Toen Cyprianus te huis kwam, vond hij daar Li en Bardik. Die jonge

Kaffer had zich, sedert hij bij den Franschman in dienst getreden was,

zeer ijverig betoond. De Chinees stond met hem op den deurdrempel te

babbelen. De jonge ingenieur deelde hen mede, dat hij ging vertrekken

in gezelschap van Friedel, van James Hilton en van Hannibal Pantalucci,

om jacht op Makatit te maken.

Beiden wisselden toen een blik, een enkelen slechts; naderden elkander,

en zonder in het minst hunne meening omtrent den vluchteling uit te

spreken, zeiden zij :

"Vadertje, neem ons mede met u; wij smeeken er u dringend om!"

"U meenemen?.... Om wat te doen, asjeblieft?"

"Om uwe koffie te zetten en uwe maaltijden gereed te maken,"

zei Bardik.

"Om uw linnengoed te wasschen," vulde Li aan.

"En om de kwaadwilligen te beletten u te schaden," hernamen beiden

te zamen, alsof zij zulks vooraf afgesproken hadden.

Cyprianus gunde hun een dankbaren blik.

"Goed!" antwoordde hij, "op uw verlangen neem ik u beiden mede!"

Daarop ging hij afscheid nemen van den ouden Jacobus Vandergaart, die,

zonder goed- of af te keuren dat Cyprianus aan dien tocht deelnam

hem hartelijk de hand drukte en hem een goede en voorspoedige reis

toewenschte.

Toen de jeugdige ingenieur zich den volgenden morgen bij het aanbreken

van den dag, gevolgd door zijne twee getrouwen, naar het kampement

Vandergaart begaf om den postwagen van Potchefstroom te bereiken,

wierp hij in het voorbijgaan een blik op de hoeve van John Watkins,

waar alles zoo het scheen nog in slaap gedompeld was.

Was het verbeelding? Of een droombeeld? Hij meende achter het witte

mousseline van een der vensters een lichte gedaante te herkennen,

die op het oogenblik dat hij voorbijstapte hem een gebaar van vaarwel

toewenkte.

DERTIENDE HOOFDSTUK.

DWARS DOOR DE TRANSVAAL.

Toen de vier reizigers te Potchefstroom aankwamen, vernamen zij

dat een jonge Kaffer--wiens signalement geheel en al overeenkwam

met den persoon van Makatit--den vorigen dag door de stad getrokken

was. Dit werd als een gunstig voorteeken voor de kans van welslagen

der onderneming beschouwd. Maar het vooruitzicht werd tevens geopend,

dat de vervolging waarschijnlijk zeer langdurig zoude zijn, daar de

reizigers vernamen, dat de vluchteling zich daar een lichte karikel

had aangeschaft, met een struisvogel bespannen, zoodat het moeilijk

werd hem in te halen.

En inderdaad, er bestaan geen betere loopers ter wereld dan die dieren,

die volharding aan snelheid paren. Wij moeten er hier bijvoegen,

dat trekstruisvogels zelfs in Grikwaland uiterst zeldzaam zijn, omdat

zij zoo moeilijk zijn af te richten. Daarom kon noch Cyprianus noch

zijne makkers zich te Potchefstroom die dieren aanschaffen.

Nu moet betuigd worden, dat Makatit in die omstandigheden naar het

noorden trok met een zeer snel vervoermiddel, terwijl tien postpaarden,

al werden zij ook geregeld verwisseld, zich bek-af zouden geloopen

hebben.

Er bleef dus niets anders over dan te trachten den vluchteling zoo

spoedig mogelijk te volgen. Het is waar, deze had, behalve een grooten

voorsprong, ook nog het voordeel van over eene grootere snelheid te

kunnen beschikken dan het vervoermiddel, dat zijne vervolgers bezigen

moesten. Maar.... maar de krachten van een struisvogel hebben ook

hare grenzen. Makatit zou wel genoodzaakt worden ergens op te houden,

en dat zou tijdverlies voor hem zijn. Op het ongunstigste gerekend,

zoude men hem op het einde zijner reis inhalen.

