te voorschijn halen, die volgens zijne meening de meest gunstige
hoedanigheid bezat tot het welslagen zijner proef. Toen bereidde hij
met die aardsoort een dikke brij, waarmede hij het binnenste eener
stalen buis bestreek, die een halven meter lang en vijf centimeter
dik was en een kaliber had van acht centimeter.
Die buis was niets anders dan het langeveld van een buiten dienst
gesteld kanon, dat hij te Kimberley van een troep vrijwilligers, die na
een veldtocht tegen de Kafferstammen afgedankt was, had kunnen koopen.
Dat kanon werd in de werkplaats van Jacobus Vandergaart op behoorlijke
lengte afgezaagd en verschafte het werktuig wat noodig was, dat wil
zeggen: een ontvanger, die weerstandskracht had om een buitengewoon
hooge drukking in zijn binnenholte te kunnen verdragen.
Cyprianus plaatste in die buis, nadat hij een harer uiteinden degelijk
gesloten had, stukjes koper en ongeveer twee kannen water, en vulde
haar vervolgens met moerasgas. Daarna sloot hij haar zorgvuldig
met een soort verkitsel en deed de beide uiteinden met stevige en
beproefde metaalbouten verzekeren.
Het werktuig was thans klaar. Er bleef niets anders over dan het aan
eene zeer groote hitte bloot te stellen.
De buis werd dan ook in een grooten hoogoven geplaatst, welks vuur
nacht en dag door zoodanig gestookt moest worden, dat zij wit gloeiend
bleef en dat gedurende twee weken.
Buis en oven waren daarenboven nog overdekt met een dikken mantel van
vuurvaste klei, die bestemd was om de grootst mogelijke hoeveelheid
warmte te bewaren, alsook om het geheel niet dan zeer langzaam te
laten afkoelen, wanneer het oogenblik daarvan zoude gekomen zijn.
Het geheel geleek vrij wel op een overgrooten bijenkorf, of ook wel
op een Eskimo's hut.
Thans was Makatit in staat zijn meester eenige diensten te
bewijzen. Hij had al de voorbereidende maatregelen van de proef met
de uiterste aandacht gevolgd, en toen hij begreep dat dat alles
diende om diamant te vervaardigen toen was hij wel de ijverigste
om de onderneming met den besten uitslag te doen bekronen. Hij had
weldra geleerd het vuur te stoken en te onderhouden, en wel zoo,
dat Cyprianus hem dat gedeelte der taak gerust kon toevertrouwen.
Men kan zich bezwaarlijk een begrip vormen hoeveel moeilijkheden die
overigens zoo eenvoudige maatregelen ontmoetten en welk tijdverlies ze
vorderden, alvorens ze getroffen waren. In een groot laboratorium te
Parijs zou zulk eene proef binnen twee uren, nadat ze ontworpen was,
in vollen gang zijn; te midden van dat half wilde land had Cyprianus
niet minder dan drie weken noodig, om zijn ontwerp tot een begin van
uitvoering te brengen, en dat nog zoo gebrekkig mogelijk. En toch moest
hij erkennen, dat de omstandigheden hem meeliepen, namelijk dat hij op
het juiste oogenblik niet alleen een oud kanonstuk kon machtig worden,
maar ook dat hij de noodige houtskool kon aanschaffen. En inderdaad,
die voor zijn proef zoo onmisbare brandstof was te Kimberley
zoo zeldzaam, dat om er zich de hoeveelheid van eene ton van te
verschaffen, Cyprianus zich ter zelfder tijd tot drie handelaren in
die soort van dingen moest wenden.
Eindelijk waren al de moeilijkheden en hinderpalen overwonnen, en
toen het vuur maar eenmaal ontstoken was, zorgde Makatit voorbeeldig
dat het niet meer uitging.
Het moet gezegd worden, de jeugdige Kaffer was uitermate trotsch
op zijn emplooi. Zijne werkzaamheden moesten hem niet al te vreemd
van de hand gaan, want ongetwijfeld had hij bij zijn stam wel voor
heetere vuren gestaan en daar meer dan eens in de keuken van den
duivel dienst gedaan.
