"Toch kwam in weerwil van dat vertrouwen, noch de man, noch de diamant

ter gewenschte plaats aan. Het geheele hof lachte den heer de Sancey

hardop uit.

""Toch blijft mijn vertrouwen in mijn bediende ongeschokt,"" antwoordde

deze. ""Hij moet ergens vermoord zijn.""

"En inderdaad, toen men zocht en goed zocht, vond men het lijk in

een sloot langs den weg.

""Snijd hem open,"" zei de heer de Sancey, ""de diamant moet zich in

zijn maag bevinden.""

"Men voldeed aan zijn verlangen en zijn vermoeden werd volkomen

bevestigd. De nederige held, wiens naam hem zelfs niet overleefd had,

was zijnen plicht en der eer tot in den dood getrouw gebleven. "Hij

overvleugelde door zijne schitterende daad het kleinood, dat hij

droeg," verzekerde een oude kroniekschrijver uit die dagen.

"Het zou mij zeer bevreemden," voegde Alice tot slot van haar verhaal

er bij, "wanneer _de Zuidster_ bij voorkomende gelegenheid gedurende

hare reis niet eene dergelijke toewijding zou opwekken."

Een algemene kreet van instemming begroette die woorden van miss

Watkins. Tachtig handen hieven tachtig glazen omhoog en aller oogen

wendden zich instinctmatig naar den schoorsteen, om daadwerkelijk

hulde te brengen aan den onvergelijkelijken diamant.

Maar.... _de Zuidster_ was niet meer op haar voetstuk, waarop zij

zoo even nog achter John Watkins prijkte.

De verbazing, op tachtig aangezichten uitgedrukt, was zoo duidelijk,

dat de gastheer zich plotseling omkeerde, om er de oorzaak van te

ontdekken.

Nauwelijks had hij die ontwaard, of hij viel verlamd op zijn

leuningstoel neer, als ware hij door den bliksem getroffen.

Men vloog naar hem toe, men maakte zijn das los, men wierp hem water

op het hoofd.... Eindelijk ontwaakte hij uit zijne bezwijming.

"De diamant!...." bulderde hij met donderende stem. "De

diamant!.... Wie heeft den diamant genomen?"

"Heeren, dat niemand het vertrek verlate!" zei de chef der

politie-brigade, terwijl hij al de uitgangen deed bezetten.

Al de gasten keken elkander met verlegenheid aan en wisselden hunne

meeningen al fluisterend. Het was nog geen vijf minuten geleden,

dat allen den diamant nog gezien of gemeend hadden hem te zien. Maar

men moest zijne oogen wel gelooven: de diamant was weg.

"Ik verlang dat alle hier tegenwoordige personen aan den lijve worden

onderzocht, alvorens zij het vertrek verlaten!" stelde Thomas Staal

met zijne gewone rondborstigheid voor.

"Ja!.... ja!".... antwoordde de vergadering, met eene zoo het scheen

eenparige stem.

Dat voorstel liet een glimp van hoop voor John Watkins schemeren.

De politie-beambte deed diensvolgens al de gasten langs een der zijden

van de zaal op eene rij plaats nemen en begon zich het eerst aan de

geëischte behandeling te onderwerpen. Hij keerde zijne zakken het

binnenste buiten, hij deed zijne schoenen uit en liet zijne kleederen

bevoelen en betasten door wien maar wilde. Vervolgens onderwierp

hij ieder zijner ondergeschikten aan hetzelfde onderzoek. Eindelijk

kwamen de gasten een voor een voor en ondergingen opvolgend het meest

nauwkeurige onderzoek.

Helaas! dat alles gaf niets!

Al de hoekjes en gaatjes van de feestzaal werden met de meeste zorg

doorgesnuffeld.... men vond zelfs geen spoor van den diamant!

"Nu de Kaffers, die met het bedienen der tafel belast waren!" zei de

politiebeambte, die de zaak nog niet wilde opgeven.

"Dat's juist!.... De Kaffers zijn de schuldigen!" kreeg hij tot

antwoord. "Zij zijn diefachtig van aard genoeg, om dat schelmstuk

uitgevoerd te hebben!