Cyprianus kwam weldra in het geval, zich geluk te kunnen wenschen

dat hij Li en Bardik medegenomen had, vooral toen het er op aankwam

om zich voor den tocht uit te rusten. Dat was geen gering werk om

in zulke omstandigheden met juistheid en beleid die voorwerpen te

kiezen, die werkelijk nut zouden opleveren. Dienaangaande kon niets

tegen de ondervinding, in de woestijn opgedaan, opwegen. Al was

Cyprianus ook al een bovenste beste, een matador in de differentiaal-

en integraalrekeningen, zoo was hij toch onwetend als een zuigeling in

het abc-boek van woestijnbestaan, in het "trek"leven, waardoor daar

ginds de wetenschap aangeduid wordt om "het spoor van de raderen van

een wagen te kunnen volgen." Daar kwam nu nog bij dat zijne makkers

niet alleen geen zucht aan den dag legden om hem met raad en daad

te willen helpen, maar integendeel eene neiging vertoonden om hem in

dwaling te brengen.

De zaken gingen vrij wel, wat den wagen, die met eene voor het

water ondoordringbare huif moest overdekt zijn, de spannen ossen

en de verschillende voorraadsmiddelen betrof. Het algemeene belang

noodzaakte gebiedend om die oordeelkundig uit te kiezen en aan te

schaffen. Die taak nam James Hilton op zich, en hij voerde ze naar

wensch uit. Maar zoo werd niet te werk gegaan met al hetgeen aan

ieders individueel initiatief werd overgelaten, bij voorbeeld bij

den aankoop van een paard.

Cyprianus had op de markt reeds het oog geslagen op een zeer fraai,

vurig veulen van drie jaren oud, dat men hem voor een matigen prijs

aanbood. Hij had het bij wijze van proef bereden en zeer gedresseerd

bevonden en hij stond reeds gereed den koopman de gevraagde som uit

te betalen, toen Bardik hem ter zijde nam en vroeg:

"Hoe is het, vadertje, gaat ge dat paard koopen?"

"Voorzeker, Bardik, het is het schoonste dat ooit voor een dusdanigen

prijs te verkrijgen zal zijn."

"Gij moet het niet nemen, al wou men het u te geef opdringen,"

antwoordde de jeugdige Kaffer. "Dat paard zal geen acht dagen de

vermoeienissen van een reis in de Transvaal volhouden!"

"Wat meent ge?" vroeg Cyprianus. "Wilt ge ook bij geval tegenover

mij de rol van waarzegger op u nemen!"

"Geenszins, vadertje; maar Bardik kent de woestijn en waarschuwt u,

dat dit paard niet "van zouten" is."

""Van zouten?" Wil je mij dan een gekuipt paard doen koopen?"

"Neen, vadertje; maar die uitdrukking wil zeggen, dat dit paard de

landziekte nog niet gehad heeft, dat het die weldra ondergaan zal,

en dat, wanneer het er niet aan sterft, het voor u niettemin nutteloos

zal zijn."

"Zoo!" zei Cyprianus, zeer opmerkzaam gemaakt door die waarschuwing

van zijn bediende. "En wat is dat voor eene ziekte?"

"Dat's een hevige koorts, met hoesten gepaard," antwoordde Bardik. "Het

is onontbeerlijk bij zoo'n reis slechts paarden aan te schaffen, die

de ziekte reeds gehad hebben,--hetgeen aan hun uiterlijk gemakkelijk

te zien is--, omdat, wanneer zij aan den dood ontsnapt zijn, het zeer

zeldzaam is, dat zij een tweede maal aangetast worden."

Tegenover zulk eene gebeurlijkheid mocht niet geaarzeld

worden. Cyprianus brak iedere verdere onderhandeling af en ging

op kondschap uit. Iedereen, dien hij sprak, bevestigde Bardik's

raadgeving. Die zaak was zoo bekend in het land, dat men er zelfs

niet over sprak.

