"Gij hebt hem naar Frankrijk gezonden?" riep John Watkins uit, die

alleen door de gedachte daaraan zich vernietigd gevoelde.

"Neen.... nog niet!.... In zijn ruwen toestand kon niet over zijne

schoonheid geoordeeld worden. Dus gij kunt gerust zijn."

"Aan wien hebt gij hem dan ter hand gesteld? Bij alle heiligen van

Engeland, aan wien?"

"Aan Jacobus Vandergaart, om hem te slijpen. Ik weet niet of hij hem

heeft medegenomen."

"Gij hebt zoo'n diamant aan dien ouden gek toevertrouwd?" riep

John Watkins woedend uit. "Maar dat is waanzin, mijnheer! Inderdaad

waanzin!"

"Bah!" antwoordde Cyprianus. "Wat wilt gij dat Jacobus of wie ook

ter wereld met zoo'n diamant, wiens waarde voor hen, die met zijne

afkomst onbekend zijn, op minstens vijftig millioenen geschat moet

worden, zal uitvoeren? Zoudt ge denken dat het gemakkelijk zou zijn

hem heimelijk aan den man te brengen?"

John Watkins scheen getroffen door dat argument. Neen! een diamant van

die waarde zou niet gemakkelijk van de hand te doen zijn. Toch was de

pachter niet gerust, en had veel willen geven, ja zeer veel, indien

Cyprianus hem niet aan den ouden diamantslijper had toevertrouwd.... of

tenminste dat de oude diamantslijper reeds in Grikwaland teruggekeerd

ware met dien kostbaren steen!

Maar Jacobus Vandergaart had een maand tijd bedongen, en hoe ongeduldig

John Watkins ook was, hij was wel verplicht te wachten.

Het was buiten kijf dat zijne gewone huisbezoekers, als Hannibal

Pantalucci, Herr Friedel, de jood Nathan niet nalieten den

doodeerlijken diamantslijper te belasteren. Bij afwezigheid van

Cyprianus spraken zij veel over hem en merkten dan steeds op, dat de

tijd voorbijvlood en dat Jacobus Vandergaart niet terugkwam.

"En waarom zou hij in Grikwaland terugkeeren?" vroeg Friedel,

"daar het hem zoo gemakkelijk is dien diamant, die zoo'n overgroote

waarde heeft en welker fabriekmatige afkomst nog nergens bekend is,

voor zich te behouden?"

"Omdat hij geen kooper er voor zal vinden!" antwoordde John Watkins,

die hetzelfde argument van den jeugdigen ingenieur te berde bracht,

dat hem evenwel volstrekt niet gerust stelde.

"Een mooie reden!" grinnikte Nathan.

"Ja, waarachtig! een mooie reden," vulde Hannibal Pantalucci

aan. "Geloof mij, die oude kaaiman is reeds ver op dit oogenblik! Wat

is er gemakkelijker, vooral voor hem, dan dien steen geheel

onherkenbaar te maken? Gij kent zijne kleur zelfs niet! Wie zal hem

beletten dien zwaren diamant in vier of zes deelen te verdeelen,

waardoor er door kloving verscheidene steenen bekomen worden, die

toch nog een eerbiedwaardige afmeting zullen hebben?"

Die gesprekken verontrustten het gemoed van John Watkins zeer. Hij

begon ook te gelooven, dat Jacobus Vandergaart zich niet meer zou

laten zien.

Cyprianus alleen was stellig overtuigd omtrent de eerlijkheid van

den oudere diamantslijper. Hij verkondigde openlijk, dat de oude op

den gestelden dag tegenwoordig zou zijn, en hij had gelijk.

Jacobus Vandergaart kwam zelfs tweemaal vier en twintig uren

vroeger terug. Hij had zich zoodanig gehaast en zoo veel ijver bij

den arbeid betoond, dat hij den diamant in zeven en twintig dagen

geslepen had. Hij keerde tegen den avond terug om hem op de schijf

te polijsten, zoodat de grijsaard zich in den morgen van den negen

en twintigsten dag bij Cyprianus vervoegen kon:

"Hier is de steen," zei hij op eenvoudigen toon, terwijl hij een

kleine houten doos op de tafel plaatste.

