Vaalrivier uit en was ongeveer op twee mijlen bovenstrooms van het
kamp gelegen. Het bestond voornamelijk uit aanslibbingsgronden, die
waarachtig zeer goed diamanthoudend konden zijn, hoewel tot heden
niets daarvan was gebleken. Hannibal Pantalucci nam de voorzorg,
om zijne akelige scherts te doen slagen, door zich zoodanig voor de
vensters van Matthijs Pretorius te plaatsen, dat deze hem zien moest,
terwijl hij daarenboven steeds een paar vrienden medenam om van die
grap te genieten.
Men kon dan den armen drommel zien, zooals hij verborgen achter
zijne katoenen gordijnen, stond te gluren om al hunne bewegingen
met angstvalligheid gade te slaan en om al hunne gebaren te
spionneeren. Hij was dan steeds gereed om naar zijn stal te ijlen, ten
einde zijn struisvogel aan te spannen, om te kunnen ontvluchten, zoodra
hij zeker meende te zijn dat zijn eigendom hem zoude ontweldigd worden.
Waarom was hij ook zoo ongelukkig of beter zoo dom geweest, om aan
een zijner vrienden toe te vertrouwen dat hij zijn _trek_-vogel dag
en nacht opgetuigd gereed hield, dat hij de bergplaatsen van zijn
tentwagen steeds voorzien hield van mondbehoeften, om in staat te zijn,
bij het eerste daadwerkelijke begin van wederrechtelijke toeëigening,
weg te ijlen.
"Ik ga dan naar de Boschjesmannen, die ten noorden van de
Limpopo-rivier wonen," zei hij. "Tien jaren geleden dreef ik
ivoorhandel met hen. En het is duizendmaal meer verkieslijk zich te
midden der wilden te bevinden, of te midden der leeuwen, tijgers,
jakhalzen en ander wild gedierte, dan te midden van die onverzadelijke
Engelschen te blijven!"
Maar die vertrouwde vriend van den ongelukkigen pachter had zich
als echt vertrouwde gehaast die plannen aan Jan en Alleman te
vertellen! Het zal wel onnoodig zijn er bij te voegen, dat Hannibal
Pantalucci daar zijn voordeel mee deed, om de mijnwerkers uit den
omtrek van tijd tot tijd een koddig schouwspel te bezorgen.
Een ander slachtoffer van de zoutelooze snakerijen van dien Napolitaan
was, zooals wij vroeger reeds verteld hebben, de Chinees Li.
Die had zich ook bij de Vandergaart-Kopjes-mijn gevestigd en had
eenvoudig een waschhuis opgericht. Het is bekend, dat de zonen van het
Hemelsche Rijk uiterst geschikt zijn om als waschbazen op te treden.
Waarachtig, die roode doos, welke gedurende de geheele reis van de
Kaap naar Grikwaland de nieuwsgierigheid van Cyprianus geprikkeld had,
bevatte slechts borstels, soda, stukken zeep en blauwsel. Alles goed
gerekend, heeft een ontwikkeld Chinees niet meer noodig om in dat
land een vermogen te verzamelen. Onze jeugdige ingenieur kon veelal
een glimlach niet weerhonden, wanneer hij Li ontmoette, die, steeds
zwijgend en achterhoudend, met zijn mand aan den arm daarheen stapte,
om het linnengoed bij zijne klanten terug te brengen.
Maar wat hem toch woedend maakte, was dat Hannibal Pantalucci inderdaad
wreed ten opzichte van dien armen drommel te werk ging. Nu eens wierp
hij eenige flesschen inkt in zijn zeepsop; dan weder spande hij een
touw dwars voor zijn deur ten einde hem te doen vallen; een anderen
keer nagelde hij hem aan zijn bank vast, door met een mes zijn kiel in
het hout vast te steken. Als de gelegenheid schoon was, dan liet hij
haar nooit ontglippen om den armen drommel tegen de beenen te schoppen
en hem daarbij voor heidenhond uit te schelden. En dat hij hem zijne
klandizie geschonken had, was alleen om zich wekelijks aan zijne
plagerijen te kunnen overgeven. Hij vond nimmer zijn linnen helder
genoeg, hoewel Li zijn uiterste best deed en het zeer zorgvuldig
streek. Om de minste verkeerde plooi werd hij schrikkelijk boos, en
dan ranselde hij den ongelukkigen Chinees, alsof hij zijn slaaf ware.
