De beide vennooten ontbeten gewoonlijk te zamen en vergenoegden zich

met een paar broodjes, die zij met bier besproeiden, dat zij bij

een drankverkooper kochten, die zijn handel in de open lucht dreef;

maar zij gebruikten hun maaltijd aan een der talrijke openbare

tafels, die elkander de klandiezie van de mijnwerkers van het kamp

betwistten. Thomas Staal ging des avonds wanneer zij van elkander

scheidden om ieder zijns weegs te gaan, gewoonlijk naar de een of

andere biljartzaal, om eene partij te spelen. Cyprianus daarentegen

ging gewoonlijk een paar uren op de hoeve van John Watkins doorbrengen.

Daar had de jeugdige ingenieur heel dikwijls het ongenoegen,

zijn medeminnaar James Hilton te ontmoeten, een grooten lummel met

rosachtig haar, blankwitte huid, en een met vlekken bezaaid gelaat,

die machtig veel van groote zomersproeten hadden. Dat die mededinger

zeer veel vorderingen in de gunst van John Watkins maakte, zal door

den lezer niet betwijfeld worden, wanneer wij er bijvoegen, dat de

slungel nog meer gin dronk en nog meer Hamburger tabak rookte dan de

modelvader zelf.

Daartegenover, stond evenwel, dat Alice slechts eene hooge mate

van minachting koesterde voor de boerenbevalligheden en het weinig

smakelijk onderhoud van den jongen Hilton. Maar zijne tegenwoordigheid

was toch onverdraaglijk voor Cyprianus, en soms zelfs in die mate,

dat hij, voelende zich niet meer te kunnen bedwingen, opstond, het

gezelschap goeden avond wenschte en heenging.

"Die Frenchman is ontevreden!" zei dan John Watkins, terwijl hij een

oog tegen zijn makker knipte. "Het schijnt, dat de diamanten niet

van zelf in zijn zak vloeien!"

En dan lachte James Hilton zoo dom mogelijk bij die woorden.

Wanneer zoo iets gebeurde, dan ging Cyprianus gewoonlijk zijn avond

doorbrengen, bij een braven Boer, die zich dicht bij het kamp gevestigd

had en Jacobus Vandergaart heette.

Het was naar zijn naam, dat de Kopjes-mijn, op welker grond hij zich

in de eerste tijden der concessie neergezet had, genoemd werd. Als

men hem mocht gelooven, dan was hij door een oneerlijke uitspraak

der rechterlijke macht ten gerieve van John Watkins van zijn eigendom

ontzet. Thans was hij geheel geruïneerd en leefde in eene leemen hut,

waarin hij zich onledig hield met het diamantslijpen, welk ambacht

hij vroeger in Amsterdam, zijne geboorteplaats uitgeoefend had.

De mijnwerkers toch brachten hem zeer dikwijls steenen, hetzij om de

waarde te weten te komen die zij zouden behouden, na aan het snijden en

slijpen onderworpen te zijn, hetzij om ze te laten kloven, hetzij om

ze meer fijne bewerkingen te doen ondergaan. Maar die laatste arbeid

vereischte eene vaste hand en een scherp gezicht, en oude Jacobus

Vandergaart, die vroeger een voortreffelijk werkman was, ondervond

tegenwoordig veel moeite om het hem opgedragen werk uit te voeren.

Cyprianus, die hem opgedragen had den door hem gevonden diamant

te slijpen en in een ring te zetten, had spoedig eene zekere

genegenheid voor hem opgevat. Hij hield er van den eenvoudigen Boer

in zijne werkplaats te gaan opzoeken, om wat met hem te praten of

eenvoudig om hem wat gezelschap te houden, wanneer hij bezig was met

diamantslijpen. Jacobus Vandergaart zag er met zijn witten baard,

zijn kaal hoofd, dat met een kalotje van zwart fluweel bedekt was,

met zijn langen spitsen neus, waarop een bril met groote ronde oogen

prijkte, geheel en al uit als een oude alchimist van de vijftiende

eeuw, zooals hij daar te midden zijner vreemdsoortige werktuigen en

zijne flesschen met allerhande zuren troonde.