En waarlijk, Cyprianus had, sedert Makatit in zijn dienst getreden was,
meer dan eens kunnen opmerken, dat deze bij de andere Kaffers als een
wezenlijke toovenaar bekend stond. Eenige onbeduidende grondbeginselen
van heelkunde, een zeker aantal behendige goochelkunstjes, die hij
van zijn vader geleerd had, vormden den geheelen inventaris van
zijne toovenaars-wetenschap. Maar men kwam hem over werkelijke en
ingebeelde kwalen raadplegen; men kwam de uitlegging van droomen
van hem verzoeken; men nam hem als scheidsrechter bij allerhande
geschillen. Nooit verraste men Makatit of schoot hij te kort, steeds
gaf hij een recept, steeds voorspelde hij de toekomst, steeds was hij
met zijn uitspraak gereed. Die recepten waren soms vreemdsoortig,
en de vonnissen allerdwaast, maar zijne landgenooten waren er mede
tevreden. Wat wil men meer?
Er moet nog bijgevoegd worden, dat de kolven en de ontvangers,
waarmede hij tegenwoordig in het laboratorium van den jeugdigen
ingenieur omringd was, zonder nog te gewagen van de geheimzinnige
handelingen, die hij moest helpen volvoeren, het hunne krachtig er
toe bijbrachten, om zijne toovenaars-beruchtheid te vermeerderen.
Cyprianus moest telkens glimlachen over het solemneele uiterlijk,
dat die brave kerel aannam om zijn nederig baantje van stoker en
voorbereider waar te nemen, wanneer hij den oven met houtskolen
opstookte, of wel eene reeks reageerbuizen of kroesjes reinigde
en waschte of afstofte. En toch was er iets verteederends in dien
ernst, in die deftigheid; want zij ontstonden uit den eerbied, dien
de wetenschap aan iedere onwetende maar schrandere ziel inboezemt,
die naar onderwijs hunkert.
Makatit had buitendien ook zijne kwajongensbuien en zijne uren
van vroolijkheid, vooral wanneer hij zich in gezelschap van Li
bevond. Een diepgewortelde vriendschap was tusschen die twee wezens,
zoo verschillend van oorsprong, ontstaan gedurende de bezoeken, die de
Chinees thans aan de hoeve Watkins bracht. Beiden spraken genoegzaam
Fransch, beiden waren door Cyprianus van een dreigenden dood gered,
waarvoor zij hem zeer dankbaar waren. Het was dus natuurlijk, dat
eene onderlinge sympathie hen verbond; en die sympathie was weldra
in eene hartelijke toegenegenheid overgegaan.
Wanneer zij onder elkander waren, dan gaven Li en Makatit den jongen
ingenieur een eenvoudigen en aandoenlijken naam, die den aard van
het gevoel, dat zij voor hem koesterden, volkomen aanduidde.
Zij noemden hem "vadertje" en bezigden slechts uitdrukkingen van
bewondering en van de meest opgewonden toewijding, wanneer zij van
hem spraken.
Die toewijding openbaarde zich van de zijde van Li door de zorg,
waarmede hij het linnengoed van Cyprianus waschte, steef en
streek,--van den kant van Makatit, door de schier godsdienstige
oplettendheid en nauwkeurigheid, waarmede hij al de aanwijzingen en
bevelen zijns meesters opvolgde.
Maar de beide makkers gingen soms wel een beetje ver in hun ijver om
"vadertje" genoegen te doen. Het gebeurde bijvoorbeeld wel eens,
dat Cyprianus op zijne tafel--hij gebruikte thans zijne maaltijden
bij zich aan huis--vruchten of lekkernijen zag waaraan hij niet
gedacht en die hij dus ook niet bevolen had te koopen, en waarvan
de herkomst geheim bleef, want hij zag ze op geen der rekeningen
zijner leveranciers verschijnen. Of wel het waren hemden waaraan,
wanneer zij van den waschbaas kwamen, gouden knoopjes prijkten,
terwijl niemand wist vanwaar die kwamen. Een anderen keer was het
eene gemakkelijke en elegante zitting, of een geborduurd kussen,
of een pantervel, of de een of andere kostbare snuisterij, die het
ameublement van het huis kwam vermeerderen.