Zoodanig waren de ruwe genoegens van het kamp, die evenwel soms als een
treurspel eindigden. Zoo gebeurde het wel eens, bij voorbeeld, dat een
neger, die in de mijn te werk gesteld was, beschuldigd werd een diamant
gestolen te hebben. Dan begeleidde een ieder den beklaagde tot voor
den magistraat, terwijl hij onderweg met vuistslagen overladen werd,
zoodat, wanneer de rechter hem onschuldig bevond en hem ontsloeg, hij
die mishandelingen toch alvast beet had. Hoewel er bij verklaard moet
worden, dat in dergelijke gevallen een bevel tot invrijheidstelling
zeer zelden gegeven werd. De rechter was nog eerder met eene
veroordeeling klaar dan met het verorberen van een schijfje van een
oranjeappel in zout gedoopt,--hetgeen een der lekkerste snoeperijen
van het land is. Het vonnis verwees gewoonlijk den beschuldigde tot
veertien dagen dwangarbeid en tot twintig slagen met de _cat of nine
tails_, de kat met negen staarten, eene soort van uitklopper met
knoopen, waarvan men nu nog in Groot-Brittanje en in de overzeesche
bezittingen van dat Rijk gebruikt maakt, om de gevangenen te ranselen.
Maar er was eene misdaad, die nog minder genade in de oogen der
mijnwerkers vond dan de diefstal; dat was het helen.
De Yankee Ward, dezelfde die te gelijkertijd met den jongen ingenieur
in Grikwaland aangekomen was, deed daarvan eens de wreede ondervinding
op, door eenige diamanten van een Kaffer op te koopen. Nu kan een
Kaffer geen wettig bezitter van diamanten zijn, daar de wet hem het
recht ontzegt, die bij een claim te koopen of een mijn voor eigen
rekening te ontginnen.
Het feit was nauwelijks bekend geworden,--dat gebeurde tegen den avond,
op het tijdstip dat de bevolking van het kamp na haren maaltijd het
meest rumoerig was,--of eene woedende menigte viel op het huis van den
schuldige aan, brak dat tot op den grond toe af en stak de materialen
daarna in brand. Zeer waarschijnlijk had men den Yankee opgehangen
aan eene galg, die gewillige borsten reeds overeindstelden, toen zeer
gelukkig een dozijn rijdende politiedienaren bij tijds aankwam en hem
het leven redde, maar hem daartoe naar de gevangenis moest meênemen.
Tooneelen van geweld kwamen daarenboven te midden van die gemengde,
hartstochtelijke en half wilde bevolking veelvuldig voor. Daar
kwamen al de rassen in botsing met elkander. Daar werkten de
gouddorst, de dronkenschap, de invloed van een verzengend klimaat,
de teleurstellingen en de misrekeningen te zamen om de hersenen te
verhitten en de gewetens te verwarren. Wellicht wanneer al die mannen
gelukkig in hunne delvingen waren, zouden zij meer hunne kalmte en
hun geduld bewaard hebben; maar tegen een enkele, die van tijd tot
tijd eens een steen van groote waarde vond, stonden er honderden,
die moeitevol een plantenleven leidden en te nauwernood zooveel
verdienden om in hunne eerste behoeften te voorzien. Veelal vervielen
zij in de grootste ellende. De mijn kon beschouwd worden als de groene
tafel in een speelhol, waarop men niet alleen zijn kapitaal, maar ook
zijn tijd, zijne moeite en zijne gezondheid waagde. En het getal der
gelukkige spelers, die de claims van de Vandergaart-Kopjes-mijn met
hunne pikhouweelen doorwroetten, was zeer klein.
