van al hetgeen gij in die grot zien zult!.... Zweert, dat gij nimmer
zult laten bemerken, dat gij het bestaan dier grot kent!.... Zweert,
dat gij nimmer zult trachten om er andermaal in te dringen, of ook
maar den ingang er van op te sporen!.... Zweert eindelijk, dat gij
aan niemand mededeelen zult, wat gij gezien hebt!"
Pharamond en Cyprianus staken de hand uit en herhaalden woord
voor woord het eedsformulier, dat hen voorgezegd werd. Tonaïa gaf
dadelijk daarop met fluisterende stem bevelen. Zijn hofhouding stond
op en zijn krijgslieden formeerden twee gelederen. Een paar dienaren
brachten twee lappen van fijn linnen, waarmede de twee vreemdelingen
geblinddoekt werden; daarna nam de koning tusschen hen beiden plaats
in een grooten strooien palankijn, die door een paar dozijn Kaffers
op hunne schouders genomen werd en die nu in optocht voortstapten.
De reis duurde vrij lang, minstens twee uren. Wanneer rekening gehouden
werd met den aard der schokken, die de palankijn ondervond, moesten
Pharamond en Cyprianus erkennen, dat zij door eene bergachtige streek
vervoerd werden.
Daarna merkten zij een afkoeling der lucht op, terwijl het
geluid der stappen van de lijfwacht en der dragers door de echo
weerkaatst werd, alsof tusschen dicht bij elkander staande wanden
gemarcheerd werd. Daaruit maakten zij op, dat men een onderaardsche
gang binnengetreden was. Eindelijk trof een harsachtige rook hunne
reukzenuwen, waaruit zij afleidden dat men fakkels ontstoken had om
den optocht te verlichten.
De marsch duurde nog ongeveer een kwartier uurs, waarna de palankijn
op den bodem neergezet werd. Tonaïa liet zijne gasten uitstappen en
liet hun den blinddoek afnemen.
Onder den invloed van de flikkeringen, welke het oog gewoonlijk
ondervindt, wanneer het, nadat zijn gezichtskracht voor een lange
poos opgeheven is geweest, plotseling aan de inwerking van het licht
blootgesteld wordt, verbeeldden Pharamond en Cyprianus zich eerst
dat zij aan eene soort van geestverrukking onderworpen waren, zulk
een prachtig en onverwacht schouwspel bood zich voor hunne oogen aan.
Beiden bevonden zich te midden van eene onmetelijke grot. De bodem was
bezaaid met fijn zand, dat glinsterde van de gouden lovertjes, die er
zich in bevonden. Het gewelf, hetwelk zich als dat eener Gothische
kathedraal verhief, verloor zich in eene voor den blik onpeilbare
hoogte. De wanden van dat onderaardsche bouwgewrocht waren getooid
met stalactiten, die eene groote verscheidenheid van kleuren en een
ongehoorden rijkdom ten toon spreidden, en waarop de weerkaatsing
van het licht der toortsen, stralenbundels te voorschijn tooverde,
die met de kleuren van den regenboog prijkten, en met schitteringen
vermengd waren, die aan gloeiovens, maar ook aan de pracht van
noorderlicht deden denken. De meest verschillende kleuren flikkerden
en smolten ineen, de meest grillige vormen, de meest onvoorziene
hellingen kenmerkten die ontelbare kristalvormingen. Het waren niet,
zooals in de meeste grotten voorkomen, eenvoudige legeringen van
gedroppelde kwarts, welker vormen zich met eene wanhopige regelmaat en
eentonigheid herhaalden. Hier had de natuur hare grillige luim geheel
en al botgevierd. Zij scheen zich tot taak gesteld te hebben, al de
combinatiën en schakeeringen der tinten, waartoe zich de glazuren der
minerale rijkdommen zoo verwonderlijk leenen, effectvol te vertoonen.
