niet beter dan door de ondervinding geleerd te worden."
Men trok nog gedurende vijf en twintig of dertig minuten voort,
en niemand dacht meer aan leeuwen, toen James Hilton eensklaps uitriep:
"Heeren, kijkt toch dat mierennest, hetwelk daar ter rechterzijde
wordt ontwaard!"
"Wat is daaraan te zien?" vroeg Friedel. "Sedert twee of drie dagen
zien wij niets anders."
Inderdaad, niets komt in het Bosch-Veld meer menigvuldig voor dan die
groote gele aardhoopen, die door ontelbare mieren opgeworpen zijn,
en die van tijd tot tijd alleen met eenige doornstruiken of boschjes
van magere mimosa's eenige afwisseling in de vreeselijke eentonigheid
van de zich rondom uitstrekkende vlakte aanbrengen.
James Hilton lachte, maar stil en geheel voor zich.
"Mijnheer Méré," hernam hij, "laat uw paard een harden galop aannemen,
tot in de nabijheid van die mierennesten.--Kijk dan in de richting
van mijn vinger.--Ik beloof u dat gij zien zult wat gij verlangt te
zien. Kom er evenwel niet te dicht bij, of het zou u kunnen berouwen."
Cyprianus gaf zijn paard de sporen, en reed naar de plek, die door
James Hilton een mierennest genoemd werd.
"Het is een leeuwenfamilie, die daar gelegerd is!" zei de Duitscher,
zoodra Cyprianus zich verwijderd had. "Ik durf tien tegen een wedden,
dat die gele hoopen, die gij daar ziet, en die gij voor mierennesten
aanziet, niets anders zijn!"
"_Per Bacco_!" riep Hannibal Pantalucci uit. "Gij hadt wel noodig om
hem aan te bevelen er niet te dicht bij te komen!"
Maar bemerkende dat Bardik en Li naar hem luisterden, hernam hij,
terwijl hij een draai aan zijne uitgedrukte gedachten gaf:
"De Franschman zou aardig verschrikt geworden zijn en wij zouden eens
hartelijk gelachen hebben."
De Napolitaan vergiste zich. Cyprianus was er de man niet naar om
zich te laten verschrikken, zooals hij zeide.
Toen deze op tweehonderd passen gekomen was van het doel, dat hem
aangewezen was, herkende hij met welk schrikkelijk mierennest hij
te doen had. Er waren daar een kolossale leeuw met zijne leeuwin
en drie welpen, die in elkaar gerold op den grond lagen als katten,
en gerust in de zon sliepen.
Toen het geluid van den hoefslag van Templar zijn oor bereikte, opende
de leeuw zijne oogen, hief zijn overgroot hoofd op en geeuwde terwijl
hij tusschen twee rijen vreeselijke tanden een afgrond liet ontwaren,
waarin een kind van tien jaren met huid en haar kon verdwijnen. Toen
keek hij den ruiter aan, die op twintig passen afstands zijn paard
tot staan had gebracht.
Het wilde dier had gelukkig geen honger, anders had hij zich zoo
onverschillig niet gedragen.
Cyprianus wachtte met de karabijn in de hand gedurende twee of drie
minuten wat de leeuw zou gelieven te doen. Maar toen hij bemerkte,
dat deze niet van zins was de vijandelijkheden te beginnen, had hij
den moed niet om het vreedzame geluk van dat belangwekkende gezin te
storen. Hij wendde zijn paard en kwam in een korten draf bij zijne
makkers terug.
Dezen, verplicht om hem hulde te brengen wegens zijne koelbloedigheid
en dapperheid, ontvingen hem met juichkreten.
"Ik zou de weddenschap verloren hebben, mijnheer Hilton," zei Cyprianus
in allen eenvoud.
Dienzelfden avond kwam men bij den rechteroever der Limpopo aan,
alwaar halt gemaakt werd. Friedel wilde van de gelegenheid gebruik
maken om een vischzootje in die rivier te vangen. Hij zette dat plan,
in weerwil van de waarschuwingen van James Hilton, stijfhoofdig door.
"Dat is zeer ongezond, kameraad," zeide deze. "Ik waarschuw u. In
het Bosch-Veld moet men na zonsondergang noch langs de rivieroevers
verwijlen, noch...."
"Kom, kom! Ik heb in mijn leven wel want anders bijgewoond!" antwoordde
de Duitscher met de stijfhoofdigheid aan zijn natie eigen.
