gewoonlijk bepalen tot het drinken van een kom gegisten drank, die in
de keuken van den gastheer vervaardigd werd. Om evenwel te bewijzen,
dat deze geene trouwelooze voornemens koesterde, begon hij met de
kom aan zijne lippen te brengen, alvorens haar aan de vreemde gasten
aan te bieden. Het zou een doodelijke beleediging zijn, wanneer de
drank na die beleefde uitnoodiging geweigerd werd. De drie blanken
slikten dus dat Kafferbrouwsel, evenwel niet zonder dat Hannibal
Pantalucci afschuwelijk leelijke gezichten getrokken had, terwijl hij
ter zijde mompelde dat hij de voorkeur zoude gegeven hebben aan een
glas Lacryma-Christi boven dit walgelijk Betjuaansch apothekersdrankje.
Daarna begon men over zaken te kouten. Lopepo verlangde een geweer te
koopen. Dat was evenwel een wensch, die niet ingewilligd kon worden,
hoewel hij in ruil aanbood een tamelijk bruikbaar paard en honderd
vijftig ponden ivoor. Op dit punt zijn de koloniale verordeningen zeer
streng. Zij verbieden de Europeanen wapentuig aan de grenskaffers
over te doen, behalve wanneer zij daartoe speciale vergunning van
den gouverneur hebben. Om het opperhoofd evenwel tevreden te stellen,
hadden de drie gasten van Lopepo voor hem medegebracht een flanellen
hemd, een stalen ketting en eene flesch rum, hetgeen een vorstelijk
geschenk mocht heeten en hem zichtbaar veel genoegen deed.
Het gevolg daarvan was dan ook, dat het Betjuanen-opperhoofd zich
uiterst goed gestemd toonde om al de inlichtingen te verschaffen,
die van hem verlangd werden en die, om begrepen te worden, door
tusschenkomst van James Hilton verkregen moesten worden.
Vooreerst kreeg men te weten dat een reiziger, die geheel en al
aan de beschrijving van Makatit voldeed, de kraal vijf dagen vroeger
voorbijgetrokken was. Dat was de eerste tijding, die men sedert weldra
twee weken van den vluchteling inwon. Zij was dan ook heel aangenaam
en werd dankbaar opgenomen. De jeugdige Kaffer had blijkbaar een
paar dagen zoek gebracht met naar de waadbare plaats in de Limpopo
te zoeken, en trok thans naar het bergland in het noorden.
Of dat bergland nog ver was? En hoeveel marschdagen die afstand
nog bedroeg?
O, slechts zeven of acht.
Of Lopepo in vriendschappelijke verhouding stond met den souvereinen
gebieder van het land, waarin Cyprianus en zijne makkers trekken
wilden?
Ja zeker, daar stelde Lopepo een eer in! Daarenboven, wie zou niet
vriendschappelijk gestemd jegens en den trouwen bondgenoot willen
zijn van Tonaïa den Grooten, den onoverwinnelijken overheerscher van
de Kafferlanden?
Ontving Tonaïa de Groote de blanken voorkomend?
Ja, omdat hij bij ervaring wist, dat de blanken steeds eene beleediging
aan een hunner aangedaan wreken. Waarom met de blanken in oneenigheid
te leven? Zijn zij niet de sterksten, dank zij hunne geweren,
die zichzelven laden? Neen, het was het beste in vrede met hen te
leven, hen goed te ontvangen en eerlijk handel met hunne kooplieden
te drijven.
Dat waren de inlichtingen, die Lopepo verschafte. De voornaamste
daarvan was verreweg dat Makatit verscheidene marschdagen verloren
had, alvorens de rivier te kunnen oversteken, ook dat men nog steeds
op zijn spoor was.
Toen Cyprianus, Hannibal Pantalucci en James Hilton in hunne
legerplaats terugkeerden, vonden zij Bardik en Li geheel en al
overstuur.
