"Een valsche steen!" riep Cyprianus uit. "Welnu ja!.... een valsche

steen!.... Maar Jacobus Vandergaart en de makelaar Nathan schatten

hem op een waarde van minstens vijftig millioen, misschien wel

meer. Indien het slechts een kunstmatige diamant is, dien ik door

eene wijze van bewerking, waarvan ik de uitvinder ben verkregen heb,

dan is hij toch behoorlijk authentiek en in niets van een natuurlijken

te onderscheiden!.... Ziet zelf, er ontbreekt niets aan.... zelfs de

steenlegering niet, waarin de natuurlijke besloten is!"

"En neemt gij op u andere dergelijke diamanten te vervaardigen?" vroeg

John Watkins met aandrang.

"Of ik dat op mij neem, mijnheer Watkins! Voorzeker. Ik zal u

diamanten leveren in zoo grooten getale dat gij ze met een schop zult

kunnen opscheppen!.... Ik zal er u een vervaardigen, die tienmaal,

honderdmaal zwaarder zijn dan deze, als gij dat verlangt!.... Ik zal

er in zoo groote menigte maken, dat gij uw terras daarmede bevloeren,

de wegen van Grikwaland bestraten kunt, als gij dat zult willen!.... De

eerste proef is bij zulke zaken de moeilijkste, en de eerste steen

eenmaal verkregen, kan het overige als bijzaak beschouwd worden,

niets anders dan het regelen van eenige technische bijzonderheden!"

"Maar als dat zoo is," hernam de Engelschman, die bleek geworden was,

"dan zal dat de ondergang der mijnbezitters zijn, zoowel voor mij

als voor geheel Grikwaland!"

"Klaarblijkelijk!" riep Cyprianus uit. "Welk belang zal iemand

nog hebben om in den grond te wroeten, om kleine bijna waardelooze

diamanten te vinden, van het oogenblik af dat het even gemakkelijk

zal zijn om door de nijverheid diamanten van alle afmetingen te

vervaardigen als een brood van vier pond te bakken!"

"Maar dat is monsterachtig!...." hernam John Watkins. "Maar dat is

infaam!.... dat is afgrijselijk!.... Wanneer, wat gij zegt, waar is,

wanneer gij werkelijk dat geheim bezit...."

Hij bleef half verstikt in zijne woorden steken.

"Gij ziet," sprak Cyprianus kalm, "ik vertel geen bakersprookjes. Ik

heb hier mijn eerste fabrikaat medegebracht, en ik denk, dat het

fraai genoeg is om u te overtuigen!"

"Welnu," hernam eindelijk John Watkins, nadat hij weer bij adem gekomen

was, "welnu, wanneer het waar is.... dan moest men u oogenblikkelijk

doodschieten op den grooten weg bij het kamp!.... Ziedaar mijn

gevoelen, mijnheer Méré!"

"En het mijne ook!" meende Hannibal Pantalucci met een gebaar van

bedreiging er bij te moeten voegen.

Miss Watkins was doodsbleek van haren stoel opgesprongen.

"Mij doodschieten, omdat ik een vraagstuk opgelost heb, dat sedert

vijftig jaren ongeveer gesteld is?" vroeg de jeugdige ingenieur,

terwijl hij onverschillig de schouders optrok. "Drommels, dat zou

toch een beetje al te kras zijn!"

"Er valt niet te lachen, of de schouders op te halen," hernam

de pachter woedend. "Hebt gij wel eens over de gevolgen van

uwe zoogenaamde ontdekking nagedacht?.... Aan den gestoorden

mijnarbeid.... aan Grikwaland, dat gij van zijne voornaamste nijverheid

berooft.... aan mij dien gij tot den bedelstaf brengt?"

"Drommels, ik erken gaarne, dat ik daaraan niet gedacht heb,"

antwoordde Cyprianus zeer openhartig, "maar dat zijn de onvermijdelijke

gevolgen van den vooruitgang in de nijverheidszaken, en daaromtrent

heeft de zuivere wetenschap zich niet te bekreunen!.... Daarenboven,

gij persoonlijk hebt u daaromtrent niet te bekommeren, mijnheer

Watkins. Weest gij zonder vrees! Wat mij toebehoort is het uwe,

en gij kent zeer goed de beweegreden van mijn arbeid in die richting!"