De arme drommels hadden evenwel het vertrek reeds verlaten, vóór

dat John Watkins zijn toast uitbracht, daar hunne diensten niet

meer benoodigd waren. Zij zaten buiten neergehurkt rondom een groot

vuur, dat in de open lucht ontstoken was. Zij hadden lekkertjes

gesmuld van de kliekjes vleeschspijzen, die van het feestmaal waren

overgeschoten en waren juist op het punt een echt Kaffersch concert

te beginnen. Zij hadden reeds hunne guitaren gegrepen, die van een

kalabas vervaardigd waren, hunne fluiten, waarin zij met de neusgaten

bliezen, hunne schelklinkende tamtams, van verschillende grootte,

en waren reeds begonnen dat helsch rumoer te laten hooren, hetwelk

iedere muziekuitvoering der inboorlingen van Zuid-Afrika voorafgaat.

Die Kaffers begrepen waarachtig niet volkomen, wat men van hen

verlangde, toen men hen naar binnen riep om hen te betasten en hunne

spaarzame kleedingstukken te onderzoeken. Zij kwamen eindelijk op de

hoogte, dat het den diefstal van een diamant van groote waarde gold.

Evenals de voorgaande onderzoekingen waren deze ook nutteloos en

vruchteloos.

"Wanneer de dief onder de Kaffers schuilt--wat voor mij aan geen

twijfel onderhevig is"--zei een der gasten "dan heeft hij tienmaal

meer tijd gehad dan noodig is, om het gestolene op eene veilige plaats

te bergen!"

"Dat's buiten eenige twijfel," zei de politiebeambte, "en er is maar

één middel om hen te noodzaken zich zelven te verraden, en dat is om

zich tot een toovenaar of waarzegger van hun ras te wenden. Die lokt

soms verrassende uitkomsten uit."

"Als gij het toestaat," zei Makatit, die zich nog bij zijne

reisgenooten bevond, "dan kan ik de proef leiden!"

Dit aanbod werd terstond aangenomen. De gasten rangschikten zich

aaneengesloten rondom de Kaffers, waarop Makatit, die in de rol

van toovenaar geheel en al te huis was, zijne voorbereidselen trof,

om zijn onderzoek te beginnen.

Vooraf nam hij twee of drie snuifjes fijne tabak uit een hoornen

snuifdoos, die hij steeds bij zich droeg, en snoof die krachtig op.

"Ik zal thans de proef met de stokjes nemen!" zei hij toen dat snuiven

afgeloopen was.

Hij ging bij een naburigen struik een twintigtal stokken afhakken,

die hij nauwkeurig afmat en op gelijke grootte, namelijk van twaalf

Engelsche duimen sneed. Toen deelde hij die aan de Kaffers uit,

die op een gelid gerangschikt stonden en behield er een voor zich.

"Gij kunt u gedurende een kwartier uurs verwijderen, waarheen gij

wilt," zeide hij op plechtigen toon tegen zijne makkers, "maar gij

moet terugkomen, wanneer gij den tam-tam hoort weêrklinken! Wanneer

de dief onder u schuilt, dan zal zijn stokje drie vingers langer

geworden zijn."

De Kaffers, zeer onthutst door die toespraak, verspreidden zich,

maar gevoelden zich niet op hun gemak, daar zij zeer goed wisten,

dat met de korte en afdoende rechtspleging in Grikwaland iemand al

heel spoedig als verdacht opgepakt, maar nog sneller gehangen werd.

De gasten van John Watkins, die de bijzonderheden van dat comediespel

met alle aandacht gadegeslagen hadden, deelden elkander natuurlijk

hunne gevoelens mede.

"De dief, wanneer hij zich onder die menschen bevindt, zal zich wel

wachten terug te keeren," zei de een.

"Welnu, dat zou hem juist verraden!" antwoordde de ander.

"Bah! Hij zal slimmer zijn dan Makatit en zal zich vergenoegen met

drie vingerlengten van zijn stokje af te snijden, om de gevreesde

verlenging te bezweren!"

