alleen met Thomas Staal vertrekken en bleef in zijne hut achter. Hij
wilde een brief van zijn vriend Pharamond Barthés beantwoorden, die hem
tijdingen had doen toekomen door tusschenkomst van een ivoorhandelaar,
die op reis naar de Kaapstad was.
Pharamond Barthés was in de wolken over zijne jagersleven en over de
door hem ondervonden avonturen. Hij had reeds drie leeuwen gedood,
zestien olifanten en zeven tijgers, zonder nog te spreken van een
onnoemlijk aantal giraffen en antilopen. Van het kleine wild maakte
hij eenvoudig geen gewag.
Hij voedde, zeide hij, den oorlog door den oorlog, evenals dat de
historische veroveraars deden. Hij slaagde er niet alleen in om het
geheele expeditionaire korps, dat hij met zich voerde, te onderhouden,
maar het zou hem gemakkelijk gevallen zijn, wanneer hij zulks gewild
had, groote winsten te behalen met den verkoop van de pelterijen en
van het ivoor, van die jachtpartijen afkomstig, of door ruilhandel
te drijven met de Kafferstammen, in welker midden hij leefde.
Hij eindigde zijn schrijven in dier voege:
"Zult gij mij niet vergezellen bij het volvoeren eener reis langs
de boorden van de Limpopo-rivier? Ik zal er tegen het eind van de
aanstaande maand aankomen. Ik heb het plan dien stroom af te zakken
tot zijne ontwatering in de Delagoa-baai, om vervolgens over zee naar
Durban terug te keeren, waarheen ik volgens contract mijne Bassuto's
terugvoeren moet. Laat toch dat schrikkelijke Grikwaland voor eenige
weken links liggen en kom mee...."
Cyprianus las en herlas dien brief, toen eensklaps eene vreeselijke
losbarsting vernomen werd, die onmiddellijk door een helsch spektakel
in het kamp gevolgd werd. Hij vloog natuurlijk in alle haast op en
stormde zijne tent uit.
Al de mijnwerkers liepen in de grootste wanorde en met al de teekenen
eener buitengewone radeloosheid naar de mijn.
"Eene aardstorting!" schreeuwde men van alle kanten.
De nacht was inderdaad zeer frisch, ja, koud te noemen geweest,
terwijl de vorige dag als een der warmsten, die men in langen tijd
beleefd had, kon aangerekend worden. Gewoonlijk na zulke groote en
spoedig ingevallen temperatuursverschillen hadden samenkrimpingen
van de blootgestelde aardmassa's plaats, waardoor zulke rampen als
de hier aangeduide mogelijk werden.
Cyprianus haastte zich naar de Kopjes-mijn.
Toen hij daar aankwam, overzag hij het gebeurde met één blik.
Een aarden wal van minstens zestig meter hoogte en van twee honderd
meter lengte was van boven tot onder gespleten en vormde eene gaping,
die heel veel geleek op de bres van een door geschut geteisterden
muur. Verscheidene duizenden kubieke meters grind waren losgeraakt
en naar beneden gestort, waar zij de claims met zand, met steenen en
met aarde bedolven. Alles wat zich op het oogenblik der aardstorting
boven op den rand bevonden had, als menschen ossen, karren enz., was
plotseling in den afgrond te recht gekomen en lag daar door elkander.
Gelukkig dat het grootste gedeelte der mijnwerkers nog niet in de mijn
afgedaald was, want anders ware meer dan de helft van de kampbewoners
bedolven geweest.
De eerste gedachte van Cyprianus betrof zijn vennoot, Thomas Staal. Hij
had weldra het genoegen hem te ontdekken te midden van een groep
mannen, die zich rekenschap trachtten te geven van den omvang van
de ramp en daartoe op den rand der gevormde spleet stonden. Hij liep
naar hem toe en ondervroeg hem.
"Ja, wij zijn het mooi ontsnapt!" zei de mijnwerker uit Lancashire,
terwijl hij den Franschman de hand drukte.