Zoo tegen zijne onervarenheid gewaarschuwd, ging de ingenieur met

meer voorzichtigheid te werk en riep den raad in van een veearts

te Potchefstroom.

Dank zij de tusschenkomst van dien deskundige, werd het hem

mogelijk zich binnen weinige uren een zoodanig rijpaard aan te

schaffen, als voor die reis geschikt was. Het was een grijs paard,

dat slechts vel en beenderen scheen te hebben en slechts een stuk

staart in eigendom bezat. Maar het was hem bij onderzoek duidelijk

aan te zien, dat die "van zouten" was, dat al had hij ook al een

onaangenamen draf, hij beter was dan hij er uitzag. Templar--zoo heette

hij--genoot in het geheele land een zekere vermaardheid wegens zijne

onvermoeibaarheid. Bardik, die wel met recht mocht geraadpleegd worden,

verklaarde ook dat dit paard hem volkomen voldeed.

Bardik zelf zou in het bijzonder met de leiding van den wagen en van de

ossenspannen belast, en daarin door zijn makker Li bijgestaan worden.

Cyprianus behoefde zich dus niet om rijpaarden voor hen te

bekommeren. Het zou hem ook onmogelijk geweest zijn, die aan te

schaffen, wegens de kolossaal hooge prijzen, die hij er voor zou

hebben moeten besteden.

De keuze der wapens was niet minder moeilijk. Cyprianus had wel

ettelijke vuurwapenen uitgekozen, b.v. een uitmuntend getrokken geweer

van het stelsel Martini-Henri en een Remmington-karabijn, die niet

door fraaie bewerking uitblonken, maar die juist schoten en spoedig

geladen konden worden. Maar, waaraan hij nimmer gedacht zou hebben,

wanneer Li de Chinees hem er het denkbeeld niet van had ingefluisterd,

was om zich te voorzien van een zeker getal patronen met ontplofbaren

kogel. Hij meende ook dat hij genoeg munitie zou hebben, wanneer hij

voor vijf of zes honderd schoten kruit en lood zou bezitten, en was

zeer verbaasd toen hij vernam, dat vierduizend schoten, per geweer

gerekend, een minimum-voorraad was, die door de voorzichtigheid in

dat land van wilde dieren en van inboorlingen, die niet minder zeer

te duchten waren, geboden werd.

Cyprianus schafte zich ook twee revolvers aan, en patronen daarvoor,

ook met ontplofbaren kogel, en voltooide zijne bewapening met den

inkoop van een prachtig jachtmes, dat al sedert vijf jaren in de

uitstalling van den zwaardveger te Potchefstroom geprijkt had, zonder

dat ooit iemand een zucht om het te koopen getoond had.

Het was ook weer Li, die op dien inkoop aangedrongen en daarbij

verzekerd had, dat dit mes zeer nuttig bevonden zoude worden. De

zorg daarenboven, die de Chinees wijdde aan het onderhoud en aan de

scherpte en den onbevlekten glans van dat korte en breede lemmer,

hetwelk veel op eene sabel-bajonet van de Fransche infanterie geleek,

toonde genoegzaam welk vertrouwen hij in de blanke wapens stelde,

vertrouwen dat door alle mannen van zijn ras gedeeld wordt.

Er moet nog vermeld worden, dat de reeds vermelde roode koffer den

voorzichtigen Chinees steeds vergezelde. Hij stopte er, bij eene

menigte doozen en doosjes met geheimzinnigen inhoud, ongeveer zestig

meter dun en lenig touw in, stevig gevlochten, van dat soort hetwelk

de matrozen "kabelgaren" noemen. Toen men hem vroeg wat hij daarmede

wilde uitvoeren, antwoordde hij ontwijkend:

"Moet ik de wasch in de woestijn niet even goed ophangen als elders?"

Alle inkoopen waren binnen twaalf uren volbracht. Ondoordringbare

huiven, wollen dekens, keukengereedschap, overvloedige mondvoorraad

in dichtgesoldeerde blikken bussen, jukken voor de ossen, kettingen,

verwisseltuigen, ledergoed, dat alles vulde in het achtergedeelte van

den wagen het algemeene magazijn. Het voorste gedeelte, overvloedig

met stroo gevuld, zou tot slaapplaats dienen, zoowel voor Cyprianus

als voor zijne reismakkers.