John Watkins begreep eensklaps hoeveel partij hij trekken kon van de

ontdekking van den jeugdigen ingenieur. Wat dan ook de Napolitaan

er van denken mocht, hij aarzelde geen oogenblik om van meening

te veranderen.

"Goed beschouwd," hernam hij, "is het mogelijk, dat gij gelijk hebt,

en gij spreekt als een degelijke, brave kerel, die gij ook zijt,

mijnheer Méré! Ja!.... als ik de zaak goed overdenk komt het mij voor,

dat wij ons wel verstaan zullen. Waarom zoudt gij eene buitensporige

menigte diamanten maken? Dat zou uwe uitvinding verkleinen, onder den

voet brengen! Ware het niet wijzer het geheim daarvan te bewaren en er

een matig gebruik van te maken, door bij voorbeeld slechts een of twee

dergelijke steenen te vervaardigen, of zelfs het bij dit welslagen

te laten, daar hij u op eens een aanmerkelijken schat verschaft en

u den rijksten man van het geheele land maakt!.... Zoodoende zal

iedereen tevreden zijn: de zaken kunnen haar gang gaan, zooals zij

tot heden deden, en gij zult de meest eerbiedwaardige belangen niet

gedwarsboomd hebben."

Dat was waarlijk een nieuw gezichtspunt van de kwestie, waaraan

Cyprianus nog niet gedacht had; maar het dilemma stelde zich daar

plotseling voor zijne oogen, in zijne onvermurwbare gestrengheid:

òf het geheim der uitvinding voor zich behouden, de wereld er

onkundig van laten en er misbruik van maken, om zich te verrijken,

òf wel, zooals John Watkins met recht bemerkte, al de diamanten, de

natuurlijke zoowel als de kunstmatige, in waarde te doen verminderen

en bijgevolg de fortuin af te wijzen om wat te doen?.... om al de

mijnwerkers van Grikwaland, van Brazilië, van Indië en van Borneo

ten gronde te richten!

Op dien tweesprong geplaatst, aarzelde Cyprianus een oogenblik, maar

ook slechts één enkel. En toch, hij begreep dat wanneer hij partij

koos voor de eer, voor de oprechtheid, voor de getrouwheid aan de

wetenschap, hij zich daarna onherroepelijk den weg afsloot tot de hoop,

die de voornaamste aanleiding was van zijne ontdekking!

De smart was bitter, was knagend, vooral omdat zij hem onverwacht

overviel. Zoo'n fraaie droom, en.... zoo neer te storten!

"Mijnheer Watkins," zei hij ernstig, "indien ik het geheim van mijne

ontdekking voor mij hield, dan zou ik slechts een falsaris zijn. Ik

zou gelijkstaan, met hem, die met vervalscht gewicht verkoopt;

ik zou het publiek omtrent de koopwaar bedriegen! De ontdekkingen

door een geleerde gedaan, zijn zijn eigendom niet! Zij maken deel

uit van het bezit van allen. Zich eene ontdekking toeëigenen uit

eene baatzuchtige beweegreden, zou zich schuldig maken zijn aan

de verachtelijkste daad, die een mensch bedrijven kan. Dat zal

ik nooit doen!.... Neen! waarachtig niet!.... Ik zal geen week,

geen dag wachten om de formule, welke het toeval mij, geholpen door

een weinig nadenken, mededeelde, tot publiek domein te maken. Mijne

eenige bedenking is hierbij, dat ik het billijk en betamelijk vind,

die formule het eerst aan mijn vaderland te doen kennen, aan Frankrijk,

dat mij in staat stelde het te kunnen dienen!.... Morgen reeds zal

ik het geheim mijner bewerking aan de Academie van Wetenschappen

aanbieden. Vaarwel, mijnheer, ik ben u dankbaar mij mijn plicht zoo

scherp begrensd onder het oog te hebben gebracht. Ik erken, dat ik

aan dien plicht niet gedacht heb!.... Miss Watkins, ik heb een fraaien

droom gedroomd!.... Helaas, ik moet er afstand van doen!"