"Dat is het waarschijnlijk juist wat de toovenaar hoopt. Want die

onhandige verkorting zou genoegzaam den schuldige aanwijzen."

Toen de vijftien minuten verloopen waren, sloeg Makatit plotseling

op den tam-tam om zijne rechtsonderhoorigen terug te roepen.

Zij kwamen allen tot den laatste toe terug, rangschikten zich voor

hem en reikten hem hunne stokjes over.

Makatit nam ze, vormde er een bundel van en bevond dat ze allen even

lang waren. Hij wilde ze reeds weggooien en verklaren dat de proef

afdoende de eerlijkheid zijner landgenooten had aangetoond, toen hij

van gedachte veranderende, de stokjes, die men hem aangereikt had

met dat hetwelk hij behield, vergeleek.

Allen waren drie vingeren korter.

De arme drommels hadden het voorzichtig geoordeeld, dien

voorzorgsmaatregel te nemen tegen eene verlenging, die volgens hun

bijgeloovig verstand, zeer goed plaats kon grijpen. Dat duidde nu wel

op geen volmaakt zuiver geweten, en waarschijnlijk had ieder hunner

in den loop van den dag den een of anderen diamant gestolen.

Een schaterlach begroette die onverwachte uitkomst. Makatit sloeg

de oogen neer en scheen geheel ter neergeslagen en vernederd, dat

een middel, hetwelk hem in zijne kraal zoo dikwerf bijzonder goed

gediend had, nu in het beschaafde leven geheel waardeloos gebleken was.

"Mijnheer, er blijft ons niets over dan onze onmacht te bekennen!" zei

toen de politiebeambte met een beleefden groet tot John Watkins,

die op zijn leuningstoel in zijn wanhoop verdiept, was blijven

zitten. Misschien zullen wij morgen gelukkiger zijn, wanneer wij

eene groote belooning zullen uitloven aan hem die ons op het spoor

van den dief zal brengen!"

"De dief," riep Hannibal Pantalucci eensklaps uit. "Maar waarom zal hij

dat niet zijn, wien gij opgedragen hadt zijne gelijken te beoordeelen?"

"Wat wilt gij daarmee zeggen?" vroeg de officier van politie.

"Welnu.... die Makatit, die daar de rol van toovenaar op zich nam,

heeft kunnen hopen alle verdenking van zich af te wenden!"

Wie in dat oogenblik aandachtig op Makatit gelet had, zou hem een

leelijk gezicht hebben zien trekken, en hem de zaal hebben zien

verlaten om op een drafje naar zijne hut te snellen.

"Ja," hernam de Napolitaan, "hij was steeds bij diegenen zijner

makkers die den dienst binnenskamers verrichten!.... Hij liep heen

en weer!.... Dat is een schurk, een schoft, wien mijnheer Méré zeer

genegen is, men weet waarachtig niet waarom."

"Makatit is eerlijk! Daar durf ik voor instaan!" riep miss Watkins uit,

die gereed was voor den bediende van Cyprianus in de bres te springen.

"Wat weet jij er van?" grauwde John Watkins zijne dochter ruw

toe. "Ja....! hij is in staat om den diamant gestolen te hebben!"

"Hij kan niet heel ver zijn," hernam de politiebeambte. "Binnen weinige

oogenblikken zullen wij hem doorzocht hebben. Als de _Zuidster_

in zijn bezit gevonden wordt, dan zal hij net zooveel zweepslagen

ontvangen, als zij karaten zwaar is en als hij vóór dien tijd nog

niet bezweken is, zal hij na den vierhonderd twee en dertigsten slag

opgeknoopt worden!"

Miss Watkins ijsde bij het vernemen van die wreede taal. Al die half

wilde mannen klapten in de handen bij het hooren van die afschuwelijke

uitspraak van den politiebeambte. Maar wat te doen tegenover die

woeste naturen, die geen wroeging noch medelijden kenden?

John Watkins bevond zich met zijne gasten een oogenblik later voor

de hut van Makatit en zij braken de deur open.

Makatit was er niet en te vergeefs wachtte men hem gedurende den

geheelen nacht op.