James Hilton had zich opperbest van zijne taak gekweten en scheen alles

zeer behendig en doelmatig gekozen en aangeschaft te hebben, wat voor

de vennootschap op reis noodig zou voorkomen. Hij was zeer ijdel, en

op zijne ervaring als volkplanter liet hij zich veel voorstaan. Zoo

zou hij waarachtig er toe overgegaan zijn om zijn makker volledig

omtrent de gebruiken in de Transvaal in te lichten, niet zoozeer uit

kameraadschappelijken aandrang als om zijne meerderheid te toonen en

zijne ijdelheid bot te vieren.

Maar dan kwam Hannibal Pantalucci steeds tusschen beiden om hem in

de rede te vallen.

"Waartoe dient het den Franschman uwe wetenschap en uwe ondervinding

op te dringen?" vroeg hij dan fluisterend. "Zijt gij er op gesteld,

dat hij den prijs van den wedren wint? Als ik in uwe plaats was, zou

ik al die bijzonderheden voor mij houden en er geen woord over kikken!"

James Hilton keek dan den Napolitaan met bewondering aan en antwoordde:

"Het is sterk en slim wat gij daar zegt. Zeer sterk en zeer

slim!.... Waarachtig, dat denkbeeld zou niet bij mij opgekomen zijn!"

Cyprianus had evenwel geen oogenblik geaarzeld om Friedel ridderlijk

te waarschuwen en hem openhartig mede te deelen, wat hij omtrent de

paarden in dit land vernomen had; maar hij stootte zich gevoelig

tegen eene grenzelooze zelfgenoegzaamheid en stijfhoofdigheid. De

Duitscher wilde naar niets hooren en verlangde te handelen zooals hij

verkoos. Hij kocht dus het jongste en het vurigste paard, hetwelk hij

vinden kon--juist hetzelfde dier dat Cyprianus geweigerd had--en maakte

er bijzonder werk van om zich vischgereedschap aan te schaffen. Hij

beweerde dat hij al heel spoedig beu van het wildbraad zoude zijn.

Toen al die voorbereidende maatregelen eindelijk getroffen waren,

kon men zich op weg begeven, waartoe de karavaan zich in de volgorde

rangschikte, zooals wij mededeelen zullen.

De wagen werd getrokken door twaalf ossen, die rosachtig en zwart

gevlekt waren en die door Bardik gemend werden. Deze liep nu eens

met de zweep in de hand naast de stevige dieren, of wel sprong

om uit te rusten op den disselboom achter het laatste span. Dan,

dicht bij den bok gezeten, gaf hij zich aan het geschommel en gehots

van het voertuig over zonder zich verder om iets te bekommeren, en

scheen uitermate ingenomen met dat soort van vervoermiddel. De vier

ruiters reden in front en maakten de achterhoede uit. Zoodanig zou

de marschvorm gedurende de lange dagen geregeld blijven, en slechts

om eene patrijs te schieten, hetzij om eene verkenning uit te voeren,

mocht deze of gene het gelid verlaten.

