beschikkingen. De Chinees bewees werkelijk eene bewonderenswaardige
behendigheid te bezitten. Niet alleen had hij weldra het zadel van
Cyprianus zoodanig gewijzigd dat het horizontaal op den rug van een
der giraffen kon gelegd worden, maar hij vervaardigde er ook een voor
zich, en dat wel van takken van het geboomte. Vervolgens hield hij
zich uit overmaat van voorzorg gedurende het overige gedeelte van den
nacht onledig met den weerstand der twee giraffen te fnuiken, door
hen herhaaldelijk te bestijgen en door hen door afdoende en gevoelige
middelen aan het verstand te brengen dat zij hem gehoorzamen moesten.
ZEVENTIENDE HOOFDSTUK.
EEN AFRIKAANSCHE WEDREN.
Toen de twee ruiters den volgenden morgen vertrokken, was hun
aanblik inderdaad koddig en vreemdsoortig. Het is twijfelachtig of
Cyprianus zich zoo wel voor miss Watkins in de groote straat van het
kamp Vandergaart zou hebben willen vertoonen. Maar men moest zich
in de omstandigheden schikken. Men bevond zich in de woestijn, en,
alles wel beschouwd, waren de giraffen geen vreemdsoortiger rijdieren
dan de drommedarissen. Hun gang had zelfs eenige overeenkomst met die
"woestijn-schepen". Die gang was afgrijselijk hard en ging gepaard met
een daadwerkelijk stampen als een vaartuig in een moeielijke zee. Dit
bezorgde dan ook als onmiddellijk gevolg onzen beiden reizigers bij
den aanvang der reis een gevoel als van beginnende zeeziekte.
Maar, na twee of drie uren boven op die dieren doorgebracht te hebben,
waren Cyprianus en de Chinees genoegzaam aan die beweging gewend. Nu
moet erkend worden dat de giraffen met een goeden pas doorstapten en
zich zeer onderdanig betoonden, na evenwel eenige pogingen tot opstand
aangewend te hebben, die echter dadelijk onderdrukt werden. Alles
liep dus ten beste uit.
Het kwam er nu op aan, met kracht al den verloren tijd van de laatste
drie of vier dagen der reis zoo spoedig mogelijk in te halen. Makatit
moest hen thans een goed eind weegs vooruit zijn. Zou Hannibal
Pantalucci hem niet reeds bereikt hebben? Wat er ook van aan mocht
zijn, Cyprianus was vastbesloten niets te verwaarloozen wat hem tot
zijn doel kon voeren.
Na drie dagen marsch waren de cavalleristen, of beter de girafferuiters
in het vlakke land aangekomen. Zij volgden thans den rechteroever
van een bochtigen waterstroom, welks hoofdrichting juist naar het
noorden was.
Het was waarschijnlijk een cijnsplichtige nevenrivier van de
Zambesi. De giraffen waren nu behoorlijk getemd. Daarenboven verzwakt
door de lange dagreizen, die zij afgelegd hadden, maar niet minder
door de schrale voeding, waaraan Li hen met voordacht stelselmatig
onderwierp, lieten zij zich zeer gemakkelijk mennen. Cyprianus kon
nu de lange teugels van zijn rijdier laten glippen, om het alleen
door het aanleggen van de knieën te besturen.
Toen hij dan ook van die zorg bevrijd was, ondervond hij een waar
genoegen, bij het verlaten van die woeste en verlaten streken,
die hij tot nu toe doorreisd had, thans al de sporen eener
reeds vrij ontwikkelde beschaving rondom zich te ontwaren. Hij
bemerkte van afstand tot afstand manioc- of taro-velden, die zeer
regelmatig aangelegd waren en besproeid werden door een stelsel van
bamboebuizen, die aan elkander bevestigd waren en het water uit de
rivier aanvoerden. Voorts zag hij breede en goed verharde wegen,
zoodat het algemeene uiterlijk van eenige welvaart getuigde. Op de
heuvelen, die den gezichteinder begrensden, verhieven zich witte
hutten, die een dungezaaide bevolking huisvesting verleenden.