Cyprianus opende de doos en werd verblind.

Op een kussentje van witte katoenvlokken vertoonde zich een overgroote

zwarte kristal met ruitvormige twaalfvlakken, die zulke prismatische

lichtbundels uitstraalde, dat het geheele laboratorium verlicht scheen.

Die combinatie van eene gitzwarte kleur met eene uiterst

volmaakte diamantachtige doorzichtigheid en met een weergaloos

straalbrekingsvermogen, bracht het meest wonderlijke en meest

verrassende effect te weeg. Men gevoelde zich tegenover dien diamant

als tegenover een waarlijk eenig verschijnsel, dat als een speling

der natuur kon beschouwd worden, dat zijne wederga niet had. Zelfs

als men ieder denkbeeld aan waarde ter zijde stelde, dan nog blonk

de heerlijkheid van dat kleinood ten volle uit.

"Het is niet alleen de zwaarste diamant, die er op de wereld bestaat,"

zei Jacobus Vandergaart hoogst ernstig en met een soort van vaderlijken

trots; "maar het is ook de fraaiste. Hij weegt vier honderd twee en

dertig karaten! Gij kunt u vleien, mijne jonge vriend een kunststuk

uitgevoerd te hebben. Uw proefstuk is een meesterstuk."

Cyprianus had op die complimenten van den ouden diamantslijper niets

geantwoord. Wat hem betreft, hij beschouwde zich als de uitvinder van

eene zeldzame aardigheid, niets meer, niets minder. Vele anderen hadden

zich beijverd de oplossing van het vraagstuk te vinden, zonder te

slagen. Het was hem gelukt op dat terrein der anorganische scheikunde

de bestaande moeielijkheden te overwinnen. Maar welke nuttige gevolgen

zou de menschheid uit de vervaardiging van kunstmatigen diamant

trekken? Zij zou ontwijfelbaar al diegenen ten gronde richten, die

van den handel in edelgesteenten leefden, zonder iemand te verrijken

of ook maar te bevoordeelen.

Die beschouwing verdreef wel ietwat de droombeelden, waaraan de

jonge ingenieur zich in de eerste dagen na zijn ontdekking had

overgegeven. Ja, nu verscheen hem die diamant, hoe bewonderenswaardig

hij ook genoemd moest worden, nadat hij uit de handen van Jacobus

Vandergaart gekomen was, slechts als een waardelooze keisteen, die

niet eens de zinsbegoocheling der zeldzaamheid bezat.

Cyprianus greep het doosje, waarin de onvergelijkelijke steen bevat

was, drukte den grijzen diamantslijper de hand en begaf zich naar de

woning van John Watkins.

De pachter bevond zich in zijn benedenvertrek. Hij was steeds

ongerust over de terugkomst van Jacobus Vandergaart. die hem als zeer

onwaarschijnlijk voorkwam. Zijne dochter was bij hem en trachtte hem

zooveel mogelijk gerust te stellen.

Cyprianus opende de deur en bleef een oogenblik op den drempel staan.

"Welnu?".... vroeg John Watkins met levendige stem, terwijl hij vlug

van zijn stoel opsprong.

"Welnu, de trouwhartige Jacobus Vandergaart is heden ochtend

aangekomen," antwoordde Cyprianus.

"Met den diamant?"

"Ja, met den diamant, dien hij bewonderenswaardig geslepen heeft. Deze

weegt nog vier honderd twee en dertig karaten."

"Vier honderd twee en dertig karaten!" riep John Watkins uit,

"En gij hebt hem bij u?"

"Hier is hij."

De pachter greep het doosje, deed het open en bekeek den diamant met

oogen, die bijna evenzeer fonkelden als het edelgesteente zelf. Hij

was als met stomheid geslagen en had het uiterlijk van een verrukte!