Dat begon Cyprianus van dag tot dag meer en meer helder in te zien. Hij
vroeg zich dan ook ernstig af, of hij al dan niet voortgaan moest
met een arbeid, die hem zoo bitter weinig voordeel opbracht, toen
hij er eensklaps toe kwam om zijne gewone wijze van doen bij zijn
werk te wijzigen.
Hij bevond zich namelijk op een morgen vlak tegenover eene bende,
bestaande uit een dozijn Kaffers, die naar het kamp toe kwam om er
werk te zoeken.
Die arme lieden kwamen uit het verre gebergte, dat het eigenlijke
Kafferland van het land der Bassuto's scheidt. Zij hadden meer
dan honderd-vijftig uren gaans afgelegd langs de Oranjerivier,
en daarbij op Indiaansche wijze, dat wil zeggen: de een achter den
ander, geloopen. Onderweg hadden zij geleefd van hetgeen zij vonden,
van wortels, bessen en sprinkhanen. Zij waren dan ook zoo vermagerd,
dat zij eerder op geraamten geleken dan op levende wezens. Met hunne
uitgeteerde spillebeenen, met hunne geheel naakte ruggen, die als met
perkament overtogen waren en veel van een leegen romp hadden, met hunne
vooruitstekende ribben, hunne ingevallen wangen, hadden zij er meer
van op een flinken beafsteak van menschenvleesch belust te zijn, dan
wel geneigd bevonden te worden eene goede karwei te volvoeren. Niemand
was dan ook genegen om hen in dienst te nemen, en zij zaten thans
op den kant van den weg neergehurkt, met een weifelachtig uiterlijk,
terneergeslagen en als het ware verdierlijkt door de ellende.
Bij dat schouwspel voelde Cyprianus zich diep bewogen. Hij gaf hun
door teekens te verstaan, dat zij hem zouden wachten, liep toen
naar het hotel terug, waar hij gewoonlijk zijn maaltijd gebruikte,
en bestelde daar een grooten ketel gevuld met maïsmeel, dat in
kokend water opgelost was, dien hij de arme drommels deed brengen,
te gelijker tijd met eenige blikken bussen verduurzaamd vleesch en
twee flesschen rum.
Daarna schonk hij zich de pret, die lieden te zien smullen aan een
maaltijd, welks weerga zij nimmer onder de oogen gehad hadden.
Waarachtig, men zou gemeend hebben schipbreukelingen voor zich te zien,
die, na gedurende veertien dagen honger geleden en in doodsangst
doorgebracht te hebben, van een watervlot gered waren! Zij aten
zooveel, dat hunne buiken een kwartier later tot barstens toe gevuld
waren. In het belang hunner gezondheid moest een eind gemaakt worden
aan die smulpartij, anders kon eene algemeene verstikking de gasten
naar het rijk der dooden doen verhuizen.
Een enkele van die negers, met een slim en ontwikkeld uiterlijk--de
jongste van allen, voor zooveel een oordeel over hun ouderdom te vellen
was,--had eenige matigheid bij het stillen van zijn honger aan den dag
gelegd. En wat nog meer zeldzaam was, hij kwam op de goede gedachte
zijn weldoener te bedanken, wat in het brein der anderen in het geheel
niet opkwam. Hij naderde Cyprianus, greep zijne hand met een kinderlijk
en bevallig gebaar, en legde deze daarna op zijn gekroesd hoofd.
"Hoe heet gij?" vroeg de jonge ingenieur, door dat dankbaarheidsbetoon
getroffen, om wat te zeggen.
De Kaffer, die bij toeval eenige woorden Engelsch verstond, antwoordde
dadelijk:
"Makatit."
Zijn heldere en vertrouwvolle blik beviel Cyprianus. Hij vatte dan ook
dadelijk het denkbeeld op, dien flink gebouwden jongen aan te werven,
om in zijn claim te arbeiden, en dat denkbeeld kon niet anders dan
goed wezen.