Op eene werktafel, die voor het raam geplaatst was, bevonden

zich in een houten nap de ruwe diamanten, die Jacobus Vandergaart

toevertrouwd waren, en welker waarde soms aanmerkelijk was. Wilde hij

er een kloven, welks kristalvlakken hem niet volmaakt voorkwamen, dan

begon hij eerst met zijn vergrootglas de richting der snijdingslijnen

na te gaan, die alle kristallen in stukken met evenwijdigloopende

vlakken verdeelen. Dan maakte hij met den scherpen kant van een

reeds gekloofden diamant eene insnijding in de gewenschte richting,

bracht daarin een klein stalen lemmet en sloeg daarop een korten,

krachtigen slag.

Daardoor werd de diamant langs een zijner kristalvlakken gekloofd,

en de beweging werd verder langs de andere herhaald.

Wilde daarentegen Jacobus Vandergaart een steen snijden, of, om juister

te spreken, hem volgens een vastgestelden vorm afslijpen, dan begon

hij met de vaststelling van dien vorm, dien hij er aan geven wilde,

door op het omhulsel van den diamant met krijt de voorgestelde kleine

vakken of facetten te teekenen. Daarna bracht hij ieder dezer vakken

in aanraking met een anderen diamant, en onderwierp die beide aan een

langdurige wrijving, den een tegen den anderen. De beide steenen sleten

alsdan elkander af, en zoo vormde zich de gemelde facet langzamerhand.

Zoo slaagde Jacobus Vandergaart er in, om aan den steen een der vormen

te verleenen, die door het gebruik het meest aangenomen zijn en die

tot drie groote afdeelingen teruggebracht kunnen worden, namelijk:

de "dubbele briljant", de "enkele briljant", en de "roos".

De "dubbele briljant" bestaat uit vier-en-zestig facetten, uit een

achtkantig vlak, dat tafel genoemd wordt, en uit een culas of broek,

die het benedengedeelte vormt.

De "enkele briljant" vertoont eenvoudig de helft van een dubbelen

briljant.

De "roos" is van onderen plat, terwijl het bovenste gedeelte met

facetten koepelvormig bijgeslepen is.

Zeer zelden kreeg Jacobus Vandergaart een "briolet" te slijpen, dat wil

zeggen: een diamant die noch bovenvlak, noch benedenvlak geeft, maar

die den vorm eener peer aangenomen heeft. De brioletten worden in Indië

bij hun dun einde doorboord, om er een koordje door te kunnen rijgen.

Wat de "pendeloquen" of oorhangers betreft, die de oude diamantslijper

meermalen te slijpen kreeg, dit waren halve peervormige steenen met

tafels en culas, die slechts facetten op hunne voorzijde vertoonen.

Was de diamant eenmaal gesneden, dan bleef er slechts nog over hem te

polijsten om het werk geëindigd te noemen. Die bewerking geschiedde

met behulp van eene soort slijpsteen, die eenvoudig uit eene stalen

schijf bestond, die ongeveer acht-en-twintig centimeters doorsnede had

en plat op tafel neergelegd werd, maar die toch onder de werking van

een groot rad met zwengel om eene as kon draaien met eene snelheid van

twee- of drieduizend omwentelingen in de minuut. Die schijf werd met

olie besmeerd en daarna met diamantstof, afkomstig van het snijden,

bestrooid, waarna Jacobus Vandergaart de facetten van zijn steen de

eene voor de andere na tegen die schijf drukte, totdat zij volmaakt

gepolijst waren. De zwengel werd óf door een kleinen Hottentotschen

jongen gedraaid, die daartoe, wanneer dit noodzakelijk was, bij

den dag ingehuurd werd, óf door een vriend, zooals Cyprianus er een

was, en die dan ook nimmer er tegen opzag dien dienst uit loutere

vriendschap te bewijzen.