En nog vóór het jonge meisje eene beweging had kunnen doen, om hem in

de armen te vliegen, had Cyprianus zijn diamant gegrepen, een buiging

voor miss Watkins gemaakt, en was naar buiten geijld.

TIENDE HOOFDSTUK.

JOHN WATKINS PEINST.

Toen Cyprianus met gebroken hart heengegaan was, vastbesloten om

zooals hij dat noemde, zijnen ambtsplicht te vervullen, begaf hij zich

andermaal naar Jacobus Vandergaart. Hij vond hem thans alleen. De

makelaar Nathan had zich gehaast de eerste te zijn, om in het kamp

het nieuws te verbreiden, waarin alle mijnwerkers zoozeer belang

stellen moesten.

En dat nieuws baarde veel opzien, hoewel men nog niet wist, dat de

overgroote diamant van den "monsieur", zooals men Cyprianus noemde

een kunstmatige was. Maar de "monsieur" stoorde zich hoegenaamd

niets aan de oudewijvenpraatjes van de Kopjes-mijn! Hij had haast

om met den ouden Vandergaart de kwaliteit en de kleur van den

steen te onderzoeken, ten einde zijn rapport nauwkeurig te kunnen

opmaken. Daarom maakte hij zooveel haast.

"Mijn waarde Jacobus," zei hij, terwijl hij naast den juwelier plaats

nam, "wees zoo vriendelijk daar op dien bult een facet te slijpen,

om te kunnen oordeelen, wat onder die steenlegering verborgen zit."

"Niets is gemakkelijker dan dat," antwoordde de oude diamantslijper,

terwijl hij den steen uit de hand van zijn jongen vriend aannam. "Gij

hebt waarachtig een goede plek gekozen," ging hij voort, terwijl

hij op eene kleine dikte aan een der zijden van den steen wees,

die bijna overigens volmaakt eirond was. "Wij wagen er niets bij,

om aan dien kant te slijpen."

Jacobus Vandergaart ging zonder dralen aan het werk, en na uit zijne

verzameling een ruwen steen van vier of vijf karaten gezocht te hebben,

bevestigde hij dien aan het uiteinde eener spil en begon hij de beide

uitwendige schillen der twee steenen af te slijpen.

"Ik zou eerder klaar zijn, wanneer ik den steen kon kloven," zei

hij. "Maar wie zou een hamerslag op een steen van dien prijs durven

toebrengen?"

De arbeid was zeer lang en zeer eentonig en vorderde niet minder

dan twee uren. Toen de facet ruim genoeg was om over den aard van

den steen te kunnen oordeelen, moest hij op de draaischijf gepolijst

worden, hetgeen ook veel tijd vorderde.

Het was evenwel nog volle dag, toen die werkzaamheden afgeloopen

waren. Cyprianus en Jacobus Vandergaart gaven toen aan hunne

nieuwsgierigheid toe en bekeken den steen om den uitslag van die

slijping en polijsting waar te nemen.

Een fraaie facet, gitzwart van kleur, evenwel van eenen

onvergelijkelijk schitterenden glans, vertoonde zich aan hunne oogen.

De diamant was zwart. Eene schier eenige of ten minste hoogst zeldzame

bijzonderheid, die de waarde van den steen zoo mogelijk nog verhoogde.

De handen van Jacobus Vandergaart beefden van aandoening, terwijl

hij het prachtstuk in het zonlicht liet flikkeren.

"Dat is de meest merkwaardige en schoonste diamant, die ooit te zien

is geweest," zei hij met een zweem van godsdienstigen eerbied. "Wat

zal het wel zijn, wanneer hij de lichtstralen zal kunnen weerkaatsen,

wanneer hij aan alle kanten geslepen zal zijn!"

"Wilt gij dien arbeid ondernemen?" vroeg Cyprianus levendig.

"Gaarne, mijn waarde vriend! Dat zou de eer en de bekroning van mijn

lange loopbaan zijn!.... Maar wellicht doet gij beter een jeugdiger

en vaster hand dan de mijne voor dat werk te kiezen."