"Juist," riep Hannibal Pantalucci uit; "wat zou er daarenboven
ongezonds in gelegen zijn, om gedurende een uur of twee op den oever
der rivier te verwijlen? Het is mij wel gebeurd, dat ik, terwijl
ik op de eendenjacht was, er halve en heele dagen doorbracht en ik
daarbij tot aan de schouders nat was!"
"Maar dat is volstrekt niet hetzelfde," hernam James Hilton. "Pas
op, Friedel!"
"Praatjes allemaal!" antwoordde de Napolitaan. "Mijn waarde Hilton,
gij zoudt beter doen de bus met geraspte kaas op te zoeken om mijne
macaroni klaar te kunnen maken, dan te pogen onze makkers te beletten
een schotel visch machtig te worden. Drommels, die zou eene aangename
afwisseling in onzen maaltijd brengen."
Friedel stapte op, zonder naar goeden raad te willen luisteren. Hij
vermaakte zich zoodanig met hengelen, dat het stikdonkere nacht was,
toen hij in de legerplaats terugkeerde.
Daar gebruikte de hartstochtelijke hengelaar zijn maaltijd met den
meesten eetlust en deed van allen wel de grootste eer aan de visschen
die hij zelf gevangen had. Toen hij evenwel zich in den wagen bij
zijne makkers te slapen legde, klaagde hij over hevige huiveringen,
die hem overvielen.
Toen den volgenden morgen de dag aanbrak en men opstond om te
vertrekken, had Friedel eene hevige koorts en bevond hij zich in
de volslagen onmogelijkheid om te paard te stijgen. Hij verlangde
evenwel, dat men opbreken en de reis voortzetten zoude, verzekerende
dat hij zeer goed op het stroo in den wagen lag. Men deed, zooals
hij begeerde. Tegen het middaguur ijlde hij.
Toen het drie uur was, was hij dood.
Zijne ziekte was het gevolg van een bloedbederfkoorts van de ergste
soort.
Bij dat plotselinge uiteinde kon Cyprianus de gedachte niet verbannen,
dat Hannibal Pantalucci, door zijne slechte raadgevingen, in die
gebeurtenis eene groote verantwoordelijkheid op zich geladen had. Maar
niemand anders dan de Franschman dacht er aan, die opmerking te maken.
"Gij ziet nu, dat ik gelijk had toen ik gisteren beweerde, dat men
bij het vallen van den avond niet op den oever eener rivier moet
verwijlen," vergenoegde zich James Hilton op wijsgeerigen toon te
herhalen.
Men stond gedurende eenigen tijd stil om het lijk te begraven, dat
men toch niet ten prooi aan de wilde dieren kon laten.
Het was het lijk van een medeminnaar, van een vijand bijna, en toch
gevoelde zich Cyprianus bij die laatste plechtigheid innig bewogen. Het
gezicht van den dood, overal zoo treffend en zoo aangrijpend, scheen
in de woestijn nog des te meer indruk te maken. In het aangezicht
slechts van de natuur schijnt de mensch beter te begrijpen, dat de dood
de onvermijdelijke eindpaal is van alles wat leeft. Verre van zijne
verwanten, verre van allen, die hij liefhad, vlogen zijne gedachten in
dit sombere uur met weemoed naar hen heen. Hij zei tot zich zelven,
dat hij morgen wellicht op de onmetelijke vlakte zou neervallen om
niet meer op te staan, dat hij dan ook onder een voet zand zou gestopt
worden, dat ook boven zijn lijk een naakte steen zou gerold worden,
en dat noch de tranen eener zuster of moeder, noch de weeklachten van
een vriend hem tot bij zijne eenzame groeve zouden vergezellen. En een
weinig van het medelijden, dat hem het lot van zijn makker inboezemde,
op zijn eigen toestand overbrengende, was het hem, alsof een gedeelte
van zijn eigen ik in dat graf besloten werd.
Daags na die treurige plechtigheid werd het paard van Friedel, dat
vastgemaakt aan den wagen volgde, door de Veld-ziekte aangetast. Men
moest het achterlaten en afmaken.
Het arme dier had zijn baas slechts weinige uren overleefd.
VEERTIENDE HOOFDSTUK.
TEN NOORDEN VAN DE LIMPOPO-RIVIER.
Er waren drie dagen van onderzoekingen en loodingen noodig om eene
waadbare plaats dwars door de bedding van de Limpopo te vinden. En
het was nog maar zeer twijfelachtig, of men haar gevonden zou hebben,
wanneer niet eenige Macalaccasche Kaffers, die daar bij den oever
der rivier rondzwierven, waren aangetroffen en zich hadden bereid
verklaard om de karavaan tot gidsen te verstrekken.