Toch gevoelde men dat men zich nog op de grenzen der woestijn bevond;
dit was ten minste af te leiden uit het verbazend groot aantal wilde
dieren, herkauwers en ook andere, die allerwege ontwaard werden en
die deze vlakte bevolkten. Hier en daar verduisterden groote zwermen
gevogelte als het ware de lucht. Men zag geheele kudden van gazellen
of antilopen, die voorbij trokken. Soms verhief een monsterachtig
nijlpaard zijn kop boven de oppervlakte der rivier, blies met kracht
het water uit zijne neusgaten en dook weer onder, waarbij hij het
gedruisch en het geklots van een waterval maakte.
Cyprianus was zoo geheel in de beschouwing van die tooneelen verdiept,
dat hij onmogelijk bedacht kon zijn op een ander, dat het toeval
hem bij een der buigingen van den heuvel, welken hij met zijn makker
volgde, bereidde.
Dat was niet meer of minder dan de aanblik van Hannibal Pantalucci,
die steeds te paard, met lossen teugel jacht maakte op Makatit in
eigen persoon. Hoogstens een mijl scheidde hen nog van elkander, maar
de afstand, die tusschen hen en Cyprianus en den Chinees bestond,
was wel op vier mijlen te schatten.
De zon scheen helder en hare stralen schoten schier loodrecht neer
in de vlakte, die als met een schitterend licht overstroomd werd. De
dampkring was helder doorschijnend, gezuiverd als hij was door een
heviger, oostenwind, die toen heerschte. Neen, er viel geen twijfel
te koesteren; het oog kon zich niet vergissen.
Beiden waren zoo opgewonden door die ontdekking, dat hun
eerste beweging was haar te vieren met eene wezenlijk arabische
fantasia. Cyprianus liet een vroolijk hoerah hooren, en Li een
keelklankachtig "hugh", wat hetzelfde moest beduiden. Daarna zetten
zij hunne giraffen in sterken draf.
Klaarblijkelijk had Makatit den Napolitaan, die veld op hem begon te
winnen, bespeurd, maar hij kon zijn ouden baas en zijn makker van het
Vandergaarts-kopje niet zien, daar zij nog te ver verwijderd waren
en zich op den rand der vlakte bevonden.
De jonge Kaffer bespoedigde dan ook zooveel mogelijk den gang van
zijn karretje. Hij wist dat Hannibal Pantalucci de man niet was om
hem genade te schenken. Integendeel, hij zou hem, zonder naar eenigen
uitleg te willen luisteren, als een hond dooden. De struisvogel, die
het karretje trok vloog over de vlakte en wel met zulk een snelheid
en zulk een kracht, dat toen hij plotseling tegen een zwaren steen
stuitte, er zoo'n hevige schok plaats had, dat de as van het voertuig,
dat toch al op zulk eene lange en moeielijke reis veel geleden had,
afknapte. Een der wielen ontsnapte aan de as, en Makatit en zijn
voertuig rolden over den weg.
De arme Kaffer werd wel gehavend bij zijn val. Maar de schrik, die hem
beheerschte, hield de overhand zelfs bij dien schok, of beter gezegd:
hij werd daardoor verdubbeld. Hij was overtuigd dat het met hem gedaan
zou zijn, wanneer hij door den Napolitaan ingehaald werd. Hij vloog
dan ook zoo spoedig mogelijk op, spande dadelijk zijn struisvogel af
en, schrijlings op het dier springende, bracht hij het in galop.
Nu begon een dolle wedren, een wedren, die iemand duizelingen kon
bezorgen, een wedren, die nimmer op aarde gezien was, sedert de
Romeinsche voorstellingen in het circus afgeschaft waren, alwaar
de wedrennen van struisvogels en giraffen soms op het programma
voorkwamen.
