om hem

te herstellen in de ligging ten opzichte der diamanthoudende terreinen

van het district, hetwelk noodzakelijk plaats moest hebben. Toen

hij dienzelfden avond naar de pachthoeve terugkeerde, ontmoette hij

Jakobus Vandergaart en deelde hij hem zijne bevinding mede.

"Het is waarachtig opmerkenswaardig," zeide hij, "dat zulk eene groote

geodesische dwaling, die op al de terreinplannen van het district

invloed heeft moeten hebben, nog niet opgemerkt en aangewezen is. Zij

maakt eene aanmerkelijke verbetering van al de kaarten van het geheele

land noodzakelijk."

De oude diamantslijper keek Cyprianus met een zonderlingen blik aan.

"Is het waar, wat ge zegt?" vroeg hij. "En zoudt gij bereid zijn dat

feit voor de rechtbank te bevestigen?"

"Wel voor tien rechtbanken, als het noodig ware!"

"En dat feit is niet te weerspreken?"

"Volstrekt niet, daar het voldoende zal zijn, de oorzaak van de dwaling

op te geven. Zij is bij mijne ziel tastbaar genoeg! Het veronachtzamen

van de afwijking van de magneetnaald bij topografische opnemingen! Het

is ongehoord!"

Jakobus Vandergaart verwijderde zich zonder verder iets te zeggen,

en Cyprianus had weldra vergeten met welk zonderlinge oplettendheid

de diamantslijper het feit nagegaan had, welke invloed door die

geodesische dwaling op de terreinplannen van het distrikt veroorzaakt

was.

Toen evenwel Cyprianus twee of drie dagen later den ouden

diamantslijper een bezoek wilde brengen, vond hij de deur gesloten.

Op de lei, die aan den klopper vastgehecht was, las hij de woorden, die

kort geleden met krijt daarop geschreven waren: "_Afwezig voor zaken_."

EEN EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

VENETIAANSCHE GERECHTIGHEID.

Gedurende de volgende dagen hield Cyprianus zich ijverig bezig met

de verschillende tijdperken aandachtig te volgen van zijne nieuwe

proef. Tengevolge van eenige verbeteringen in den weerkaatsing-oven

aangebracht, waardoor een betere luchtaanvoer mogelijk was, zou de

diamant-vervaardiging, zoo hoopte hij tenminste, in veel minder tijd

plaats vinden dan bij de eerste proef.

Er zal niet behoeven verteld te worden, dat miss Watkins die tweede

poging, waar zij de bezieling van was, met alle belangstelling

volgde. Zij vergezelde den jeugdigen ingenieur dan ook herhaalde

malen bij zijn gang naar den oven, dien hij verscheidene malen per dag

bezocht, en daar vond zij er een genoegen in, om door de kijkgaten,

die in het metselwerk uitgespaard waren, de hevigheid van het vuur,

dat in het innerlijke van dien oven brulde, waar te nemen.

John Watkins stelde niet minder belang dan zijne dochter in die

proef. Hij was ongeduldig om andermaal weer in het bezit van een

steen te komen, welks waarde bij millioenen berekend kon worden. Zijn

eenige vrees was, dat die tweede proef niet als de eerste gelukken zou,

waarbij het toeval een aanmerkelijke rol kon hebben gespeeld.

Maar indien de Engelschman en zijne dochter den jongen scheikundige

aanmoedigden bij zijn werk, zoo kon dat niet van de andere mijnwerkers

van Grikwaland gezegd worden. Hoewel Hannibal Pantalucci, James

Hilton en Herr Friedel niet meer op deze wereld waren, zoo dachten

toch hunne makkers aangaande de diamant-vervaardiging evenals

zij. Geheime bijeenkomsten, die door den jood Nathan ontworpen waren,

brachten het hunne er toe bij, om de eigenaars van claims tegen den

jongen ingenieur op te hitsen. Want als die kunstmatige vervaardiging

gelukte, dan was dat de ondergang van de diamantdelvers aan de Kaap

en op andere plaatsen.

Dat was reeds lang als uitgemaakt beschouwd, maar thans werd dat met

meer bitterheid, met meer woestheid dan voorheen besproken. Er werden

samenkomsten gehouden, die niet veel goeds voorspelden, maar Cyprianus

toch niet bevreesd maakten. Hij was vastbesloten zijn werk ten einde

te brengen, wat men er ook van zeggen of wat men ook doen wilde.