En als Cyprianus hetzij Li, hetzij Makatit daarover ondervroeg, dan
kon hij er niets anders dan onduidelijke of ontwijkende antwoorden
uithalen, zooals:
"Ik weet niet!.... Ik heb het niet gedaan!.... Dat zijn zaken die
mij niet aangaan!...."
Cyprianus had wellicht vrede met die geschenken gehad, maar zij
hinderden hem thans, omdat hij niet zeker was of ze wel uit zuivere
bron verkregen waren. Intusschen bevestigde niets die meening, en de
meest zorgvuldige nasporingen dienaangaande verspreidden volstrekt
geen licht.
En achter zijn rug wisselden Makatit en Li glimlachjes, steelsche
blikken en geheimzinnige teekens, die blijkbaar beteekenden:
"Eh eh, "vadertje" begrijpt er toch niets van!"
Daarenboven, andere zorgen, ernstige, gewichtige zorgen kwelden
het brein van Cyprianus. John Watkins scheen besloten Alice uit
te huwelijken, en te dien einde had hij sedert eenigen tijd zijn
huis tot een museum van mededingers naar hare hand gemaakt. Niet
alleen bracht James Hilton er bijna iederen avond door; maar al de
ongehuwde mijnwerkers die door het slagen hunner ontginning volgens de
opvatting van den pachter begiftigd schenen met de meest onontbeerlijke
hoedanigheden, die te bedenken waren om tot schoonzoon bevorderd
te worden, werden te zijnen huize gelokt, werden ten eten verzocht,
en eindelijk aan de keuze zijner dochter onderworpen.
De Duitscher Friedel en de Napolitaan Pantalucci behoorden onder dat
getal. Beiden telden thans onder de meest gelukkige mijnwerkers van
het kamp. Het aanzien, dat overal het succes vergezelt, ontbrak hun
niet, zoowel in de Kopjesmijn als op de hoeve. Friedel was pedanter en
scherper dan ooit te voren, nu zijn onverdraaglijke trots gesteund werd
door eenige duizenden ponden sterling. Wat Hannibal Pantalucci betreft,
die was in een kolonialen modekwast veranderd, die schitterde van
gouden kettingen, ringen en diamanten spelden. Hij droeg kleeren van
wit linnen, die zijn huid nog geler en nog aardachtiger deden uitkomen.
Maar dat belachelijk persoontje poogde te vergeefs Alice te verlokken
met zijne snakerijen, met zijne Napolitaansche liedjes en met zijne
valsche geestigheid. Neen, zij verwaardigde zich niet eens hem in
het bijzonder te kleinachten, ook niet om te bespeuren wat hij op
de hoeve verrichten kwam. Zij vergenoegde zich met ongaarne hem
aan te hooren, en lachte noch om zijne aardigheden, noch om zijne
gebaren. Hoewel zij nog te onbekend was met de zedelijke leelijkheden,
om het treurige doel van al dat gepraal te beseffen, zag zij in hem
niets anders dan een gewoon bezoeker van het huis haars vaders, die
niet minder vervelend was dan de anderen. Dit bleek duidelijk voor
Cyprianus uit hare handelingen, en hij zou vreeselijk geleden hebben,
wanneer hij haar, die hij eene zoo hooge plaats in zijn eerbied en
zijne teederheid ingeruimd had, in een geregeld gesprek zou gezien
hebben met dat verachtelijk wezen.
