Toen het eerste oogenblik van kwade luim voorbij was, beschouwde hij

dien regen als een verkwikkend stortbad, dat hem de droogte en de

warmte van de vorige dagen vergoedde. Hij maakte zich wijs, om zich

zelven over dat koopje te troosten, dat die regen niets onaangenaams in

zich had. Wat hem evenwel minder beviel, was dat hij zijn middagmaal

zoo niet geheel rauw, dan toch geheel koud moest gebruiken. Vuur toch

te doen ontbranden, of ook maar een lucifer te doen ontvlammen in zoo'n

weer, was totaal onmogelijk en daaraan kon niet gedacht worden. Hij

vergenoegde zich dus met een blik verduurzaamde levensmiddelen te

openen en den inhoud, zooals hij was, op te peuzelen.

Een of twee uur later voelde de jeugdige ingenieur zich verkleumd

door den killen regen. Hij legde zijn hoofd op een zwaren steen,

wikkelde zich in zijne druipende deken en sliep in. Toen hij wakker

werd, was het reeds geheel dag en leed hij aan eene zware koorts.

Cyprianus begreep dat hij verloren was, wanneer hij in dien stortregen

bleef, want het weer was al slechter en slechter geworden, zoodat nu

het water met stroomen uit de lucht viel. Hij poogde overeind te komen

en geleund op zijn geweer, hetwelk hij als een steunstok gebruikte,

begon hij den berg af te dalen.

Hoe kwam hij beneden? Dat zou hij waarachtig niet hebben kunnen

zeggen. Nu eens rolde hij langs de kletsnatte hellingen, dan weer liet

hij zich langs kletsnatte rotsen afglijden en zoo zette hij gehavend,

hijgend, verblind, door de koorts verteerd, den weg voort en kwam

tegen het middaguur in de kampementsplaats aan, waar hij zijne giraffe

had achtergelaten.

Maar het dier was weg. Het was waarschijnlijk ongeduldig geworden,

toen het zich zoo alleen zag; het was waarschijnlijk ook door den

honger gekweld geworden, want het gras was, tot zoover het touw het

dier toegelaten had te reiken, schoon afgegraasd. Het had dan ook dat

touw aangetast en was vrij geworden, toen het dit doorgeknabbeld had.

Cyprianus zou dien nieuwen slag, dien het ongeluk hem toebracht,

gevoeld hebben, wanneer hij in zijn normalen toestand geweest

ware. Maar hij was uitermate moede en de loomheid daardoor veroorzaakt,

liet hem de kracht daar niet toe. Toen hij aangekomen was, kon hij

nog slechts zijn ransel grijpen, dien hij gelukkig terug vond, om

droge kleederen aan te trekken. Daar nu viel hij doodvermoeid onder

een broodvruchtenboom neer, die de kampementsplaats overschaduwde.

Toen ondervond hij een zonderlingen toestand van slaperigheid, van

koortsachtigheid, van ijlhoofdigheid, waarin al zijne gewaarwordingen

zich oplosten, waarin de tijd, de ruimte, de afstanden geen

beteekenis voor hem hadden. Was het nacht of dag? Regende het,

of scheen de zon? Hoe lang lag hij daar? Sedert twaalf uren of

sedert zestig? Leefde hij nog, of was hij dood reeds? Hij was

onmachtig daarop te antwoorden. De meest behaaglijke droomen en de

verschrikkelijkste spookgezichten wisselden elkander voortdurend in

zijn ziek brein af. Parijs, de mijnschool, de ouderlijke haard, de

hoeve te Vandergaart-Kopje Kopje, Miss Watkins, Hannibal Pantalucci,

Hilton, Friedel en legioenen olifanten. Makatit en geheele vluchten

vogels die over een hemel zonder grenzen verspreid waren, al zijne

herinneringen, al zijne gewaarwordingen, al zijne antipathieën,

al zijne teedere gevoelens, woelden in zijne hersenen als in eene

onmetelijken maalstroom. Bij die scheppingen der koorts mengden zich

soms gewaarwordingen, die hare oorzaak buiten hem hadden. Wat vooral

vreeselijk was, dat was dat de zieke te midden van een ontzettend

gejank van jakhalzen, van een gemauw van tijgerkatten, van een

gegrinnik van hyena's den roman, door zijne ijlhoofdigheid opgewekt,

onbewust, onafgebroken voortzette en eindelijk een geweerschot meende

te hooren, dat door eene diepe stilte opgevolgd werd. Daarna viel

het helsche concert andermaal met vernieuwde kracht in, om tot het

aanbreken van den dag te duren.