"En Makatit?" vroeg Cyprianus.
"De arme jongen ligt daaronder," antwoordde Thomas Staal, op de
puinhoopen wijzende, die zich op hun gemeenschappelijk eigendom
opgestapeld hadden. "Nauwelijks had ik hem bevel gegeven om in de
groeve af te dalen, en stond ik reeds te wachten op den eersten emmer,
om dien op te hijschen, toen de noodlottige gebeurtenis plaats vond."
"Maar wij kunnen zoo niet met de armen over elkander geslagen staan
toekijken, zonder iets uit te richten!" riep Cyprianus uit. "Misschien
leeft hij nog."
Thomas Staal schudde het hoofd.
"Het is onwaarschijnlijk, dat hij onder een last van minstens twintig
ton aarde nog in leven zoude zijn," antwoordde hij. "Daarenboven tien
menschen zouden zeker twee of drie dagen moeten arbeiden om den boel
op te ruimen."
"Dat kan me niet schelen," was de meening van den jongen ingenieur,
vastbesloten. "Ik wil niet dat gezegd zal worden, dat wij een
menschelijk wezen in dat graf bedolven hebben gelaten, zonder dat
wij alle pogingen aangewend hebben, om hem er uit te halen."
En zich door tusschenkomst van Bardik tot eenige andere Kaffers
wendende, die daar in de nabijheid stonden, bood hij hen een hoog
loon, van vijf shillings per dag aan, voor ieder, die onder zijne
aanwijzing arbeiden wilde om zijn claim te ontruimen.
Een dertig negers boden terstond hunne diensten aan, en de arbeid
werd zonder een oogenblik verloren te laten gaan, aanvaard. De
pikhouweelen, de schoppen en spaden ontbraken niet, de emmers en de
kabels waren geheel gereed, de karretjes ook. Een groot aantal blanke
mijnwerkers boden op de tijding, dat het gold een armen sukkel van
onder de aardstorting te voorschijn te halen, grootmoedig hunne
hulp aan. Thomas Staal, ontvonkt door den moed en den ijver van
Cyprianus, bestuurde met geestdrift den arbeid, die dienen moest,
om een menschenleven te redden.
Tegen het middaguur waren reeds eenige tonnen zand en steenen verwerkt
en buiten den claim gebracht.
Bardik liet zoowat tegen drie uur een rauwen kreet hooren. Hij
bespeurde onder zijne schop een zwarten voet, die boven den grond
uitstak.
Men verdubbelde natuurlijk de inspanningen, en weinige minuten
later was het lichaam van Makatit geheel uitgegraven. De ongelukkige
Kaffer lag op den rug uitgestrekt, bewegingloos en was volgens alle
waarschijnlijkheid dood als een pier. Een der lederen emmers evenwel,
die hij bij zijn arbeid bezigde, was met de opening op zijn gelaat
gevallen en bedekte dat zooals een mombakkes dat zoude gedaan hebben.
Die omstandigheid, die door Cyprianus niet onopgemerkt bleef, deed
de gedachte bij hem opkomen, dat hij den ongelukkige wellicht in het
leven kon terugroepen; maar die hoop was in werkelijkheid uiterst zwak;
want het hart klopte niet meer, de huid was koud, de ledematen waren
verstijfd, de handen waren door den doodstrijd gesloten en gebald,
en het gelaat, dat met die eigenaardige bleekheid der negers in
het stervensuur overtogen was, was schrikkelijk verwrongen door de
stuiptrekkingen bij dien verstikkingsdood.
Toch verloor Cyprianus den moed niet. Hij deed Makatit naar de hut van
Thomas Staal, die het dichtste in de nabijheid lag, overbrengen. Men
strekte hem op een tafel uit, die gewoonlijk gebezigd werd om het
grind en het zand der mijn uit te zoeken, en hij werd toen onderworpen
aan stelselmatige wrijvingen en aan bewegingen van de wervelkolom
en van de borstkas, geschikt om eene kunstmatige ademhaling in het
leven te roepen. In één woord men wendde alle hulpmiddelen aan, die
bij drenkelingen gebezigd worden. Cyprianus wist, dat die middelen
bij alle soorten van verstikking dienstig kunnen zijn. Ook was er
in het gegeven geval niets anders te verrichten, want geene wond,
geene breuk, noch eenige ernstige beleediging waren te bespeuren.