En hij zou er te meer onder geleden hebben, omdat zijne natuurlijke
fierheid hem belet zoude hebben daarover iets te laten blijken, omdat
hij het te vernederend vond een poging te wagen en in de oogen van
miss Watkins zelfs een zoo onwaardigen mededinger te hekelen. Welk
recht had hij daartoe buitendien? Waarop zijn hekel te gronden? Hij
wist niets omtrent Hannibal Pantalucci, en werd slechts geleid door
een instinctmatigen afkeer bij de ongunstige oordeelvelling, die hij
over hem uitbracht. Een poging om Hannibal uit een ernstig oogpunt
te doen beschouwen, zou hemzelven slechts belachelijk maken. Ziedaar
wat Cyprianus duidelijk begreep, en hij zou wanhopig geweest zijn,
wanneer Alice zulk een man zelfs de minste aandacht schonk.
Daarenboven, hij had zijne taak weer hervat met zulk een ijver, dat
zijn gedachtengang daardoor dag en nacht in beslag werd genomen. Het
was niet alleen de diamantfabricage, die hem bezig hield, maar
hij had tien, twintig verschillende proeven in bewerking, die hij
hoopte allen tot een goed einde te brengen, wanneer zijne hoofdproef
zou geslaagd zijn. Hij vergenoegde zich niet meer met theoretische
gegevens, met formules, waarmede hij uren lang zijne aanteekeningboeken
overdekte. Ieder oogenblik vloog hij naar de Kopjesmijn, om daar nieuwe
monsters van rotsblokken en van grondsoorten te halen. Dan hervatte
hij zijne scheikundige ontledingen wellicht voor den honderdsten keer,
maar dan met eene stiptheid en eene nauwkeurigheid, die geen enkele
dwaling toelieten. Hoe meer het gevaar dreigde, dat miss Watkins hem
zou ontsnappen, hoe meer hij vast besloten was niets na te laten om
zich van de overwinning te verzekeren.
En toch zijn wantrouwen in zijn kracht was zoodanig, dat hij niets
aan het jonge meisje had willen mededeelen van de proef die hij
onder handen had. Miss Watkins wist alleen, dat hij op haren raad het
mijnwerkersvak had vaarwel gezegd en de scheikunde weer beoefende,
en gevoelde zich daardoor gelukkig.
NEGENDE HOOFDSTUK.
EENE VERRASSING.
De dag waarop de proef eindelijk ten einde zoude loopen, kon een
groote dag genoemd worden.
Het vuur werd sedert twee weken niet meer opgestookt, hetgeen
ten gevolge had dat het geheele toestel langzamerhand was
afgekoeld. Cyprianus oordeelde dat de kristalvorming van de koolstof,
wanneer zij onder deze omstandigheden had kunnen plaats hebben, thans
moest geschied zijn en ging er dan ook toe over om de laag klei,
die om den oven een mantel vormde, weg te nemen.
Die mantel moest met het pikhouweel afgebikt worden, want hij was als
de baksteen in den oven van een steenbakker zoo hard geworden. Maar
onder de ijverige krachtsinspanning van Makatit was hij weldra in
zoover weggeruimd, dat het bovenste gedeelte van den oven--wat men
het kapiteel noemt--zichtbaar was. Daarna kwam de geheele oven te
voorschijn.
Het hart van den jeugdigen ingenieur bonsde hem in het lijf. Het
telde zeker honderd-twintig slagen in de minuut op het oogenblik dat
de jonge Kaffer en Li dat kapiteel afnamen.
Hij geloofde zelf niet aan het welslagen zijner pogingen, want hij was
een dier menschen die steeds aan hunne eigen krachten twijfelen. Maar,
alles goed bekeken, was het toch mogelijk! En wat vreugde zoude het
zijn, wanneer dat zoo eens was! Was al zijne hoop op geluk, op roem,
op vermogen niet in dien dikken zwarten cylinder besloten, die daar
na weken wachtens weer voor zijn oog opdoemde?
O! ellende!.... Het kanon was gesprongen.