Miss Watkins was evenwel bij dat alles niet gerust. Zij was op

de hoogte van al de gesprekken, en zij begon voor Cyprianus te

vreezen. Zij verweet zich, dat zij hem op dien weg gevoerd had. Zij

kon op de politie van Grikwaland niet rekenen, en een slechte daad

was ras bedreven. Zij deelde hem hare onrust mede. Hij dankte haar

voor die belangstelling, want hij zag daarin de uiting van een teeder

gevoel, dat trouwens geen geheim meer voor hem was.

"Wat ik verricht, is voor ons beiden arbeiden," zei hij.

Maar miss Watkins, die vernam wat in de claims besproken werd,

leefde thans in gestadige onrust. En dat was niet zonder reden. Er

begon een soort haat jegens Cyprianus te heerschen, die weldra niet

meer bij schelden en bij schimpscheuten bleef, maar zich zelfs door

bedreigingen uitte.

Werkelijk op een avond, toen Cyprianus zijn oven wenschte te bezoeken,

vond hij hem geheel verwoest. Gedurende eene afwezigheid van Bardik was

een troep mannen gekomen, die van de duisternis gebruik hadden gemaakt,

om den arbeid van lange dagen in weinige minuten te vernielen. Het

gebouwtje was afgebroken, de oven was verbrijzeld, de vuren waren

uitgedoofd, de werktuigen verbroken en weggeworpen. Er bleef niets

meer van het materieel over, dat aan Cyprianus zoo veel zorgen en

moeite gekost had. Alles moest weer opnieuw begonnen worden, òf hij

moest de plaats ruimen.

"Neen," riep hij uit. "Ik zal niet toegeven. Ik zal eene klacht tegen

de ellendelingen inbrengen, die mijn goed vernield hebben. Ik zal

zien of er in Grikwaland geene gerechtigheid meer is."

Ja, er was eene gerechtigheid, maar niet eene zoodanige, als waarop

de ingenieur rekende.

Zonder iets aan iemand te zeggen, zonder zelfs miss Watkins iets te

vertellen, omtrent hetgeen voorgevallen was, uit vrees haar nieuwen

angst aan te jagen, was Cyprianus naar zijne hut wedergekeerd en

weldra in slaap gevallen.

Hij kon zoo omstreeks twee of drie uren geslapen hebben, toen het

openen van eene deur hem met schrik deed wakker worden. Vijf mannen met

zwarte maskers voor het gelaat en met revolvers en geweren gewapend,

drongen zijne kamer binnen. Zij droegen een soort dievenlantaarn en

plaatsten zich rondom het bed.

Het kwam bij Cyprianus volstrekt niet op, dat geheele tooneel als

ernst te beschouwen. Hij geloofde aan eene grap en begon dan ook al

dadelijk te lachen, hoewel hij er niet veel lust toe had, daar hij

de klucht zouteloos vond.

Maar een brutale hand daalde op zijn schouder neer, terwijl een der

gemaskerde mannen een papier ontvouwde, dat hij in de hand hield,

en begon voor te lezen met eene stem, die niets grappigs had:

"Cyprianus Méré. Hierbij wordt u aangekondigd, dat de geheime rechtbank

van het Kamp in de Vandergaart-Kopjes-mijn, die ten getale van twee

en twintig leden zitting heeft genomen en uit naam van het algemeen

welzijn handelt, u heden, juist op het middernachtuur, met algemeene

stemmen ter dood veroordeeld heeft.

"Gij zijt beschuldigd en overtuigd van door eene ontijdige en deloyale

uitvinding al de mannen van Grikwaland, die belang bij het vinden,

het kloven, het slijpen en het verkoopen van diamanten hebben, in

hun bestaan, in hun leven, in hunne gezinnen te hebben aangetast.

"De rechtbank heeft in hare wijsheid uitspraak gedaan, dat eene

dergelijke uitvinding vernietigd moet worden en dat de dood van

een enkele niet opweegt tegen den dood en de ellende van duizenden

menschenlevens.

"Zij heeft bevolen, dat u tien minuten gelaten zullen worden om

u tot den dood voor te bereiden; dat de keuze van de wijze waarop

gij sterven zult, aan u zal worden overgelaten; dat al uwe papieren

verbrand zullen worden, behalve eene zoodanige geopende mededeeling

die gij noodig zult achten voor uwe nabestaanden, en eindelijk dat

uwe woning met den grond gelijk zal gemaakt worden!

"Zoo zal het iederen verrader gaan!"