En gedurende den arbeid bleven de monden niet dicht; integendeel, men

praatte veel. Somwijlen zelfs staakte Jacobus Vandergaart plotseling

zijn arbeid, om eenige geschiedenis uit een lang vervlogen tijd te

vertellen, waarbij hij dan niet vergat zijn bril tot op zijn voorhoofd

te schuiven. En inderdaad, hij wist veel, zoo niet alles, aangaande

dit gedeelte van zuidelijk Afrika, hetwelk hij sedert veertig jaren

bewoonde. En wat zijne verhalen eene ongemeene aantrekkelijkheid

bijzette, was juist, dat hij de overlevering des lands ongeschonden

weergaf, eene overlevering welke geheel jeugdig en levendig was.

Die oude diamantslijper kon vooral niet zwijgen, wanneer hij op

het kapittel zijner patriotsche en personeele grieven gebracht

werd. Volgens hem waren de Engelschen de grootste afzetters, die

door de aarde ooit gedragen werden. Hieromtrent moest hem de geheele

verantwoordelijkheid zijner meeningen, die blijkbaar overdreven waren,

gelaten worden, hoewel ze alleszins vergeeflijk waren.

"Het is waarachtig niet te verwonderen," herhaalde hij steeds met

voldoening, "dat de Vereenigde Staten van Amerika zich onafhankelijk

verklaard hebben. Indië en Australië zullen ook wel zoo handelen; dat

kan niet uitblijven! Welk volk wil zulke tirannie verdragen?.... O,

mijnheer Méré, als de wereld al de onrechtvaardige bedrijven kende,

welke die Engelschen, die zoo trotsch op hunne gouden guinjes

en op hunne zeemacht zijn, over de geheele oppervlakte der aarde

gepleegd hebben, dan bestond er geen woord in de menschelijke taal,

dat beleedigend genoeg zou kunnen klinken, om hen in het aangezicht

te spuwen."

Cyprianus keurde die taal niet goed. Hij keurde ze ook niet af. Hij

luisterde slechts, zonder te antwoorden.

"Wil ik u verhalen, wat ze mij geleverd hebben, mij, die thans tot u

spreek?" hernam Jacobus Vandergaart terwijl hij zich opwond. "Luister

naar mij, en dan zult gij kunnen uitmaken of er twee meeningen omtrent

die schavuiten bestaan kunnen."

Toen Cyprianus hem verzekerd had, dat hij hem daarmede veel genoegen

zou doen, verhaalde de brave Boer het navolgende:

"Ik ben in 1806 gedurende eene reis, die mijne ouders ondernomen

hadden, te Amsterdam geboren. Later ben ik daar teruggekomen om er

mijn ambacht te leeren; maar ik heb mijne kindsheid aan de Kaap

doorgebracht, waarheen mijne familie een vijftig jaren vroeger

getrokken was. Wij waren Hollanders, en daar zijn wij nog zeer

trotsch op, toen Groot-Brittanje zich van de kolonie meester maakte,

voorloopig, zooals het beweerde. Maar John Bull geeft niet licht weer,

wat hij eenmaal geroofd heeft. In 1815 werden wij door Europa, dat

in Congres vereenigd was, plechtig tot onderdanen van het Vereenigd

Koninkrijk verklaard.

"Ik vraag u in gemoede, wat Europa zich met deze Afrikaansche

landstreken te bemoeien had?