"Iedereen hier in het district doet zoo, alles wel beschouwd!" sprak
hij tot zich zelven. "En voor dien armen Kaffer zal het ook beter
zijn mij tot meester te hebben, dan den een of anderen Pantalucci.
"Welnu, Makatit, je komt voorzeker werk zoeken?" vroeg hij.
De Kaffer gaf een bevestigend teeken.
"Wil je bij mij arbeiden? Ik zal je te eten geven, ik zal je de noodige
gereedschappen leveren, en daarenboven krijg je nog twintig shillings
per maand!"
Dat was de bepaalde prijs, en Cyprianus wist wel, dat hij niet meer
mocht uitloven, zonder zich aan de woede van de kampbewoners bloot
te stellen. Maar hij maakte bij zich zelven de afspraak, die schrale
betaling te vergoeden door hem kleedingstukken te schenken, alsook
huisraad en andere dingen, die hij denken kon, dat kostbaar in het
oog eens Kaffers waren.
Makatit lachte en vertoonde voor eenig antwoord zijn beide rijen
hagelwitte tanden. Daarna plaatste hij andermaal de hand van zijn
beschermer op zijn hoofd. Zoo was het wederzijdsche contract geteekend.
Cyprianus voerde dadelijk zijn nieuwen bediende in zijne woning. Hij
nam uit zijn valies een linnen broek, een flanellen hemd en een ouden
hoed, en gaf dit alles aan Makatit, die daar bedremmeld stond en zijne
oogen niet durfde gelooven. Wat! zich reeds bij zijne komst in het
kamp in het bezit gesteld te zien van een zoo prachtig kostuum! Zie,
dat overtrof de stoutste verwachtingen, de meest buitensporige droomen
van den armen drommel. Hij wist niet hoe hij zijne dankbaarheid
zoude te kennen geven. Hij danste van vreugde, hij lachte en weende
te gelijker tijd.
"Ik geloof dat je een goede jongen bent, Makatit," zei Cyprianus. "En
ik geloof dat je een beetje Engelsch verstaat.... Maar kan je geen
enkel woord spreken?"
De Kaffer wenkte: neen.
"Welnu, als dat zoo is, dan raad ik je aan, om het Fransch te leeren,"
hernam Cyprianus.
En zonder dralen begon hij zijn leerling eene eerste les te geven. Hij
wees hem de meest gebruikelijke voorwerpen aan, sprak de namen dan
uit en deed ze hem herhalen.
Nu was Makatit niet alleen een kloeke jongen, maar hij had ook een
ontwikkelden geest en was begaafd met een meer dan gewoon geheugen. Hij
had in minder dan twee uren meer dan honderd woorden geleerd, die
hij zeer zuiver uitsprak.
De jonge ingenieur was opgetogen over zulk een gemakkelijk
bevattingsvermogen, en nam zich voor, dat nog meer te ontwikkelen.
Er waren voor den jongen Kaffer zeven of acht dagen rust noodig,
gepaard aan eene degelijke voeding, om zich van de vermoeienissen
der reis te herstellen en volkomen in staat te zijn den arbeid te
beginnen. Nu waren die acht dagen zoo goed door hem en door zijn
professor aangewend, dat Makatit bij het einde der week reeds in
staat was zijne gedachten in het Fransch uit te drukken, nog slechts
onnauwkeurig wel is waar, maar toch volkomen verstaanbaar. Cyprianus
benuttigde dien staat van zaken om den neger zijne geheele geschiedenis
te laten vertellen. Zij was vrij eenvoudig.
Makatit wist zelfs den naam van zijn land niet, dat in het gebergte
naar den kant van de opgaande zon gelegen was. Alles wat hij er van
wist te vertellen, was, dat hij het er zeer ellendig gehad had. Toen
was hij op de gedachte gekomen, zijn fortuin te beproeven, zooals
ettelijke krijgslieden van zijn stam gedaan hadden, die daartoe
hun vaderland verlaten hadden, en zoo was hij evenals zij naar de
Diamantvelden gekomen.