Na een vluchtige beraadslaging werd besloten, dat men zich regelrecht

naar de bronnen van de Limpopo zoude begeven. Alle inlichtingen, die

men ingewonnen had, toonden aan dat Makatit zich hoogstwaarschijnlijk

derwaarts begeven had. En inderdaad, hij kon geen anderen weg

ingeslagen hebben, wanneer het althans zijne meening was, om zich

spoedig buiten de grenspalen der Engelsche bezittingen te begeven. Het

voordeel, dat de Kaffer op zijne vervolgers vooruit had, was vooreerst

zijne uitmuntende kennis met de streek, en dan de lichtheid van zijn

voertuig. Van den eenen kant wist hij waarheen hij trok, en kon hij den

naasten weg inslaan; van den anderen kant was hij verzekerd, dank zij

zijne kennissen en betrekkingen in het noordergedeelte van het land,

dat hij overal hulp en bescherming, voeding en onderkomen--zelfs

bondgenooten, als die noodig zouden zijn, zoude vinden. Daarenboven

kon men verzekerd zijn dat hij van zijn invloed op de inboorlingen

zoude gebruik maken om hen te gemoet te treden, die hem vervolgden,

en dan desnoods gewapenderhand te doen aanvallen. Cyprianus en zijne

makkers beseften dus al meer en meer de noodzakelijkheid om gezamenlijk

te marcheeren, ten einde elkander te ondersteunen, wilden zij ten

minste dat een hunner de vruchten hunner pogingen plukte.

De Transvaal, die van het zuiden naar het noorden doorreisd

zoude worden, is die uitgestrekte landstreek van Zuidelijk

Afrika--ongeveer dertigduizend hektaren groot--welker oppervlakte zich

uitstrekt tusschen de Vaalrivier en de Limpopo, ten westen van den

Drakenbergketen, van de Engelsche kolonie Natal, van het Zoeloeland

en van de Portugeesche bezittingen gelegen.

Geheel en al door de Boeren, die oude Hollandsche kolonisten van

het Kaapland, ingenomen, die er in twintig of dertig jaren eene

arbeidzame bevolking van landbouwers van meer dan honderdduizend zielen

hebben heengetrokken, heeft de Transvaal natuurlijk de onverzadelijke

begeerlijkheid van Groot-Brittannië opgewekt. Die mogendheid heeft dan

ook dat land in 1877 bij hare bezittingen aan de Kaap ingelijfd. Maar

de gedurige opstanden van de Boeren, die hardnekkig en onafhankelijk

willen blijven, maken dien toestand van inlijving van dit zoo schoone

land nog zeer twijfelachtig. [7]

Het is een van de meest schilderachtige, een van de vruchtbaarste

streken van Afrika, maar ook een van de gezondste, en dat verklaart,

zonder haar evenwel te rechtvaardigen, de aantrekkingskracht,

welke zij op hare geduchte buurvrouw uitoefent. De goudmijnen, die

er kort geleden ontdekt werden, zijn niet zonder invloed gebleven op

de politieke gedragslijn van Engeland ten opzichte van de Transvaal.

Op geografisch gebied verdeelt men gewoonlijk dit land, en ook de

Boeren, die het bewonen, in drie hoofdstreken, te weten: het hooge

land of het Hooge Veld, het heuvelland of het Banken-Veld, en het

struikenland of het Bosch-Veld.

Het hooge land is het meest zuidelijk gelegen. Het wordt door de

bergketen gevormd, die van den Drakenberg naar het westen en naar

het zuiden vertakken. Dat is het Transvaalsche mijndistrict, waar

de dampkring koud en droog is, evenals in het Berner Oberland. Het

Banken-Veld is het landbouwdistrict bij uitnemendheid. Het strekt zich

ten noorden van het Hooge Veld uit en herbergt in zijne diepe dalen,

die door flinke stroomen besproeid en door steeds groenende boomen

beschaduwd worden, het grootste gedeelte der Hollandsche bevolking.

Het Bosch-Veld eindelijk of het struikenland is voornamelijk de

jachtstreek. Die strekt zich in onmetelijke vlakten noordwaarts tot

aan de oevers van de Limpopo, en westwaarts tot aan het land der

Betjuanen-Kaffers uit.

Onze reizigers, die van den Potchefstroom, in het Banken-Veld

gelegen, vertrokken waren, moesten het grootste gedeelte van die

streek diagonaalsgewijs doortrekken, voor dat zij het Bosch-Veld

bereiken konden, om zich verder noordwaarts naar de boorden der

Limpopo te begeven.