Ja, inderdaad, aan de vreeselijke drukking, door den waterdamp en door
het moerasgas, die uitermate verhit waren geworden, uitgeoefend,
had het staal zelfs geen weerstand kunnen bieden. De buiswand,
hoewel die eene dikte van vijf centimeter had, was gebarsten alsof
hij van glas geweest ware. Hij vertoonde ter zijde, zoowat op de
helft zijner lengte, een gapenden barst, die zich als een breede
zwarte muil voordeed, die door de vlammen aangezwart en verwrongen
was en die den ontstelden geleerde boosaardig scheen uit te lachen.
Dat was wel ongelukkig! Zoo vele moeiten om dat ellendige resultaat
te bereiken! Waarlijk, Cyprianus zou zich minder vernederd gevoeld
hebben, wanneer zijn toestel, beter beschermd en beter verzekerd,
die vuurproef had kunnen doorstaan! Dat er in den cylinder geen
gekristalliseerde koolstof zou gevonden worden, zou hem minder
gedeerd hebben, op die teleurstelling had hij zich herhaaldelijk
voorbereid! Maar die oude rol staal, die thans slechts bij het oudroest
kon geworpen worden, gedurende een maand verhit, afgekoeld, ja, laten
wij gerust zeggen gekoesterd te hebben, zie, dat was spotternij van het
noodlot. Waarachtig, hij zou die buis met zijn hiel de heuvelhelling
hebben willen afschoppen, wanneer hare zwaarte zich niet tegen zulk
eene behandeling verzet had!
Cyprianus wilde haar in den oven laten en maakte zich gansch bedroefd
gereed om aan Alice dien ellendigen uitslag te gaan mededeelen, toen
de weetgierigheid van den scheikundige weer boven kwam en hem er toe
bracht een aangestoken lucifer bij de opening der buis te brengen om
de binnenruimte te onderzoeken.
"Ongetwijfeld is de laag aarde, waarmede ik den binnenwand bestreken
heb, in baksteen veranderd, evenals de buitenmantel van den oven."
De veronderstelling was gegrond. Evenwel, door een uiterst zeldzaam
verschijnsel, dat Cyprianus zich aanvankelijk niet verklaren kon,
scheen een soort kleibal zich van die laag aarde afgescheiden te
hebben en was afzonderlijk in de buis verhard.
Die bal had eene roode, zwartachtige kleur en omstreeks de doorsnede
van een oranjeappel. Hij kon best door den barst van den cylinder
heen. Cyprianus greep dien bal vrij onverschillig, om hem te
onderzoeken. Hij bemerkte dat het een stuk van de leembrei was, die
zich gedurende de verhitting van den cylinderwand kon afgescheiden
hebben, en dat daardoor afzonderlijk gebakken was. Hij wilde het
wegwerpen, toen hij bespeurde dat het hol klonk, evenals, een
aarden pot.
Het geleek wel op eene kleine kruik zonder opening, waarin een soort
zware knikker rammelde.
"Net een aarden kinderspaarpotje," zei Cyprianus.
Indien hij evenwel op verbeurte van zijn leven den uitleg van dat
geheimzinnige ding had moeten geven, dan was hij er gek aan toe
geweest.
Hij wilde toch weten, wat er in dien bal zat. Hij greep dus een hamer
en sloeg dien spaarpot stuk.
Ja waarlijk, het was een spaarpot, en nog wel een, die een
onwaardeerbaren schat bevatte. Neen! waarachtig niet! men kon zich niet
vergissen met betrekking tot den zwaren keisteen, dien de jeugdige
ingenieur toen in de handen hield. Die keisteen was een diamant, in
zijne legering besloten evenals gewone diamanten; maar het was een
diamant van kolossale afmetingen, van afmetingen die onwaarschijnlijk,
en nimmer te voren gezien waren!
Dat de lezer oordeele! Die diamant was dikker dan een hoender-ei en
had het uitzicht van een aardappel. Hij moest minstens driehonderd
gram wegen. "Een diamant!.... Een kunstmatige diamant!...." herhaalde
Cyprianus mompelend en met gedempte stem, want hij was letterlijk
verplet. "Ik heb dus de oplossing van het vraagstuk omtrent
deze fabriekmatige bereiding gevonden!.... En dat nog wel in
weerwil van het ongeval aan de buis overkomen!.... Ik ben dus
rijk.... Ik! rijk!!.... En Alice, mijn dierbare Alice, behoort
mij dus!"