Vervolgens, toen het hem vergund was, om de kolossale waarde, die

de diamant vertegenwoordigde, onder dien tegelijkertijd lichten,

draagbaren, kostbaren en schitterenden vorm tusschen de vingers te

mogen houden, toen verkreeg zijn verrukking een graad van overdrijving,

die hem uiterst bespottelijk maakte.

John Watkins had tranen in de oogen en sprak den diamant aan alsof

het een bezield wezen ware geweest.

"O! die schoone, die prachtige, die schitterende steen!...." riep

hij uit. "Gij zijt dus teruggekomen, mijn liefste!.... Wat zijt ge

schitterend!.... Wat zijt ge zwaar!.... Hoevele klinkende schijven

zult ge wel waard zijn?.... En wat zal men met u aanvangen, mijn

overschoone?.... O, eerst wordt ge naar de Kaapstad, later naar Londen

gezonden, om daar gezien en bewonderd te worden!.... Maar wie zal rijk

genoeg zijn om u te koopen? De Koningin zelve kan zich zulk eene weelde

niet veroorloven!.... Haar geheele inkomen van twee of drie jaren

zou daarmee heengaan!.... Er zal een votum van het Parlement noodig

zijn, of beter nog een nationale inschrijving!.... O! men zal die

in het leven roepen, wees daaromtrent gerust.... En gij zult rusten

in Londen's Toren naast den _Koh-i-noor_, die zich slechts als een

klein kind naast u zal vertoonen!.... Wat zoudt gij wel waard zijn,

mijn hartedief?"

En na een oogenblik in stilte berekend te hebben, vervolgde hij:

"De diamant van den Czaar is door Katharina II met een millioen

roebels comptant betaald geworden, terwijl daarenboven nog eene

jaarlijksche lijfrente van acht en veertig duizend gulden aan den

verkooper verleend werd. Er zal niets overdrevens in gevonden worden,

wanneer voor dezen steen een millioen pond sterling gevraagd wordt

en eene eeuwigdurende rente van twee honderd vijftig duizend gulden!"

En plotseling door een invallende gedachte getroffen:

"Mijnheer Méré," vroeg hij, "zoudt gij niet denken dat men den eigenaar

van een zoodanigen steen tot het pairschap zoude verheffen? Alle

soorten van verdiensten hebben recht om in de pairskamer zitting te

nemen, niet waar? En zoo'n diamant van zulken omvang te bezitten,

zou geen geringe verdienste zijn!.... Kijk dan toch, mijn dochter,

kijk!.... Men heeft aan zijne twee oogen niet genoeg, om zoo'n steen

te bewonderen!...."

Miss Watkins bekeek voor de eerste maal van haar leven een diamant

met eenige belangstelling.

"Hij is waarlijk zeer schoon! Hij glinstert als een stuk kool, wat

hij ook is, maar als een gloeiende kool!" zeide zij, terwijl zij den

diamant voorzichtig van zijn leger van watten nam.

Vervolgens naderde zij met instinctmatige beweging, die ieder jong

meisje in hare plaats ondervonden zou hebben, den spiegel, die boven

den schoorsteen prijkte, en plaatste het bewonderenswaardige kleinood

op haar voorhoofd te midden van haren rijken blonden haardos.

"Eene ster in goud gevat!" zei Cyprianus galant en liet zich daarbij

tegen zijne gewoonte tot het zeggen van eene geestigheid verleiden.

"Dat 's waar!.... Waarlijk, men zou zeggen eene ster!" riep Alice uit,

terwijl zij vroolijk in de handen klapte. "Welnu, die diamant moet

dien naam behouden. Laten wij hem de _Zuidster_ doopen!.... Wilt ge,

mijnheer Cyprianus? Is onze ster niet zwart als de inlandsche schoonen

van dit land en is zij niet schitterend als het prachtig gesternte

van onzen Zuidelijken hemel?"

"Goed! de _Zuidster_!" zei John Watkins, die aan den naam slechts

luttel hechtte. "Maar pas op, laat hem niet vallen!" hernam hij met

schrik, toen het jonge meisje een plotseling beweging maakte. "Hij

zou als glas breken!"