Dit eerste gedeelte der reis door de Transvaal was natuurlijk het

gemakkelijkste. Men bevond zich toen nog in een half beschaafd

land. De grootste ongevallen, die den reizigers overkomen konden,

bepaalden zich tot een rad, hetwelk in het modderige wagenspoor van

den weg wegzonk, of tot een zieken os. De wilde eenden, de patrijzen,

de reeën werden langs het pad overvloedig aangetroffen en vormden

iederen dag den grondslag van het ontbijt of van het middagmaal. De

nacht werd gewoonlijk in de een of andere hoeve doorgebracht, welker

bewoners, gedurende drie vierden van het jaar van het overige gedeelte

der schepping afgesloten, de gasten, die bij hen aanklopten, met eene

waarachtige vreugde welkom heetten.

De Boeren werden overal van hetzelfde karakter aangetroffen, dat wil

zeggen: dat zij gastvrij, voorkomend en belangeloos waren.

's Lands gebruik eischt wel is waar, dat hun eene vergoeding wordt

aangeboden voor het onderkomen, dat zij aan menschen en dieren

verleenen; maar zij weigeren die vergoeding immer. Daarentegen dringen

zij bij de reizigers aan, wanneer het op vertrekken aankomt, om meel,

oranje-appelen en gedroogde perziken aan te nemen. En laat men hen in

ruil eenig uitrustingstuk, of jachtinstrument, eene zweep, kruithoorn

of iets dergelijks, dan zijn zij verrukt, al is de waarde van het

ontvangen voorwerp ook nog zoo gering.

Die brave lieden leiden te midden van hunne uitgestrekte eenzame

streken, een vrij rustig bestaan; zij en hunne familie leven zonder

veel moeite van de opbrengst hunner kudden en bebouwen met behulp van

Hottentotten of Kaffers slechts zooveel grond, om jaarlijks voldoenden

voorraad granen en groenten te gewinnen.

Hunne woningen zijn eenvoudig uit leem omgetrokken en met een dik

stroodak gedekt. Wanneer de regen hunne muren in bres legt--wat niet

zelden gebeurt,--dan hebben zij het geneesmiddel dicht bij de hand. De

geheele familie houdt zich dan onledig, leem met water te kneden,

en hebben zij daarvan een goeden voorraad vervaardigd, dan grijpen

jongens en meisjes geheele handvollen van die pap en bombardeeren

daarmede de opening totdat zij gedicht is.

In het innerlijke dier woningen worden ter nauwernood eenige meubelen

aangetroffen; bij voorbeeld houten banken, ruwe tafels, bedden voor

de groote personen, terwijl de kinderen zich met schapenvachten

vergenoegen.

En toch vindt de kunst eene gereede plaats te midden van dat

oorspronkelijk bestaan. Bijna alle Boeren beoefenen de muziek;

zij krassen op de viool of spelen op de fluit. Zij zijn dol op het

dansvermaak, en kennen noch hinderpalen noch vermoeienis, wanneer

het geldt om soms van twintig mijlen in de rondte te zamen te komen

ten einde aan hunnen hartstocht voor het dansen te voldoen.

Hunne dochters zijn zedig en zien er vaak zeer schoon uit in den

eenvoudigen tooi der Hollandsche boerinnen. Zij huwen jong, brengen

haren aanstaande slechts een bruidschat van een dozijn ossen of geiten,

alsook een wagen of eenig ander weeldestuk van dien aard mede. De

echtgenoot beijvert zich om een huis te bouwen, om in den omtrek

eenige bunders land te ontginnen, en daarmede is het huisgezin op

gang geholpen.

De boeren leven lang en worden zeer oud. Nergens ter wereld worden

zooveel honderdjarigen aangetroffen als in de Transvaal.

Een zonderling verschijnsel, hetwelk evenwel nog niet voldoende

verklaard is, valt op te merken in de zwaarlijvigheid waarmede

bijna allen op rijperen leeftijd behept worden en die bij hen een

verbazenden omvang bereikt. Overigens zijn zij hoog van gestalte,

en die kenmerken worden zoowel bij de kolonisten van Franschen en

Duitschen als van zuiver Hollandschen oorsprong aangetroffen.