En inderdaad, terwijl Hannibal Pantalucci Makatit vervolgde, zetten
Cyprianus en Li hem en ook den andere achterna. Hadden die beide
laatsten niet allen grond om beiden te willen vatten, zoowel den jongen
Kaffer om aan de kwestie van den gestolen diamant een einde te maken,
als den valschen Napolitaan om hem te tuchtigen, zooals hij verdiende?
De giraffen, behoorlijk aangezet door hunne ruiters, die het ongeval
van Makatit gezien hadden, spoedden zoo snel voort, alsof het
raspaarden van zuiver bloed waren. Zij strekten hunne lange halzen
vooruit, openden den mond, draaiden de ooren achteruit en stoven zoo
voort, terwijl zij met alle kracht gespoord en gekarwatst werden,
om hen tot de grootst mogelijke snelheid die zij ontwikkelen konden,
te brengen.
Wat den struisvogel van Makatit aangaat, diens snelheid grensde aan
het wonderbaarlijke. Er was geen enkel raspaard, al ware het ook
de overwinnaar te Derby geweest, al had het ook den eersten prijs
te Parijs gewonnen, dat in staat zoude geweest zijn om het tegen
dat pluimdier vol te houden. Zijne korte vleugels, die ongeschikt
waren om te vliegen, werden nu als roeispanen gebezigd om de lucht
te klieven en zoo den gang te versnellen. Dat alles ging zoo gauw in
zijn werk, dat in minder dan weinige minuten de jeugdige Kaffer een
aanmerkelijken voorsprong op zijn vervolger gewonnen had.
Ja zeker, Makatit had zijn trek- nu rijdier goed gekozen, toen hij
daartoe het oog op een struisvogel sloeg!
Als hij dien gang nog maar een kwartier uurs kon volhouden, dan was
hij voorzeker buiten het bereik van den Napolitaan gekomen. Dan was
hij gered!
Hannibal Pantalucci begreep zeer goed, dat de minste draling hem
geheel en al zijn voordeel zou doen verliezen. Reeds groeide de
afstand tusschen hem en den vluchteling aan. Aan den anderen kant
van het maisveld, waarin die jacht plaats had, strekte zich een dicht
bosch van slingerplanten en Indische vijgeboomen, dat hevig door den
wind gezweept werd, tot op eene gezichtsverte uit. Wanneer Makatit die
wildernis bereikte, dan zou het onmogelijk zijn hem terug te vinden,
omdat men hem dan niet meer zien kon. Hij zou daarin even verscholen
zijn als eene naald in een hooischelf.
Cyprianus en de Chinees volgden, terwijl zij voortgaloppeerden, dien
wedstrijd met de meeste belangstelling, hetgeen de lezer wel begrijpen
zal. Zij waren eindelijk aan den voet van den heuvel aangekomen en
renden nu door de vlakte, maar drie mijlen scheidden hen nog van den
jager en van den gejaagde.
Zij bemerkten evenwel dat de Napolitaan door eene ongehoorde inspanning
eenigermate op den vluchteling gewonnen had. Hetzij dat de struisvogel
van Makatit vermoeid begon te worden, hetzij dat het arme dier zich
gewond had aan een boomstronk of aan een rotssteen, maar zijne snelheid
was verbazend verminderd. Hannibal Pantalucci bevond zich weldra niet
meer dan drie honderd meter van den Kaffer verwijderd.
Maar Makatit had eindelijk den rand van de bovenbedoelde wildernis
bereikt. Hij verdween er plotseling in, terwijl in hetzelfde oogenblik
het paard van Hannibal Pantalucci struikelde, hij zandruiter werd en
over den weg rolde, en het dier over de vlakte ontsnapte.
"Wij zijn Makatit kwijt!" riep Li uit.
"Ja, maar die Pantalucci, die ellendeling is ons!" antwoordde
Cyprianus.
En beiden zetten hun giraffen nog meer aan.
Een half uur later hadden zij bijna geheel het maisveld in zijne volle
breedte overgestoken en bevonden zich op niet meer dan vijfhonderd
passen van de plek, waar de Napolitaan gevallen was. De vraag voor
hen was thans of Hannibal Pantalucci had kunnen opstaan en of hij de
wildernis van lianen had kunnen bereiken, of wel op den grond lag,
zwaar gekwetst door zijn val--wellicht gedood.