Rotsen van amethist, wanden van sardonix, legeringen van robijnen,
naalden van smaragd, die zuilenrijen als scheepsmasten van safier,
ijsbergen getooid met zeealgen, girandollen van turkooizen,
spiegels van opaal, aders van rooskleurige gips en van lapislazuli
met goudaderen gemarmerd,--in één woord, alles wat de kristalwereld
het meest schitterend kan aanbieden, was hier bijeengebracht om die
wonderbaarlijke spitsbogen op te trekken. Meer nog dan dat: alle
vormen, zelfs die uit de plantenwereld, schenen in beslag genomen te
zijn voor dien arbeid, welke geheel en al buiten het menschelijke
bevattingsvermogen viel. Tapijten van mineralische moskorsten, die
zoo wollig waren als de fijnste graszoden, boomvormige kristallen,
bloemen en vruchten in edelgesteenten, riepen bij wijlen die
tooverachtige lusthoven en tuinen in het geheugen terug, die door de
Japansche kunstenaars met zoo veel naïveteit weergegeven worden. Verder
vertoonde zich een kunstmatig meer, door een diamant van twintig meters
lang gevormd, die door het zand omlijst werd en eene geheel gereede
baan was voor luchtige schaatsenrijders. Luchtkasteelen van witten
agaatsteen, kiosken en torentjes van baryl of topazen, hoopten zich
in ontelbare verdiepingen op, totdat het oog, vermoeid door zooveel
pracht, eindelijk weigerde verder hen na te sporen. De straalbreking
eindelijk, de ontleding der lichtbundels te midden der prisma's,
die schitterende vuurwerkvonken, die overal als het ware opspatten
en in veelkleurige aren neervielen, riepen het meest verwonderlijke
akkoord van licht en kleuren te voorschijn, waardoor een menschenoog
ooit is verrast geworden.
Cyprianus Méré koesterde geen twijfel meer. Hij bevond zich plotseling
vervoerd in een van die verwonderlijke vergaarplaatsen, waarvan hij
sedert lang het bestaan gegist had en waarin de gierige natuur die
legeringen heeft kunnen ophoopen en kristalliseeren, welke zij slechts
noode, en dan nog maar in zeldzame en kleine stukken, aan den mensch
in de meest begunstigde placers afstaat. Gedurende een kort oogenblik
bekroop hem de twijfel omtrent de werkelijkheid van hetgeen hij onder
de oogen had, maar het was voldoende geweest, terwijl hij langs een
onmetelijke kristalbank voorbijging, haar te wrijven met den ring,
dien hij aan den vinger droeg, om verzekerd te zijn dat zij het
inkrassen weerstond. Zij bestond dus wel degelijk uit diamant, uit
robijn en uit safier, en wel in zulke onmetelijke massa, dat hare
waarde, naar den maatstaf, welken de menschen aan die mineralogische
bestanddeelen hechten, aan iedere berekening moest ontsnappen.
Alleen de sterrenkundige cijfergetallen zouden eene benadering,
weinig bevattelijk bovendien, hebben kunnen leveren. Inderdaad er
lagen daar onbekend en improductief, trillioenen en quadrillioenen
van milliarden aan waarde in den schoot der aarde verborgen.
Giste Tonaïa iets omtrent de onmetelijke rijkdommen, die hij daar
ter zijner beschikking had? Dat was niet waarschijnlijk; want
Pharamond Barthès, weinig op de hoogte van die zaken, scheen zelfs
geen begrip hoegenaamd te hebben, dat die verwonderlijke kristallen,
fijne edelgesteenten waren. De negerkoning meende ongetwijfeld slechts
de bewaker van een hoogst bijzondere grot te zijn, waarvan hem eene
godsspraak of eenige andere bijgeloovigheid belette het geheim te
openbaren.
Wat die opvatting bevestigde, was de opmerking, die Cyprianus weldra
maakte, dat een groot aantal menschenbeenderen op sommige plaatsen
in enkele hoeken van de grot opgehoopt lagen. Was zij dus eene
begraafplaats van den stam, of--wat eene nog vreeselijker, maar
toch meer waarschijnlijke vooronderstelling was--had zij gediend,
en diende zij nog, om eenige afschuwelijke godsdienstplechtigheid
te voltrekken, waarin menschenbloed vergoten werd, wellicht om aan
kannibalische neigingen te kunnen voldoen?