"Waarlijk?.... Is zoo'n steen zoo bros?" antwoordde Alice, terwijl zij

den diamant met vrij wat geringschatting in zijn doosje legde. "Arme

ster, gij zijt dus eene valsche ster, niets anders dan de stop

eener karaf."

"De stop eener karaf!" riep John Watkins woedend uit. "De kinderen

eerbiedigen niets meer!"....

"Juffrouw Alice," hernam toen de jeugdige ingenieur, "gij zijt het,

die mij aangemoedigd hebt om de kunstmatige vervaardiging van het

diamant te zoeken! Aan u is deze steen zijn bestaan verschuldigd!"

".... In mijn oogen evenwel is dat een kleinood, dat zoodra men

zijne herkomst zal kennen, geene handelswaarde hoegenaamd meer zal

bezitten!.... Uw vader zal mij dan ook ongetwijfeld veroorloven,

u dien steen aan te bieden als eene herinnering aan uwen gezegenden

invloed op mijne werkzaamheden!"

"Hé! wat!" riep John Watkins uit, die onmogelijk in dit oogenblik

kon bemantelen, wat in zijn binnenste omging bij die.... onverwachte

aanbieding.

"Juffrouw Alice," hernam Cyprianus, "die diamant behoort u!.... Ik

bied u hem aan, ik geef hem u!"

Miss Watkins antwoordde niet, maar zij reikte den jonkman hare hand,

die deze teederlijk in de zijne drukte.

ELFDE HOOFDSTUK.

DE ZUIDSTER.

Het nieuwtje van den terugkeer van Jacobus Vandergaart had zich

bliksemsnel verspreid. Een menigte bezoekers stroomde dan ook naar

de hoeve, om het wonder van de Kopjes-mijn te bewonderen. Men vernam

weldra dat de diamant aan miss Watkins toebehoorde, maar dat haar

vader meer dan zij zelve daar de bezitter van was. Daardoor ontstond

eene algemeene nieuwsgierigheid ten opzichte van dien diamant, die

niet door de natuur, maar door een menschenhand gemaakt was.

Wij moeten hier evenwel doen opmerken, dat nog niets uitgelekt was

omtrent den kunstmatigen oorsprong van den diamant in kwestie. Van

den eenen kant waren de mijnwerkers van Grikwaland, die met dien

oorsprong bekend waren, niet dwaas genoeg geweest, om een geheim rond

te kraaien, dat hun onmiddellijken ondergang kon bewerken. Van zijn

kant had Cyprianus, die van het toeval niet afhankelijk wilde zijn,

ook gezwegen en besloten zijne memorie betreffende de _Zuidster_

niet te verzenden, alvorens zijn welslagen bevestigd te hebben gezien

door een tweede proef. Hij wilde zeker zijn datgene, wat hij eens

vervaardigd had, ook een tweede maal te kunnen voortbrengen.

Aller nieuwsgierigheid was dan ook ten hoogste gespannen en John

Watkins had onmogelijk een gevoeglijke reden kunnen uitdenken,

om aan die nieuwsgierigheid niet te voldoen, te meer niet daar zij

zijne ijdelheid zeer streelde. Hij plaatste dus de _Zuidster_ op

een kussen van watten op eene kleine wit marmeren kolom, die midden

op den schoorsteen zijner spreekkamer prijkte en den geheelen dag

bleef hij daar op wacht, gezeten in zijn grooten armstoel, om het

onvergelijkelijk kleinood zorgvuldig in het oog te houden en het aan

het publiek te vertoonen.

James Hilton was de eerste persoon, die hem op het gevaarlijke van

zulk eene handelwijze opmerkzaam maakte. Hield hij wel rekening met

de gevaren, die hij als het ware over zijn hoofd uitlokte, door de

overgroote waarde, welke hij in zijne woning huisvestte, zoo voor

aller blikken ten toon te stellen? Het was volgens Hilton volstrekt

noodzakelijk, om van Kimberley eene speciale wacht van politieagenten

te ontbieden; deed hij dat niet, dan zou de eerstvolgende nacht niet

zonder noodlottige gebeurtenissen voorbijgaan.

