boven den horizon, toen de drie jagers naar het kamp terugkeerden.
Toen zij daar evenwel aankwamen, was hunne verwondering groot!.... Want
Bardik was er niet meer.
ZESTIENDE HOOFDSTUK.
VERRAAD.
Wat was er gedurende de afwezigheid van Cyprianus en van zijne beide
makkers in het kamp voorgevallen? Het was moeielijk te gissen zoolang
de jeugdige Kaffer niet teruggekomen was.
Men wachtte Bardik dus; men riep hem, men zocht hem langs alle
kanten. Geen spoor zelfs werd van hem ontdekt. Het ontbijt dat hij
bezig was geweest klaar te maken, stond naast het uitgedoofde vuur
en duidde er op, dat zijn verdwijnen eerst sedert twee of drie uren
geleden plaats had gehad.
Cyprianus kon dus slechts gissen waardoor die verdwijning veroorzaakt
kon zijn; maar die gissingen werden door niets toegelicht. Het was
niet waarschijnlijk dat de jeugdige Kaffer door een wild dier kon zijn
aangevallen; er was geen spoor van een bloedigen strijd, zelfs niet de
minste wanorde in den omtrek te bespeuren. Dat hij gedrost zou zijn
om naar zijn land terug te keeren, zooals de Kaffers meermalen doen,
was noch minder aanneembaar van een kerel, zoo vol toewijding als hij
was, en de jeugdige ingenieur weigerde bepaald die veronderstelling
door Hannibal Pantalucci vooropgesteld, voor waar aan te nemen.
Om kort te gaan, de jonge Kaffer bleef, nadat men hem gedurende een
halven dag gezocht had, afwezig en, wat meer zegt, zijne verdwijning
bleef geheel onverklaarbaar.
Hannibal Pantalucci en Cyprianus hielden dus raad en kwamen na
eenige woordenwisseling overeen tot den volgenden morgen te wachten
alvorens het kamp op te breken. Wellicht kon Bardik nog terugkeeren
in die tijdsruimte, wanneer hij namelijk verdwaald was geraakt bij
de vervolging van eenig stuk wild, dat zijne jagersbegeerte kon
hebben opgewekt.
Maar toen zij zich herinnerden het bezoek dat eene Kafferbende
hun op een hunner pleisterplaatsen gebracht had en zij rekening
hielden met de vragen, die toen aan Bardik en aan Li gedaan waren,
met de vrees, die toen aan den dag gelegd was dat de reizigers, die
wellicht verspieders waren, het land van Tonaïa zouden binnentrekken,
toen rees bij hen de vraag, en niet zonder reden, of Bardik niet
in handen van die inboorlingen gevallen en als gevangene naar hunne
hoofdplaats gevoerd was.
De dag werd treurig ten einde gebracht en de avond was
nog droefgeestiger. Het ongeluk scheen op de onderneming te
rusten. Hannibal Pantalucci was nurks en zweeg als een pot. Zijne
twee medeplichtigen Friedel en James Hilton waren reeds dood, zoodat
hij alleen tegenover zijn jeugdigen medeminnaar overbleef. Hij was
intusschen meer dan ooit besloten zich van dezen te ontdoen. Hij
wilde alleen blijven, zoowel in de zaak van den diamant als in de
huwelijkskwestie. En beide gevallen waren voor hem slechts zaken.
Wat Cyprianus aangaat, daar Li hem alles verteld had, wat hij aangaande
het aftrekken van de patronen van Méré's geweer vernomen had, moest
hij nacht en dag waakzaam zijn tegenover zijn reismakker. Het is waar,
dat de Chinees een gedeelte van die waakzaamheid voor zijne rekening
wilde nemen.
Cyprianus en Hannibal Pantalucci brachten hun avond onder het rooken
eener pijp of sigaar bij het vuur stilzwijgend door en kropen onder
de huif van den wagen, zonder elkander zelfs goeden nacht toe te
wenschen. Het was toen de beurt van Li om bij het vuur te waken,
dat ontstoken was om de wilde dieren op een afstand te houden.