De Kaffers van dat ras zijn arme domme duivels, die door de meer
ontwikkelde Betjuanen in eene afzichtelijke dienstbaarheid gehouden
worden. Zij worden, zonder op eenige belooning uitzicht te hebben,
tot den meest zwaren arbeid gedwongen, en daarbij met hardheid en
ruwheid behandeld. Wat meer zeggen wil: het is hun op straffe des doods
verboden vleeschspijzen te eten. De rampzalige Macalaccassen kunnen
zooveel wild dooden, als zij op hun pad ontmoeten, op voorwaarde dat
zij het bij hunne heeren en meesters te huis brengen. En die laten
hun niets anders dan de ingewanden over, zooals de Europeesche jagers
ongeveer met hunne jachthonden handelen.
Een Macalaccasche Kaffer bezit niets in eigendom, zelfs de ellendige
hut, niet, die hij bewoont, zelfs de kalabas niet, waaruit hij
drinkt. Hij loopt nagenoeg naakt rond, is mager en zonder vleesch, en
draagt buffeldarmen over den schouder, die men op eenigen afstand voor
ellenlange zwarte worsten zoude kunnen houden en die in werkelijkheid
niets anders zijn dan zeer oorspronkelijke ontvangers, waarin hij
zijn voorraad water met zich voert.
De handelsgeest van Bardik openbaarde zich weldra in het volleerde
kunststukje, waardoor hij die ongelukkigen tot bekentenis wist te
brengen, dat zij in weerwil van hunne ellende eenige struisveeren
bezaten, die zij zorgvuldig in naburige struiken verborgen hadden. Hij
deed hen onmiddellijk den voorslag om ze te koopen, waartoe hij met
hen des avonds op eene bepaalde plaats zou samenkomen.
"Gij hebt dus geld om hen in ruil daarvoor te geven?" vroeg Cyprianus
tamelijk verwonderd.
Bardik haalde al lachende een handvol koperen knoopen te voorschijn,
die hij sedert een paar maanden opgezameld had en die hij in een
linnen zakje bij zich droeg.
"Dat's gekheid!" zeide Cyprianus. "Dat is geen gangbare munt, en ik
mag niet toestaan, dat die arme drommels met eenige dozijnen knoopen
gefopt worden!"
Hij had mooi praten; het was onmogelijk Bardik te doen begrijpen,
dan in zoo'n handel iets berispelijks gelegen was.
"Wanneer de Macalaccassen mijne knoopen tegen hunne struisveeren
willen inruilen," antwoordde hij in allen ernst, "wie zal er dan wat
tegen te zeggen hebben? Gij weet zeer goed, dat de inzameling van
die veêren hen niets gekost heeft. Zij hebben zelfs het recht niet
om die te bezitten; zij durven ze slechts ter sluiks vertoonen! Een
knoop daarentegen is een nuttig voorwerp, veel nuttiger dan een veer
van een struisvogel! Waarom zou het mij dan verboden zijn hen een of
twee dozijn van die nuttige knoopen in ruil voor een gelijk aantal
veeren aan te bieden?"
Die redeneering was wel spitsvondig, maar toch niet eerlijk. Wat
de Kaffer niet inzag was, dat de Macalaccassen zijne knoopen zouden
aannemen niet zoozeer voor het gebruik, dat zij er van zouden kunnen
maken, daar zij bijna geen kledingstukken aan het lijf droegen, maar
wel voor de veronderstelde waarde, die zij aan die metalen schijfjes,
welke zoozeer op muntstukken geleken, toekenden. Zoo beschouwd,
was die ruil werkelijk bedrog.
Toch moest Cyprianus tot de erkenning komen, dat zijne redeneering
te hoog was voor het begrip van dien wilde, die op het gebied van
warenomzetting een ruim geweten had. Hij liet hem dus handelen zooals
hij wilde.
De handelsoperatie van Bardik werd des avonds met fakkellicht
volvoerd. De Macalaccassen waren klaarblijkelijk zeer bevreesd door hun
opkooper bedrogen te worden. Zij vergenoegden zich dan ook niet met de
lichten, die de blanken ontstoken hadden, maar zij brachten elk een bos
maïs-stengels mede, die zij in den grond plantten en daarna aanstaken.
Vervolgens haalden die inboorlingen hunne struisveeren voor den dag
en beijverden zich om de knoopen van Bardik te bezichtigen.