"Engelsche onderdanen! maar mijnheer Méré, dat wilden wij

niet zijn! Toen, overwegende dat Afrika wel groot genoeg zou

zijn om ons een vaderland in vollen eigendom te verschaffen,

verlieten wij de Kaapkolonie, om in de wilde binnenlanden, die

zich ten noorden van ons uitstrekten, binnen te dringen. Men

noemde ons toen Boeren of ook wel Voortrekkers. Ja, dat zijn

wij! Boeren! d.w.z. landbouwers! Voortrekkers! d.w.z. pioniers,

die steeds vooruit willen!

"Nauwelijks hadden wij die nieuwe gronden in akkers ontgonnen;

nauwelijks hadden wij ons met hard werken en noesten vlijt andermaal

een onafhankelijk bestaan geschapen, toen het Engelsche gouvernement

die streek ook opeischte--steeds onder voorwendsel dat wij Britsche

onderdanen waren.

"Toen had onze groote Exodus plaats. Dat was in 1833. Andermaal trokken

wij in massa uit. Na onze wagens met onze meubelen, akkergereedschappen

en graan beladen te hebben, spanden wij er onze ossen voor en drongen

wij dieper de woestijn binnen.

"In dien tijd was Natal nagenoeg geheel ontvolkt. Een bloeddorstige

veroveraar, Tchaka genaamd, een ware Neger-Attila, tot den stam

der Zoeloe's behoorende, had daar meer dan een millioen menschen om

het leven gebracht in het tijdvak van 1812 tot 1828. Zijn opvolger,

Dingaan, heerschte ook slechts door schrik en angst te verspreiden. Het

was deze wilden-koning, die ons toestond, om ons in die landstreek

te vestigen, waar thans de steden Durban en Port-Natal verrijzen.

"Maar het was slechts met de bijgedachte om ons aan te vallen,

wanneer ons land bloeien zou, dat die gluiperd van een Dingaan, ons

deze toestemming verleende! Ieder wapende zich dan ook om tegenweer

te kunnen bieden, en het was slechts ten gevolge onzer overgroote

inspanningen, en ik durf er bijvoegen, ten gevolge der heldenfeiten,

in meer dan honderd gevechten tentoongespreid, waarbij onze vrouwen

en onze kinderen aan onze zijde streden, dat het mogelijk was, ons in

het bezit die landen, die wij met ons zweet en bloed besproeid hadden,

te handhaven.

"Maar ziet, nauwelijks hadden wij over den zwarten despoot gezegevierd

en zijne macht vernietigd, toen het gouvernement van de Kaap ons

eene Engelsche kolonne toezond, met opdracht om het grondgebied

van Natal in bezit te nemen in naam van Hare Majesteit de Koningin

van Engeland!.... Gij ziet, men beschouwde ons steeds als Britsche

onderdanen! Dat gebeurde in 1842.

"Andere emigranten van onzen landaard hadden de Transvaal ten onder

gebracht en de macht van den tyran Moselekatze langs de boorden der

Oranje-rivier vernietigd. Ook zij zagen zich hun nieuw vaderland,

dat zij met zooveel moeite verworven hadden, bij eene eenvoudige

dagorder ontnemen!

"Och, ik sla de bijzonderheden maar over. Die strijd duurde

twintig jaren. Steeds trokken wij verder, maar ook steeds strekte

Groot-Brittanje de roofzuchtige hand naar ons uit, als naar zoovele

slaven, die haar toebehoorden, zelfs na haar verlaten te hebben.

"Eindelijk, na zeer vele moeilijkheden en na vele bloedige gevechten,

geraakten wij er toe onze onafhankelijkheid in den Oranje-Vrijstaat te

doen erkennen. Een koninklijke verordening, door Koningin Victoria, op

den 8sten April 1854 geteekend, verzekerde ons de vrije bezitting onzer

gronden en het recht om ons bestuur naar onzen zin in te richten. Wij

vestigden dientengevolge eindelijk eene Republiek, en toen eerst kon

beweerd worden, dat onze Staat gegrond was op de stipte eerbiediging

der wettelijke bepalingen, op de vrije ontwikkeling der individueele

geestkracht, en op het zuiver onderwijs, waarmede alle maatschappelijke

klassen bedeeld werden. Inderdaad, die jeugdige Staat kon tot voorbeeld

strekken aan menige natie, die zich waarschijnlijk meer beschaafd

achtte dan dat kleine uithoekje van de Zuidpunt van Afrika.