Intusschen werd de reis, zonder bijzondere voorvallen te ontmoeten,

voortgezet. Het was zelden, dat de expeditie niet in hoeven,

waar zij iederen avond halt maakte, inlichtingen omtrent Makatit

kon inwinnen. Overal had men hem zien voorbijstuiven, met spoed

voortgetrokken door zijnen struisvogel, eerst met een voorsprong van

twee of drie dagen, later met een van vijf of zes, eindelijk met een

van zeven of acht. Men was hem klaarblijkelijk op het spoor, maar

tevens kwam daarbij helder uit, dat hij het in vlugheid won op hen,

die hem vervolgden.

De vier menschenjagers schenen evenwel zeker van hun welslagen te

zijn. De vluchteling zou toch eindelijk genoodzaakt zijn om halt te

maken. Zijne vangst was dus slechts eene kwestie van tijd.

Cyprianus en zijne makkers vatten hunne taak dan ook van de

gemakkelijkste zijde op. Langzamerhand begonnen zij zich aan hunne

lievelingsgenoegens over te geven. De jonge ingenieur verzamelde

rotssoorten; Friedel herbariseerde en beweerde de eigenschappen

der planten, die hij verzamelde, te herkennen aan hun uiterlijke

kenteekenen; Hannibal Pantalucci plaagde of mishandelde hetzij Bardik,

hetzij Li, en verwierf slechts genade van zijne reisgenooten voor zijne

ongure grappen, door op de pleisterplaatsen een schotel overheerlijke

macaroni te bereiden; James Hilton hield zich onledig met de karavaan

van wildbraad te voorzien. Er gingen weinige dagen voorbij, waarin

hij niet eenige dozijnen patrijzen, een overvloed van kwartels,

soms een wild zwijn of een antiloop schoot.

Zoo den eenen dag vóór, den andere nà voorttrekkende, bereikte men

eindelijk het Bosch-Veld. De hoeven werden weldra al meer en meer

zeldzaam en werden later niet meer ontmoet. Men had de uiterste

grenzen der beschaafde wereld bereikt.

Men moest van dat tijdstip af iederen avond kampeeren, groote vuren

ontsteken, waaromheen menschen en dieren zich onder de hoede van een

waakzame wacht konden ter ruste leggen.

De landstreek had een uiterst woest uitzicht aangenomen. Vlakten van

geelachtig zand, boschjes van doornachtige struiken, hier en daar een

beek, die door eene moerassige strook kronkelde, hadden het lachende

groene landschap van het Banken-Veld afgewisseld. Soms moest er een

aanmerkelijke omweg gemaakt worden om een wezenlijk woud van _thorn

trees_ of doornboomen te ontwijken. Dat zijn boompjes van drie tot

vijf meters hoog, die eene groote menigte horizontaal uitgestrekte

takken dragen, gewapend met doornen van twee tot vier duim lang,

zeer hard en scherp als een dolkmes.

Deze grensstrook van het Bosch-Veld wordt gewoonlijk Lion Veld of

Leeuwen Veld genoemd; maar zij schijnt die schrikwekkende benaming

niet te rechtvaardigen, want na drie dagen reizens had men nog geen

van die wilde dieren gezien.

"Die naam zal slechts bij overlevering bestaan," mompelde Cyprianus

bij zich zelven. "De leeuwen zullen meer naar den kant der woestijn

getrokken zijn!"

Toen hij evenwel die meening in tegenwoordigheid van James Hilton

uitte, begon deze luidkeels te lachen.

"Gij gelooft dus dat er geen leeuwen zijn?" vroeg hij, toen zijne

lachbui over was. "Dat komt daar vandaan, dat gij er niet op geoefend

zijt om ze te zien."

"Mooi zoo! Een leeuw te midden van die kale vlakte niet

zien!" antwoordde Cyprianus op spottenden toon.

"Welnu, ik wed om tien pond," zei James Hilton, "dat vóór wij een

uur verder zijn, ik er u een zal wijzen, dien gij niet opgemerkt

zult hebben!"

De Zuidster, het land der diamanten · 第 11 / 21 段