John Watkins, uiterst verschrikt over dat vooruitzicht, haastte zich

dien welgemeenden raad van zijn gast op te volgen en was niet eerder

gerust dan toen hij tegen den avond een troep bereden politiedienaren

zag aankomen. Die vijf en twintig man werden in de bijgebouwen van

de hoeve gehuisvest.

De toevloed van nieuwsgierigen bleef de volgende dagen steeds

aangroeien en de faam van de _Zuidster_ had weldra de grenzen van

het mijndistrict overschreden om zich tot de meest verwijderde

streken uit te strekken. De dagbladen in de kolonie wijdden artikel

op artikel aan de beschrijving van den omvang, van den vorm, van de

kleur en van den glans van den bewonderenswaardigen diamant. Langs

den telegraafkabel werden al die bijzonderheden over Zanzibar en Aden

eerst naar Azië en Europa, vervolgens naar Noord- en Zuid Amerika

en Australië overgeseind. Photografen smeekten om de eer, van den

prachtigen steen eene afbeelding te mogen nemen. Speciale teekenaars

kwamen uit naam der geïllustreerde tijdschriften er eene schets van

maken. In één woord, die diamant stelde een wereldgebeurtenis daar.

De legende werd er zelfs mede gemoeid. Er werden in de vereenigingen

der mijnwerkers fantastische verhalen gefluisterd over de

geheimzinnige eigenschappen welke men dien steen toeschreef. Men zei

met gedempte stem, dat een zwarte diamant niet anders dan ongeluk kon

aanbrengen! Ervaringsvolle lieden schudden het hoofd en verklaarden

volmondig, dat zij dien duivelssteen liever bij Watkins aan huis dan

bij zich zagen. In het kort, het kwaadspreken en zelfs de laster,

die aan iedere beroemdheid als het ware kleven, ontbraken ook aan de

_Zuidster_ niet, die er zich natuurlijk niets van aantrok; maar:

Geheele bundels prachtvolle lichtstralen

Op die lasteraars liet nederdalen!

Anders was het evenwel met John Watkins gesteld, die over die

oude-wijven-praatjes verwoed was. Het was hem te moede, alsof al

dat geklets iets van de waarde van dien steen ontnam en hij werd er

door aangedaan als door persoonlijke beleedigingen. Sedert dat de

gouverneur der kolonie, de officieren der naburige garnizoensplaatsen,

al de magistraten, de beambten, de geconstitueerde lichamen en firma's

hunne hulde hadden komen bewijzen aan zijn kleinood, zag hij eene

heiligschennis schier in iedere vrije gedachtenwisseling die er over

gevoerd werd.

Om dan ook een tegenwicht tegenover al dat gezwets te stellen, en ook

om aan zijne zucht tot lekkerbekken te voldoen, besloot hij een groot

diner ter eere van dien lieven diamant te geven, dien hij hoopte, in

weerwil van wat Cyprianus er van denken mocht, en wat ook de wensen

zijner dochter, om hem in den diamantvorm te behouden, mocht zijn,

weldra tegen klinkende munt verwisseld te zien.

Helaas! zoodanig is in den regel de invloed van de maag op de meeningen

van het meerendeel der menschen, dat de aankondiging van het diner

voldoende was om de uitgesproken openbare meening in het kamp van de

Vandergaart-Kopjesmijn van den eenen dag tot den anderen geheel te

wijzigen. Men hoorde toen lieden, die de meest boosaardige taal ten

opzichte van de _Zuidster_ uitgeslagen hadden, plotseling een geheel

anderen toon aanslaan en beweren, dat die steen geheel onschuldig was

aan den boozen invloed, die hem toegeschreven werd, waardoor zij eene

uitnoodiging van John Watkins hoopten te verwerven.