Toen begonnen zij onder een oorverdoovend geschreeuw, gepaard met
buitensporige gebaren, een redetwist over den aard en de waarde van
die metalen schijfjes.
Niemand verstond een woord van hetgeen zij in hunne snelsprakige taal
vertelden, maar het was voldoende om hunne met bloed beloopen oogen,
hunne welsprekende gebaren en hunnen toorn te zien, om te begrijpen,
dat de woordentwist over een hoogst belangrijk vraagstuk voor hen liep.
Dit hartstochtelijke gekakel werd plotseling door eene onverwachte
verschijning afgebroken.
Een neger van hooge gestalte, die zich waardiglijk in een leelijken
mantel van rood katoen gewikkeld had en wiens voorhoofd getooid was
met een soort van diadeem, die door de Kaffersche krijgslieden wordt
gedragen en van schapendarmen vervaardigd is, trad uit het struikgewas
te voorschijn, in welker nabijheid het loven en bieden geschiedde. Hij
sloeg woest met den steel zijner lans op de Macalaccassen, die op
heeter daad betrapt waren, zich met verboden handelszaken in te laten.
"Lopepo!...... Lopepo!......" schreeuwden de ongelukkige wilden,
terwijl zij uit elkaar stoven als een troep overvallen ratten.
Een kring van zwarte krijgslieden kwam evenwel uit al de omliggende
struiken te voorschijn en omgaf de schuldigen, die natuurlijk in
hunne vlucht weerhouden werden.
Toen deed Lopepo zich al de knoopen overhandigen. Hij bekeek ze zeer
zorgvuldig bij het schijnsel der toortsen en borg ze met een lach
van vergenoegen in zijn leeren tasch. Daarna trad hij op Bardik toe,
nam hem de reeds geleverde struisveêren uit de handen en eigende zich
die ook toe, zooals hij met de knoopen gedaan had.
De blanken waren lijdzame toeschouwers van dat geheele tooneel
gebleven. zij wisten niet, wat zij doen zouden, òf lijdzaam blijven
òf tusschenbeiden komen. Lopepo hakte den knoop door. Hij trad hen
te gemoet, en op eenige passen afstand van hen gekomen, maakte hij
halt en hield eene aanspraak op zeer bevelenden toon, die voor allen,
op een na, geheel onverstaanbaar was.
James Hilton evenwel, die eenige woorden van de Betjuanen-taal
verstond, slaagde er in om den algemeenen zin van die redevoering
te vatten en vertaalde haar voor zijn makkers. De grondtoon van die
toespraak was, dat het Kaffer-opperhoofd er zich over beklaagde, dat
men Bardik veroorloofd had handel te drijven met de Macalaccassen,
die niets in eigendom mochten bezitten. De neger verklaarde bij het
slot van zijn gebabbel, dat hij de verboden koopwaren benaderde,
en vroeg of de blanken daartegen iets hadden in te brengen.
De meening van dezen omtrent de te kiezen partij was verdeeld. Hannibal
Pantalucci was van oordeel, dat men dadelijk moest toegeven, om
niet in twist met het Betjuanen-opperhoofd te geraken. James Hilton
en Cyprianus erkenden wel, dat er iets goeds in die opvatting was,
maar vreesden, dat wanneer men zich te meegaande in die zaak toonde;
Lopepo daardoor overmoedig zoude worden en dan wellicht eischen zoude
stellen, die tot eene onherroepelijke vredebreuk konden leiden.
Men hield spoedig raad met gedempte stem, waarin overeengekomen
werd, dat men de knoopen aan de Betjuanen zou laten, maar dat zij de
struisveeren moesten teruggeven.
James Hilton had alle moeite om dat door middel van gebaren en van
eenige Kafferwoorden verstaanbaar te maken. Eerst vermeende Lopepo
eene staatkundige houding te moeten aannemen en van aarzeling te
doen blijken. Hij ontwaarde evenwel het glinsteren van de loopen der
geweren in handen van de Europeanen; dat gaf den doorslag, zoodat
hij de veeren teruggaf.
Maar van stonde af aan bleek dat opperhoofd, dat inderdaad zeer slim
was, meer meegaande te zijn. Hij bood aan de drie blanken, aan Bardik
en Li een snuifje uit zijne groote snuifdoos, en nam vervolgens in het
bivouac plaats. De Napolitaan bood hem een glas brandewijn aan, hetgeen
hem goed gemutst maakte. Eindelijk stond hij op, na daar anderhalf
uur stom als een visch gezeten te hebben, en noodigde de karavaan
uit om hem den volgenden dag een bezoek in zijne kraal te brengen.