Ongetwijfeld zou Cyprianus in die ijlhoofdigheid en zonder er

eenig bewustzijn van te hebben, uit de koorts in de armen des doods

overgegaan zijn, wanneer niet de meest vreemde, de meest buitensporige

gebeurtenissen, ten minste oppervlakkig beschouwd, den natuurlijken

gang van zaken hadden komen storen.

Toen de dageraad aangebroken was, had de regen opgehouden, en

toen Cyprianus ontwaakte, stond de zon reeds vrij hoog boven den

horizon. Hij deed flauw en mat de oogen open en ontwaarde, maar zonder

dat dit zijne nieuwsgierigheid opwekte, een grooten struisvogel,

die naar hem toe kwam en op een afstand van twee of drie passen

bleef staan.

"Zou dat de struisvogel van Makatit zijn?" vroeg de ingenieur zich

af, steeds meenende te doen te hebben met de ijle beelden zijner

zieke hersenen.

De steltlooper in persoon zou hem antwoorden en--wat meer wil

zeggen--zou hem in zuiver Fransch antwoorden.

"Waarachtig, ik bedrieg mij niet!.... Cyprianus Méré!.... Wat drommel,

mijn arme makker, voer jij hier uit?"

Een struisvogel, die Fransch sprak! Een struisvogel, die zijn naam

wist! Inderdaad daar was stof genoeg voorhanden, om een gewoon verstand

en om gezonde hersenen van streek te brengen. Welnu, Cyprianus was

volstrekt niet verwonderd over dat schier onmogelijk verschijnsel;

hij vond het integendeel geheel natuurlijk. Zijne droomen hadden hem

wel andere tafereelen gedurende den afgeloopen nacht doen zien! Het

scheen hem het eenvoudige gevolg toe van zijne ijlhoofdigheid, van

zijne zieke hersenen.

"Gij zijt niet zeer beleefd, mijnheer de struisvogel!" antwoordde

hij. "Met welk recht spreekt gij mij zoo gemeenzaam met jij aan?"

Die woorden werden op dien drogen, hortenden toon, zoo gewoon bij

koortslijders, die geen twijfel omtrent den aard hunner ziekte

overlaat, uitgestoten. De struisvogel scheen er bewogen door.

"Cyprianus!.... mijn vriend!.... Je bent ziek en.... zoo geheel alleen

in de wildernis!" riep hij uit, terwijl hij zich bij den zieke op de

knieën wierp.

Dat was een psychiologisch verschijnsel nog gekker bij dien steltlooper

dan het spraakvermogen; want het buigen der knieën is eene beweging,

welke aan die dieren door de natuur gewoonlijk verboden is. Maar

Cyprianus verwonderde zich in zijn koortsachtigen toestand ook daarover

niet. Hij vond het zelfs zeer natuurlijk, dat die struisvogel een

lederen flesch met frisch water gevuld, dat met cognac aangemengd was,

van onder zijn linkervlerk te voorschijn haalde en hem de halsopening

tusschen de lippen bracht.

Het eenige wat hem begon te verwonderen, was toen het vreemdsoortige

dier opstond en daarbij eene soort opperhuid afwierp, die zijn

natuurlijk gevederte scheen te zijn, en daarna ook een langen

hals, waarop een vogelkop prijkte, aflegde; maar toen, toen eerst

vertoonde zich die struisvogel, nadat hij zijn geleende pak had ter

zijde geschopt, onder de gedaante van een grooten, stevigen kerel,

die niemand anders was dan Pharamond Barthès, groot jager voor Gods

aangezicht en voor de menschen!