Toen hij zich zoo hoorde veroordeelen, begon Cyprianus in zijn geloof

aan eene grap wel te wankelen, en vroeg hij zich af of die vertooning,

in aanmerking genomen de ruwe zeden van de bewoners van dat land,

niet ernstiger was dan hij eerst gemeend had.

De man, die hem bij den schouder gegrepen had, zou zijne laatste

twijfelingen verdrijven.

"Sta dadelijk op!" zei hij ruwweg. "Wij hebben geen tijd te verliezen!"

"Maar dat is sluipmoord," antwoordde Cyprianus, die van zijn bed

sprong om eenige kleederen aan te trekken.

Hij was meer verontwaardigd dan ontroerd, en spande al de kracht zijner

zinnen op hetgeen met hem voorviel, evenwel met de koelbloedigheid van

iemand, die bezig was een zeker vraagstuk op te lossen. Wie waren die

mannen? Dat kon hij niet raden. Hij herkende zelfs den toon hunner

stem niet. Ongetwijfeld zwegen zij voorzichtig, die hem persoonlijk

bekend waren, wanneer die zich onder de aanvallers bevonden.

"Hebt gij eene keus gedaan omtrent de wijze van sterven?...." vroeg

een der gemaskerden.

"Ik heb geen keus te doen. Ik kan slechts protesteeren tegen de

afschuwelijke misdaad, die gij gaat bedrijven!" antwoordde Cyprianus

met vaste stem.

"Protesteer! dat zal u niet baten. Gij zult toch gehangen worden. Hebt

gij eenige beschikking te maken?"

"Niets, wat ik aan sluipmoordenaars zou wenschen toe te vertrouwen."

"Vooruit dan maar," beval het opperhoofd van den troep.

Twee mannen plaatsten zich ter weerszijden van den ingenieur en de

optocht stelde zich in beweging.

Maar op dit oogenblik had een onverwacht voorval plaats. Te midden

van die scherprechters van de Vandergaart-Kopjes-mijn was een man

met één sprong gevlogen. Dat was Makatit, de jonge Kaffer, die des

nachts gewoonlijk rond het kamp omdoolde en die er uit instinct toe

overgegaan was die gemaskerde mannen te volgen, juist toen zij zich

naar de woning van den ingenieur begaven. Daar had hij alles gehoord

wat er gezegd was geworden, en had het gevaar begrepen, waaraan zijn

baas blootgesteld was. Dadelijk, zonder aarzeling, wat er ook met

hem gebeuren mocht, had hij de mijnwerkers op zij gedrongen en zich

aan de voeten van Cyprianus geworpen.

"Vadertje, waarom willen die mannen je dooden?" vroeg hij, terwijl

hij zich aan zijn baas vastklemde.

"Omdat ik een kunstmatigen diamant vervaardigd heb," antwoordde

Cyprianus die de handen van Makatit met ontroering drukte.

"O! vadertje, wat voel ik mij ongelukkig, en wat ben ik beschaamd

over wat ik gedaan heb!" herhaalde de Kaffer al weenende.

"Wat wilt ge daarmeê zeggen?" riep Cyprianus uit.

"Ja, ik zal alles bekennen, daar men u ter dood wil brengen," kreet

Makatit. "Ja.... ik moet sterven! want ik ben het, die den grooten

diamant in den oven gedaan heb."

"Smijt dien schreeuwer op zijde!" beval het hoofd van de bende.

"Ik herhaal, dat ik den diamant in het toestel gelegd heb!" herhaalde

Makatit, zich verzettende. "Ja, ik heb vadertje bedrogen!.... Ik heb

hem willen doen gelooven, dat zijne bewerking geslaagd was!...."

Hij sprak zoo overtuigend, dat men hem eindelijk gehoor verleende.

"Spreekt ge waarheid?" vroeg Cyprianus, tegelijkertijd verbaasd en

teleurgesteld over hetgeen hij vernam.

"Ja! honderdmaal ja!.... ik spreek de waarheid!"

Hij zat thans neergehurkt op den grond en allen hoorden hem aan;

want wat hij zeide, zou den gang van zaken zeer veranderen.