Maar dan begon hij zijne oogen weer te wantrouwen. Hij geloofde niet
wat hij zag.
"Maar dat is onmogelijk!.... Dat is een droombeeld!.... eene
zinsbegoocheling!" herhaalde hij, terwijl de duivel des twijfels hem
aan het hart knaagde.
En zonder zich den tijd te gunnen om zijn hoed op te zetten,
buiten zich zelven, waanzinnig van vreugde, zooals Archimedes moet
geweest zijn, toen hij bij het verlaten van zijn bad zijn beroemd
grondbeginsel vond en zijn "Eureka" uitgalmde, vloog Cyprianus,
eerder dan hij liep, met ongekende vaart, in één rek door naar de
woning van Jacobus Vandergaart en viel bij den oude als een bom binnen.
Hij vond den ouden diamantslijper bezig met steenen te onderzoeken,
die de makelaar Nathan hem gebracht had om geslepen te worden.
"O! mijnheer Nathan, gij komt juist van pas!" riep Cyprianus
uit. "Kijk!.... en gij ook, mijnheer Vandergaart, kijk wat ik u daar
breng en zeg mij wat dat is."
Hij legde daarbij zijn keisteen op de tafel en kruiste zich de armen
over de borst.
Nathan nam 't eerst den steen en verbleekte van verbazing, en gaf hem
daarna met opengesperde oogen en geopenden mond aan Jacobus Vandergaart
over. Deze bracht het voorwerp ter hoogte van zijne oogen onder het
daglicht, dat door zijne vensters binnenviel, en beschouwde het op
zijne beurt door zijn bril. Daarna legde hij het op de tafel neer en
zei tot Cyprianus met uiterst bedaarde stem:
"Dat, dat is de grootste diamant, die ter wereld bestaat!"
"Ja!.... de grootste," herhaalde Nathan. "Hij is twee of drie malen
grooter dan de _Kohinoor_, de Berg van Licht, de prachtigste van de
Engelsche kroonjuweelen, die honderd negen en zeventig karaten weegt!"
"Hij is twee of driemaal grooter dan de _Groote Mogol_, de grootste
bekende diamant, die twee honderd en tachtig karaten weegt!" hernam
de oude diamantslijper.
"Hij is vier of vijfmaal grooter dan de diamant van den Czaar, die
honderd drie en negentig karaten weegt," voegde Nathan er geheel
verbouwereerd aan toe.
"Zeven of achtmaal grooter dan de _Regent_, die honderd zes en dertig
karaten weegt," ging Jacobus Vandergaart voort.
"Twintig of dertigmaal grooter dan de diamant van Dresden, die er
slechts een en dertig weegt!" riep Nathan.
En hij voegde er aan toe:
"Ik reken dat deze, na geslepen te zijn, nog vier honderd karaten
zal wegen! Maar hoe kan men zich aan eene taxeering van zoo'n steen
als deze wagen? Die ontsnapt aan iedere berekening!"
"Waarom zou men hem niet kunnen taxeeren?" vroeg Jacobus Vandergaart,
die het kalmste van alles gebleven was. "De waarde van den _Kohinoor_
is op vijftien millioen gulden geschat; die van den _Grooten Mogol_
op zes millioen; die van den diamant van den Czaar op vier millioen;
die van den _Regent_ op drie millioen!.... Welnu, deze moet voorzeker
op zijn minst gerekend vijftig millioen waard zijn!"
"Ho, ho! dat hangt van zijn kleur en van zijn kwaliteit af!" hernam
Nathan, die zijne kalmte herkreeg en de voorbereidende maatregelen
reeds meende te moeten nemen met het vooruitzicht op een mogelijken
koop van dien steen. "Wanneer hij geheel kleurloos en zonder gebreken
is, ja, dan, ja, dan is de waarde onschatbaar! Maar is hij geelachtig
getint, zooals de meeste diamanten van Grikwaland, dan zal de waarde
minder zijn!.... Maar ik weet niet of ik voor een steen van dezen
omvang niet eene fraaie saffierblauwachtige schakeering zou verkiezen,
zooals de diamant van Hope, of rooskleurig zooals de _Groote Mogol_,
of zelfs smaragdgroen zooals de diamant van Dresden."