"Grikwaland maakte daar deel van uit. Het was tegen dien tijd, dat

ik mij als pachter in hetzelfde huis, waarin wij ons thans bevinden,

met mijne arme vrouw en mijne twee kinderen vestigde. Toen zette ik

de omheining uit van mijne kraal of veepark op de plek zelve der mijn,

die gij thans ontgint. Tien jaren later kwam John Watkins in het land

en trok er zijne eerste hut op. Men wist toen niet, dat de streek

diamanten opleverde, en wat mij betreft, ik had sedert dertig jaren,

dat ik hier woonde, zoo weinig gelegenheid om mijn oud handwerk van

diamantslijper uit te oefenen, dat ik mij ternauwernood het bestaan

van edelgesteente herinnerde!

"Het gerucht verspreidde zich plotseling, in het jaar 1867, dat onze

gronden hier diamanthoudend waren. Een Boer, bewoner van de oevers van

de Hart, had zelfs de diamanten in de uitwerpselen zijner struisvogels

ontdekt, zelfs in de leemen muren zijner pachthoeve. [6]

"Dat was nauwelijks bekend, of het Engelsche gouvernement, aan

zijne oneerlijke en inhalige staatkunde getrouw, verklaarde, met

terzijdestelling van al de gesloten verdragen en van alle mogelijke

rechten, dat Grikwaland Britsch grondgebied was.

"Onze Republiek protesteerde te vergeefs! Zij bood te vergeefs

aan, het geschil aan de scheidsrechterlijke beslissing van een

Regeeringshoofd in Europa te onderwerpen. Engeland weigerde stoutweg

iedere scheidsrechterlijke tusschenkomst en nam ons eigendom in bezit.

"Nu mocht men hopen, dat de private eigendomsrechten door onze

onrechtvaardige bestuurders geëerbiedigd zouden worden! Ik voor mij,

die ten gevolge der schrikkelijke besmettelijke ziekte, die in 1878

woedde, weduwnaar was geworden en mijne kinderen verloren had, zag

er tegen op, om alweer een nieuw huis te gaan bouwen, het zesde of

zevende gedurende mijn lange loopbaan! Ik bleef dus in Grikwaland

en bleef misschien geheel alleen bevrijd van de diamantkoorts, die

bijna iedereen aangetast had. Ik ging voort met het bebouwen van mijn

groententuin, even alsof de diamantelegering van Du Toit's Pan niet

op een geweerschotsafstand van mijn huis ontdekt was.

"Maar verbeeld u mijne verwondering toen ik op zekeren morgen

ontwaarde, dat de muur van mijn kraal, die volgens gewoonte in

drogen steen opgeschoten was, gedurende den nacht afgebroken was en

dat de materialen op driehonderd meter verder in de vlakte gebracht

waren. John Watkins, geholpen door een honderdtal Kaffers, had ter

zelf der plaats een andere kraal opgericht, die zich aan de zijne

aansloot en die een heuvel van roodachtige zandaarde omsloot, die

tot op dat oogenblik mijn onbetwistbaar eigendom was.

"Ik beklaagde mij bij John Watkins over die wederrechtelijke

toeëigening..... hij lachte mij openlijk uit. Ik dreigde hem een

proces aan te doen, hij raadde mij aan dit te beproeven.

"Drie dagen later gingen mij de oogen open en begreep ik de

raadselachtige handeling. Die zandheuvel was eene diamantlegering. Toen

John Watkins daar de zekerheid van bekomen had, haastte hij zich

mijne omheining te verbreken en te verplaatsen. Daarna vertrok hij

naar Kimberley om de nieuwe mijn officieel op zijn naam te laten

inschrijven.