"Kijk toch, mijnheer Méré, hij houdt nog eene kluit aarde in de vuist
geknepen!" deed Thomas Staal, die het beste hielp, om dat groote
zwarte lichaam te wrijven, opmerken.
En hij wreef goed, die brave mijnwerker van Lancashire. Wanneer
hij bezig ware geweest de groote krukas eener stoommachine van
twaalfhonderd paardenkracht met amaril en olie te polijsten, dan zou
hij aan dat werk zijne vuisten niet met meer kracht hebben kunnen
gebruiken!
Die inspanningen droegen eindelijk goede vruchten. De lijkenstijfheid
van den jeugdigen Kaffer scheen langzamerhand te verdwijnen. De
temperatuur zijner huid wijzigde zich aanmerkelijk. Cyprianus, die met
het oor op de hartstreek het geringste teeken van leven bespiedde,
meende onder zijne hand eene lichte trilling te gevoelen, die hem
een goed voorteeken scheen.
Die kenteekenen werden weldra duidelijker. De pols begon te kloppen,
eene zachte inademing van lucht tilde bijna onmerkbaar de borstkas
van Makatit op, terwijl een daarop volgende sterkere uitademing
kenteekende, dat het lichaam tot zijne levensverrichtingen terugkeerde.
Plotseling traden twee heftige niesbuien in, die de groote zwarte
karkas, vroeger zoo bewegingloos, van het hoofd tot de voeten deden
schudden. Makatit opende de oogen, haalde diep adem en herkreeg
zijn bewustzijn.
"Hoera! hoera! De kameraad is uit de klem!" riep Thomas Staal, wien
het zweet van het lichaam gutste en die thans met zijne wrijvingen
ophield. "Maar kijk dan toch, mijnheer Méré, hij laat zijne kluit
aarde, die hij steeds in de samengeknepen vuist houdt, maar niet los."
Onze jonge ingenieur had wel wat anders te doen in die oogenblikken,
dan op die bijzonderheid te letten. Hij liet den lijder een kleinen
lepel vol rum inslikken en tilde hem op, om zijne ademhalingswerktuigen
in hunne werking behulpzaam te zijn. Toen hij hem eindelijk goed
en wel tot het leven teruggeroepen zag, wikkelde hij hem in eenige
dekens en deed hem door drie of vier gewillige kerels naar zijne hut,
die op het erf van Watkins gelegen was, overbrengen.
Daar werd de arme Kaffer op zijn bed gelegd en deed Bardik hem een
kop heete thee drinken. Makatit sliep na een half uur rustig en kalm
in en kon nu als gered beschouwd worden.
Cyprianus gevoelde in zijn binnenste die onvergelijkelijke
vreugdevolle gewaarwording, die ieder mensch ondervindt, wanneer
hij een menschenleven aan de klemmende vuist des doods ontrukt
heeft. Terwijl Thomas Staal en zijne makkers, dorstig geworden
door zooveel therapeutische handelingen, hun goeden uitslag bij den
naburigen kroeghouder gingen vieren, door een groote hoeveelheid bier
te verorberen, greep Cyprianus bij Makatit wenschende te blijven,
een boek en zette zich naast zijne sponde, en onderbrak slechts zijne
lectuur om den Kaffer te zien slapen zooals een vader den slaap van
een van ziekte herstellenden zoon zoude bewaakt hebben.