O, men zal nog lang van dat feestmaal in het bekken van de Vaalrivier

gewagen! Dien dag zaten tachtig gasten aan de tafel, die gedekt was

onder eene tent, welke opgeslagen was langs de lange zijde van de

spreekkamer, welker buitenmuur men voor die gelegenheid omver gehaald

had. Een "koninklijke _baron_", zoo werd een kolossaal braadstuk

genoemd, dat uit de geheele ruggestreng van een os bestond, besloeg

het midden der tafel. Dat braadstuk werd door heele gebraden schapen

en door allerhande soorten wild van die streek geflankeerd. Bergen van

groenten en vruchten, alsmede geheele tonnen bier en geheele vaten

wijn, die opengeslagen en op gelijke onderlinge afstanden geplaatst

waren, completeerden het samenstel van dit diner, hetwelk op kolossale

verhoudingen kon bogen.

De _Zuidster_, op haar voetstuk geplaatst en door brandende waskaarsen

omgeven, prijkte achter John Watkins en presideerde eigenlijk dat

diner, hetwelk ter harer eere gegeven werd.

De bediening aan tafel geschiedde door een twintigtal kaffers, die

voor deze gelegenheid ingehuurd waren. Zij stonden onder opzicht van

Makatit, die zich, na daartoe verlof van zijn baas bekomen te hebben,

aangeboden had om hen te leiden en aan te voeren.

Er waren daar genoodigd, behalve de brigade politiedienaren, waaraan

John Watkins dank voor hunne waakzaamheid verschuldigd was, al de

voornaamste personen van het kamp en zijne omstreken. Zoo waren daar

Matthijs Pretorius, Nathan, James Hilton, Hannibal Pantalucci, Friedel,

Thomas Staal en vijftig anderen.

Zelfs de dieren van de hoeve: de ossen, de honden, maar vooral de

struisvogels van miss Watkins trachtten hun deel van het feest te

krijgen en kwamen om de kliekjes en den afval bedelen.

Alice had aan het uiteinde der tafel vlak tegenover haren vader plaats

genomen en hield de eer des huizes met hare gewone bevalligheid

op. Zij was evenwel heimelijk bedroefd, omdat noch Cyprianus Méré,

noch Jacobus Vandergaart dat diner bijwoonden; ook omdat zij de

redenen van die terughouding begreep.

De jeugdige ingenieur had steeds, zooveel hem maar mogelijk was, het

gezelschap der Friedels, der Pantalucci's en soortgelijke vermeden. Hij

droeg bovendien kennis van hunne weinig welwillende stemming jegens

hem, sedert hij zijn grootste ontdekking gedaan had en had meermalen

hunne bedreigingen gehoord jegens den uitvinder van die kunstmatige

vervaardiging, die hen geheel en al ten gronde kon richten. Hij had

dus geen aanleiding gevonden, om dien maaltijd bij te wonen. Wat

Jakobus Vandergaart betreft, bij wien John Watkins ijverige pogingen

had laten aanwenden, om eene verzoening te bewerken, deze had iedere

toenadering met trots van de hand gewezen.

Het maal liep op zijn einde. De grootste orde had daarbij geheerscht,

maar dat was te danken aan de tegenwoordigheid van miss Watkins, die

een voldoend dekorum aan de meest woeste mijnwerkers had opgelegd,

hoewel zij niet had kunnen verhoeden dat Matthijs Pretorius zooals

altijd, ten doelwit had gestaan aan de zoutelooze snakerijen van

Hannibal Pantalucci. Deze liet den ongelukkigen Boer de dolste uien

slikken. Zoo zou er een vuurwerk onder tafel afgestoken worden!.... Zoo

werd er slechts gewacht, dat miss Watkins zich zou verwijderd hebben,

om den diksten man van het gezelschap te noodzaken achter elkander

twaalf flesschen jenever uit te drinken!.... Zoo zou ook uitgemaakt

zijn, dat na het diner het feest zou bekroond worden met een algemeen

vuistgevecht, terwijl men eindelijk elkander met revolverpistolen

zou beschieten!