De jonge Kaffer was den volgenden ochtend bij het krieken van den
dag niet in het kamp terug.
Cyprianus had nog wel vier en twintig uren willen wachten, ten einde
aan zijn dienaar nog een laatste kans te verschaffen om terug te
kunnen keeren; maar de Napolitaan drong er ten sterkste op aan om
dadelijk te vertrekken.
"Wij kunnen het zeer goed zonder Bardik doen", zei hij "en iedere
vertraging stelt ons aan de mogelijkheid bloot, Makatit niet meer te
kunnen inhalen!"
Dat moest Cyprianus erkennen. De Chinees ging er dan ook toe over om
de trekossen bij elkander te drijven, ten einde te kunnen vertrekken.
Nieuwe teleurstelling; maar dezen keer veel ernstiger dan den
eersten. Ook de ossen waren niet terug te vinden. Den avond te
voren lagen zij nog te rusten in het hooge gras, dat rondom het kamp
groeide.... Thans was er geen enkele te bespeuren.
Toen eerst kon men den omvang van het verlies, dat de expeditie in
den persoon van Bardik geleden had gevoelen! Indien die intelligente
dienaar nog op zijn post aanwezig ware geweest, dan zou hij met zijn
kennis van de gewoonten van het rundergeslacht in Zuid-Afrika, niet in
gebreke zijn gebleven die dieren, die den geheelen dag rust genoten
hadden, aan boomstammen of aan piketpalen vast te maken. Gewoonlijk
was die voorzorg na een langen dagmarsch bij het aankomen van een
pleisterplaats overbodig. De ossen waren dan uitgeput van vermoeienis
en dachten aan niets anders dan aan het grazen in de onmiddellijke
nabijheid van den wagen, waarna zij zich neervlijden, om de nachtrust
te genieten; zij verwijderden zich dan des morgens hoogstens tot op
een afstand van honderd meter. Maar zoo was het niet na zulk een dag
van rust en van volop voeder doorgebracht te hebben.
Klaarblijkelijk was de eerste zorg dier dieren geweest, toen zij
ontwaakten, om een malscher gras op te zoeken dan dat waaraan zij zich
den vorigen dag verzadigd hadden. Nog al van dolenden aard zijnde,
hadden zij zich langzamerhand verwijderd, en waren uit het gezicht
van het kampement geraakt. Toen door hun instinct voortgezweept, dat
hen dreef hunne stal op te zoeken, waren zij waarschijnlijk, de een
achter den ander voortschrijdende, op weg naar de Transvaal getogen.
Dat was een ramp, die wel is waar niet zeldzaam bij dergelijke tochten
in beneden-Afrika voorkwam, maar daarom niet minder ernstig was;
want zonder bespanning werd de wagen nutteloos en de wagen is voor
de Afrikaansche reizigers tegelijkertijd eene woning, een magazijn
en een versterking.
De teleurstelling van Cyprianus en van Hannibal Pantalucci was dan
ook groot, toen zij, na een ijverige verkenning van het spoor der
ossen gedurende twee of drie uren, tot de overtuiging kwamen, dat
alle hoop om ze terug te krijgen ijdel was.
De toestand was buitengewoon verergerd en men was verplicht andermaal
raad te beleggen.
Nu was er in de gegeven omstandigheden slechts ééne practische
oplossing mogelijk en die was: den wagen te verlaten, zich met zooveel
mondbehoeften en met zooveel munitie te beladen als zij slechts
dragen konden, en de reis te paard voort te zetten. Werd men dan
door de omstandigheden begunstigd, dan zou men wellicht weldra in de
gelegenheid komen om bij een Kafferhoofd een nieuw span ossen tegen
een geweer of tegen scherpe patronen in te ruilen. Wat Li betreft,
die zou het paard van James Hilton bestijgen, dat zoo als men weet,
sedert diens dood zonder meester was.