"Welnu ja!.... ik ben het," riep Pharamond uit. "Heb je dan mijne

stem bij de eerste woorden, die ik sprak, niet herkend?.... Je bent

over mijn opschik verwonderd? Dat is een krijgslist, die ik van de

Kaffers geleerd heb, om de echte struisvogels dicht genoeg te kunnen

naderen, om hen met de assagaai te kunnen dooden!.... Maar laat

ons over jou spreken, arme vriend!.... Hoe kom je hier, zoo ziek en

verlaten?.... Het is wel het grootste toeval van de wereld te noemen,

dat ik je ontdekt heb, terwijl ik hier ronddrentelde. Ik wist niet

eens, dat je in dit land waart!"

Cyprianus was niet in staat veel te spreken. Hij kon zijn vriend

dan ook slechts zeer oppervlakkige inlichtingen geven omtrent zijn

persoon. Daarenboven, Pharamond begreep van zijn kant zeer goed, dat

in de gegeven omstandigheden het verleenen van hulp aan den zieke

wel de meeste haast vereischte. Die hulp had den armen drommel tot

nu toe ontbroken en daarin moest nu voorzien worden.

Die koene jager had sedert zijn aankomst in dat land veel ervaring

der woestijn opgedaan. Hij had onder anderen eene bijzondere maar

afdoende geneeswijze voor de moeraskoorts, waaraan zijn arme makker

leed, van de Kaffers geleerd.

Pharamond Barthès begon dan ook dadelijk in den grond een soort kuil

te graven, die hij met hout vulde, nadat hij eene opening uitgespaard

had, om de lucht toe te laten. Hij stak dat hout in brand en toen het

tot asch verteerd was, kon die kuil als een werkelijke oven beschouwd

worden. Daarna legde Pharamond Barthès zijn vriend Cyprianus er in,

dekte hem zorgvuldig toe en liet slechts zijn hoofd vrij. Geen tien

minuten waren nog verloopen, toen bij den zieke een geweldig zweet

uitbrak. De zweetkuur werd door den nieuwbakken dokter zoo overvloedig

mogelijk onderhouden, door de toediening van vijf of zes koppen van

een aftreksel, dat hij van eenige hem bekende kruiden vervaardigd

had. Cyprianus viel weldra in die stoof in een diepen en weldadigen

slaap.

De zon neigde ten ondergang, toen hij de oogen weer opende. Hij

gevoelde zich toen zoo bepaald verlicht en beter, dat hij om eten

vroeg. Zijn vindingrijke vriend wist voor alles raad. Hij zette hem

dadelijk een overheerlijke soep voor, die hij van de opbrengst zijner

jacht en van verschillende soorten wortels gekookt had. Een vleugel van

een gebraden trapgans en een kommetje met water, waarin een scheutje

cognac, voltooiden dat maal, hetwelk aan Cyprianus eenigermate zijne

krachten terugschonk, en de nevelen, die zijn brein verduisterden,

verdreef.

Een uur later was Pharamond Barthès, die op zijn beurt ook voor den

stoffelijken mensch gezorgd had, bij den jongen ingenieur neergezeten

en verhaalde hem, hoe hij hier kwam in dien zoo vreemden tooi, waarin

hij zich voor zijn vriend vertoond had.