Neen, de ellendeling lag daar. Honderd pas verder brachten Cyprianus
en Li hunne giraffen tot staan. Zie hier wat er was gebeurd.
De Napolitaan, verblind door de opgewondenheid van de jacht, die
hij maakte, had een reusachtig net niet bespeurd, hetwelk door de
Kaffers gespannen was om de vogels te vangen, die hunnen oogst zoo
zeer plunderden en hun daardoor veel schade berokkenden. Welnu, in
zulk een net was Hannibal Pantalucci te recht gekomen en daarin had
hij zich verward.
En het was waarlijk geen klein net ook! Het bedroeg langs de zijden
minstens vijftig meters en bevatte reeds vele duizendtallen vogels
van allerhande soort, van alle grootte, van allerhande bontgekleurde
gevederte, onder andere ook een half dozijn van die groote gypaëten,
die eene vlucht hebben van anderhalven meter en die zich in Zuid-Afrika
te huis gevoelden.
De val van den Napolitaan te midden van die vogelen-wereld had deze
laatste natuurlijk ten hoogste verschrikt en deed hen wild door
elkander vliegen.
Hannibal Pantalucci, eerst verdoofd en duizelig door zijn val, had
evenwel getracht dadelijk op te staan. Maar zijne handen en voeten
zaten zoo degelijk gevangen in de mazen van het net, dat het hem bij
de eerste poging niet gelukte, zich daaruit te ontwarren.
Hij had echter geen tijd te verliezen. Hij deed dan ook schrikkelijke
rukken en trok uit alle macht aan het net, terwijl hij het optilde en
het los trok van de piketpalen, waarmede het aan den grond vastgemaakt
was; terwijl de vogels groot en klein, hem bij dat werk hielpen om
te kunnen ontvluchten.
Maar hoe meer de Napolitaan zich afsloofde, hoe meer hij zich in de
stevige mazen van het onmetelijke net verwarde.
Een groote vernedering werd hem bovendien niet gespaard. Een der
giraffen had hem eindelijk bereikt en wel die, welke door den Chinees
bereden werd. Li was van zijn rijdier afgesprongen en had zich met
zijne koelbloedige spotzucht gehaast den kant van het net, dat het
dichtst bij hem was, los te maken, om de hoekvleugels daarvan op
elkaar te leggen, daarbij van de gedachte uitgaande, dat het zekerste
middel om zich van den gevangene meester te maken, daarin bestond,
dat hij hem in dat net moest rollen.
Maar in dat oogenblik gebeurde iets zeer onverwachts, dat inderdaad
naar tooverij zweemde.
De wind kwam namelijk met een buitengewone kracht opzetten en boog
daarbij al de boomen in den omtrek, alsof een machtige hoos over den
bodem voortschreed.
Nu had Pantalucci bij zijne wanhopige pogingen reeds een groot aantal
piketpalen, die het net bij den benedenkant weerhielden, uit den grond
gerukt. Toen hij zich op het punt zag gevangen genomen te worden,
deed hij nog heviger rukken.
Plotseling werd het net door een nieuwen aanval van de bui
losgerukt. De laatste banden, die dat onmetelijke touwweefsel aan den
grond bevestigd hielden, werden stuk getrokken en de gevederde kolonie,
die daarin besloten was, nam hare vlucht. De kleine vogels slaagden
er in om te ontsnappen; maar de grootere hadden de klauwen in de mazen
verward, terzelfder tijd toen hunne vleugels vrij raakten en zich met
een eenparige beweging bewogen. Al die vereenigde lucht-roeiriemen,
al die borstspieren, welker bewegingen gelijkmatig geschiedden,
vormden met de bui, die inviel, eene zoo kolossale kracht, dat voor
haar honderd kilogrammen niet meer dan eene veer wogen.