Zij hadden, zooals zij verhaalden, een bezoek gekregen van een
bende Kaffersche krijgslieden van een anderen stam dan waartoe
Lopepo behoorde. Dezen hadden hen eerst omsingeld en daarna aan
eene nauwkeurige ondervraging onderworpen. Wat kwamen zij in dit
land uitvoeren? Was het niet om de Betjuanen te bespionneeren, om
berichten in te winnen, om hunne getalsterkte, hunne krijgsmacht en
hunne bewapening te leeren kennen? De vreemdelingen handelden niet
wel, wanneer zij zich met zoo'n bedrijf afgaven. Het is waar, hun
koning Tonaïa had niets in te brengen, zoolang zij zijne grenzen niet
overschreden hadden; maar de zaken veranderden geheel van gedaante,
wanneer zij zijn grondgebied zouden binnen dringen.
Dat was de slotsom geweest van hunne gesprekken. De Chinees toonde
zich niet erg bewogen; maar Bardik, die gewoonlijk zoo kalm, steeds
zoo koelbloedig was, scheen thans uitermate beangst te zijn en wel
zoodanig dat Cyprianus zich dat moeilijk verklaren kon.
"Zeer boosaardige krijgslieden!" zei hij, terwijl hij groote
verschrikte oogen rolde, "krijgslieden die de blanken haten en hen
"kouïk" doen zeggen.
Die uitdrukking beteekende bij de half ontbolsterde Kaffers iemand
een gewelddadigen dood doen ondergaan.
Wat nu te doen? Zou men groote waarde aan die mededeeling moeten
hechten? Ongetwijfeld neen. Want die krijgslieden hadden, hoewel zij,
volgens de medegedeelde berichten, ruim dertig man sterk waren,
Bardik en Li, die ongewapend waren, geen kwaad gedaan en hadden
geene neiging tot stelen of plunderen aan den dag gelegd. Hunne
bedreigingen waren slechts ijdele praatjes, zooals wilden gewoon zijn
tegenover vreemdelingen te bezigen. Het zou voldoende zijn het groote
opperhoofd Tonaïa eenige beleefdheden te bewijzen en eene openhartige
mededeeling te doen omtrent het doel, dat de blanken in zijn land
bracht. Dat zou wel allen achterdocht verdrijven en hen eene goede
ontvangst verzekeren.
Het werd dan ook afgesproken, dat men de reis voortzetten zou. De hoop
van Makatit in te halen en hem den gestolen diamant afhandig te maken,
deed iedere andere beschouwing of hinderpaal vergeten.
VIJFTIENDE HOOFDSTUK.
EEN KOMPLOT.
Na eene week reizens was de karavaan in een streek aangekomen, die in
geenen deele geleek op eenig land dat onze spoorzoekers doorreisd
hadden, sedert zij Grikwaland verlieten. Men naderde thans het
bergland, hetwelk Makatit zich volgens alle ingewonnen berichten
waarschijnlijk tot einddoel zijner reis gesteld had. Het hooge
land, dat men nader kwam, werd genoegzaam aangekondigd door de vele
bergstroomen, die van de hellingen afdaalden, en door eene planten-
en dierenwereld, geheel verschillend van die der vlakte.
Een der eerste valleien, die zich voor hunne oogen opdeed, leverde
hun bij zons-ondergang een buitengewoon frisch en lachend schouwspel.
Eene rivier, welker water zoo helder was, dat men overal de bedding
zien kon, kronkelde tusschen twee smaragd-groene grasvelden. Talrijke
vruchtboomen met hun rijk geschakeerden bladerdos tooiden de
hellingen der heuvels, die dit bekken omsloten. Op dien bodem,
die gedeeltelijk door de zon nog beschenen, gedeeltelijk door de
kolossale broodboomen beschaduwd werd, graasden vreedzaam talrijke
kudden van roode antilopen, van zebra's of van buffels. Iets verder
schreed een rhinoceros met loggen tred door eene breede open plek en
begaf zich naar den rivieroever en knorde reeds van blijdschap bij de
gedachte, dat hij die heldere wateren troebel zou maken door er zijne
vleeschachtige massa in te plompen. Hier en daar vernam men het gegeeuw
van eenig wild dier, dat zich onder het struikgewas verveelde. Men
zag er een wilden ezel die balkte, terwijl boven hem geheele troepen
apen in de boomen dartelden en elkander nazaten als kwajongens.