"Neen," antwoordde Cyprianus liefderijk; "niemand, daar ben ik

verzekerd van, zal dat werk met meer zorg en niet meer handigheid

verrichten dan gij. Houd dien diamant, mijn waarde Jacobus, en slijp

hem op uw gemak en naar uwen smaak. Gij zult er een kunststuk van

maken! Dat is eene afgedane zaak!"

De grijsaard rolde en draaide den steen tusschen zijne vingers en

aarzelde om zijne gedachten mede te deelen.

"Eéne zaak verontrust mij," zeide hij ten slotte. "Ik kan mij

zoo moeilijk over de gedachte heenzetten, dat ik onder mijn dak

een kleinood van zooveel waarde zal bergen! Dit is op zijn minst

vijf-en-twintig millioen, en misschien wel meer, die ik daar in

de palm mijner hand berg! Het is niet zeer voorzichtig, zulk eene

verantwoordelijkheid te aanvaarden!"

"Niemand zal er iets van weten, mijnheer Vandergaart, als gij het

niet vertelt; en wat mij aangaat, ik verzeker u dat ik zwijgen zal!"

"Hm! men zal gissen! Men kan u gevolgd hebben, toen gij hier heen

gingt.... Men zal veronderstellingen maken omtrent hetgeen men niet met

zekerheid weet! Het is zoo'n raar volk in dit mijndistrict!.... Neen,

ik zou niet gerust slapen!"

"Misschien hebt ge gelijk," antwoordde Cyprianus, die de aarzeling

van den grijsaard wel begreep. "Maar wat dan te doen?"

"Daar peins ik juist over," hernam Jacobus Vandergaart, die gedurende

eenige minuten stilzwijgend bleef zitten.

"Luister," zei hij eindelijk. "Wat ik u voor te stellen heb,

is kiesch en gaat van de veronderstelling uit, dat gij in mij

een volkomen vertrouwen stelt. Maar gij kent mij genoegzaam, om

niet vreemd te vinden, dat de gedachte van mij uitgaat, om zooveel

voorzorgsmaatregelen te nemen!.... Ik moet dadelijk met dezen steen en

mijne gereedschappen vertrekken, om ergens eene toevlucht te zoeken

in het een of andere hoekje, waar niemand mij kent--te Bloemfontein

of te Hope-town bij voorbeeld. Ik zal een bescheiden vertrek huren,

ik zal mij daar opsluiten om in het grootste geheim te arbeiden,

en ik zal eerst terugkomen, wanneer ik mijne taak zal volbracht

hebben. Misschien gelukt het mij zoo, de boosdoeners van het spoor

te brengen!.... Maar ik herhaal het: ik ben bijna verlegen om een

zoodanig plan te berde te brengen!"

"En toch vind ik het goed ontworpen," antwoordde Cyprianus; "en ik

kan u slechts aansporen om het te verwezenlijken!"

"Reken er op dat het lang zal duren. Ik zal minstens een maand noodig

hebben, en onderweg kan mij eenig ongeval overkomen."

"Om het even, als gij meent dat dit het beste is, wat wij doen kunnen,

mijnheer Vandergaart. En alles wel beschouwd, het ongeluk zou zoo

groot niet zijn, wanneer de diamant verloren ging."

Vandergaart keek zijn jeugdigen vriend met schrik aan.

"Zou hem dat onmetelijk vermogen naar het hoofd geslagen zijn?" vroeg

hij zich af.

Cyprianus begreep zijn gedachtengang en glimlachte. Hij legde hem

de herkomst van dien diamant uit en hoedanig hij er later meerdere

kon vervaardigen zooveel als hij slechts verkoos. Maar hetzij dat

de oude diamantslijper slechts weinig geloof aan dat verhaal schonk,

hetzij hij eene persoonlijke reden had om niet alleen met een steen

van wellicht vijftig millioen in zijn hut te blijven, hij drong er

op aan om dadelijk te vertrekken.

Daarom verzamelde dan ook Jacobus Vandergaart al zijne gereedschappen

en zijne schamele plunje in een ouden lederen zak, hing aan de deur

een lei: waarop geschreven stond: _afwezig voor zaken_, stak den

sleutel in zijn zak, den diamant in zijn vestzakje en vertrok.