"Ik begon een proces.... Och, mijnheer Méré, geve de hemel, dat

gij nooit een geding voor een Engelsch gerechtshof te voeren moogt

hebben....! Ik raakte voor en na mijne ossen, mijne paarden en

mijne schapen kwijt!.... Ik verkocht tot mijne meubelen, tot mijne

schamele kleeding, om die bloedzuigers in menschengedaante, die men

solicitors, attorney's, sherifs en deurwaarders noemt, de handen te

vullen... Om kort te gaan, na een jaar lang heen en weer gedobberd en

in gespannen verwachting doorgebracht te hebben, na voortdurend de hoop

teleurgesteld te zien, werd het vraagstuk omtrent mijn eigendomsrecht

eindelijk in laatste instantie uitgemaakt, zonder dat er eenig beroep

of cassatie meer mogelijk was....

"Ik had mijn proces verloren, en, wat erger was, ik was totaal ten

gronde gericht. Een vonnis verklaarde mijne vorderingen ongegrond en

ontzegde mij mijn eisch, aangezien--zoo stond er in te lezen--het der

rechtbank onmogelijk was het wederzijdsche recht van beide partijen

helder en overtuigend uit te maken, maar dat het voor de toekomst van

belang was, dat thans eene niet te veranderen grens getrokken werd. Men

stelde dan ook den vijf-en-twintigsten graad westerlengte van Greenwich

als grenslijn vast, die de beide eigendommen zou scheiden. Het terrein,

ten westen daarvan gelegen, werd toegewezen aan John Watkins, en dat

oostwaarts daarvan gelegen aan Jacobus Vandergaart.

"De motieven, die de rechters tot deze zonderlinge grensverdeeling

leidden, was dat werkelijk die vijf-en-twintigste lengtegraad op den

plattegrond van het district over het grondgebied, waarop mijn kraal

gestaan had, getrokken was.

"Maar de mijn, helaas! lag ten westen van die lijn en viel dus

natuurlijk John Watkins ten deel.

"Evenwel, om onuitwischbaar aan te duiden, hoe de openbare meening

over dat onrechtvaardig vonnis dacht werd de mijn sedert steeds de

Vandergaart-Kopjes-mijn genoemd.

"Welnu, mijnheer Méré, heb ik niet eenigermate het recht om te beweren,

dat de Engelschen schurken zijn?" vroeg de oude Boer, toen hij zijne

geschiedenis, die stipt met de waarheid overeenkwam, eindigde.

ZESDE HOOFDSTUK.

KAMPZEDEN.

Dat onderwerp van gesprek kon voor den jeugdigen ingenieur niet

aangenaam zijn. Dat zal iedereen moeten toegeven. Dergelijke

inlichtingen omtrent de minder stipte eerlijkheid van den man,

dien hij als zijn toekomstigen schoonvader bleef beschouwen, konden

onmogelijk in zijn smaak vallen. Hij kwam er dan ook weldra toe, om

de meening van Jacobus Vandergaart over de Kopjes-mijn te beschouwen

als het _idée fixe_ van een pleiter, die zijn proces verloren heeft

en waarvan dus veel af te dingen valt.

Hij had eens over die zaak een enkel woord tegen John Watkins

gezegd. Deze was eerst in lachen uitgebarsten, had verder geen

antwoord gegeven, maar zijn wijsvinger aan het voorhoofd gebracht,

alsof hij wilde te kennen geven, dat het met Jacobus Vandergaart mis

was en dat zijn gezond verstand hem al meer en meer in den steek liet.