Makatit was sedert zes weken in dienst bij Cyprianus getreden,
en deze had niet anders dan redenen gehad om tevreden, ja, zelfs
opgetogen over hem te zijn. Zijne schranderheid, zijne gewilligheid,
zijn ijver bij den arbeid waren uitmuntend en werkelijk bij die van
geen andere te vergelijken. Hij was moedig, goedhartig, dienstvaardig
en begaafd met een bijzonder zacht en vroolijk karakter. Geen werk
was hem te zwaar, geen moeilijkheid rees boven zijn ijver en moed. Er
kon met recht gezegd worden, dat er geen verheven maatschappelijk
standpunt bestond, hetwelk een Franschman, met zulke hoedanigheden
en eigenschappen begaafd, niet zou hebben kunnen bereiken. En het
noodlot wilde, dat al die kostbare gaven onder die zwarte huid en in
den gekroesden schedel van een eenvoudigen Kaffer gehuisvest waren!
Toch had Makatit een gebrek--een ernstig gebrek--een gevolg
waarschijnlijk van de eerste opleiding, die hem deelachtig werd,
en van de al te Spartaansche gewoonten, die hij in zijne kraal
aangeleerd had. Zullen wij dat gebrek mededeelen? Makatit was een
weinig diefachtig; maar was dat geheel onbewust. Wanneer hij een
voorwerp ontwaarde, dat hem aanstond, vond hij het heel natuurlijk
zich dat voorwerp toe te eigenen.
Te vergeefs hield hem zijn meester, die door de neiging zich
beangstigd gevoelde, hem de meest ernstige en de meest strenge
vertoogen. Te vergeefs dreigde hij hem te zullen heen zenden, wanneer
hij hem andermaal betrappen of schuldig bevinden mocht. Bij zulke
gelegenheid beloofde Makatit beterschap, hij huilde dan en smeekte
om vergeving! maar.... den volgenden morgen, wanneer de gelegenheid
zich aanbood, was hij weer de oude zondaar.
Zijne ontvreemdingen betroffen gewoonlijk dingen, die niet belangrijk
waren. Al de zaken, die zijne hebzucht in het bijzonder opwekten,
hadden niet veel waarde, zooals een mes, een das, een potloodhouder,
of dergelijke nietigheid. Toch deed het Cyprianus pijnlijk aan,
dat een zoo edel karakter met zulk eene ondeugd behept was.
"Laat mij wachten.... laat mij de hoop niet verliezen!" zei hij
tot zich zelven. "Wellicht gelukt het mij, hem het slechte van die
diefstallen te doen begrijpen!"
En terwijl hij hem zoo gedurende zijn slaap aankeek, overdacht
Cyprianus die zoo scherpe afwijkingen in zijne hoedanigheden, die
haren oorsprong vonden in Makatit's verleden, te midden van zijn
stam doorgebracht.
Toen de avond begon te vallen, ontwaakte de jeugdige Kaffer zoo frisch
en zoo welbehaaglijk mogelijk, net alsof hij geen twee uren lang in
een staat van verstikking doorgebracht had. Hij kon thans vertellen,
wat hem wedervaren was.
De emmer, waarmede zijn aangezicht zeer bij toeval bedekt was geworden,
en een lange ladder, die als een korbeelstut boven hem dienst gedaan
had, hadden hem aanvankelijk tegen de onmiddellijke mechanische
gevolgen van de aardstorting beschermd en ook geruimen tijd voor
een volkomen verstikking behoed, daar zij hem in zijne onderaardsche
gevangenis een kleinen voorraad lucht verschaft hadden. Hij had zich
zeer goed rekenschap weten te geven van die gelukkige omstandigheid
en had alles aangewend om haar zoo veel mogelijk te benuttigen, door
slechts met groote tusschenpoozen adem te halen. Maar die geringe
voorraad lucht was langzamerhand bedorven geraakt. Toen had Makatit
zijne geestvermogens langzamerhand voelen benevelen. Eindelijk was hij
in een soort van zwaargeestigen slaap vol doodsangsten geraakt waaruit
hij bij wijlen ontwaakte en dan met een uiterste inspanning lucht
poogde in te ademen. Eindelijk was zijn denk- en herinneringsvermogen
als uitgewischt. Hij wist niet meer, wat met hem gebeurde en was nu
dood.... want het was werkelijk uit den dood, dat hij verrezen was.