Gelukkig werd aan al die akelige grappen een einde gemaakt door John

Watkins, die in zijne hoedanigheid van president van het feest,

met het hecht van zijn mes op de tafel sloeg, om de traditioneele

heildronken aan te kondigen.

Toen er genoegzame stilte ingetreden was, verhief de gastheer zijn

lange gestalte, leunde met zijne beide duimen op het tafellaken en

begon zijne toespraak met eenigszins dubbelslaande tong, ten gevolge

van te veel in zijn glas gekeken te hebben.

Hij verzekerde, dat die dag de grootste herinneringsdag van zijn leven

als mijnwerker en als landbouwer zou zijn. Na al de beproevingen, die

hij sedert zijne jeugd doorstaan had, zag hij zich thans in het rijke

Grikwaland gevestigd en was hij thans omringd door tachtig vrienden,

om met hem feest te vieren over het bezit van den grootsten diamant

der wereld. Zoo iets verschaft eene onvergetelijke vreugde!.... Het

is waar, dat een der eerzame mijnwerkers, die thans om hem gezeten

waren, morgen een nog grooteren steen kon vinden!.... Maar

dat was juist het pikante en de dichterlijke zijde van het

mijnwerkersleven!.... (_Levendige toejuiching_). Dat geluk wenschte hij

zijne gasten van harte toe!.... (_Gelach en handgeklap_). Hij meende

evenwel te kunnen verzekeren, dat hij slechts moeielijk te voldoen

was, die met zoo'n diamant niet tevreden was!.... Om kort te gaan,

hij noodigde zijne gasten om te drinken op Grikwalands welvaren, op

de bestendigheid der marktprijzen van de diamanten, welke mededinging

zij ook te duchten mogen hebben,--eindelijk op de goede reis, welke

de _Zuidster_ ging ondernemen, om eerst in de Kaapstad en vervolgens

in Engeland in alle hare heerlijkheid te gaan schitteren!

"Maar," zei Thomas Staal, "is het niet gevaarlijk een steen van die

waarde naar de Kaapstad te verzenden?"

"O! hij zal goed geëskorteerd worden!...." antwoordde John

Watkins. "Veel, zeer veel diamanten hebben onder die omstandigheden

de reis gemaakt en de veilige haven bereikt."

"Zelfs de diamant van den heer Durieux de Sancey," zei Alice,

"en toch zonder de toewijding en opoffering van zijn knecht...."

"Hé! wat is er dan toch buitengewoons gebeurd met dien diamant?" vroeg

James Wilton.

"Ziehier het verhaal van het gebeurde" antwoordde Alice zonder zich

te laten bidden:

"Mijnheer de Sancey was een Fransch-edelman, tot de hofhouding

van Hendrik III behoorende. Hij bezat een beroemden diamant, die

thans nog zijn naam draagt. Die diamant--het zij hier tusschen twee

haakjes gezegd,--had reeds talrijke avonturen beleefd. Zoo had hij bij

voorbeeld aan Karel den Stouten toebehoord, die hem bij zich droeg,

toen hij onder de wallen van Nancy gedood werd. Een Zwitsersch soldaat

vond den steen op het lijk van den hertog van Bourgondië en verkocht

hem voor een gulden aan een armen priester, die hem voor vijf of zes

gulden aan een jood overdeed. Ten tijde dat hij in het bezit was van

den heer de Sancey, verkeerde de Koninklijke Schatkist in groote

ongelegenheden. Toen stemde de heer de Sancey er in toe, om zijn

diamant in onderpand te geven om de waarde daarvan aan den Koning

voor te schieten. De geldschieter bevond zich te Metz. Men moest dus

het kleinood aan een dienaar toevertrouwen om het over te brengen.

"Vreest gij niet dat die man met zijn schat naar Duitschland zal

ontvluchten?"" vroeg men den heer de Sancey.

"Neen, ik stel ten volle vertrouwen in hem."

De Zuidster, het land der diamanten · 第 9 / 21 段