Cyprianus begeleidde hem gedurende twee of drie mijlen langs den

weg naar Bloemfontein en verliet den oude eerst toen deze daarom

herhaaldelijk verzocht had.

De nacht was reeds gevallen, en het was pikdonker toen de jeugdige

ingenieur te huis kwam. Hij dacht toen meer aan miss Watkins dan aan

zijne grootsche ontdekking.

Zonder zich den tijd te gunnen zijn maaltijd, door Makatit bereid,

te gebruiken, nam hij plaats aan zijn werktafel en begon met de

memorie-opstelling, die hij met de eerste postgelegenheid aan den

secretaris van de Academie van Wetenschappen hoopte te verzenden. Dit

was eene nauwkeurige en volledige beschrijving van zijne handeling

met betrekking tot den vervaardigden diamant, waarop hij een zeer

schrander uitgedrukt theoretisch stelsel liet volgen omtrent de

reactie, die tot de vorming van dat prachtige stuk gekristalliseerde

koolstof had aanleiding gegeven.

"Het meest opmerkenswaardige karakter onder anderen van dat product

is," schreef hij, "zijne volledige overeenkomst met den natuurlijken

diamant, vooral door de aanwezigheid van de uitwendige steenlegering,

waarin diamant besloten is."

Inderdaad, Cyprianus aarzelde geen oogenblik, om die zoo zonderlinge

uitwerking toe te schrijven aan de omstandigheid, dat hij zijne buis

van binnen met eene brei van aarde bestreken had, die hij met alle

zorg in de Vandergaart-Kopjesmijn uitgezocht had. De wijze, waarop een

gedeelte van die aarde van de omwanding losgelaten had, om rondom het

kristal een werkelijken notenbast te vormen, was niet gemakkelijk uit

te leggen, en dat was een punt, waaromtrent latere proeven ongetwijfeld

meer licht zouden verschaffen. Men kon wellicht veronderstellen,

dat men hier met eene soort van scheikundige aantrekkingskracht of

overeenkomst te doen had, waarvan onze jonge man vast besloot eene

gezette studie te maken. Hij was niet zoo verwaand om al dadelijk

bij een eerste optreden, de volledige en onherroepelijk vastgestelde

theorie van zijne ontdekking aan te geven. Wat hij thans wilde,

dat was haar zonder verwijl mededeelen aan de wereld der geleerden,

dat was haar Frankrijk aanbieden, dat was de hulp zijner collega's

inroepen om nog meer licht over menig onverklaarbaar feit te erlangen.

Toen de memorie begonnen was en hij zoo aan zijn geweten als geleerde

voldoening had verschaft, dacht hij er aan om wat te eten en te gaan

slapen. Hij zou dat wetenschappelijk stuk later met menige nieuwe

opmerking verrijken en het daarna beëindigen om het te verzenden daar

waar het behoorde.

Cyprianus verliet den volgenden morgen al heel vroeg zijne woning en

maakte geheel in gedachten verzonken eene wandeling op de verschillende

mijn-terreinen. Zekere blikken, die niets sympathieks hadden, werden

hem in het voorbijgaan toegeworpen. Hij merkte er niets van, want hij

had al de gevolgen van zijn groote ontdekking vergeten. Toch waren die

gevolgen hem door John Watkins genoegzaam aan het verstand gebracht,

en die bestonden in den ondergang, na korteren of langeren tijd,

van de mijnwerkers van geheel Grikwaland.

Zoo iets was wel geschikt om de gemoederen te verontrusten in een

land van half-wilden, waar men geenszins aarzelt om zijn eigen rechter

te zijn en het beulsbaantje met eigen handen uit te oefenen; waar de

veiligheid van den arbeid, en bij gevolg ook van den handel, die er uit

voortspruit, de eenige, de hoogste wet is. Werd de vervaardiging van

den kunstmatigen diamant werkelijk als practische nijverheid mogelijk,

dan waren alle millioenen in de mijnen van Brazilië, zoowel als die

in Zuid-Afrika, ongerekend de vele menschenlevens daaraan verbonden,

onherroepelijk verloren. De jeugdige ingenieur zou ongetwijfeld

zijne ontdekking geheim kunnen houden, maar dienaangaande was zijne

verklaring zoo duidelijk mogelijk geweest. Dat zou hij niet doen!