Tot deze laatste meening helde Pharamond Barthès over, want hij zeide
fluisterend tot zijn vriend:
"Tonaïa heeft mij toch verzekerd, dat sedert zijne troonsbestijging
geene dergelijke plechtigheid heeft plaats gehad. Maar ik erken,
dat het zien van die beenderen mijn vertrouwen zeer schokt!"
Hij wees daarbij op een hoop, die eerst sedert kort scheen opgericht
en waarop de werking van het vuur, alsof die beenderen gekookt en
gebraden waren, niet te miskennen was.
Die indruk werd eenige oogenblikken later geheel en al bevestigd.
De koning en zijn beide gasten waren in het achterste gedeelte van de
grot voor eene opening aangekomen, die wel iets had van eene zijkapel,
die in de lagere zijwaartsche gangen onzer basilieken uitgespaard
zijn. Achter een hek van ijzerhout, dat er den toegang van afsloot,
werd een gevangene ontwaard, die in eene houten kooi opgesloten zat,
welke ternauwernood ruimte genoeg bezat om hem toe te staan, gehurkt
er in te verwijlen. Blijkbaar was hij bestemd om vetgemest te worden,
waarna hij het hoofdbestanddeel van een feestmaaltijd zou uitmaken.
Dat was Makatit.
"Gij!.... gij!.... vadertje!" riep de rampzalige Kaffer uit, toen
hij Cyprianus herkende. "O, neem mij mede!--Verlos mij!.... Ik wil
nog liever naar Grikwaland terugkeeren, al moest ik gehangen worden,
dan hier in die kippenkooi te blijven verwijlen, in afwachting van de
vreeselijke marteling, die de wreede Tonaïa mij zal laten ondergaan,
alvorens mij op te peuzelen!"
Dat werd in het Fransch met eene zoo weemoedige stem geuit, dat
Cyprianus er zeer door bewogen werd.
"Het zal geschieden, zooals gij wenscht Makatit," antwoordde hij. "Ik
kan uwe invrijheidsstelling bewerken, maar gij komt uit die kooi niet,
alvorens den diamant teruggegeven te hebben."
"De diamant, vadertje!" riep Makatit uit. "De diamant.... maar dien
heb ik niet!.... Ik heb hem nooit gehad!.... Dat zweer ik.... ja,
dat zweer ik!"
Hij zeide dat op zulk een toon van oprechtheid, dat Cyprianus zeer
goed begreep, dat hij zijne eerlijkheid niet meer kon in twijfel
trekken. Men weet het bovendien, het had hem steeds veel moeite gekost
om Makatit voor den schuldige aan den gepleegden diefstal te houden.
"Maar," vroeg hij hem, "als gij dien diamant niet gestolen hebt,
waarom hebt ge dan de vlucht genomen?"
"Waarom, vadertje? Wel omdat men, toen mijne makkers de stokjesproef
ondergingen, zeide dat niemand anders de dief kon zijn dan ik, dat ik
listig te werk was gegaan om achterdocht te verijdelen. Nu weet gij
zeer goed, dat in Grikwaland, wanneer het een Kaffer geldt, men veel
spoediger met veroordeelen en hangen gereed is dan met onderzoeken
en ondervragen!.... Toen ben ik beangst geworden en heb ik als een
schuldige de vlucht genomen."
"Wat die arme duivel daar zegt, komt mij zeer waarschijnlijk voor,"
meende Pharamond Barthès.
"Ik twijfel er in het geheel niet meer aan," antwoordde Cyprianus,
"en waarlijk, ik kan hem geen ongelijk geven, dat hij gepoogd heeft
zich aan de rechtsbedeeling in Grikwaland te onttrekken!" En zich
tot Makatit wendende:
"Welnu, neen," ging hij voort, "ik twijfel aan uwe onschuld niet meer
ten opzichte van den diamant-diefstal. Maar men zal ons waarschijnlijk
in de Vandergaart-Kopjes-mijn niet gelooven wanneer wij uwe onschuld
zullen betuigen. Wilt gij die kans loopen, en er terugkeeren?"