Men deed hem de verlangde belofte, waarop hij vervolgens, na met
allen een handdruk gewisseld te hebben, met deftigen stap heen ging.
Iedereen ging na zijn vertrek slapen, behalve Cyprianus, die, na zich
in zijne dekens gewikkeld te hebben, bij het beschouwen der sterren
wakend droomde. Het was nieuwe maan, maar de nacht was overheerlijk
helder door het groot aantal sterren, dat zichtbaar was. Het wachtvuur
was uitgegaan zonder dat de jeugdige ingenieur er op gelet had.
Hij dacht aan zijne verwanten, die waarlijk niet konden gissen dat
hij in dit oogenblik door een zoodanig avontuur als hem voortjoeg,
in de volle woestijn van Zuid-Afrika getrokken was; hij dacht aan
de bekoorlijke Alice, die op hare beurt thans ook misschien naar
de sterren keek; hij dacht, in één woord, aan al de wezens, die hem
dierbaar waren. En zich door die zachte droomerijen latende vervoeren,
welke door de stilte van die onmetelijke vlakten in een dichterlijk
waas gehuld werden, was hij op het punt van in te dommelen, toen
een hoefgetrappel, een zonderling leven, komende van den kant, waar
de trekossen voor den nacht gestald waren, hem wakker maakte en hem
deed opspringen.
Cyprianus meende toen in het duister eene gedaante te onderscheiden,
die minder hoog en meer ineengedrongen was dan die der ossen en die
al dat spektakel veroorzaakte.
Zonder zich recht rekenschap te geven, wat die gedaante eigenlijk
was, greep Cyprianus eene zweep, die voor de hand lag, en schreed
voorzichtig naar de plek, waar de ossen gestald waren.
Hij had zich niet vergist: er was daar in de nabijheid der trekdieren
een vreemd beest, dat hun slaap gestoord had.
Nog niet geheel wakker, en zonder na te denken over hetgeen hij
uitvoerde, hief Cyprianus zijne zweep omhoog en striemde den muil
van den ongenoodigden gast met een fermen zweepslag.
Een verschrikkelijk gebrul was het antwoord op dien aanval!.... Het
was waarachtig een leeuw, die door den jongen ingenieur als een
stouten poedel behandeld was!
Onze Franschman had nauwelijks den tijd om een der revolvers ter hand
te nemen, die hij steeds aan zijn gordel droeg, en om een zijsprong
uit te voeren, toen het dier op hem toesprong zonder hem te bereiken,
zich omwendde en andermaal op hem toevloog en zijn arm greep.
Cyprianus voelde de scherpe klauwen zijn vleesch verscheuren. Door
den schok viel hij omver en rolde in het stof met het schrikkelijke
wilde dier. Een schot knalde eensklaps! Het lichaam van den leeuw
trilde onder eene laatste stuiptrekking, rekte zich uit en bleef
bewegingloos liggen.
Cyprianus, die niets van zijne koelbloedigheid verloren had, had met
de hand, die nog vrij gebleven was, den loop van de revolver in het
oor van het monster geplaatst, wiens schedel door een ontplofbaren
kogel verbrijzeld werd.
De slapende makkers van den ingenieur, door het gebrul van den leeuw en
door den knal van het revolverschot gewekt, stonden naar het gevecht te
zien. Men bevrijdde Cyprianus, die half verpletterd onder het gewicht
van het overgroote dier lag; men onderzocht zijne wonden, die niets
te beduiden hadden. Li verbond ze met eenige zwachtels met brandewijn
bevochtigd; daarna werd de beste plaats in den wagen voor den dappere
ingeruimd, en weldra was de geheele karavaan weer ingeslapen onder
de hoede van Bardik, die tot het aanbreken van den dag wilde waken.
De dageraad vertoonde zich nauwelijks aan den hemel, toen de stem
van James Hilton weerklonk, die zijne makkers smeekte hem te hulp
te komen, en aldus een nieuw onheil aankondigde. James Hilton had
zich geheel gekleed op het voorgedeelte van den wagen te slapen
gelegd. Thans verried zijne stem den vreeselijksten angst, terwijl
hij geene beweging durfde maken.
"Eene slang heeft zich rondom mijn rechterknie onder mijn broek
gerold," zeide hij. "Beweegt u niet, of ik ben verloren! Wat moet er
toch gedaan worden?"