Den volgenden morgen was hij nog niet terug. Men moest toen wel

erkennen dat hij de Vandergaart-Kopjesmijn verlaten had.

TWAALFDE HOOFDSTUK.

TOEBEREIDSELEN TOT VERTREK.

Toen Cyprianus den volgenden morgen al heel vroeg vernam, wat den

vorigen avond gedurende het diner plaats gegrepen had, was zijne

eerste daad om dadelijk te protesteeren tegen de zware beschuldiging,

die tegen zijn bediende ingebracht was. Hij kon onmogelijk aannemen

dat Makatit zulken diefstal zoude gepleegd hebben, en Alice deelde

dien twijfel volkomen met hem. Hij zou eerder Hannibal Pantalucci,

Herr Friedel, Nathan of ieder ander van die wezens, die voor hem

slechts menschen van twijfelachtig allooi waren, verdacht hebben!

Het was evenwel zeer onwaarschijnlijk dat een Europeaan zich aan dien

diefstal had schuldig gemaakt. Voor allen, die met den oorsprong

van de _Zuidster_ onbekend waren, was zij een natuurlijke diamant,

en bezat bijgevolg eene waarde, die het zeer moeilijk moest maken,

hem van de hand te zetten.

"En toch," herhaalde Cyprianus bij zich zelven, "is het niet mogelijk,

dat Makatit de dader is!"

Maar dan kwam toch weer twijfel bij hem op; dan herinnerde hij zich

enkele kleine diefstallen, waaraan de Kaffer zich in zijn dienst

had schuldig gemaakt. In weerwil van de vermaningen zijns meesters,

had hij, zijner geaardheid getrouw--die omtrent het mijn en het dijn

zeer zonderlinge en zeer ruime opvattingen had--, zich nimmer van die

ergerlijke gewoonte kunnen ontdoen. Het gold destijds, wel is waar,

slechts kleinigheden, min kostbare zaken, maar dat was toch voldoende

om de eerlijkheid van Makatit niet geheel en al boven iedere verdenking

verheven te achten.

Daarenboven kwam er nog bij, dat de tegenwoordigheid van den Kaffer in

de feestzaal overeenstemde met het verdwijnen van den diamant als bij

tooverslag; dan nog die zonderlinge omstandigheid, dat hij weinige

oogenblikken later in zijn hut niet meer te vinden was geweest;

eindelijke zijne vlucht--want weg was hij, dat was duidelijk, die

toch hare redenen meest hebben.

Cyprianus wachtte inderdaad den geheelen morgen op Makatit, terwijl

hij nog steeds iedere gedachte aan de schuld van zijn bediende

verwierp. Maar deze kwam niet terug. Hij moest zelfs erkennen,

dat de zak, waarin deze zijne spaarpenningen, zijn gereedschappen,

zoo onmisbaar voor iemand, die de woeste streken van Zuid-Afrika wil

doorreizen, geborgen had, uit de hut verdwenen was. Ja, toen was geen

twijfel meer mogelijk.

Zoo omstreeks tegen tien uur begaf de jeugdige ingenieur, die eigenlijk

meer bedroefd was over het gedrag van Makatit, dan over het verlies

van den diamant, zich naar de hoeve van John Watkins.

Hij vond daar den bewoner der hoeve, Hannibal Pantalucci, James Hilton

en Friedel in een druk gesprek gewikkeld. Alice, die hem had zien

komen, trad met hem de zaal binnen, waarin haar vader en zijne drie

makkers met heftigheid zaten te redetwisten over de maatregelen,

die genomen moesten worden, om weer in het bezit van den diamant

te geraken.

"Men moet dien Makatit nazetten, men moet hem achterhalen!" riep John

Watkins met hevige woestheid uit. "En wanneer men den diamant niet

bij hem vindt, dan moet men hem den buik opensnijden, om te zien of

hij hem niet ingeslikt heeft!.... O! mijn dochter, wat hebt ge goed

gedaan met ons gisteren die geschiedenis te verhalen!.... Men zal

dien diamant tot in de ingewanden van dien schoft zoeken!"