"Ja!.... ik wil alles wagen, alles doorstaan, om niet langer hier
te blijven!" riep Makatit uit, die aan den hevigsten angst ten
prooi scheen.
"Wij zullen die zaak in behandeling nemen," antwoordde Cyprianus,
"en mijn vriend Pharamond Barthès zal haar ongetwijfeld wel tot een
goed einde brengen!"
En inderdaad, de jager, die geen tijd verloren liet gaan was reeds
met Tonaïa in onderhandeling.
"Spreek vrij uit!...." vroeg hij aan den negerkoning, "wat moet gij
in ruil voor uwen gevangene hebben?"
"Ik moet vier geweren tien maal tien patronen voor elk wapen en vier
zakjes met glazen kralen hebben.--Dat is niet te veel niet waar?"
"Dat is twintigmaal te veel; maar Pharamond Barthès is uw vriend en
hij zal alles doen om u aangenaam te zijn. Luister, Tonaïa," ging
hij na een poos nadenkens voort, "gij zult de vier geweren, de vier
honderd patronen en de vier zakjes met glazen kralen hebben. Maar gij
van uwen kant zult ons een span ossen leveren, eene eerewacht met de
noodige levensmiddelen, om mijn geheele gezelschap door de Transvaal
te voeren."
"Top!" antwoordde Tonaïa. Die zaak is beklonken!"
Daarop boog hij zich vertrouwvol tot Pharamond en fluisterde hem in
het oor:
"De ossen zijn dadelijk gevonden. Het zijn die, welke mijne lieden
ontmoet hebben, toen zij naar hunne stallen wilden terugkeeren en die
zij naar mijne kraal gedreven hebben. Dat was geheel en al volgens
het oorlogsgebruik, niet waar?"
De gevangene werd toen terstond ontslagen, en na nog een laatsten
blik gewijd te hebben aan de pracht der grot, keerden Cyprianus,
Pharamond en Makatit, na zich geduldig te hebben laten blinddoeken,
naar het paleis van Tonaïa terug, waar een groot feestmaal gegeven
werd, om het sluiten van het verdrag te vieren.
Eindelijk werd nog besloten dat Makatit niet dadelijk in de
Vandergaart-Kopjes-mijn zoude verschijnen; dat hij in de omstreken
zou verwijlen en dan eerst zijn dienst bij den jongen ingenieur
zou hervatten, wanneer deze laatste verzekerd er van zoude zijn,
dat zulks zonder gevaar kon geschieden. Zooals men wel zien zal,
was dat geen noodelooze voorzorg.
Pharamond, Cyprianus en Makatit vertrokken dientengevolge den volgenden
morgen met een flinke eskorte naar Grikwaland. Maar men kon zich thans
geene illusiën meer scheppen! De _Zuidster_ was onherroepelijk verloren
en master Watkins zou haar niet kunnen laten schitteren in den Tower
van Londen, te midden van de schoonste kroonjuweelen van Engeland!
TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
DE TERUGKEER.
Nooit had John Watkins in zulk een booze luim verkeerd, dan sedert
het vertrek der vier mededingers, die den vluchtenden Makatit zouden
vervolgen. Iedere dag, iedere week, die voorbij snelde, scheen hem
een karaktergebrek te meer te verleenen, terwijl de kansen, die
hij meende te hebben tot terugerlanging van den kostbaren diamant,
al minder en minder werden. Daar kwam nog bij, dat hem zijne gewone
tafelschuimers ontbraken, te weten: James Hilton, Friedel, Hannibal
Pantalucci en zelfs Cyprianus, dien hij gewoon was in zijn gezelschap
te zien. Hij zocht dus zijn troost in zijne jeneverkruik en, het moet
wel erkend worden, die alcoholische troost was niet geschikt om zijne
inborst te verzachten.