"Waarachtig niet.... neen!...... neen!" riep de oude diamantslijper met
vuur uit. "Ik stel niets boven de kleurlooze steenen!.... Spreek mij
van den _Kohinoor_ of van den _Regent_! Dat is edelgesteente! Daarbij
vergeleken zijn de andere maar fantasie-steenen!"
Cyprianus hoorde reeds niet meer.
"Mijne heeren, gij zult mij verontschuldigen," sprak hij haastig,
"maar ik ben verplicht heen te gaan."
En na zijn steen weer bij zich gestoken te hebben, sloeg hij met de
grootst mogelijke haast den weg naar de hoeve in.
Zonder er zelfs aan te denken om aan te kloppen, deed hij de deur
der spreekkamer open en hij bevond zich terstond tegenover Alice,
die hij, zonder over de onbetamelijkheid van zijn gedrag na te denken,
in zijne armen sloot en op beide wangen zoende.
"Welnu, wat heeft dat te beduiden?" riep John Watkins geërgerd over
dat onverwacht gedrag uit.
Hij zat aan tafel tegenover Hannibal Pantalucci en was bezig met dien
akeligen grappemaker een partij piket te spelen.
"Vergeef mij, miss Watkins!" stamelde Cyprianus, geheel uit
het veld geslagen door zijne onbetamelijke daad, hoewel hij van
vreugde straalde. "Ik voel mij gelukkig! Ik ben krankzinnig van
geluk! Kijk.... wat ik u breng!"
En hij wierp zijn diamant, meer dan hij hem legde, op de tafel tusschen
de beide spelers.
Evenals Nathan en Jacobus Vandergaart, begrepen deze beide mannen
dadelijk wat er gaande was. John Watkins, die nog maar zeer weinig
gin gebruikt had, was buitengewoon helder van geest.
"Gij hebt dien gevonden.... gij zelf.... in uwen claim?" vroeg hij
met buitengewone levendigheid.
"Gevonden?.... dezen?" antwoordde Cyprianus met zegevierende stem. "Ik
heb beter dan dat gedaan!.... Ik heb hem zooals hij daar ligt,
zelf vervaardigd!.... O! mijnheer Watkins, wat is de scheikunde,
goed beschouwd, toch eene prachtige wetenschap!"
En hij lachte en hij drukte de fijne vingertjes van Alice in zijne
handen, die geheel bedremmeld was over die hartstochtelijke uitingen,
maar toch ook verrukt over het geluk van haren vriend. Een bekoorlijk
lieve glimlach zweefde om hare lippen.
"O! u ben ik die ontdekking verschuldigd, juffrouw Alice!" hernam
de gelukkige Cyprianus. "Wie heeft mij geraden om de scheikunde
weer ter hand te nemen? Wie heeft gevorderd, dat ik mij zoude
toeleggen op het zoeken naar de vervaardiging van den kunstmatigen
diamant? Niemand anders dan uwe bekoorlijke, uwe aanbiddenswaardige
dochter, mijnheer Watkins!.... O! ik kan haar mijn eerbied betoonen,
zooals de dapperen van vroegere tijden aan hunne dame brachten, en
ik kan overal verkondigen dat haar, haar alleen de geheele verdienste
dezer ontdekking toekomt!.... Zou ik zonder haar aan zoo iets gedacht
hebben?"
John Watkins en Hannibal Pantalucci bekeken den diamant, wierpen
elkander een blik toe en schudden het hoofd. Zij waren ten zeerste
ontsteld.
"Gij zegt, dat gij dezen vervaardigd hebt.... gij zelf?" hernam
eindelijk John Watkins. "Het is dus een valsche steen?"