"Maar,.... maar...." antwoordde Cyprianus op spottenden toon, die

den Engelschman volstrekt niet beviel, "om een steen van die dikte

te kunnen inslikken, zou Makatit een struisvogelmaag moeten bezitten!"

"Is een Kaffermaag niet tot alles in staat.... mijnheer Méré?" vroeg

John Watkins. "En vindt gij het gepast in dit oogenblik en over dat

onderwerp te lachen en te spotten?"

"Ik lach of spot niet, mijnheer Watkins," antwoordde Cyprianus op

hoog ernstigen toon. "Wanneer ik evenwel het verlies van dien diamant

betreur, dan is het alleen, omdat gij mij toegestaan hadt hem aan

juffrouw Alice aan te bieden...."

"En ik ben er u dankbaar voor, mijnheer Cyprianus," zei miss Watkins,

"even dankbaar alsof ik hem nog in mijn bezit had."

"Daar heb je nu een staaltje van het vrouwenverstand!" riep Watkins

uit. "Even dankbaar alsof zij hem nog in haar bezit had, een diamant,

die zijn weerga in deze wereld niet heeft!...."

"Inderdaad, dat is niet geheel en al hetzelfde, miss Watkins!" merkte

James Hilton op.

"Neen, waarachtig niet!" vulde Friedel aan.

"Jawel, het is volkomen hetzelfde!" antwoordde Cyprianus, "daar ik,

nu ik dezen diamant vervaardigd heb, wel weer een andere zal kunnen

maken!"

"O mijnheer de ingenieur," sprak Hannibal Pantalucci met eene

bedreigingsvolle stem, "ik geloof dat gij wèl zult doen wanneer gij

uwe proeven staakt.... wèl in het belang van Grikwaland.... voorzichtig

in uw eigen belang!"

"Waarlijk, mijnheer!" antwoordde Cyprianus, "mijne meening is, dat

ik u dienaangaande geen verlof te vragen heb!"

"Het oogenblik is bij mijne ziel goed gekozen om daarover te twisten,"

riep John Watkins uit. "Is mijnheer Méré ook wel verzekerd van bij

eene tweede proefneming te zullen slagen? Zou de tweede diamant,

die in zijne werkplaats zou ontstaan, dezelfde kleur, hetzelfde

gewicht en derhalve dezelfde waarde als de eerste hebben? Kan hij

zelfs verzekeren geen anderen steen te kunnen vervaardigen, al ware

het ook een van mindere waarde? Zou hij durven beweren dat het niet

een groot toeval, louter toeval is geweest?"

Wat John Watkins daar sprak, was te redelijk om niet de gedachten van

den jeugdigen ingenieur te treffen! Dat kwam daarenboven geheel en al

overeen met de tegenwerpingen, die hij zich zelven meermalen gemaakt

had. Zijne wijze van werken kwam voorzeker geheel en al overeen met de

gegevens, die hij uit de nieuwere scheikunde geput had; maar was het

toeval hem niet bovenal behulpzaam geweest bij dat eerste welslagen? En

was hij verzekerd, dat hij bij een tweede poging andermaal slagen zou?

Onder die omstandigheden was het noodzakelijk, dat de dief, maar wat

nog beter zou zijn, het gestolene achterhaald werd.

"Heeft men geen spoor van Makatit gevonden?" vroeg John Watkins.

"Geen enkel," antwoordde Cyprianus.

"Heeft men al de omstreken van het kamp doorzocht?"

"Ja, en goed doorzocht ook," zei Friedel. "De schurk is waarschijnlijk

gedurende den nacht verdwenen en het zal moeilijk, zoo niet onmogelijk

zijn, te bepalen waarheen hij gevlucht is!"

"Heeft de politiebeambte zijne hut doorzocht?"

"Ja," antwoordde Cyprianus; "maar hij heeft niets ontdekt, wat hem

op het spoor van den vluchteling kon brengen."

"O!" riep John Watkins uit, "ik zou vijfhonderd, ik zou duizend pond

sterling willen geven, wanneer men den schoft vatte."