Men had bovendien wel reden op de hoeve zich omtrent het lot der
overblijvenden van den tocht ongerust te maken. Want inderdaad, Bardik,
die door eene bende Kaffers opgelicht werd, was er in geslaagd, eenige
dagen later te ontsnappen. Bij zijn terugkeer in Grikwaland had hij
John Watkins den dood van James Hilton en van Friedel medegedeeld. Dat
was wel een slecht voorteeken voor de overlevenden, namelijk voor
Cyprianus Méré, voor Hannibal Pantalucci en voor den Chinees Li.
Alice gevoelde zich dan ook zeer ongelukkig. Zij zong niet meer en
haar piano bleef volmaakt stom. Ter nauwernood konden hare struisvogels
haar nog eenige belangstelling inboezemen. Zelfs Dada had het voorrecht
niet meer hare meesteres door haar gulzigheid te doen glimlachen. Zij
slokte straffeloos de meest uiteenloopende zaken naar binnen, zonder
dat iemand dat belette.
Miss Watkins zat nu tusschen twee vreezen benepen, die al grooter
en grooter in hare verbeelding werden. De eerste was: dat Cyprianus
nimmer van dien verwenschten tocht zoude wederkeeren; de tweede:
dat Hannibal Pantalucci, de meest verafschuwde der drie mededingers
om hare hand de _Zuidster_ kon terugbrengen en den prijs van zijn
welslagen kon vorderen. Het denkbeeld dat zij genoodzaakt zou kunnen
worden als de wederhelft op te treden van dien boosaardigen en sluwen
Napolitaan, die haar eene onoverwinnelijke walging inboezemde, vooral
sedert zij een meer bevallig mensch, als Cyprianus Méré van nabij
had leeren kennen en waardeeren, was haar onverdragelijk, maar die
gedachte was toch niet te verdrijven. Zij dacht er over dag en zij
droomde er des nachts van. Hare frissche kleur verbleekte en hare
blauwe oogen benevelden zich met een somber waas.
Nu wachtte zij zoo reeds drie maanden in zak en asch. Dien avond
juist zat zij bij de lamp, terwijl haar vader bij zijne kruik jenever
ingedommeld was. Zij had het hoofd over eenig borduurwerk, dat zij ter
hand genomen had, om de verwaarloosde muziek te vervangen, voorover
gebogen, en mijmerde zoo droefgeestig mogelijk.
Een bescheiden geklop brak plotseling hare droomerijen af.
"Binnen!" riep zij, vrij verwonderd, dat iemand nog zoo laat kon komen.
"Ik ben het slechts, miss Watkins," antwoordde eene stem, die haar
deed trillen. Het was de stem van Cyprianus.
Hij was het waarlijk, maar bleek, vermagerd, door de zon gebruind,
met een langen baard, die hem schier onherkenbaar maakte, met kleêren
aan het lijf, die door de gebeurtenissen, welke zij beleefd hadden,
meer dan geleden hadden. Maar al zag hij er armzalig uit, hij was
steeds vlug ter been, steeds beschaafd en beleefd, met een helderen
blik en een glimlach op de lippen.
Alice was met een kreet van verwondering en vreugde opgesprongen. Met
hare eene hand poogde zij het kloppen van haar hart te bedwingen, de
andere stak zij evenwel den jeugdigen ingenieur toe, die haar greep,
haar tusschen de zijne sloot, toen master Watkins, uit zijne dommeling
ontwakende, de oogen opende en vroeg wat er toch gaande was.
De dronkaard had een paar minuten noodig, om zich omtrent de
werkelijkheid rekenschap te geven. Maar nauwelijks was een sprank
van bewustzijn in dat hoofd teruggekeerd, toen hem een kreet--ja,
waarlijk een kreet des harten ontsnapte:
"En de diamant?"
De diamant? Helaas! neen, die was niet mee teruggekomen.