Men toog toen ijverig aan het werk, om doornachtige takken te kappen,
om daar mede den wagen zoodanig te bedekken, dat hij onder kunstmatig
struikgewas verborgen was. Daarna belaadde een ieder zich met hetgeen
hij in zijne zakken en in zijn ransel bergen kon, zooals linnen,
laarzen, verduurzaamde levensmiddelen en munitie. Het speet den Chinees
zeer dat hij zijne roode kist niet kon medenemen van wege de zwaarte;
maar het was onmogelijk hem te doen besluiten zijn touw achter te
laten, dat hij onder zijn kiel als een buikband om het middel wond.
Toen de voorbereidingen getroffen waren, wierp men nog een blik op
de vallei, waarin zooveel treurige gebeurtenissen voorgevallen waren,
waarna de drie ruiters den weg naar de hoogte insloegen. Die weg was,
als al de wegen in dit land, een door de wilde dieren platgetrapt
pad, die steeds, wanneer zij zich naar hunne drenkplaatsen begeven,
den kortsten weg kiezen.
Het middaguur was voorbij en Cyprianus, Hannibal Pantalucci en Li
stapten, in weerwil van de brandende zonnestralen, met een goeden pas
voort totdat de avond viel. Toen zij eindelijk hun kamp in een diep
ravijn onder een groote overhellende rots opgeslagen hadden en zij
rondom een flink vuur van droog hout gelegerd waren, erkenden zij,
dat, alles wel beschouwd, het verlies van hun wagen geen onherstelbaar
verlies was.
Zoo trokken zij nog gedurende twee dagen voort zonder eigenlijk
te weten, of zij wel op het spoor waren van den man, dien zij
zochten. Toch was het zoo. Want toen zij op het einde van den tweeden
dag bij het vallen van den avond met loome schreden naar een klein
boschje stapten, waaronder zij den nacht wilden doorbrengen, liet Li
eensklaps een doordringenden keelklank aan zijne lippen ontsnappen.
"Hugh!" kreet hij, terwijl hij met de hand naar een klein zwart punt
wees, dat zich bij de laatste lichtstralen, die de avondschemering
schonk, dicht bij den gezichteinder bewoog.
De blikken van Cyprianus en van Hannibal Pantalucci volgden natuurlijk
de richting door den vinger van den Chinees aangeduid.
"Dat is Makatit zelf!" hernam Cyprianus, die zich gehaast had zijn
kijker voor het oog te brengen. "Ik herken zijn karretje en zijn
struisvogel zeer goed!.... Ja, hij is het!"
Hij reikte zijn kijker aan Hannibal Pantalucci over, die zich van de
juistheid van het feit kon overtuigen.
"Op welken afstand rekent gij dat die man zich thans van ons
bevindt?" vroeg Cyprianus.
"Op zijn minst op zeven of acht mijlen," antwoordde de
Napolitaan. "Wellicht wel op tien."
"Dan behoeven wij er niet aan te denken om hem heden nog, vóór dat
wij onze dagreis staken, in te halen."
"Dat zeker niet," antwoordde Hannibal Pantalucci. "Binnen een uur
tijd zal de nacht ingevallen zijn, en dan valt er geen pas meer te
doen in welke richting ook!"
"Nu goed! maar morgen zullen wij hem wel bereiken, wanneer wij vroeg
genoeg vertrekken!"
"Dat is mijn gevoelen ook."
De ruiters waren toen bij het boschje aangekomen, alwaar zij
afstegen. Als gevolg eener onveranderlijke gewoonte, begonnen zij eerst
hunne paarden te verzorgen. Zij wreven hen zorgvuldig af en borstelden
hen duchtig, alvorens hen aan de veldpiketten vast te binden, om hen
te laten grazen. De Chinees ontstak middelerwijl het vuur.