Cyprianus en zijne beide makkers hadden boven op een heuvel halt
gemaakt, om dat voor hen zoo nieuwe tooneel op hun gemak te kunnen
genieten. Zij waren eindelijk in een van de oerstreken aangekomen,
waar het wilde dier als onbetwiste heerscher van den grond, zoo
gelukkig en zoo vrij leefde, dat het zelfs het bestaan van eenig
gevaar niet giste. Wat vooral opmerkenswaardig genoemd kon worden,
was niet alleen de talrijkheid en de rustige aard van die dieren,
maar ook de bewonderenswaardige verscheidenheid van het dierenrijk,
hetwelk zij in dit gedeelte van Afrika vertegenwoordigden. Men zou
waarlijk geloofd hebben een van die vreemdsoortige schilderijen onder
de oogen te hebben, waarop de schilder zich tot taak schijnt gesteld
te hebben, binnen een engen kring al de voornaamste typen van het
dierenrijk te vereenigen.
Weinig menschelijke bewoners werden evenwel aangetroffen. De Kaffers,
wel is waar, konden slechts te midden van de onmetelijke streken zeer
dun gezaaid zijn op deze oppervlakten. Het was nog niet de woestijn,
maar veel scheelde het niet.
Cyprianus in zijne neigingen van geleerde en van kunstenaar geprikkeld,
was er niet verre van af te gelooven, dat hij in den voorhistorischen
tijd, waarin het megatherum en andere voorzondvloedlijke dieren
leefden, terug gebracht was.
"Er ontbreken hier nog maar olifanten," sprak hij, "om het feest
volkomen te maken!"
Hij werd evenwel als op zijn woord bediend. Li strekte den arm uit
en toonde hem te midden van eene uitgestrekte vlakte, verscheidene
grijsachtige massa's. Van uit de verte gezien, was het alsof het
zooveel rotsen waren en men zou in die meening gestijfd zijn zoowel
door hunne onbeweeglijkheid als door hunne kleur. Inderdaad, het
was eene kudde olifanten. Het grasveld was er mede gevlekt over eene
uitgestrektheid van verscheidene mijlen.
"Je hebt dus ook verstand van olifanten?" vroeg Cyprianus aan den
Chinees, terwijl men aanstalten maakte om het nachtelijke verblijf
in gereedheid te brengen.
Li knipte met zijne kleine scheefstaande oogen.
"Ik heb twee jaar op Ceylon gewoond en daar als helper ijverig aan
de drijfjachten deelgenomen," antwoordde hij met die geheimzinnige
terughouding, die bij hem steeds waar te nemen was, wanneer het zijne
levensgeschiedenis gold.
"Ik wilde wel, dat wij een paar van die monsters konden neerleggen,"
sprak James Hilton. "O! dat is zoo'n prettige jacht!"
"Ja," vulde Hannibal Pantalucci aan, "en eene jacht, waarbij het
wild waarachtig het schot kruit wel waard is. Bij voorbeeld twee
olifantstanden kunnen een' aanzienlijken buit genoemd worden en wij
zouden in het achtergedeelte van onzen wagen wel ruimte vinden om drie
of vier dozijn van die tanden te bergen!.... Beseft ge wel, makkers,
dat niet meer noodig ware om de kosten van onze reis te dekken?"
"Maar, dat is een denkbeeld--en een uitmuntend zelfs," riep James
Hilton uit. "Waarom zouden wij morgen niet reeds die jacht beproeven,
voor dat wij de reis voortzetten?"
Men besprak het voorstel en eindelijk werd besloten, dat men bij het
krieken van den dag het kamp zoude opbreken en dat men het geluk
zou gaan beproeven, naar den kant van de vallei, waar olifanten
bespeurd waren.
Nadat die beslissing genomen en het middagmaal zoo haastig mogelijk
verorberd was, kroop ieder onder de huif van den wagen, behalve
James Hilton, die de wacht had, en derhalve dien nacht bij het vuur
moest waken.