Wat dacht hij daar te verdienen? Niets anders dan een rooden rok en
tienmaal tien zilveren geldstukken.
De Kaffers versmaden werkelijk goud geld. Dit spruit voort uit een
onuitroeibaar vooroordeel, dat hun de eerste Europeanen, die met hen
handel dreven, medegedeeld hebben.
En wat zou nu de hebzuchtige Makatit met die zilveren geldstukken
uitvoeren?
Welnu, hij zou zich een rooden rok aanschaffen, een geweer en buskruit;
daarna zou hij naar zijne kraal terugkeeren. Daar zou hij zich eene
vrouw koopen, die voor hem zou werken, zijne koe zou oppassen en zijn
akker met maïs beplanten. In dien toestand zou hij een belangrijk
man zijn, een groot opperhoofd. Iedereen zou hem zijn geweer en zijn
groot vermogen benijden, en hij zou na lange jaren geacht en geëerd
ten grave dalen.
Dat was niet zeer ingewikkeld, niet waar?
Cyprianus verzonk in gedachten, toen hij dit zoo eenvoudige programma
vernam. Zou hij er zich toe leenen dat te wijzigen? Moest hij den
bekrompen gezichteinder van dien armen wilde verruimen? Moest hij voor
zijn ijver en werkzaamheid een ander doel aanwijzen, een grootscher
en verhevener dan het veroveren van een rooden rok en een prullig
vuursteengeweer? Of was het niet beter, hem in zijne kinderlijke
onwetendheid te laten, hem in vrede het leven in zijne kraal te laten
leiden en genieten, zooals hij zoo vurig gewenscht had? Dat was een
belangrijk vraagstuk, dat de jonge ingenieur niet durfde oplossen,
maar dat Makatit zelf weldra tot oplossing bracht.
En waarlijk, nauwelijks waren den jeugdigen Kaffer de grondbeginselen
der Fransche taal medegedeeld, of hij toonde een onverzadelijken
leerlust te bezitten. Hij vroeg steeds, hij verlangde alles te weten,
niet alleen den naam van ieder voorwerp, maar ook zijn gebruik,
zijn oorsprong, waarvan het gemaakt was, enz. Toen kwam het leeren
lezen, het leeren schrijven, het leeren rekenen aan de beurt, om
hem hartstochtelijk leerlustig te maken. Waarachtig, die negerjongen
was onverzadelijk.
Het besluit van Cyprianus was weldra genomen. Tegenover zulk eene
blijkbare roeping viel er niet te aarzelen. Hij besloot dus iederen
avond een uur les aan Makatit te geven, die na zijne werkzaamheden in
de mijn volbracht te hebben, al zijn vrijen tijd, die hem beschikbaar
bleef, aan zijne vorming besteedde.
Miss Watkins, op hare beurt ook getroffen door dien zeldzamen ijver,
nam op zich den jeugdigen Kaffer bij haar een herhalingscursus te
laten doorloopen. Dat was eigenlijk minder noodig; want hij zei zijne
lessen gedurende den geheelen dag bij zich zelven op, terwijl hij in
den claim met krachtigen arm het pikhouweel hanteerde.
Zijn ijver bij het werk was zoo aanstekelijk, dat hij zich aan het
geheele personeel mededeelde als eene besmetting zoodat de mijnarbeid
veel beter en met meer zorg scheen te geschieden.
Cyprianus had daarenboven op aanbeveling van Makatit zelf een anderen
Kaffer van denzelfden stam in dienst genomen, die Bardik heette en
wiens ijver en schranderheid insgelijks opmerkelijk waren.
Het was in die dagen, dat den jeugdigen ingenieur een gelukje ten
deel viel, dat hem nog niet overkomen was; namelijk van een steen
van ongeveer zeven karaten te vinden, dien hij onmiddellijk voor
twee-duizend-vijf-honderd gulden aan den makelaar Nathan verkocht.
Dat was waarlijk een fraaie vondst. Een mijnwerker, die van
de opbrengst zijns arbeids slechts een normale vergoeding
verwachtte zou zich met recht tevreden gesteld gezien
hebben. Voorzeker! Ongetwijfeld! Toch was Cyprianus het niet.