De nacht viel intusschen in. Bij het diner gevoelden zich de reizigers
dien avond misschien een weinig vroolijker dan zij in de drie laatste
dagen geweest waren. Toch gingen zij, na het maal verorberd en na het
wachtvuur behoorlijk voorzien te hebben, zich in hunne dekens rollen
en legden hunne hoofden op de zadels, ten einde een verkwikkenden
slaap te genieten; want het was van veel belang, dat zij den volgenden
morgen vóór het aanbreken van den dageraad op de been waren ten einde
haastig op reis te kunnen gaan om Makatit in te halen.
Cyprianus en de Chinees waren weldra in een diepen slaap gedompeld--wat
niet zeer voorzichtig van hun kant mocht heeten.
De Napolitaan althans sliep niet. Hij woelde gedurende twee of drie
uren onder zijne dekens, als iemand die door een nare gedachte gekweld
wordt. Een misdadig plan begon zich van hem meester te maken.
Hij kon het eindelijk niet meer uithouden. Hij stond op zonder
eenig gerucht te maken, naderde de paarden, en zadelde het zijne,
waarna hij Templar en het paard van den Chinees van de piketten
los maakte en hen bij het halstertouw wegvoerde. Het fijne gras dat
den bodem als met een dik mollig tapijt bedekte, belette volkomen
het getrappel der drie dieren te hooren, die zich met eene domme
lijdzaamheid lieten heenvoeren, versuft als zij waren, zoo ontijdig
gewekt te worden. Hannibal Pantalucci geleidde ze tot in het diepste
gedeelte van het ravijn, op welks helling het kamp opgeslagen was,
bond hen aan een boom vast en kwam in de kampementsplaats weer,
alwaar noch de een, noch de andere der beide slapers ontwaakt waren,
of zich ook maar bewogen hadden.
Toen bracht de Napolitaan zijn reisdeken, zijn karabijn, zijn munitie
en eenige mondbehoefte bij elkander, waarna hij koelbloedig, wetens
en willens, zijne makkers te midden van die woestenij verliet.
De gedachte, die hij sedert het ondergaan van de zon gekoesterd
had, was dat wanneer hij de paarden meevoerde, hij Cyprianus en Li
buiten staat stelde Makatit te kunnen inhalen. Dat was zich zelven
dus de overwinning voorbereiden. Het verachtelijke van dat verraad,
de lafhartigheid die er in gelegen was zijne makkers zoo te berooven,
makkers, waarvan hij slechts goede diensten ondervonden had, dat alles
begreep de ellendeling niet, of, begreep hij het toch, het kon hem niet
doen terugdeinzen. Hij sprong in den zadel en leidde de twee andere
dieren, die de plek niet verlaten hadden, waar hij ze gelaten had,
als handpaarden weg. Hij verwijderde zich bij helder maanlicht in
sterken draf. Cyprianus en Li sliepen steeds. Eerst tegen drie uren
ontwaakte de Chinees en keek met lodderige oogen naar de sterren,
die bij den oostelijken gezichteinder begonnen te verbleeken.
"Het is waarachtig tijd om koffie te zetten!" mompelde hij.
En zonder dralen wierp hij zijn deken, waarin hij gerold lag, van zich
af, sprong op en begon zijn morgentoilet te maken, eene bezigheid,
die hij in de woestijn evenmin veronachtzaamde als overal elders.
"Waar hangt Pantalucci toch uit?" vroeg hij zich eensklaps af.
De dageraad begon aan te breken en de voorwerpen werden minder
onduidelijk in het kampement.
"En de paarden zijn er ook niet!" sprak Li in zich zelven. "Zou dat
puikje der kameraden wellicht...."
En vermoedende wat plaats had gehad, liep hij naar de piketpalen,
waaraan hij de paarden den vorigen avond gebonden had, maakte de
ronde om het kampement en kreeg weldra de zekerheid dat de bagage
van den Napolitaan met hem verdwenen was.