"Ge weet," zei hij, "waartoe ik in staat ben, wanneer het geldt

eenig nieuw wild na te jagen. Nu heb ik in de laatste zes maanden

zooveel olifanten neergelegd, zooveel zebra's, zooveel giraffen,

zooveel leeuwen en andere wildstukken van den meest uiteenloopenden

pels of van het meest verschillend gevederte--onder welke laatste

een menschenvretende arend, de trots van mijne verzameling,--dat het

denkbeeld eenige dagen geleden bij mij opkwam, om mijne jachtvermaken

eenigermate af te wisselen. Tot dusver reisde ik steeds rond,

omgeven door mijne Bassuto's--een dertigtal stevige vastbesloten

kerels, die ik maandelijks met een zakje glaskoralen betaal, en

die zoo veel toewijding voor mij gevoelen, dat zij zich voorzeker

voor hunnen heer en meester in het vuur zouden werpen. Maar onlangs

genoot ik gastvrijheid bij Tonaïa, het groote opperhoofd in deze

streken. Ik had hem bezocht om het jachtrecht op zijn grondgebied

te verkrijgen, een recht waaraan hij nog meer gehecht is dan een

Schotsche lord. Hij verzocht mij mijne Bassuto's en vier geweren te

leen om een krijgstocht te ondernemen, dien hij tegen een van zijne

naburen beraamde. De vermeerdering van macht en die bewapening hadden

hem eenvoudig onoverwinnelijk gemaakt, en hij heeft dan ook den meest

schitterenden triomf op den vijand behaald. Dat is de oorzaak van

eene onverbreekbare vriendschap, die ons verbindt, eene vriendschap,

welke wij met ons bloed bezegeld hebben, dat wil zeggen: dat wij ons

zelven eene kleine verwonding aan den voorarm toegebracht hebben en

dat wij dit wondje uitgezogen hebben, wel te verstaan hij het mijne

en ik het zijne! Voortaan zijn wij, Tonaïa en ik, vrienden tot in

den dood! Overtuigd dat ik voortaan in de geheele uitgestrektheid

zijner bezittingen niets meer te vreezen heb, ben ik eergisteren

op weg gegaan om jacht op tijgers en op struisvogels te maken. Wat

de eersten betreft, ik heb het genoegen gehad verleden nacht een

tijger neer te leggen, en het zou mij verwonderen, wanneer je het

spektakel niet gehoord hebt, hetwelk mijn schot voorafging. Verbeeld

je, ik had mijne veldtent opgeslagen bij het lichaam van een buffel,

dien ik in den loop van den dag gedood had, natuurlijk in de hoop om

zoo'n roofdier in het midden van den nacht te zien verschijnen. En

werkelijk mijne hoop werd verwezenlijkt: een dier snuiters werd door

den doordringenden reuk van het aas aangelokt; maar het ongeluk wilde,

dat twee- of driehonderd jakhalzen, hyena's en tijgerkatten dezelfde

werking ondervonden en ook genaderd waren. Die voerden een wanluidend

concert uit, dat voorzeker tot hier heeft moeten doordringen."

"Ik geloof, dat ik zoo iets gehoord heb," antwoordde Cyprianus. "Ja,

zeker, ik meende zelfs, dat dit concert ter mijner eere gegeven werd."

"Waarachtig niet, waarde vriend!" riep Pharamond Barthès uit. "Niet

ter uwer eer, maar ter eere van een buffelkreng, dat daar ginds lag in

dat dal, wat gij van hier aan uwe rechterzijde zien kunt. Toen de dag

aangebroken was, bleef niets anders over van den kolossalen herkauwer

dan zijn geraamte! Ik zal je dat vertoonen; het is een kunststuk op

het gebied der ontleedkunde!.... Je zult ook mijn tijger zien, het

fraaiste dier, dat ik neergelegd heb, sedert ik Afrika's jachtvelden

betreden heb. Ik heb hem afgestroopt en zijn pels hangt aan een boom

om te drogen!"

"Maar die vreemdsoortige opschik, dien je heden morgen droegt?" vroeg

Cyprianus.

"Dat was een struisvogel-costuum. Zooals ik je gezegd heb, gebruiken

de Kaffers vaak die list, om die steltloopers, die zeer wantrouwend en

daardoor moeielijk te schieten zijn, te kunnen naderen!.... Ge zult

zeggen, dat ik daarvoor mijne uitmuntende buks heb!.... Dat is wel

waar, maar wat zal ik u zeggen? De gril om op Kafferwijze te jagen,

heeft mij verleid en zie, die gril heeft mij het geluk verschaft,

u te ontmoeten en dat zeer van pas, nietwaar?"

"Ja zeker, zeer van pas, Pharamond!.... Ik geloof zelfs, dat ik,

zonder u, reeds niet meer tot deze aarde zou behooren!" antwoordde

Cyprianus, terwijl hij zijn vriend hartelijk de hand schudde.