"Als mij alle twee of drie maanden zoo'n buitenkansje wedervoer," vroeg
hij zich zelven af, "zou ik dan wel veel verder zijn? Ik moet niet één
steen van zeven karaten hebben, ik zou duizend of vijftien-honderd
dergelijke steenen moeten vinden,.... of Miss Watkins is voor mij
verloren, om ten buit te vallen aan James Hilton of aan eenigen
anderen mededinger, die haar even onwaardig is?"
Het hoofd vol van die treurige gedachten, keerde Cyprianus op een
snikheeten dag, dat de atmosfeer met fijn rood verblindend stof,
hetwelk in de lucht der diamantvelden steeds zwevende is, bezwangerd
was, naar de Kopjes-mijn terug, toen hij plotseling, bij het omslaan
van den hoek eener hut, met afgrijzen achteruit deinsde. Een treurig
schouwspel trof daar zijne oogen.
Aan den disselboom eener ossenkar, die rechtop tegen den gevelmuur der
hut, met het onderste gedeelte op den grond rustende en het andere
einde omhoog gesteld was, was een man opgehangen. Bewegingloos, met
uitgestrekte voeten, de handen machteloos omlaag, hing dat lichaam daar
te midden van eene verblindende lichtstraal recht als het koord van een
schietlood en vormde met den disselboom een hoek van twintig graden.
Dat was een akelig gezicht.
Cyprianus, die eerst zeer ontsteld was, werd weldra door groot
medelijden bewogen, toen hij den Chinees Li herkende, die daar door
middel van zijne lange haarvlecht, die om den hals was geslagen,
opgehangen was.
De jeugdige ingenieur aarzelde geen oogenblik over hetgeen hij te
doen had. Naar het boveneind van dien disselboom opklimmen, het
lichaam des gehangenen onder de armen aanvatten, het ophijschen om
de verdere werking der verstikking te doen ophouden, en eindelijk de
haarvlecht met zijn zakmes doorsnijden, dat alles was het werk van
een halve minuut. Toen dat volvoerd was, liet hij zich langzaam en
voorzichtig naar beneden glijden en legde zijn last in de schaduw,
door de hut geworpen, neer.
Het was waarlijk tijd, Li was nog wel niet koud; zijn hart klopte
zwakjes, maar het klopte nog. Weldra opende hij de oogen en wat
het zonderlingste was, met die beweging kreeg hij ook zijn geheele
bewustzijn terug.
Op het strakke gelaat van den armen drommel was zelfs in dit uiterste
beproevingsuur noch schrik noch eenige verwondering merkbaar. Men
zou waarlijk gezegd hebben, dat hij eenvoudig uit een lichten slaap
ontwaakt was.
Cyprianus liet hem wat water met azijn vermengd, dat hij in zijne
veld flesch bij zich droeg, drinken.
"Kunt gij thans spreken?" vroeg hij
werktuiglijk, vergetende dat Li hem
niet begreep.
De andere knikte evenwel bevestigend.
"Wie heeft u opgehangen?"
"Ik," antwoordde de Chinees met kalmte, zonder dat iets aanduidde,
dat hij er zich van bewust was iets buitengewoons of iets berispelijks
verricht te hebben.
"Gij?.... Maar ongelukkige, gij wildet dan zelfmoord plegen?.... Wat
bewoog u daartoe?"
"Li had het te warm!.... Li verveelde zich!...."
Daarop sloot hij de oogen, als om aan meerdere vragen te ontsnappen.
Thans bemerkte Cyprianus eerst de vreemde bijzonderheid, dat het
gesprek in het Fransch gevoerd was.
"Spreekt gij ook Engelsch?" vroeg hij.
"Ja," antwoordde Li, terwijl hij de oogen opende.
Waarachtig, het was of twee schuine knoopsgaten ter weerszijden van
zijn kleinen stompneus gaapten.