"Dat geloof ik wel, mijnheer Watkins," zei Hannibal Pantalucci. "Ik

vrees echter dat gij uwen diamant en ook den dief nimmer wederziet!"

"Waarom dat?"

"Omdat Makatit, eenmaal aan het loopen, zoo dom niet zal zijn

om onderweg op te houden! Hij zal de Limpopo-rivier oversteken,

hij zal de woestijn doortrekken, hij zal naar Zambessa of naar het

meer Tanganayki, of naar de Boschjesmannen gaan, als hij dat noodig

oordeelen zal."

Deelde de spitsvondige Napolitaan, door zoo te spreken, openhartig

zijne gedachten mede? Of poogde hij aldus te beletten dat men de

vervolging van Makatit ondernam, om die zorg later zelf op zich te

nemen? Die vraag stelde Cyprianus zich, terwijl hij hem aandachtig

waarnam.

Maar John Watkins was de man niet om eene onderneming op te geven

eenig en alleen omdat zij moeilijk in de uitvoering was. Hij zou

werkelijk zijn geheel vermogen opgeofferd hebben om weer in het bezit

van den onvergelijkelijken steen te geraken, en door het geopende

raam boorden zijne woedende blikken ongeduldig tot bij de groenende

zomen der Vaalrivier, alsof hij hoop had daar bij dien boschrand den

vluchteling te ontdekken.

"Neen!" riep hij, "dat kan zoo niet toegaan!.... Ik moet mijn diamant

terug hebben!.... Die schoft moet achterhaald worden!.... O! als ik

maar niet aan het pootje leed, dan zou dat spoedig genoeg geschied

zijn, dat verzeker ik!"

"Vaderlief!...." kwam Alice tusschenbeide, om hem tot kalmte te

stemmen.

"Kom, wie belast er zich mede?" riep John Watkins uit, terwijl hij

den blik rondom zich liet waren. "Wie wil zich met de vervolging

van den Kaffer belasten? De belooning zal flink zijn, daarop geef ik

mijn woord!"

En daar niemand antwoordde:

"Kijk heeren," hernam hij, "gij zijt alle vier jonge mannen, die

naar de hand mijner dochter dingen! Welnu, brengt mij den dief met

mijn diamant terug"--hij zei thans reeds "mijn diamant"--"en op de

eer van een Watkins, hij die mij den steen terugbrengt, zal mijne

dochter krijgen!"

"Aangenomen!" riep James Hilton.

"Ik doe meê!" verklaarde Friedel.

"Wie zou niet trachten een zoo kostbaren prijs te winnen!" mompelde

Hannibal Pantalucci met een akeligen grijnslach om de lippen.

Alice's gelaat was hoogrood van schaamte; zij gevoelde zich uiterst

vernederd, zich zoo tot inzet van zulk eene partij gesteld te zien,

en dat nog wel in tegenwoordigheid van den jongen ingenieur. Zij

trachtte te vergeefs hare verlegenheid te verbergen.

"Miss Watkins!" fluisterde haar Cyprianus toe, terwijl hij zich

eerbiedig voor haar boog, "ik zou mij wel als mededinger willen opdoen,

maar mag, kan ik dat zonder uwe toestemming?"

"Die hebt gij, mijnheer Cyprianus," antwoordde zij levendig, "en ik

voeg er mijne beste wenschen bij."

"Dan ben ik bereid om naar het uiteinde der wereld te reizen," zei

hij terwijl hij zich tot John Watkins wendde.

"Bij mijne ziel, waarschijnlijk zult gij niet ver van de wijs zijn",

meende Hannibal Pantalucci, "en ik geloof dat die Makatit ons een

aardig eindje ver zal voeren. Als hij goed doorgeloopen heeft, kan

hij morgen te Potchefstroom zijn en zal hij de bovenlanden bereikt

hebben, alvorens wij onze woningen zullen hebben verlaten!"

"Maar, wat belet ons om heden nog.... om dadelijk te vertrekken?" vroeg

Cyprianus.