Dat was zoo helder als de dag.
Een blanke zou waarschijnlijk de behoefte geen weerstand hebben
kunnen bieden om Cyprianus te wekken, ten einde hem dadelijk die zeer
belangrijke tijding mede te deelen, maar de Chinees was niet van het
blanke maar van het gele ras, en dacht dat er geen haast bij bestond,
wanneer het gold eene slechte tijding aan te kondigen. Hij bleef zich
dus bedaard onledig houden met zijn koffiezetten.
"Het is inderdaad nog lief van dien schoft, dat hij ons onzen voorraad
levensmiddelen gelaten heeft," mompelde hij.
Toen de koffie behoorlijk en wel door een linnen zak, dien hij
daartoe bepaald vervaardigd had, gefiltreerd was, schonk Li twee
kopjes, die uit de schaal van een struisvogelen-ei gesneden waren,
en die hij gewoonlijk aan zijn knoopsgat opgehangen droeg, vol met
het geurige mengsel. Daarna naderde hij Cyprianus, die steeds sliep.
"Hier is uw koffie, lekker en wel, vadertje," zei hij beleefd,
terwijl hij hem den schouder met den vinger aanraakte.
Cyprianus deed lui eerst een en daarna het andere oog open, rekte zich
de ledematen uit, schonk den Chinees een glimlach, rees overeind en
verorberde de heerlijke warme koffie.
Toen eerst bemerkte hij de afwezigheid van den Napolitaan, wiens
slaapplaats natuurlijk leeg was.
"Waar zit Pantalucci toch?" vroeg hij.
"Weg, vadertje!" antwoordde Li op een zoo natuurlijken toon, alsof
de afwezigheid van den Napolitaan ten gevolge van eene afspraak
plaats had.
"Hoe?.... Wat?.... Weg?"
"Ja, vadertje, weg met de drie paarden!"
Cyprianus smeet zijn deken van zich en overtuigde zich met één blik
dat Li waarheid sprak. Die blik zei hem alles. Hij had evenwel eene
te hooghartige ziel om ook maar in het minste iets van zijn onrust
of van zijne verontwaardiging te laten blijken.
"Zoo," zei hij, "dat is aardig! Maar de ellendeling moet niet denken,
dat wij het daarbij laten zullen!"
Cyprianus liep een wijl de kampementsplaats op en neer, in gedachten
verzonken, om te beslissen wat er nu gedaan moest worden.
"Wij moeten dadelijk vertrekken," zei hij tot den Chinees. "Wij zullen
dat zadel, dien toom en alles wat ons te lastig is of te zwaar zal
zijn, hier laten. Wij zullen onze geweren en onze levensmiddelen
medenemen. Als wij goed doorstappen, kunnen wij bijna even snel
vooruitkomen, vooral wanneer wij te voet omwegen kunnen mijden of
afsnijden!"
Li haastte zich om de ontvangen bevelen ten uitvoer te leggen. In
weinige minuten had hij de dekens opgerold en stonden de reizigers
gepakt en gezakt gereed. Toen werd alles wat men op deze plek
achterlaten moest, onder een dichten, grooten hoop struiken verborgen,
en stapte men voort.
Cyprianus had gelijk gehad, dat het in sommige gevallen gemakkelijker
zou wezen te voet te reizen. Men kon zoo, door over steile hellingen te
trekken, die te paard onmogelijk te overschrijden waren, den kortsten
weg nemen. Maar dat kostte dan ook veel inspanning.
Het was ongeveer één uur in den namiddag, toen beiden de noordelijke
helling van den bergketen, dien zij sedert drie dagen volgden,
bereikten. Volgens de inlichtingen, die zij te Lopepo ingewonnen
hadden, kon men niet ver meer van de hoofdstad van Tonaïa verwijderd
zijn. Ongelukkiglijk waren de aanwijzingen over den te volgen weg zoo
oppervlakkig, zoo verward, en waren de uitdrukkingen in het Betjuanen
spraakeigen zoo weinig te vertrouwen, dat het moeielijk was van te
voren te weten of men twee, of wel vijf dagen te marcheeren had om
aan te komen.