Cyprianus liet hem een poos voortpraten; hij liet hem daarna drinken
en eten en noodzaakte hem, in weerwil van zijne tegenstribbelingen,
om den geheelen nacht op het bed te blijven liggen, waarop hij hem
had doen uitstrekken. Toen hij eindelijk zag, dat alle gevaar geweken
was, liet hij hem alleen en begaf zich naar de hoeve van Watkins,
om daar zijn gewoon bezoek af te leggen.
De jeugdige ingenieur gevoelde behoefte, om aan Alice zijne ondervonden
indrukken op dien dag mede te deelen, als ook den afkeer van het
mijnwerk, dien hij ondervond en die sedert het ongeval van dien morgen
nog vermeerderd was. Het denkbeeld hinderde hem, dat het leven van
Makatit in gevaar gesteld was alleen voor de twijfelachtige kans om
eenige kleine en onbeduidende diamanten te vinden.
"Dat ik dien arbeid zelf verricht," mompelde hij in zich zelven,
"kan er nog door. Maar dat gevaarvolle werk op te dragen aan dien
ongelukkigen Kaffer, en dat voor een ellendig loon, is eenvoudig
verachtelijk te noemen!"
Hij deelde dus het jonge meisje zijne gewetenswroeging en zijne
teleurstellingen mede. Hij vertelde haar van den brief, dien hij van
Pharamond Barthès ontvangen had, en vroeg haar raad of hij niet beter
zou handelen met de uitnoodiging van zijn vriend op te volgen. Wat zou
hij er bij verliezen, wanneer hij naar de boorden van de Limpopo-rivier
vertrok en het jachtveld betrad. Het zou in ieder geval edeler zijn
dan in de aarde te wroeten als een gierigaard of daarin arme drommels
voor zijne rekening te doen wroeten.
"Wat denkt gij er van, miss Watkins," vroeg hij, "gij die zooveel
wijsheid aan zooveel practischen zin paart? Geef mij toch raad! Ik heb
goeden raad hard noodig! Ik ben waarachtig mijn weerstandsvermogen
kwijt. Er is waarlijk een vriendinnenhand noodig om mij weer op het
rechte pad te brengen."
Zoo sprak hij in alle oprechtheid en vond er een onverklaarbaar
genoegen in, nu hij zijne terughoudendheid verbroken had, zoo te
praten en voor dat lieve en bekoorlijke kind de ellende zijner
besluiteloosheid bloot te leggen.
Dat gekeuvel werd sedert eenige minuten in het Fransch voortgezet
en ontleende aan die eenvoudige omstandigheid een grooten graad van
vertrouwelijkheid, hoewel John Watkins, sedert eenige oogenblikken,
na zijn derde pijp gerookt te hebben, ingedommeld, nooit eenige
aandacht verleend had aan hetgeen de twee jongelieden met elkander
praatten in het Engelsch of in welke taal ook.
Alice hoorde hem met belangstelling aan.
"Alles wat gij mij thans zegt, mijnheer Méré," antwoordde zij, "heb
ik reeds lang gedacht. Ik kan moeilijk begrijpen, hoe een ingenieur,
een geleerde zoo als gij zijt, er goedsmoeds heeft toe kunnen overgaan
zoo een leven te leiden! Is dat geene misdaad jegens u zelven? Is dat
geene misdaad jegens de wetenschap? Uw kostbaren tijd te verknoeien
met een oppermanswerk, dat een eenvoudige Kaffer of een domme Hottentot
beter dan gij verricht. Vergeef mij, maar dat is niet goed gehandeld;
het is zelfs slecht gehandeld, geloof mij."