Het net, dat over elkander rolde en zoo meer vat aan den wind aanbood,
werd met Hannibal Pantalucci, die nog slechts met de handen in de mazen
verward was, plotseling opgenomen en opgevoerd tot vijf-en-twintig
of dertig meters van den grond.
Cyprianus kwam in dit oogenblik op het terrein aan, om getuige te
zijn van de opstijging van zijn vijand naar de wolkenstreek.
De gypaëten, door die krachtsinspanning uitgeput, neigden in
dat oogenblik zichtbaar ter aarde en beschreven een uitgestrekte
parabool. In minder dan drie seconden kwam het net bij den bovenrand
van de wildernis aan, waarvan het de boventakken scheerde op drie of
vier meters hoog van den grond. Toen steeg het evenwel weer voor de
laatste maal in de lucht.
Cyprianus en Li zagen met schrik dien rampzalige aan dat net hangen,
dat dezen keer meer dan honderd vijftig voet door eene laatste
krachtsinspanning van die reusachtige vogels, door de bui geholpen,
werd opgevoerd.
Plotseling bezweken eenige mazen onder de wanhopige stuiptrekkingen
van den Napolitaan. Men zag hem gedurende een ondeelbaar oogenblik
aan zijne handen hangen en pogingen aanwenden om de touwen van het
net andermaal te grijpen.... Maar zijne krachten schoten te kort,
zijne handen openden zich, hij liet los, viel als een blok naar
beneden en werd op den grond verbrijzeld.
Het net, van dat gewicht ontlast, vloog hooger in de lucht en ontrolde
zich eenige mijlen verder, terwijl de gypaëten eindelijk losgeraakt,
zich in het hemelruim voor het oog verloren.
Toen Cyprianus toeschoot om hulp te bieden, was het te laat. Zijn
vijand was een naren dood gestorven.
Van de vier mededingers, die met hetzelfde doel voor oogen de vlakten
van de Transvaal ingetrokken waren, bleef hij nog maar alleen over.
ACHTTIENDE HOOFDSTUK.
DE PRATENDE STRUISVOGEL.
Cyprianus en Li hadden slechts één gedachte na die verschrikkelijke
ontknooping, namelijk: de plek zoo spoedig mogelijk te ontvlieden,
waar zij had plaats gehad.
Zij besloten derhalve om langs den noorderkant der wildernis voort
te trekken en bereikten zoo na een marsch van meer dan een uur de
bedding van een bergstroom, die evenwel in dit jaargetijde bijna
droog was en die in die wildernis eene bres maakte, waarlangs men
dat moeielijke terreingedeelte kon omtrekken.
Daar wachtte den reizigers een nieuwe verrassing. Die bergstroom
mondde in een vrij uitgestrekt meer uit, op welks oevers een
weelderige plantengroei zich vertoonde, die tot nu het gezicht van
die wateroppervlakte verborgen had gehouden.
Cyprianus had willen terugkeeren, door langs de oevers van dat meer
voort te trekken; maar die oevers waren bij wijle zoo steil, dat hij
dat plan moest laten varen. Van een anderen kant, wanneer hij langs
den weg, dien hij gekomen was terugkeerde, ging de hoop verloren om
Makatit te ontmoeten.
Intusschen verrezen op den tegenoverliggenden oever van het meer eenige
heuvelen, die door eene aaneenschakeling van terreingolvingen aan
elkander en aan hoogere, meer achterwaarts gelegen bergen verbonden
waren. Cyprianus opperde het denkbeeld, dat, wanneer zij den top
daarvan zouden bereikt hebben, men een beter overzicht van het terrein
zou hebben en het dan mogelijk was een verder plan te beramen.
Li en hij gingen dus andermaal op weg, om het meer om te trekken. De
afwezigheid van ieder gebaand pad maakte dien tocht zeer moeielijk,
vooral daar zij meestal genoodzaakt waren de twee giraffen bij de
teugels voort te trekken. Zij hadden dan ook meer dan drie volle uren
noodig, om een afstand van zeven of acht kilometers in rechte lijn
af te leggen.