Van de andere zijde had de vader van Alice gedurende den langen

nacht, waarin hij nu eens droomde van onmogelijk groote diamanten,

vertegenwoordigende een waarde van verscheidene milliarden, dan

weer zich slapeloos op zijne legerstede heen en weer wentelende,

ernstig nagedacht en het volgende overwogen. Dat Hannibal Pantalucci

en de andere mijnwerkers met ongerustheid en ook met woede de

omwenteling beschouwden, die door de ontdekking van Cyprianus

zou worden te weeg gebracht met betrekking tot de diamanthoudende

gronden, was zeer natuurlijk, daar zij die gronden ontgonnen voor

eigen rekening. Maar de toestand van hem, eenvoudig eigenaar van de

hoeve Watkins, was niet dezelfde. Ongetwijfeld, wanneer de claims

ten gevolge van de waardevermindering der diamanten verlaten werden,

wanneer die mijnwerkersbevolking Grikwaland den rug toekeerde en

heentoog, dan zou de waarde van zijn hoeve aanmerkelijk verminderen,

zijne voortbrengselen zouden geen zoo gereeden aftrek meer hebben,

zijne huizen en zijne hutten zouden wegens gebrek aan huurders leeg

blijven staan, en wellicht zou hij zelf het land moeten verlaten,

omdat er geen zaken meer te doen waren.

"Maar jawel," mompelde John Watkins bij zich zelven, "maar zoover

zijn wij nog niet. Om daartoe te geraken zullen nog wel ettelijke

jaren voorbijgaan. De vervaardiging van kunstmatige diamanten is

nog niet practisch mogelijk, zelfs niet met de wijze van werken

van mijnheer Méré! Misschien bestaat er heel veel toeval in zijn

zaak. Maar toeval of niet, hij heeft toch een steen van onmetelijke

waarde vervaardigd, die als natuurlijke diamant ongetwijfeld vijftig

millioen waard zou zijn, en nu hij kunstmatig verkregen is, toch

nog verscheidene millioenen waard is. Ja, ik moet dien jongen man

in het oog houden. Hij moet in mijne nabijheid blijven, het koste

wat het wil. Althans gedurende eenigen tijd. Ik moet hem beletten

zijne ontdekking uit te bazuinen. Die fraaie steen moet het bezit der

familie Watkins worden en mag die familie niet verlaten dan tegen een

eerbiedwaardig aantal millioenen. Wat betreft het hier houden van den

maker van dien steen, dat is gemakkelijk genoeg--zelfs zonder zich

onherroepelijk te verbinden. Ik heb Alice bij de hand, en door middel

van Alice zal ik hem wel beletten naar Europa te vertrekken!.... Ja,

al moest ik hem hare hand beloven!.... al moest ik hem mijn dochter

ten huwelijk schenken!...."

Waarachtig, John Watkins, door zijne onverzadelijke hebzucht gedreven,

zou zelfs daartoe in staat zijn. In die geheele zaak zag hij slechts

zijn eigen ik, dacht hij slechts aan zijn eigen persoon. En dacht de

oude zelfzuchtige ook al een enkele maal aan zijne dochter, dan was

het slechts om in zichzelven te mompelen:

"Welnu, al gebeurde dat ook, dan zou Alice zich niet te beklagen

hebben! Die jeugdige dwaze geleerde ziet er vrij goed uit! Hij

bemint haar, en heb ik het wel, dan is zij tegenover die liefde niet

gevoelloos gebleven."

"Nu, wat valt er inderdaad beter te doen dan twee harten, die

voor elkander geschapen schijnen, te verbinden.... of ten minste

hun die vereeniging te laten hopen, tot het oogenblik gekomen zal

zijn, dat ik helder in die zaak zien kan.... Welnu, bij Sint John,

mijn schutspatroon, de duivel hale Hannibal Pantalucci en zijne

makkers. Hier in Grikwaland vooral geldt het: ieder voor zich!"