Hij had zoo omstreeks twee uren in de eenzaamheid doorgebracht, en hij
begon reeds in te dutten, toen hij zich zachtkens tegen den elleboog
voelde stooten. Hij opende de oogen en zag dat Hannibal Pantalucci
naast hem gezeten was.
"Ik kan niet slapen," zei de Napolitaan, "en in dat geval denk ik,
dat ik even goed bij u kan komen zitten."
"Dat is zeer vriendelijk van u," antwoordde James Hilton, terwijl hij
zich uitrekte, "mij zouden eenige uren slapens niet onwelkom zijn. Als
gij zoudt willen, zouden wij het met elkander kunnen vinden! Ik zou
onder de huif uwe plaats kunnen gaan innemen en gij de mijne hier?"
"Neen!.... blijf! Ik heb met u te praten!" hernam Hannibal Pantalucci
met gedempte stem.
Hij keek rond om zich te overtuigen, of zij wel alleen waren, en
hernam daarna:
"Hebt gij ooit een olifantsjacht bijgewoond?"
"Ja, twee malen," antwoordde James Hilton.
"Welnu, dan weet gij, dat het eene gevaarlijke jacht is. De olifant is
zeer verstandig, zeer slim en zeer goed gewapend. Het is zelden, dat de
mensch bij een strijd tegen dat dier niet het onderspit moet delven."
"Jawel, dat is zoo, als gij van de onhandigen spreekt!" antwoordde
James Hilton. "Met een goede karabijn evenwel, die met ontplofbare
kogels geladen is, is het gevaar nul en valt er niet veel te vreezen!"
"Zoo dacht ik er ook over," hernam de Napolitaan. "Er kunnen evenwel
ongelukken gebeuren!.... Veronderstel eens, dat er morgen den
Franschman een overkomt, dan zou het een ramp voor de wetenschap zijn!"
"Een ware ramp!" herhaalde James Hilton.
Hij lachte evenwel daarbij met een boosaardigen lach.
"Voor ons zou die ramp zoo heel groot niet zijn," hernam Hannibal
Pantalucci, aangemoedigd door den lach van zijn makker. "Wij zouden
dan slechts twee zijn om Makatit en zijn diamant na te zetten!.... Nu
kan men zich met zijn tweeën beter verstaan dan...."
Beide mannen bleven het stilzwijgen bewaren, met de oogen op de
brandende takken gericht en de gedachten vervuld met hunne misdadige
ontwerpen.
"Ja, zeker.... met zijn tweeën verstaat men elkander beter," herhaalde
de Napolitaan. "Met zijn drieën is dat moeielijker!"
Weer trad een oogenblik van stilte in.
Hannibal Pantalucci hief eensklaps het hoofd op en peilde den donkeren
nacht, die hem omgaf.
"Hebt gij niets gehoord?" vroeg hij zacht fluisterend. "Ik meende
eene schaduw achter dien broodboom te zien."
James Hilton keek op zijne beurt uit, maar al was zijn oog ook nog zoo
scherp, hij ontwaarde niets verdachts in den omtrek der legerplaats.
"Ik zie niets!" zei hij. "Wellicht heeft het linnen, dat de Chinees
in den nachtdauw te bleeken heeft gelegd, uw oog getrokken."
Het gesprek werd weldra tusschen de twee medeplichtigen hervat,
maar fluisterend ditmaal:
"Ik zou de patronen van zijn geweer kunnen aftrekken, zonder dat
hij zulks merkte," zei Hannibal Pantalucci. "Ik zou vervolgens bij
het aanvallen van een olifant een schot achter hem kunnen lossen,
zoodat het dier hem dan moest bespeuren.... Nu, dan zou het niet lang
meer duren!...."
"Jongens, dat is niet van gewicht ontbloot, wat ge daar zegt,"
antwoordde James Hilton ontwijkend.
"Kom, laat mij begaan, en gij zult zien dat de geheele zaak van een
leien dakje zal glijden," hernam de Napolitaan.