Cyprianus verhaalde vlug al de verschillende tafereelen der expeditie:
hoe Friedel, Hannibal Pantalucci en James Hilton den dood gevonden
hadden. Hij vertelde de vervolging van Makatit, diens gevangenschap
bij Tonaïa, maar hij verzweeg diens terugkeer in Grikwaland,--hoewel
hij openhartig zijn zekerheid mededeelde, omtrent de onschuld van
den jeugdigen Kaffer. Hij vergat niet zijn volle waardeering omtrent
de toewijding van Bardik en van Li te doen blijken; hij bracht
alle hulde aan de vriendschap van Pharamond Barthès en herinnerde
zich gaarne alles, wat hij aan den koenen jager verschuldigd was,
en hoe hij door zijne tusschenkomst het geluk had, om terug te komen
van eene reis, die zoo noodlottig voor zijne tochtgenooten geweest
was. Geheel onder den indruk van de aandoening, die hem zijn eigen
tragisch verhaal inboezemde, bedekte hij wetens en willens met den
mantel der liefde al de tekortkomingen en al de snoode en misdadige
plannen zijner mededingers, en verkoos hij in hen niets anders te zien
dan slachtoffers, omgekomen bij het najagen van een gemeenschappelijk
doel. Hij verhaalde alles, behalve datgene waarvan hij geheimhouding
gezworen had, te weten het bestaan van de wondergrot en van de
rijkdommen aan mineralen, welke zij bevatte en waarbij vergeleken,
al de diamanten van Grikwaland waardeloos grint waren.
"Tonaïa," zoo eindigde hij zijn verhaal, "heeft stipt alle zijne
overeenkomsten vervuld. Twee dagen nadat wij in zijne hoofdstad
aangekomen waren, was alles tot ons vertrek gereed. Alles, alles:
zoowel mondvoorraad als de bespanningen en het eskorte. Ongeveer drie
honderd negers, die met meel en gerookt vleesch beladen waren en onder
de bevelen van den koning in persoon stonden, hebben ons tot bij het
kampement vergezeld, waar wij onzen wagen in zeer goeden staat en
onder struikgewas verborgen, terugvonden. Wij hebben toen afscheid
van onzen gastheer genomen, na hem vijf geweren te hebben gegeven
in plaats van vier, waarop hij rekende, waardoor hij de machtigste
potentaat geworden is, die tusschen de Limpopo en de Zambezi-rivier
aangetroffen kan worden!"
"Maar hoe is de reis geweest van dat kampement af?".... vroeg miss
Watkins.
"O, die terugreis ging zeer langzaam," antwoordde Cyprianus, "hoewel
wij daarbij geen moeielijkheden of wederwaardigheden ondervonden. Het
eskorte heeft ons eerst op de grenzen van de Transvaal verlaten,
waar ook Pharamond Barthès en zijne Bassuto's afscheid van ons
hebben genomen om naar Durban te reizen. Eindelijk na een marsch
van veertien dagen dwars door het Veld, zijn wij hier aangekomen,
evenwel niet rijker dan toen wij vertrokken."
"Maar waarom is Makatit ontvlucht?" vroeg master Watkins, die dat
verhaal met eene levendige belangstelling aangehoord had, evenwel
zonder eene bijzondere aandoening te laten blijken omtrent de drie
mannen, die niet meer terugkomen zouden.
"Makatit vluchtte, omdat hij ijlhoofdig van angst was," antwoordde
de jeugdige ingenieur.
"Bestaat er dan geen gerechtigheid meer in Grikwaland?" vroeg de
pachter, terwijl hij de schouders optrok.
"Hoe het ook zij, ik herhaal dat hij niet schuldig is, en ik hoop
dat men hem met rust zal laten."
"Hm!" kuchte John Watkins, die de waarde van die betuiging niet
bijster hoog scheen te schatten. "Zoudt ge niet eerder gelooven,
dat die looze Makatit slechts de bangoor gespeeld heeft, om buiten
het bereik der politie te geraken?"
"Neen!.... hij is onschuldig!.... Mijne overtuiging is dienaangaande
onherroepelijk gevestigd!" antwoordde Cyprianus wel wat kortaf,
"en ik heb die overtuiging duur genoeg gekocht, dunkt mij."