Toen zij eindelijk het meer omgetrokken en nagenoeg aangekomen
waren, vlak tegenover het punt aan de overzijde gelegen, vanwaar
zij vertrokken waren, was de nacht nabij. Zij besloten dan ook,
doodvermoeid als zij waren, om op die plek te kampeeren. Maar met de
weinige middelen, die zij thans nog bezaten, kon die inrichting niet
veel gemakken aanbieden. Maar Li hield er zich met zijn gewonen ijver
mede bezig. Toen hij klaar was, voegde hij zich bij zijn meester.
"Vadertje," zei hij met zijne fleemende maar toch opwekkende stem, "ik
zie dat ge zeer vermoeid zijt. Onze mondvoorraad is bijna uitgeput. Ik
zal een dorp gaan opzoeken, waar men mij niet weigeren zal ons te
hulp te komen."
"Wilt ge mij verlaten, Li?" riep Cyprianus eerst uit.
"Het moet, vadertje!" antwoordde de Chinees. "Ik zal een der
giraffen nemen en dan noordwaarts optrekken!.... De hoofdstad van
Tonaïa, waarvan Lopepo ons gesproken heeft, kan thans niet ver meer
verwijderd zijn en ik zal het wel zoo maken, dat gij daar een goede
ontvangst zult vinden. Daarna zullen wij naar Grikwaland terugkeeren,
waar gij niets meer te vreezen zult hebben van die ellendelingen,
die alle drie op deze expeditie bezweken zijn."
De jeugdige ingenieur dacht over het voorstel na, dat hem door den
hem zoo toegewijden Chinees gedaan was. Hij begreep dat, wanneer
de Kaffer kon teruggevonden worden, het in die streek zou zijn,
waarin hij daags te voren een blik had kunnen werpen. Het was dus
zaak die niet te verlaten. Maar van den anderen kant moest er aan
gedacht worden om hunne hulpmiddelen aan te vullen, die nu geheel
onvoldoende geworden waren. Cyprianus besloot dan ook, hoewel hij
het zeer betreurde, van Li te scheiden en er werd overeengekomen
dat hij hem op deze plek gedurende acht-en-veertig uren wachten
zou. In die acht-en-veertig uren zou de Chinees, zijne snelvoetige
giraffe berijdende, in deze streek een eind weegs kunnen afleggen en
gemakkelijk op de kampementsplaats terug zijn.
Toen men tot dat besluit gekomen was, wilde Li geen oogenblik
verliezen. Aan rusten dacht hij volstrekt niet. Hij zei het wel zonder
slapen te kunnen doen! Hij zei dus Cyprianus vaarwel door goedhartig
hem de hand te kussen, vatte zijn giraffe bij den teugel, sprong er
op en verdween in de nachtelijke duisternis.
Cyprianus Méré bevond zich thans, voor de eerste maal sedert zijn
vertrek van de Vandergaart-Kopjes-mijn, alleen in de woestijn. Hij
gevoelde zich uitermate treurig gestemd en kon niet nalaten, nadat
hij zich in zijn reisdeken gewikkeld had, zich aan de naarste
voorgevoelens over te geven. Hij was daar alleen, bijna zonder
levensmiddelen en munitie! Wat moest er van hem worden in dit
onbekende land, op honderden mijlen afstands van ieder beschaafd
oord? Makatit bereiken? Ja, daartoe was thans de kans gering. Kon die
zich niet op een afstand van een halven kilometer van hem bevinden,
zonder dat hij, Cyprianus, zulks kon gissen? Inderdaad, die geheele
onderneming was een zeer rampspoedige geweest en was slechts door
tragische gebeurtenissen gekenmerkt geworden. Bijna iedere honderd
mijlen, die voorwaarts geschreden waren, had aan een der leden van
het gezelschap het leven gekost. Eén bleef nog over.... Eén.... en
dat was hijzelf.... Was hij wellicht ook voorbeschikt om even ellendig
aan den eindpaal van zijn leven te komen als de anderen?