Cyprianus meende thans weer in dien blik iets van die spotzucht te
ontwaren, die hij herhaaldelijk meende te betrappen gedurende de reis
van Kaapstad naar Kimberley.
"Uwe beweegredenen zijn al te dwaas!" zei hij gestreng. "Men doet
zijn leven niet te kort omdat men het te warm heeft!.... Spreek
ernstig.... Ik wed dat daaronder weer een gemeene streek van dien
Pantalucci schuilt?"
De Chinees boog het hoofd.
"Hij wilde mij mijne haarvlecht afsnijden," fluisterde hij zacht;
"en ik ben zeker, dat hij in dat opzet geslaagd zoude zijn, eer wij
twee dagen verder waren."
Maar in hetzelfde oogenblik zag hij dien belangrijken haarstaart,
dien Cyprianus nog steeds in de hand hield, en kreeg daardoor de
overtuiging dat hetgeen wat hij boven alles gevreesd had, geschied was.
"O, mijnheer!...." riep hij met een hartverscheurenden kreet
uit. "Wat!..... Hebt gij.... gij mij mijn staart afgesneden?"
"Ik moest wel, om u van dien strik los te maken, mijn vriend,"
antwoordde Cyprianus. "Maar wat duivel, zult gij in dit land zonder
staart een stuiver minder waard zijn? Kom, stel u niet zoo dwaas aan!"
De Chinees scheen evenwel zoo wanhopig over dat verlies te zijn,
dat Cyprianus, vreezende dat hij weer het een of ander middel tot
zelfmoord te baat zou nemen, besloot naar huis terug te keeren en
hem mede te nemen.
Li volgde hem gewillig, zette zich aan tafel met zijn redder, liet zich
geduldig kapittelen en beloofde zijne poging niet te herhalen. Zelfs
ging hij zoover in zijne vertrouwelijkheid, dat hij onder het genot
van een kop brandend heete thee eenige mededeelingen betreffende
zijne levensgeschiedenis leverde.
Li, die te Kanton geboren werd, was in een Engelsch handelshuis
voor den handel opgeleid. Daarna was hij naar Ceylon en van daar
naar Australië overgestoken, om eindelijk in Afrika terecht te
komen. Nergens was het hem meegeloopen. De wasch-affaire hier in het
mijndistrict ging al even slecht als twintig andere handwerken, die
hij uitgeoefend had. Zijne nachtmerrie was Hannibal Pantalucci. Dat
wezen maakte hem ellendig, en zonder dien kerel zou hij tevreden zijn
met de schamele bete broods, die hij in Grikwaland verdiende. Om kort
te gaan, het was om die vervolgingen en die martelingen te ontgaan,
dat hij een einde aan zijn leven had willen maken.
Cyprianus troostte den armen kerel en sprak hem moed in. Hij beloofde
hem tegenover den Napolitaan te zullen beschermen, gaf hem al zijn
vuil linnen, dat hij onder de hand had, om te wasschen, en zond hem
heen niet alleen getroost, maar volmaakt genezen van zijn bijgeloof
betreffende zijn harig aanhangsel.
En wil de lezer weten hoe de jonge ingenieur dat doel bereikt
had? Niets eenvoudiger dan dit: Hij had hem met den meest mogelijken
ernst verzekerd, dat de strop eens gehangenen geluk aanbrengt en
dat de invloed van zijn ongelukkig gesternte een einde zou nemen,
nu hij zijn staart in den zak had.
"In ieder geval zal Pantalucci hem nu niet meer kunnen afsnijden!"
Deze echt Chineesche redeneering bracht Li's genezing tot volmaking.
ZEVENDE HOOFDSTUK.
DE AARDSTORTING.
Sedert vijftig dagen had Cyprianus geen enkelen diamant in zijne
mijn gevonden. Dat mijnwerkersbaantje, dat hem voorkwam een ellendig
baantje te zijn, wanneer men althans geen geld genoeg heeft om een
uitstekenden claim te koopen en een dozijn Kaffers daarin te werk te
stellen, begon hem dan ook mooi de keel uit te hangen.