Cyprianus zou slechts een enkel woord behoeven te zeggen, om dat
raadsel op te lossen, om voor het jonge meisje helder en duidelijk
te maken, hetgeen haar zoo verwonderde en zoo ergerde.... Wie weet
trouwens, of zij hare verontwaardiging niet een weinig overdreef
om hem tot eene verklaring te brengen!.... Maar.... hij had zich
voorgenomen die verklaring in zijn hart te bewaren, en hij zou
zich zelven geminacht hebben, wanneer hij haar liet ontsnappen. Hij
weerhield haar dus en zweeg.
Miss Watkins ging evenwel voort:
"Als gij er zoo op gesteld zijt om diamanten te vinden, mijnheer
Méré, waarom zoekt gij die niet daar, waar gij, volgens mij, wel kans
zoudt hebben om ze te vinden, namelijk in uw kroes? Hoe nu! gij zijt
scheikundige, gij beter dan iemand weet wat die ellendige steenen,
waaraan zooveel waarde gehecht wordt, eigenlijk zijn, en gij gaat ze
verwachten van een ondankbaren en werktuigelijken arbeid? Wat mij
betreft, ik herhaal mijn denkbeeld: als ik in uwe plaats was, dan
zou ik eerder trachten diamanten te vervaardigen dan dat ik moeite
zou doen ze geheel gereed te vinden!"
Alice sprak met zulk eene opgewondenheid, met zulk eene hoop en geloof
in de kracht der wetenschap, en ook in de kunde van Cyprianus zelven,
dat het hart van den jongen man zich als met een verkwikkenden dauw
gedrenkt gevoelde.
Jammer, doodjammer, in dit oogenblik ontwaakte John Watkins uit
zijn dut en vroeg berichten omtrent de Vandergaart-Kopjesmijn. De
jongelieden waren dus genoodzaakt hun afzonderlijk gesprek te staken
en de Engelsche taal weer te bezigen. De betoovering was verbroken.
Maar het uitgestrooide zaad was in goede aarde te recht gekomen en
moest ontkiemen. De jeugdige ingenieur overdacht bij het naar huis
gaan die zoo juiste woorden, welke in zijn binnenste trilden en daar
een zoo grooten weerklank vonden, en die miss Watkins hem met haar
lieven mond toegevoegd had. Wat die woorden hersenschimmigs hadden,
verdween voor zijne oogen, om hem slechts te laten zien, wat zij aan
edelmoedigheid, aan vertrouwen en teederheid jegens hem inhielden.
"En waarom niet.... alles wel beschouwd?" vroeg hij zich af. "De
kunstmatige bereiding van het diamant kon eene eeuw geleden
hersenschimmig heeten, thans is zij als het ware een voldongen
feit! De heeren Frémy en Peil te Parijs hebben robijnen, smaragden
en saffieren vervaardigd, die in werkelijkheid niets anders zijn dan
aluminiumkristallen, die verschillend gekleurd zijn. De heer Mac Tear
van Glasgow en de heer M.J. Ballantine Hannay uit dezelfde stad, hebben
in 1880 gekristalliseerde koolstof verkregen, die al de eigenschappen
van het diamant bezat, doch het eenige gebrek had schrikkelijk duur
te zijn--veel duurder dan de natuurlijke diamanten van Brazilië,
van Indië, van Borneo of van Grikwaland, en dus aan de behoefte van
den handel niet voldeed. Maar wanneer de wetenschappelijke oplossing
van een vraagstuk gevonden is, dan is de nijverheids-oplossing niet
verre meer af! Waarom haar niet op te sporen? Al die geleerden,
die er niet in slaagden haar te vinden, waren theoretici, mannen van
het studeervertrek, boekenwurmen, laboratorium-bewoners. Zij hebben
het diamant niet plaatselijk bestudeerd, in zijn oorspronkelijk
terrein, in zijne bakermat, in zijne wieg om zoo te zeggen. Ik
kan mijn voordeel met hunne studiën, met hunne ondervinding doen,
en ook mijne eigene gebruiken. Ik heb het diamant met eigen handen
opgedolven. Ik heb de terreinen, waarin het zich bevindt, onder
alle opzichten ontleed! Wanneer iemand slagen moet om de laatste
moeilijkheden te boven te komen, dan, met een weinig geluk, moet ik
dat zijn.... ja, ik!"