Hij bevond zich nu buiten zijn stooftoestel en lag op een bed

uitgestrekt, dat zijn makker hem aan den voet van den broodboom

gespreid had.

Maar de wakkere kerel liet het daar niet bij. Hij wilde zijne veldtent,

die hij steeds bij zijne omzwervingen bij zich droeg, in het naburige

dal gaan halen, en een kwartier was nog niet verloopen, toen hij reeds

bij zijn dierbaren zieke terug was en hij die tent opgeslagen had.

"En nu, vriend Cyprianus," zei hij, "laat mij thans uwe geschiedenis

vernemen, wanneer ten minste het verhaal u niet vermoeien zal?"

Cyprianus voelde zich krachtig genoeg, om aan de zeer natuurlijke

nieuwsgierigheid van Pharamond Barthès te kunnen voldoen. Zeer ter

loops vertelde hij wat hem in Grikwaland overkomen was, waarom hij dat

land verlaten had, waarom hij Makatit en zijn diamant achtervolgde. Hij

verhaalde de voornaamste gebeurtenissen van dien tocht, hoe Hannibal

Pantalucci, hoe Friedel en hoe James Hilton omgekomen waren. Hij

vertelde het verdwijnen van Bardik en eindelijk hoe hij op Li zat te

wachten, die naar het kampement moest terugkeeren.

Pharamond Barthès luisterde met alle aandacht. Toen Cyprianus hem

vroeg of hij niet een jongen Kaffer, waarvan hij hem het signalement

gaf, en die niemand anders dan Bardik was, ontmoet had, antwoordde

hij ontkennend.

"Maar," zei hij, "ik heb een ronddolend paard opgevangen, dat het

uwe wel kan zijn."

Hij verhaalde daarop, hoe hem dat paard in handen was gevallen.

"Het is juist twee dagen geleden," zei hij, "toen ik met drie mijner

Bassuto's in het zuidelijk gebergte jaagde. Eensklaps zag ik een

prachtig grijs paard uit een hollen weg komen aansnellen. Het had

niets anders dan een halster om, waaraan een lang touw sleepte. Het

dier scheen onbesloten wat te doen, en kwam dadelijk naar mij toe,

toen ik het een handvol suikerriet liet zien. Zie, zoo heb ik hem

gevangen.--Het is een prachtig dier vol vuur en vol moed en hard van

vleesch als een gerookte ham."

"Dat is mijn paard.... Dat is Templar!" zei Cyprianus.

"Welnu, waarde vriend, dan is Templar weer uw eigendom! Het is mij

een waar genoegen het u te kunnen teruggeven. Kom, ik wensch u goeden

nacht. Slaap thans weer in. Morgen ochtend bij het krieken van den

dag zullen wij deze heerlijke plek verlaten!"

En zijn raad met het voorbeeld gepaard doende gaan, wikkelde Pharamond

Barthès zich in zijn deken en sliep in.

Den volgenden ochtend kwam de Chinees juist met eenige provisieën in

het kampement terug. Pharamond had dan ook al den tijd om hem op de

hoogte te stellen, voor dat Cyprianus ontwaakt was. Hij droeg hem op

zijn baas te bewaken, terwijl hij het paard ging halen, welks verlies

voor den jeugdigen ingenieur zoo smartelijk was geweest.

NEGENTIENDE HOOFDSTUK

DE WONDERGROT.

Het was inderdaad Templar, dien Cyprianus bij zijn ontwaken voor zich

zag. Het wederzien was van beide kanten uitermate liefderijk. Men zou

gezegd hebben, dat het paard bijna evenveel genoegen smaakte als zijn

berijder over de ontmoeting.

Cyprianus voelde zich sterk genoeg om na het ontbijt te paard te

stijgen, ten einde dadelijk te vertrekken. Pharamond laadde al de

bagage, die niet veel was, op het achterstel van Templar, greep het

dier bij den teugel en aanvaardde de reis naar de hoofdstad van Tonaïa.