Toen Hannibal Pantalucci zijne plaats onder de huif een uur later weer
innam, stak hij voorzichtig een lucifer aan om zich te overtuigen
dat niemand zich verroerd had. Deze voorzorg veroorloofde hem zich
te overtuigen dat Cyprianus, Bardik en de Chinees Li in diepen slaap
gedompeld waren.
Zij hadden er ten minste al het uiterlijke van. Als de Napolitaan er
evenwel op verdacht was geweest, dan had hij wellicht opgemerkt dat
het luide gesnurk van Li eenigszins kunstmatig klonk.
Bij het aanbreken van den dag was iedereen op de been. Hannibal
Pantalucci wist van een oogenblik gebruik te maken, toen Cyprianus
zich naar de bijgelegen beek begeven had om zijn morgenwasschingen te
verrichten, om de patronen van diens geweer af te trekken. Dat was
snel genoeg verricht en vereischte niet eens twintig seconden. Hij
bevond zich geheel alleen. Bardik zette koffie en Li was bezig met zijn
linnen te verzamelen, dat hij in den nachtdauw op zijn berucht touw,
dat hij tusschen twee takken gespannen had, uitgehangen had. Er viel
niet aan te twijfelen, niemand had iets gezien.
Toen de koffie gedronken en het ontbijt genuttigd was, vertrokken
de jagers te paard, den wagen en de trekossen onder de hoede van
Bardik achterlatende.
Li had verzocht de ruiters te mogen volgen en had als eenig wapen het
jachtmes zijns meesters medegenomen. De jagers kwamen binnen een half
uur op hetzelfde punt aan, waar zij den vorigen avond de olifanten
bespeurd hadden. Maar dien dag moest men een weinig verder trekken
om hen op te sporen en eene open vlakte bereiken, die zich tusschen
den voet van het gebergte en den rechter-oever der rivier uitstrekte.
Een geheele kudde olifanten, twee of drie honderd op zijn minst, waren
bezig, terwijl zij in de heldere lucht, die door de opkomende zon
nog schitterender was, scherp uitkwamen, hun ontbijt te genieten op
het tapijt eener onmetelijke vlakte, die met fijn gras nog bepareld
met dauwdroppels, overdekt was. De kleinen sprongen en dartelden
allerdwaast rond om hunne moeders of zogen in stilte. De grooten
verorberden met voorovergebukten kop en met regelmatig slingerende
slurven, het dichte gras van het weiland. Bijna allen waaiden zich
versche lucht toe met hunne breede ooren, die, aan lederen mantels
gelijk, als indiaansche punka's bewogen werden.
Er was in de kalmte van dat huiselijk geluk zoo iets heiligs te
ontwaren, dat Cyprianus zich diep bewogen gevoelde en aan zijne
makkers vroeg om de jacht op te geven.
"Waarom die schuldelooze dieren te dooden?" zei hij. "Is het niet
beter hen in vrede in hunne eenzaamheid te laten?"
Maar dit voorstel viel om meer dan ééne reden niet in den smaak van
Hannibal Pantalucci.
"Waarom?" vroeg hij spottend. "Wel, om mijne beurs te vullen door
ons een goeden voorraad ivoor te verschaffen. Jagen die dikke dieren
u angst aan, mijnheer Méré?"
Cyprianus trok de schouders op, zonder die ongepaste vraag
te beantwoorden. Toen hij den Napolitaan en zijn makkers zag
voortschrijden naar de bedoelde vlakte, deed hij als zij en ging mede.
Alle drie waren thans tot op een afstand van ongeveer drie honderd
meters van de olifanten genaderd. De redenen, waarom die slimme dieren
met hun fijn gehoor, dat hen zoo spoedig waarschuwde, de nabijheid
der jagers nog niet ontwaard hadden, lag daarin dat deze onder den
wind naderden en bovendien beschermd waren door een dik boschgedeelte
van broodboomen.
Toch begon een der olifanten teekenen van onrust te geven. Hij hief
zijn snuit als een vraagteeken in de hoogte.
"Het oogenblik is gekomen," zei Hannibal Pantalucci met fluisterende
stem. "Als wij tot eenig resultaat willen geraken, moeten wij ons op
eenigen afstand van elkander plaatsen en ieder ons doelwit kiezen, dan
moeten wij te gelijker tijd op een afgesproken sein vuur geven. Dit
moeten wij te eerder in acht nemen, daar de geheele kudde op het
eerste schot de vlucht gaat nemen."