Ziedaar wat Cyprianus gedurig in zich zelven herhaalde en waarmede
hij gedurende den ganschen nacht bijna zijn geest bezig hield.
Zijn besluit was weldra genomen. Den volgenden ochtend reeds gaf hij
Thomas Staal kennis, dat hij niet meer, ten minste voorloopig niet
meer, in zijn claim zou werken of doen werken. Hij kwam er zelfs
voor uit, dat wanneer hij zijn gedeelte zou kunnen verkoopen, hij
hem daartoe machtigde. Daarna sloot hij zich in zijn laboratorium op,
om zijne nieuwe plannen te overpeinzen.
ACHTSTE HOOFDSTUK.
DE GROOTE PROEF.
Cyprianus had te midden van herhaalde nasporingen over de oplosbaarheid
der vaste lichamen in de luchtvormige--nasporingen die hem het geheele
vorige jaar beziggehouden hadden--zeer goed opgemerkt, dat sommige
zelfstandigheden, als het silicium en het aluminium bijvoorbeeld,
onoplosbaar in water, evenwel oplosbaar in waterdamp zijn, die onder
hooge drukking gebracht en uitermate verhit is.
Vandaar de beweegreden van het besluit, hetwelk hij nam, om te
onderzoeken of er geen oplossingsmiddel van de koolstof te vinden was,
om zoo tot hare kristalvorming te geraken.
Maar al zijne pogingen in die richting bleven vruchteloos, en na zoo
eenige weken in ijdele nasporingen doorgebracht te hebben, was hij
verplicht van batterij te veranderen.
Batterij is hier het ware woord, zooals men zien zal, want bij de nu
volgende proef zou een kanon eene voorname rol spelen.
Verschillende vergelijkings-theorieën brachten er den jeugdigen
ingenieur toe om als aanneembaar te beschouwen, dat het diamant zich
wel in de Kopjes zelven vormde, op dezelfde wijze als de zwavel zich
in de solfatara's of zwavelbronnen vormde. Men weet toch dat de zwavel
ontstaat uit eene halve oxydatie of verzuring van zwavelwaterstofgas,
nadat een gedeelte daarvan in zwaveligzuur omgezet is, waardoor het
andere zich in kristallen langs de wanden van de zwavelbron neerslaat.
"Wie weet," sprak Cyprianus in zich zelven, "of de diamantlegeringen
geen ware carbonataren of koolstofbronnen zijn? Vermits een
mengsel van waterstof en koolstof er noodwendig met het water en
de aanslibbingsafzettingen onder den vorm van moerasgas aangevoerd
wordt, waarom zou dan eene oxydatie van het waterstofgas met eene
gedeeltelijke oxydatie van de koolstof niet de kristalvorming van de
in te groote hoeveelheid aanwezige koolstof teweegbrengen?"
Om van dat denkbeeld tot de proef, om door eene gelijksoortige maar
geheel kunstmatige reactie tot de theoretische werking van de zuurstof
te besluiten en over te gaan, had voor een waren scheikundige niet
veel om het lijf.
Tot de onmiddellijke uitvoering van dat program werd dan ook door
Cyprianus besloten.
Het kwam er in de eerste plaats op aan, om eene proefondervindelijke
handeling uit te denken, die zooveel mogelijk de veronderstelde
gegevens omtrent de voortbrenging van den natuurlijken diamant
nabijkwam. Die handeling moest vooral zeer eenvoudig wezen. Alles wat
de natuur groot en verheven wrocht, geschiedt op die wijze. Hoe weinig
samengesteld toch zijn de schoonste ontdekkingen, door het menschdom
veroverd; de zwaartekracht, de magneetnaald, de boekdrukkunst, het
stoomwerktuig, de electrische telegraaf bij voorbeeld?