"O, ik waarachtig niet, als gij daarin trek hebt!" antwoordde de

Napolitaan. "Maar, wat mij betreft, ik scheep mij nooit in zonder

mondvoorraad. Een degelijke wagen met een dozijn ossen bespannen en

twee rijpaarden, dat is wel het allerminst wat noodig kan geacht worden

voor een tocht als deze. En dat alles is slechts te Potchefstroom

te verkrijgen."

Nogmaals, sprak Hannibal Pantalucci ernstig? Of was het hem alleen te

doen om zijne mededingers te doen terugdeinzen? De bevestiging daarvan

kon aan twijfel onderhevig zijn. Wat evenwel niet twijfelachtig

kon genoemd worden, was dat hij volkomen gelijk had. Zonder zulke

vervoermiddelen, zonder dien mondvoorraad zou het volslagen dwaasheid

zijn in het noorden van Grikwaland te gaan reizen.

Evenwel, een span ossen--dat wist Cyprianus wel--kostte vier of vijf

duizend gulden, en wat hem betrof, hij bezat er geen twee duizend.

"Een goede inval!" zei plotseling James Hilton, die, in zijne

hoedanigheid van geboren Afrikaan van Schotschen oorsprong, zeer zuinig

van aard was, "waarom zouden wij met ons vieren geen vennootschap

aangaan? Iedere kans zou dezelfde blijven, en de onkosten zouden veel

minder wezen, daar zij door allen gedragen werden!"

"Dat komt mij zeer juist voor," zei Friedel.

"Top, dat neem ik aan," antwoordde Cyprianus zonder aarzeling.

"In dat geval," meende Hannibal Pantalucci te moeten opmerken, "zullen

wij moeten overeenkomen, dat ieder onzer zijne onafhankelijkheid

blijft behouden, en dat hij vrij zal wezen zijne makkers te verlaten,

wanneer hij dit nuttig en doelmatig zal achten om den vluchteling

te achterhalen!"

"Dat spreekt van zelf," antwoordde James Hilton. "Wij vormen eene

maatschap tot aankoop van een wagen, van ossen en levensvoorraad,

maar ieder onzer kan heengaan wanneer hij zulks oorbaar of passend

zal achten! En des te beter voor hem die het eerste het doel bereikt!"

"Aangenomen!" zeiden Cyprianus, Hannibal, Pantalucci en Friedel.

"En wanneer vertrekt gij?" vroeg John Watkins ongeduldig, daar die

overeenkomst zijne kansen, om weer in het bezit van den beroemden

diamant te geraken, vervierdubbelde.

"Morgen met den postwagen van Potchefstroom," antwoordde Friedel.

"Er valt niet aan te denken om vóór dat voertuig aan te komen."

"Aangenomen!"

Alice had middelerwijl Cyprianus ter zijde genomen en vroeg hem of hij

waarlijk geloofde dat Makatit zulk een diefstal zoude bedreven hebben?

"Miss Watkins," antwoordde de jeugdige ingenieur, "ik ben verplicht

te erkennen, dat alle omstandigheden tegen hem pleiten, doordat

hij de vlucht genomen heeft. Maar wat mij zeker voorkomt, dat is

dat die Hannibal Pantalucci mij geheel den indruk heeft gegeven,

dat hij meer van de verdwijning van den diamant afweet, dan hij wel

zal willen bekennen. Wat een galgentronie heeft die man.... en welken

schitterenden vennoot zal ik in hem aantreffen!... Maar bah! men moet

roeien met de riemen die men heeft! Het is, alles goed beschouwd, toch

nog beter dien man in de nabijheid te hebben, om zijne bewegingen te

kunnen gadeslaan, dan dat hij alleen en volgens zijn eigen goedvinden

kon handelen."

De drie mededingers namen weldra afscheid van John Watkins en van zijne

dochter. Wat in de gegeven omstandigheden zeer natuurlijk bevonden

moest worden, is dat het afscheidnemen uiterst kort geschiedde en

zich bepaalde tot het wisselen van een handdruk. Wat zouden die

ijverzuchtige mededingers, die te zamen vertrokken en elkander naar

den duivel wenschten, ook te vertellen hebben gehad, wat de anderen

niet mochten hooren?

De Zuidster, het land der diamanten · 第 10 / 21 段