Toen dat voorstel aangenomen was, week James Hilton ter rechterzijde
uit, terwijl Hannibal Pantalucci datzelfde te gelijkertijd ter
linkerzijde deed, en Cyprianus Méré in het centrum der positie bleef
voortgaan. Alle drie reden toen op het gemeenschappelijke doel,
de open vlakte toe.
Cyprianus voelde op dit oogenblik tot zijne overgroote verwondering
twee armen, die hem met bovenmatige kracht om het middel omstrengelden,
terwijl Li's stem hem in het oor fluisterde:
"Ik ben het!.... Ik ben op het achterstel van uw paard
gesprongen!... Spreek geen woord!.... Gij zult straks mijne
beweegredenen wel begrijpen!"
Cyprianus kwam toen juist bij den rand van het broodboomenboschje aan
en was op niet meer dan dertig meters van de olifanten verwijderd. Hij
maakte zijn geweer reeds vaardig om op iedere gebeurlijkheid voorbereid
te zijn, toen de Chinees hem nog toefluisterde:
"Uw geweer is ontladen!.... Maar laat u dat niet ongerust
maken!.... Alles gaat goed!.... Waarachtig alles gaat goed!"
Op hetzelfde oogenblik weerklonk de toon van een scherp fluitje,
dat het teeken voor den algemeenen aanval moest zijn. Dadelijk daarop
knalde een geweerschot--een enkel slechts--vlak achter Cyprianus.
Deze keerde zich onmiddellijk om en zag Hannibal Pantalucci, die zich
achter een boomstam trachtte te verschuilen. Maar hij had geen tijd om
daar lang zijne aandacht op te vestigen, want die werd elders geroepen.
Een der olifanten, door dat schot waarschijnlijk gekwetst en ten
gevolge van zijne verwonding woedend gemaakt, stormde op hem los. De
andere dieren namen, zooals de Napolitaan voorzien had, dadelijk de
vlucht met een schrikkelijk getrappel, dat de grond over een omtrek
van twee duizend meters deed dreunen.
"Nu zijn we er!" riep Li, die zich steeds aan Cyprianus vastgeklemd
hield. "Zoodra het dier op het punt zal zijn om u te bereiken, moet
gij Templar een zijsprong doen uitvoeren!.... Draai dan rondom dien
struik daar en laat u door den olifant vervolgen.... Het overige neem
ik op mij."
Cyprianus had slechts den tijd om die aanwijzingen werktuigelijk uit
te voeren, want de dikhuid stormde met den snuit hoog verheven, met
bloed beloopen oogen, met open mond en met de voortanden vooruitstekend
en daarbij eene ongeloofelijke snelheid ontwikkelend, op hem los.
Templar gedroeg zich in die omstandigheden als een oud krijger. Het
edele dier gehoorzaamde met de meest bewonderenswaardige stiptheid
aan de drukking der knieën en aan het aanleggen der beenen van
zijnen berijder, en volvoerde juist op het gewilde oogenblik een
hevigen zijsprong ter rechterzijde. De olifant, door de zwaartekracht
voortgedreven, vloog het paard zonder het te raken voorbij ter zelfder
plaats, die ruiter en paard ter nauwernood verlaten hadden.
Intusschen had de Chinees zich op den grond laten glijden, na zijn
mes zonder een woord te spreken uit de scheede gehaald te hebben. Met
een vluggen sprong wierp hij zich achter den struik, dien hij zijn
baas getoond had.
"Daar!.... daar!.... wend nu om den struik en laat u vervolgen!" riep
hij andermaal.
De olifant was omgekeerd en kwam nu op hem terug, dubbel verwoed,
doordat hij bij zijn eersten aanslag niet geslaagd was. Cyprianus,
alhoewel hij de door Li aangeduide beweging niet begreep, volvoerde
haar toch stiptelijk. Hij draaide en wendde rondom den struik, door
het woest ademende dier op de hielen vervolgd. Twee malen ontweek hij
nog den schok door een plotselingen zijsprong van zijn paard. Maar
zou die taktiek langen tijd slagen? Hoopte Li het dier zoo af te maken?