Onderweg verhaalde Cyprianus, thans evenwel in meerdere bijzonderheden,

de voornaamste voorvallen van zijn tocht sedert zijn vertrek uit

Grikwaland. Toen hij de laatste verdwijning van Makatit verteld had,

wiens signalement hij beschreef, begon Pharamond te lachen.

"Kijk, kijk," zei deze, "dat is aardig! Ik geloof, dat ik u tijdingen

van den dief kan geven."

"Hoe dat zoo?" vroeg Cyprianus verrast.

"Luister. Mijne Bassuto's hebben nu zoo wat vier en twintig uren

geleden een jongen Kaffer gevangen genomen, die in deze streken

rondzwierf, en gebonden aan Tonaïa overgeleverd. Ik geloof wel,

dat die voornemens was, hem van een leelijke kermis te huis te laten

komen; want hij is erg bang voor verspieders, en de Kaffer, tot een

vijandigen stam behoorende, kon van niets anders verdacht worden. Men

heeft hem evenwel tot nu toe het leven gespaard. Tot zijn geluk kende

de arme drommel eenige goochelaarstoeren, waardoor hij zich voor een

toovenaar kon uitgeven...."

"O! een toovenaar," riep Cyprianus uit. "Nu is er geen twijfel meer,

dat is Makatit."

"Welnu, hij kan er op pochen, dat hij een fameusen dans ontsprongen

is. Tonaïa heeft voor zijne vijanden een groote verscheidenheid van

folteringen uitgevonden, die niets te wenschen overlaat. Maar, ik

herhaal het, ge kunt tamelijk gerust over zijn lot zijn. Hij wordt

door zijne hoedanigheid van toovenaar beschermd, en wij zullen hem

heden avond nog gezond en wel aantreffen."

Het zal wel niet noodig zijn er op te wijzen, dat die tijding Cyprianus

aangenaam was. Zijn doel was dus bereikt; want hij twijfelde er niet

aan of Makatit zou, wanner hij nog in het bezit van den diamant was,

hem wel overgeven.

Zoo koutten de twee vrienden gedurende den geheelen dag, terwijl zij

de vlakte overstaken, die Cyprianus eenige dagen te voren, op eene

giraffe gezeten, doorsneden had.

Denzelfden avond kregen zij Tonaïa's hoofdplaats in het gezicht. Zij

was amphitheatersgewijs aangelegd op een terreinverhevenheid, die den

gezichteinder in het noorden begrensde. Het was eene wezenlijke stad

van tien tot vijftien duizend zielen, met goed aangelegde straten,

met ruime en bijna bevallige hutten, waarin welvaart en vooruitgang

te bespeuren waren. Het paleis des konings was omgeven door hooge

palissaden en werd bewaakt door zwarte krijgslieden, met lansen

gewapend. Dat gebouw besloeg alleen bijna het vierde gedeelte van de

oppervlakte dier stad.

Toen Pharamond zich vertoonde, gingen alle poorten en barrièren voor

hem open. Hij en Cyprianus werden dadelijk langs eene opeenvolging

van uitgestrekte plaatsen en pleinen tot in de ceremoniezaal gevoerd,

alwaar zich de onoverwinnelijke overheerscher ophield te midden van

eene talrijke menigte, waaronder noch de wachters, noch de officieren

ontbraken.

Tonaïa, kon zoo wat veertig jaren oud zijn. Hij was groot en krachtig

van gestalte. Zijn voorhoofd was met een soort diadeem getooid, die

van wilde-zwijnen-tanden vervaardigd was. Zijn kostuum bestond uit

een overkleed dat den vorm eener tunika zonder mouwen had, en van

roode stof vervaardigd was. Hij droeg een voorschoot van dezelfde

kleur, dat rijkelijk met glazen kralen geborduurd was. Zijne armen

en beenen waren met talrijke koperen braceletten getooid. Zijn gelaat

teekende veel bevatting, maar ook sluwheid, en was daarenboven listig

en niet innemend.

Hij ontving Pharamond Barthès, dien hij sedert verscheidene dagen

niet gezien had, zeer goed, en ook Cyprianus, als den vriend van zijn

getrouwen bondgenoot.