"Op den dag van de groote aardstorting, toen ik levend begraven werd

onder het puin, had ik juist een grooten diamant gevonden. Ik hield hem

in de hand en ik dacht er aan om hem te verbergen, toen de wand der

mijn instortte en mij bedolf, om mij te straffen voor die misdadige

gedachte. Toen ik tot het bewustzijn wederkeerde, vond ik dien steen

in het bed terug, waarin vadertje mij had doen uitstrekken. Ik heb

toen dien diamant willen teruggeven, maar ik was te beschaamd om

te bekennen, dat ik eigenlijk een dief was en heb ik eene gunstige

gelegenheid afgewacht!.... Juist wilde vadertje eenigen tijd later

beproeven om een diamant te vervaardigen en droeg hij mij op om op het

vuur te passen. Maar ziet op den tweeden dag, terwijl ik alleen in de

werkplaats was, is het toestel met een vreeselijken knal gebarsten,

en het heeft weinig gescheeld of ik was op de plaats gedood. Toen

dacht ik dat vadertje bedroefd zoude zijn, dat zijne proef mislukt

was. Ik heb den diamant toen in een laag klei gewikkeld en door den

barst in het kanon geplaatst. Ik heb daarop alles zoo goed mogelijk

hersteld, opdat vadertje niets zoude merken!.... Ik heb vervolgens

zonder iets te zeggen gewacht en toen vadertje den diamant gevonden

heeft, was hij zeer verheugd en ik ook!"

Een uitbarsting van uitbundig gelach, dat die vijf mannen niet konden

weerhouden, volgde op de laatste woorden van Makatit. Cyprianus

lachte in het geheel niet, maar beet zich op de lippen van

kwaadaardigheid. Want het was onmogelijk de woorden van den

Kaffer verkeerd te verstaan. Die geschiedenis was klaarblijkelijk

waar. Cyprianus zocht tevergeefs naar redenen om aan hare werkelijkheid

te kunnen twijfelen. Hij poogde haar te weerspreken en zei tot

zich zelven:

"Een natuurlijke diamant, die aan zulk een temperatuur ware

blootgesteld, zou voorzeker vergaan zijn."

Maar het gezond verstand zei hem ook, dat de steen, door een korst van

leem of klei beschermd, aan de werking van de warmte ontsnapt was of

haar slechts gedeeltelijk ondergaan had. Misschien was de steen wel

zijn zwarte kleur aan die verhitting verschuldigd. Misschien was hij

ook vervluchtigd, maar in zijne schaal andermaal gekristalliseerd.

Al die gedachten doorkruisten bliksemsnel het brein van den ingenieur.

"Ik herinner mij nog zeer goed dien aardbrok, dien de Kaffer in de hand

geklemd hield op den dag der aardstorting," merkte een der mannen op,

toen de lachbui een weinig bedaard was. "Hij klemde hem zelfs zoo

stevig in zijne samengeknepen vingeren, dat men er van moest afzien

om hem los te laten."

"Er is geen twijfel meer!" sprak een andere. "Is het mogelijk

diamant te vervaardigen? Waarlijk, wij waren wel gek, toen wij dat

geloofden! Men kan even goed pogen een ster te maken!"

En allen begonnen weer te lachen.

Cyprianus leed voorzeker meer door die vroolijkheid, dan hij geleden

had tengevolge van hunne ruwheid.

Nadat die vijf mannen elkander met zachte stem geraadpleegd hadden,

hernam hun hoofd het woord.

"Wij zijn van gevoelen," zei hij, "dat er redenen zijn om de uitvoering

van het vonnis te schorsen. Gij zult vrij zijn, Cyprianus Méré. Maar

bedenk dat dit vonnis steeds op u drukt. Een woord, een teeken slechts

om de politie te waarschuwen, kost u het leven. Een goed verstaander

heeft slechts één woord noodig."

Daarop vertrokken hij en zijn makkers, terwijl het vertrek in het

donker gedompeld bleef. Cyprianus had kunnen gelooven, dat hij

slechts akelig gedroomd had, maar het snikken van Makatit, die op

den grond uitgestrekt lag en hardop huilde, liet niet toe dat hij aan

de wezenlijkheid van het afgespeelde tooneel twijfelde. Het was dus

waar! Hij was aan den dood ontsnapt, maar ten koste van een bloedige

vernedering! Hij, mijn-ingenieur! hij, leerling van de Polytechnische

school, uitstekend scheikundige, beroemd geoloog, hij was door de list

van een ellendigen Kaffer gefopt geworden! Of beter, hij was dat alles

verschuldigd aan zijn eigen ijdelheid, aan zijn zelfoverschatting. Ja,

daaraan had hij dien vreeselijken bok te wijten.

De Zuidster, het land der diamanten · 第 18 / 21 段