Die vragen stelde zich Cyprianus, zonder daarop een voldoend antwoord
te kunnen geven, toen hij plotseling den olifant tot zijn groote
verbazing op de knieën zag ineenzakken.
Li, met eene onvergelijkelijke behendigheid van het gunstige oogenblik
gebruik makende, was door het gras voortgekropen tot onder de pooten
van het dier en had met één enkelen houw van zijn jachtmes de spier
van den hiel, die bij den mensch de Achillespees genoemd wordt,
doorgesneden.
Zoo gaan de Hindoes bij hunne jachtondernemingen op den olifant te
werk en de Chinees moest die handeling meermalen op Ceylon beoefend
hebben, af te leiden uit de juistheid en de koelbloedigheid, waarmede
zij uitgevoerd was. Machteloos en op den grond uitgestrekt, bleef
de olifant liggen, terwijl zijn kop in het dichte gras verborgen
scheen. Een beek van bloed stroomde uit de wond en verzwakte hem
klaarblijkelijk.
"Hoerah!.... Bravo...." riepen Hannibal Pantalucci en James Hilton,
terwijl zij toen eerst op het tooneel van den strijd verschenen.
"Men moet hem met een kogelschot in het oog afmaken!" zei James Hilton,
die een onbedwingbare behoefte ondervond, om in beweging te blijven
en een rol in dit drama te spelen.
Daarop bracht hij den kolf van zijn geweer aan den schouder en
gaf vuur.
Bijna ter zelfder tijd hoorde men in het lichaam van het reusachtige
dier het springen van den ontplofbaren kogel. Het ondervond eene
laatste stuiptrekking en bleef daarna onbeweeglijk liggen evenals
eene grijsachtige rots langs de boorden van den weg.
"Het is uit met hem!" riep James Hilton, terwijl hij zijn paard
vooruit dreef tot dicht bij het dier, om beter te kunnen zien.
"Wacht!.... wacht nog!...." scheen de sluwe blik van den Chinees tot
zijn baas te zeggen.
Er viel niet lang naar het schrikkelijk, maar niet te vermijden
uiteinde van dat tooneel te wachten.
Inderdaad, nauwelijks was James Hilton dicht bij den olifant gekomen
en boog hij zich over zijn stijgbeugel om bij wijze van spotternij
een van zijn groote ooren op te heffen, toen het dier eensklaps zijn
snuit met eene onverwachte beweging op den onvoorzichtigen jager
deed neerkomen, hem de wervelkolom brak en het hoofd verbrijzelde,
voordat de toeschouwers van die schrikkelijke ontknooping den tijd
hadden om tusschenbeide te treden, ten einde haar te voorkomen.
James Hilton kon slechts een laatsten gil doen hooren. In minder dan
vier seconden bleef van hem niets anders meer over dan een bloedige
vleeschklomp, waarop de olifant zich liet neervallen, om niet weer
op te staan.
"Ik was er zeker van, dat hij zich slechts dood hield," zei de Chinees
met rustige stem, terwijl hij het hoofd schudde. "De olifanten handelen
nooit anders, wanneer de gelegenheid er zich toe aanbiedt."
Dat was het eenige rouwbeklag van James Hilton. De jeugdige
ingenieur, nog onder den indruk van de verraderlijke streek, waarvan
hij bijna het slachtoffer was geworden, kon de gedachte aan eene
rechtvaardige wedervergelding niet onderdrukken ten opzichte van een
der ellendelingen, die hem weerloos aan de blinde woede van een zoo
schrikkelijk dier had willen overleveren.
Wat de gedachten van den Napolitaan waren? Hij achtte het geraden ze
voor zich te houden.
De Chinees was middelerwijl reeds met zijn jachtmes bezig om een kuil
onder de graszoden van de vlakte te maken, waarin hij door Cyprianus
geholpen, weldra de vormlooze overblijfselen van diens vijand ter
aarde bestelde.