Toen Cyprianus en Li de hellingen van het eerste dal, dat zich voor
hen opende, nadat zij den bergnok overschreden hadden, afdaalden, liet
de Chinees een keelachtig geluid hooren, dat wel iets van een lach had.
"Giraffen!" riep hij eindelijk uit.
Cyprianus keek uit en bespeurde inderdaad, daar, diep beneden zich een
twintigtal van die dieren, die bezig waren met grazen in het diepste
gedeelte van het dal. Niets was bevalliger te zien op dien afstand
dan hun lange halzen als masten overeind staande of uitgestrekt als
lange slangen in het gras op een afstand van drie of vier meters van
hun met gele vlekken bezaaid lichaam.
"Men zou een van die giraffen kunnen vangen," merkte Li op, "om dienst
te doen in de plaats van Templar."
"Wat, op een giraffe rijden? Wie heeft ooit zoo iets gezien?" riep
Cyprianus uit.
"Ik weet niet of ooit zoo iets te zien geweest is, maar het hangt maar
van u af, om zoo iets te kunnen zien," antwoordde de Chinees. "Laat
mij maar begaan!"
Nooit begon Cyprianus met een zaak voor onmogelijk te houden, wanneer
zij nog nieuw voor hem was. Hij gaf dus te kennen, dat hij gereed
was Li in zijne onderneming behulpzaam te zijn.
"Wij bevinden ons beneden 's winds van de giraffen," zei de Chinees,
"dat is zeer gelukkig voor ons; want zij hebben een zeer fijnen neus
en zouden ons in het tegenovergestelde geval reeds geroken hebben;
dus als gij nu langs den rechterkant wilt omtrekken, om hen daarna
door een geweerschot te verschrikken, zoodanig dat zij naar mijn kant
gedreven worden, dan is er niet meer noodig, en ik neem het overige
voor mijne rekening."
Cyprianus legde alles op den grond neer wat zijne bewegingen kon
hinderen en ging daarop, alleen met zijn geweer gewapend, in de
aangewezen richting voort, om de beweging te volvoeren, die hem door
zijn dienaar aangeduid was.
Deze verloor intusschen zijn tijd niet. Hij daalde met vluggen
pas de steile helling van het dal af, totdat hij bij een gebaand
pad aangekomen was, dat in het benedengedeelte kronkelde. Dat was
klaarblijkelijk de gebruikelijke weg der giraffen, te oordeelen althans
naar de ontelbare afdruksels, welke hunne hoeven in den bodem gelaten
hadden. Daar nam de Chinees stelling achter een dikken boom, ontrolde
het lange touw, dat hem nimmer verliet, en sneed het in twee stukken
van gelijke lengte, die dus dertig meters lang waren. Daarna bond
hij aan een der uiteinden van elk stuk een dikken keisteen om er een
voortreffelijken lasso van te maken en maakte het andere uiteinde aan
een der benedentakken van den boom stevig vast, echter zoodanig dat nog
een eind touw overschoot dat hij zich om den linkerarm wond. Toen dat
alles gereed was, verborg hij zich achter den dikken stam en wachtte.
Geen vijf minuten waren voorbijgegaan, toen een geweerschot op
eenigen afstand knalde. Dadelijk werd een driftig getrappel vernomen,
dat evenals dat van een eskadron kavallerie iedere seconde al meer
en meer naderde, en aanduidde dat de giraffen vluchtten, zooals Li
voorspeld had. Zij volgden hun gewoon pad en kwamen recht op hem
aan, zonder evenwel de tegenwoordigheid van een vijand te gissen,
daar deze zich onder den wind bevond.