Dat waren de droeve nabetrachtingen, die het brein van Cyprianus
bestormden; toch slaagde hij er in om in te slapen.
De morgenkoelte en de rust, die hij gesmaakt had, gaven bij zijn
ontwaken een meer vertrouwvolle richting aan zijne gedachten. Hij
besloot, in afwachting van den terugkeer van den Chinees, den hoogen
heuvel te beklimmen, aan wiens voet hij halt gemaakt had. Hij zou zoo
met den blik een meer uitgestrekt terrein kunnen overzien en wellicht
zou hij, met behulp van zijn verrekijker, er in slagen eenig spoor
van Makatit te ontdekken. Maar om die beklimming te kunnen uitvoeren,
moest hij zijne giraffe achterlaten; geen dierkundige had toch ooit
zoo'n viervoeter onder de klauteraars gerangschikt.
Cyprianus begon haar te ontdoen van den halster, die door Li zoo
behendig en vlug vervaardigd was.
Daarna bond hij haar met een poot aan een boom vast, die met
overvloedig malsch gras omringd was en liet het touw zoolang schieten,
dat het dier voldoende en gemakkelijk kon grazen. En waarlijk, wanneer
men de lengte van den hals van de giraffe bij die van het touw voegde,
dan was de kring, waarbinnen het bevallige dier grazen kon, vrij
uitgestrekt en meer dan voldoende te rekenen.
Toen die voorbereiding getroffen was, nam Cyprianus zijn geweer over
den eenen schouder, zijn deken behoorlijk opgerold over den anderen
en na met een vriendschappelijken klap afscheid van zijn giraffe
genomen te hebben, begon hij de bestijging van den berg.
Die bestijging was lang en moeitevol. Hij bracht den geheelen
dag door met uiterst steile hellingen op te klimmen, met rotsen
of onoverkomelijke spitsen om te trekken en met langs den oost-
of zuidkant te beproeven, wat hij te vergeefs langs den noord- of
westkant beproefd had.
Toen de nacht begon te dalen, was Cyprianus nog maar ter halver hoogte
van den berg aangekomen en moest dus de verdere bestijging tot den
volgenden morgen uitstellen.
Bij het aanbreken van den dag steeg hij verder, na eerst goed
uitgekeken te hebben, of Li nog niet in de kampementsplaats
teruggekeerd was, en kwam hij tegen elf uur des voormiddags op
den top van den berg aan. Eene groote teleurstelling wachtte hem
daar. De hemel was met wolken bedekt. Dichte nevelen zweefden langs de
benedenhellingen van den berg. Cyprianus trachtte te vergeefs met den
blik dat gordijn te doorboren, ten einde de dalen te doorzoeken. Maar
het geheele landschap verdween onder eene opeenhooping van vormlooze
dampen, die niet toelieten iets daaronder te onderscheiden.
Cyprianus hield evenwel vol, en wachtte, steeds hopende dat die
nevels zouden optrekken en dat hij dien uitgestrekten gezichteinder
zou ontwaren, dien hij hoopte te zien. Het was te vergeefs. Naar mate
de dag vorderde, schenen de wolken in dikte toe te nemen, terwijl
het bij het invallen van den nacht bepaald begon te regenen.
De jeugdige ingenieur werd dus door dat prozaïsche luchtverschijnsel
overvallen, juist toen hij op dien kalen top zich bevond, waarop geen
enkele boom, zelfs geen rots te vinden was, die eenige beschutting
kon aanbieden; niets dan de kale uitgedroogde bodem, terwijl de nacht
spoedig inviel, vergezeld van dien fijnen regen, die langzamerhand
alles, zoowel de deken als de kleeding, door en door nat maakte.
De toestand werd kritiek en toch moest Cyprianus er vrede mede
hebben. Want in de gegeven omstandigheden de afklimming van den berg
te beproeven, zou inderdaad eene dwaasheid genoemd moeten worden. Hij
was dus verplicht zich tot op het lichaam nat te laten regenen; maar
hij rekende er op, zich den volgenden morgen in de zonnestralen te
kunnen laten drogen.