"O, ik tast uwe overtuiging niet aan!" riep John Watkins uit, "maar
laat mij ook de mijne!"
Alice zag in, dat die woordenwisseling in twist ontaarden zou. Zij
haastte zich dus er eene afleiding aan te geven:
"A propos, mijnheer Cyprianus Méré," zeide zij, "weet gij wel dat
uwe claim gedurende uwe afwezigheid uitmuntend is geworden en dat
uw vennoot Thomas Staal op weg is een der rijkste mijnwerkers van de
Kopjes-mijn te worden?"
"Neen," antwoordde Cyprianus openhartig, "dat wist ik niet. Mijn
eerste bezoek heeft u gegolden, miss Watkins, en ik weet niets van
hetgeen in mijne afwezigheid is voorgevallen."
"Misschien hebt gij zelfs niet gegeten?" vroeg Alice met dat
vrouwelijke instinct, hetwelk eene goede huismoeder kenmerkt.
"Dat beken ik gul uit," antwoordde Cyprianus met een blos, hoewel er
geen reden tot blozen bestond.
"Maar gij kunt toch zoo niet heengaan, zonder iets gegeten te hebben,
mijnheer Méré!.... Een pas van ziekte herstellende.... na eene
zoo moeielijke reis!.... Denk er toch aan, het is reeds elf uur in
den avond!"
En zonder naar zijne tegenkantingen te luisteren, liep zij naar
de huiskamer en kwam weldra met een blaadje terug, dat met een
helderwitten doek overdekt was en waarop een paar borden met koud
vleesch stonden, alsook een fraaie perziken-taart, die zij zelve
gemaakt had.
De tafel was weldra gedekt voor Cyprianus, die geheel verlegen was. En
daar hij scheen te aarzelen, om het mes in eene prachtige "biltong",
een soort verduurzaamd struisvogelenvleesch, te zetten, vroeg miss
Watkins met haren frisschen glimlach:
"Zal ik het u voorsnijden?"
De vader van het meisje scheen bij dat gastronomisch vertoon eetlust te
krijgen. Hij vroeg althans ook een bord en eene snede biltong. Alice
haastte zich snel, om hem niet te laten wachten en, om de heeren
gezelschap te houden, begon zij eenige amandelen te knabbelen.
Dat geïmproviseerde souper was verrukkelijk. Nimmer had de jeugdige
ingenieur zooveel eetlust ondervonden. Hij bediende zich drie malen van
de perziken-taart, dronk twee glazen Constantiawijn en bekroonde die
heldendaden luisterrijk door er in toe te stemmen de gin te proeven
van master Watkins, die evenwel weer spoedig insliep.
"En wat hebt gij sedert drie maanden uitgevoerd?" vroeg Cyprianus aan
Alice. "Ik vrees, dat gij al wat gij van de scheikunde geleerd hebt,
vergeten zijt!"
"Daarin vergist gij u, mijnheer Méré," antwoordde miss Watkins op
ietwat verwijtenden toon. "Ik heb integendeel hard gestudeerd en
ik heb mij zelfs veroorloofd eenige proeven in uw laboratorium te
nemen. O! wees gerust, ik heb niets gebroken en ik heb alles weer op
zijne plaats gezet. Ik houd veel van de scheikunde en ik heb nimmer
kunnen begrijpen, dat gij die prachtige wetenschap hebt kunnen vaarwel
zeggen, om mijnwerker in de Kopjes-mijn te worden!"
"Gij zijt wreed, miss Watkins. Gij weet zeer goed, waarom ik de
scheikunde vaarwel gezegd had!"
"Ik.... ik weet er niets van," antwoordde Alice hevig blozende. Ik
vind dat gij zeer verkeerd gedaan hebt. Als ik in uwe plaats was dan
zou ik andermaal beproeven diamanten te vervaardigen. Dat is veel
netter dan zoo in den grond te wroeten."
"Is dat een bevel, hetwelk gij mij geeft?" vroeg Cyprianus met eene
ietwat bevende stem.