Het gezicht van die giraffen was inderdaad prachtig. Zij kwamen daar
aanstuiven met hunne wijd geopende neusgaten, die zij naar de windzijde
richtten om het gevaar te verkennen, met hunne kleine hoofden, die er
zeer verschrikt uitzagen, en met hunne hangende tongen. Wat Li betreft,
die verzuimde geen tijd met hen te bewonderen. Zijne stelling was
oordeelkundig gekozen, dicht bij eene vernauwing van het pad, waar
de dieren slechts twee aan twee voorbij konden komen. Hij behoefde
slechts te wachten.
Hij liet er eerst drie of vier voorbijtrekken, toen er een opmerkende,
die van een buitengewone grootte was wierp hij zijn eerste lasso
uit. Het touw floot door de lucht en omsnoerde den hals van het fraaie
dier, dat nog eenige sprongen deed. Het touw liep evenwel strak en
belette de ademhaling van het arme slachtoffer, dat dan ook stil
moest blijven staan.
De Chinees had alweer geen tijd verloren met er naar te staan
kijken. Nauwelijks had hij gezien, dat zijn lasso het doel bereikt
had, of hij greep de tweede ter hand en omstrikte daarmede een
andere giraffe.
Dit lukte niet minder. Dat alles was zoo snel in zijn werk gegaan, dat
er niet meer dan een halve minuut voor gevorderd was. De geheele kudde
was reeds uitermate verschrikt uit elkander en naar alle windrichtingen
gestoven, de gevangen en half geworgde dieren evenwel achterlatende.
"Kom dan toch, vadertje," riep de Chinees tot Cyprianus, die, hoewel
hij niet veel vertrouwen in de onderneming stelde, toch zoo spoedig
mogelijk kwam aanloopen.
Hij moest evenwel zijne oogen wel gelooven. Er waren daar twee
prachtige dieren gevangen, die groot en sterk waren, goed in het
vleesch zaten, fijne en sterke pooten bezaten en welker huid glom van
gezondheid. Maar hoe Cyprianus hen ook bekeek en bewonderde, hij kon
er maar niet toe komen om het denkbeeld, dat die dieren berijdbaar
te maken zouden zijn, voor verwezenlijking vatbaar te houden.
"Hoe zich inderdaad op zoo'n ruggestreng te houden, die naar het achter
stel onder een hoek van minstens vijf en veertig graden afdaalt?" vroeg
hij lachende.
"Door zich op de voorschotten en niet op den rug van het dier te
zetten," antwoordde Li. "Zou het daarenboven zoo moeilijk zijn een
opgerolden deken onder het achterstuk van het zadel te plaatsen?"
"Wij hebben geen zadel."
"Ik zal het uwe straks gaan halen."
"En welk gebit wilt ge in zoo'n mond aanleggen?"
"Dat zult ge spoedig zien."
De Chinees had antwoord op alles, een deksel op alle pannetjes, zooals
men zegt, en bij hem volgden de daden al heel spoedig op de woorden.
Het tijdstip om het middagmaal te nuttigen, was nog niet aangebroken,
of de slimme bewoner van het Hemelsche rijk had reeds twee stevige
halsters van een gedeelte van zijn touw gemaakt, en deed die om de
hoofden en de halzen van de giraffen. De arme dieren waren zoo versuft
door het ongeval, hetwelk hen overkomen was, en waren daarenboven
zoo zacht van aard, dat zij volstrekt geen weerstand boden. Andere
stukken touw zouden tot teugels dienen.
Toen die voorbereidende maatregelen getroffen en beëindigd waren,
was er ter wereld niets gemakkelijker dan de gevangen dieren bij
het halstertouw heen te voeren. Toen keerden Cyprianus en Li naar
hunne kampementsplaats van den vorigen dag terug, om het zadel en de
voorwerpen, die zij achter hadden moeten laten, te halen.