Zoo redeneerde John Watkins, terwijl hij die denkbeeldige weegschaal

hanteerde, waarin hij tusschen de toekomst zijner dochter en

een eenvoudig stuk gekristalliseerde koolstof evenwicht trachtte

te verkrijgen, en hij zich uiterst gelukkig gevoelde, toen hij

vermeende, dat de beide schalen in hetzelfde vlak, of beter, op

dezelfde horizontale lijn bengelden.

Zijn besluit was dan ook reeds den volgenden ochtend genomen: hij

zou niet overijld handelen, hij zou op zien komen spelen, de zaken

zachtjes hun gang laten gaan, zeker als hij was van den loop dien

zij zouden nemen.

Maar vooreerst stelde hij er belang in om zijn huurder weer te

zien,--wat vrij gemakkelijk was, daar de jeugdige ingenieur dagelijks

op de hoeve kwam--; maar hij wilde ook den fraaien diamant weer zien,

die in zijne droomen kolossale afmetingen aangenomen had.

John Watkins begaf zich dan ook naar de hut van Cyprianus, die,

daar het vroeg in den morgen was, nog thuis was.

"Welnu, mijn jonge vriend," zei hij op een zekeren toon van

opgeruimdheid. "Hoe hebt gij dezen nacht doorgebracht.... dien eersten

nacht na uwe grootsche ontdekking?"

"Wel, zeer goed, mijnheer Watkins, zeer goed!" antwoordde de jonkman

koeltjes.

"Wat? Hebt gij kunnen slapen?"

"Zoo als gewoonlijk! Waarom niet?"

"Al die millioenen, die uit dat fornuis daar te voorschijn getreden

zijn," hernam Mr. Watkins, "hebben dus uwen slaap niet gestoord?"

"Waarachtig niet," antwoordde Cyprianus, "in geenen deele. Begrijp

dan toch goed, mijnheer Watkins, die diamant zou slechts millioenen

waard zijn, wanneer hij door de natuur en niet door een scheikundige

voortgebracht ware."

"Jawel.... jawel.... mijnheer Méré! Maar zijt gij overtuigd een

anderen of meer anderen te kunnen vervaardigen? Zoudt gij dat durven

verzekeren?"

Cyprianus aarzelde. Hij begreep beter dan iemand hoeveel

teleurstellingen bij een arbeid als deze kunnen ondervonden worden.

"Gij ziet het!" hernam John Watkins! "Gij durft het niet

bevestigen. Dus zal die diamant, totdat gij bij eene volgende proef

geslaagd zult zijn, zijne overgroote waarde behouden!".... En dat

aangenomen, waarom zoudt gij dan gaan vertellen, althans voorshands,

dat het een kunstmatige steen is?"

"Ik herhaal, wat ik u vroeger reeds gezegd heb," antwoordde Cyprianus;

"dat ik de oplossing van zoo'n belangrijk vraagstuk wetenschappelijk

niet geheim kan houden."

"Jawel!.... jawel!.... ik begrijp dat," hernam John Watkins

terwijl hij den jonkman met een gebaar tot zwijgen uitnoodigde,

alsof hij bevreesd ware, dat hun gesprek buiten gehoord kon

worden. "Jawel!.... jawel!.... wij zullen daarover later wel

praten!.... Maak u evenwel niet ongerust over Pantalucci en de

overigen!.... Zij zullen omtrent uwe ontdekking niets vertellen,

dewijl hun belang medebrengt dat zij daarover zwijgen!.... Geloof,

mij.... wacht!.... en denk er wel om dat mijne dochter en ik

zeer gelukkig zijn over uwe ontdekking!.... Ja, zeker, zeer

gelukkig!.... Maar, zou ik dien prachtigen diamant nog eens mogen

zien?.... Ik heb gisteren ternauwernood tijd gehad om hem aandachtig

te bekijken!.... Wilt gij mij dus andermaal veroorloven...."

"Ik heb hem niet meer!" antwoordde Cyprianus.

De Zuidster, het land der diamanten · 第 8 / 21 段