"De vrienden onzer vrienden zijn onze vrienden," drukte hij zich uit,

evenals een kruidenier uit de Marais, het meest burgerlijke kwartier

van Parijs, zou gedaan hebben.

Toen hij evenwel vernam, dat zijn nieuwe gast lijdende was, deed hij

hem de beste kamers van zijn paleis geven, en daarenboven een heerlijk

avondmaal voordienen.

Volgens Pharamond's meening was 't het oogenblik nog niet om van

Makatit te gewagen. Men zou dat tot den volgenden dag uitstellen.

Cyprianus was toen geheel hersteld en in staat om voor den koning

te verschijnen. Het geheele hof was in de groote zaal van het paleis

bijeen; Tonaïa en zijn beide gasten waren gezeten in het midden van

den kring, door de hovelingen gevormd. Pharamond begon dadelijk in

de landstaal, die hij vloeiend sprak, de onderhandeling:

"Mijne Bassuto's hebben u onlangs een jongen Kaffer, dien zij gevangen

genomen hadden, aangebracht. Nu is die Kaffer de dienaar van mijn

makker, van den grooten, wijzen Cyprianus Méré, die hem van uwe

edelmoedigheid terug verwacht. Ik, zijn vriend en tevens de uwe,

ondersteun dat billijk verzoek."

Reeds bij de eerste woorden had Tonaïa een zeer diplomatisch gezicht

gezet.

"De groote, wijze blanke is welkom bij mij!" zei hij. "Maar wat biedt

hij als losprijs voor mijne gevangene aan?"

"Een uitmuntend geweer, tienmaal tien patronen en een zakje met glazen

kralen," antwoordde Pharamond.

Een gemompel van goedkeuring liet de vergadering hooren. Zij was

blijkbaar zeer ingenomen door de pracht van dat aanbod. Alleen Tonaïa

bleef zijn strak staatkundig gezicht behouden, en gaf geen blijk

van ingenomenheid.

"Tonaïa is een groot vorst," hernam hij, terwijl hij zich op zijn

zitbankje rechtop zette, "en hij wordt door de Goden beschermd! Zij

zonden hem een maand geleden Pharamond Barthès met zijne kloeke

krijgslieden en zijne nimmer missende geweren, om hem te helpen zijne

tegenstanders te overwinnen! Daarom zal ik op verlangen van Pharamond

Barthès dien dienaar heelhuids aan zijn meester teruggeven."

"En waar bevindt hij zich thans?" vroeg de jager.

"In de heilige grot, waar hij nacht en dag bewaakt wordt!" antwoordde

Tonaïa met eene gelegenheids-hoogdravendheid, die den meest machtigen

souverein van Kafferland zeer goed afging.

Pharamond vertaalde die antwoorden in het kort voor Cyprianus en

vroeg aan den koning de gunst om met zijn makker den gevangene uit

de heilige grot te mogen gaan halen.

Er werd op dat verzoek evenwel een afkeurend gemompel in de geheele

vergadering vernomen. De eisch van die Europeanen scheen te ver

gedreven. Nimmer was een vreemdeling in die geheimzinnige grot

toegelaten. Een tot nu toe geëerbiedigde overlevering hield in, dat

het rijk van Tonaïa in stof zoude ineenstorten, wanneer de blanken

het geheim van die grot zouden kennen.

De koning hield er echter niet van, dat zijn hof zijne

besluiten vooruitliep. Dat gemompel prikkelde dan ook zijn grillig

alleen-heerschers-karakter, en bracht hem er toe, om toe te staan wat

hij ongetwijfeld, zonder die uitbarsting van het algemeen gevoelen,

geweigerd zoude hebben.

"Tonaïa heeft een bloedruil met zijn bondgenoot Pharamond Barthès

aangegaan," antwoordde hij op afdoenden toon, "hij houdt niets

verborgen voor hem. Kunt gij en uw vriend een eed houden?"

Pharamond knikte bevestigend.

De Zuidster, het land der diamanten · 第 16 / 21 段