Zijne oogen puilden uit hunne kassen van angst; zijn gelaat was
met eene lijkkleur overtogen. Men ontwaarde inderdaad ter hoogte
van zijn rechterknie, onder het blauwe linnen van zijn broek, de
tegenwoordigheid van een vreemd lichaam--een soort kabel, die rondom
het been gewikkeld was.
De toestand was ernstig. Zooals James Hilton zelf zeer te recht
opmerkte, bij de eerste beweging, die hij deed, zou de slang niet
nalaten hem te bijten!
Maar te midden van de algemeene verslagenheid nam Bardik op zich om
te handelen.
Na het jachtmes van zijn meester, zonder gedruisch te maken,
uit de scheede getrokken te hebben, naderde hij James Hilton met
eene bijna onmerkbare beweging. Hij schoof vooruit als ware hij een
worm. Toen bracht hij zijne oogen ter hoogte van de slang en onderzocht
gedurende eenige seconden nauwkeurig de ligging van het gevaarlijke
dier. Ongetwijfeld zocht hij zich rekenschap te geven van de plaats,
waar de kop der slang zich bevond.
Plotseling richtte hij zich met eene snelle beweging op; daarop bracht
hij zijn arm bliksemsnel omlaag, en het staal van het mes drong met
een droog en kort geluid ter hoogte van de knie van James Hilton door
het linnen zijner broek.
"Gij kunt de slang afschudden!.... Zij is dood!" zei Bardik, terwijl
hij glimlachende al zijne tanden liet zien.
James Hilton gehoorzaamde werktuiglijk en schudde het been.... De
slang viel voor zijne voeten.
Het was een adder met zwarten kop van slechts een duim middellijn, maar
welks beet voldoende zoude geweest zijn om een schrikkelijken dood te
veroorzaken. De jeugdige Kaffer had haar met eene bewonderenswaardige
juistheid onthoofd. De broek van James Hilton vertoonde een snee
van nauwelijks zes centimeters, en de huid van den Amerikaan was
niet geraakt.
Eene afschuwelijke omstandigheid, die Cyprianus diep verontwaardigde,
was dat James Hilton er zelfs niet aan scheen te denken om zijn redder
te bedanken. Nu hij uit den knel was, vond hij zijne tusschenkomst
heel natuurlijk. Het denkbeeld kon niet bij hem opkomen, om de zwarte
hand van den Kaffer in de zijne te nemen en hem toe te voegen: ik
ben u het leven verschuldigd.
"Dat mes is waarachtig zeer scherp," merkte hij eenvoudig op, terwijl
Bardik het afwischte en in de scheede stak, zonder zelf groote
beteekenis te hechten aan hetgeen hij verricht had.
Het ontbijt bracht verstrooiing aan en wischte weldra de indrukken van
dien bewogen nacht uit. Dat ontbijt bestond dien morgen uit slechts
één struisvogel-ei, dat met boter gekookt was en voldoende bleek om
den eetlust der vijf gasten te verzadigen.
Cyprianus had een lichten aanval van koorts, ter gevolge van zijne
wonden die wel ietwat pijnlijk waren. Hij drong er evenwel op aan
om Hannibal Pantalucci en James Hilton naar de kraal van Lopepo te
vergezellen. Het kamp werd bijgevolg onder de hoede van Bardik en van
Li achtergelaten. Deze twee hadden op zich genomen den dooden leeuw
te villen. Het was inderdaad een monster van de soort die "hondenbek"
geheeten wordt.
De drie ruiters togen alleen op weg.
Het Betjuaansche opperhoofd wachtte hen bij den ingang van zijne
kraal op en was door al zijn krijgers omringd. Achter dezen hadden
zich de vrouwen en kinderen uit nieuwsgierigheid opgesteld, om de
vreemdelingen te zien. Toch speelden sommige van die huismoedertjes
de onverschilligen. Voor hunne halfronde hutten gezeten, hielden zij
zich ongedwongen met hun huiselijken arbeid bezig.
Eenigen knoopten netten van lang vezelig gras, hetwelk zij als touw
draaiden.
Het algemeene uiterlijk was ellendig, hoewel de hutten zeer goed
gebouwd waren. Die van Lopepo was veel ruimer dan de anderen, was
daarenboven van binnen met stroomatten bekleed en stond in het midden
van de kraal.
Het opperhoofd geleidde zijne gasten naar binnen, wees hun drie
bankjes aan en zette zich op zijne beurt voor hen neder, terwijl
zijne eerewacht zich achter hem in een kring schaarde.