Zou het inderdaad niet mogelijk zijn, dat de grijsaard, onder den

indruk van de ontdekking der zoo rijke diamantlegering, zich zonder

voldoende motieven in het hoofd gehaald had, dat die mijn zijn eigendom

was? Maar alles goed bezien, de rechtbanken hadden hem geheel in het

ongelijk gesteld, en het was zeer onwaarschijnlijk dat de rechters

hem verongelijkt zouden hebben. Zoo was de redeneering, die de jonge

ingenieur zich zelven gedurig herhaalde, om een verontschuldiging voor

zijn eigen geweten te hebben, dat hij nog eenige gemeenschap met John

Watkins onderhield, na al hetgeen Jacob Vandergaart omtrent dien man

medegedeeld had.

Er was nog een andere buurman in het kamp, bij wien Cyprianus ook bij

gelegenheid gaarne een praatje ging maken, omdat hij er het leven der

Boeren in al zijne oorspronkelijkheid terugvond. Die bevoorrechte was

een pachter, die Matthijs Pretorius heette en bij al de mijnwerkers

van geheel Grikwaland goed bekend was.

Die Matthijs Pretorius had ook, hoewel hij te nauwernood veertig jaren

oud was, langen tijd in het uitgestrekte bekken der Oranje-rivier

rondgezworven, alvorens hij zich in deze streek neergezet had. Maar

dat zwervend leven had voor hem hetzelfde gevolg niet gehad als voor

den ouden Jacobus Vandergaart. Hij was er namelijk niet door vermagerd

en ook niet door verbitterd. Hij was er eerder door verwilderd en

zoodanig in vetheid toegenomen, dat hij moeite had om te gaan. Men

kon hem gevoegelijk met een olifant vergelijken.

Hij was bijna altijd in een kolossalen houten armstoel gezeten,

die speciaal vervaardigd was, om zijne zwaarwichtige vormen te

bevatten. Matthijs Pretorius bewoog zich buitenshuis niet anders dan

in een rijtuig, in een soort van tentwagen, van gevlochten teenen

vervaardigd, waarvoor een reusachtige struisvogel gespannen was. De

gemakkelijkheid, waarmede deze steltlooper de zware massa achter zich

aansleepte, was wel geschikt, om een zeer hoog denkbeeld van de kracht

zijner spieren te geven.

Matthijs Pretorius kwam gewoonlijk naar het kamp, ten einde den

een of anderen groentenhandel, met de kooplieden in die waren te

sluiten. Hij was er zeer gewild, hoewel niet op zeer benijdenswaardige

wijze; want zijn populariteit grondde zich op zijn buitengewone

bangheid. De mijnwerkers vonden er dan ook het grootste genoegen in,

om hem vreeselijk beangst te maken en bereikten dat doel door hem

allerhande dwaasheden te verhalen.

Nu eens vertelde men hem dat een inval van de Bassuto's of van

de Zoeloe's te duchten was. Een andermaal hield men zich in zijne

tegenwoordigheid, alsof men uit een dagblad las, dat een wetsontwerp

aanhangig was, om in de geheele uitgestrektheid der Engelsche

bezittingen de doodstraf in te voeren op een ieder, die overtuigd zou

worden van meer dan driehonderd pond zwaar te zijn! Of ook deelde men

hem mede, dat een dolle hond bespeurd was op den weg van Driefontein,

waardoor de arme Matthijs Pretorius, die langs den weg naar huis

terug moest keeren, duizend en meer redenen en uitvluchten vond om

in het kamp te blijven toeven.

Maar al die hersenschimmige angsten haalden niets bij den werkelijken

angst, dien hij koesterde, dat op zijn grondeigendom eene diamantmijn

zou worden ontdekt. Bij voorbaat ontwierp hij reeds een schrikkelijke

schildering van hetgeen dan zou gebeuren, wanneer hebzuchtige

menschen zijn groententuin zouden binnendringen, daar zijne perken en

bedden zouden omwoelen, en hem eindelijk van zijne bezittingen zouden

verdrijven en die onteigenen. Want, er viel niet aan te twijfelen, dan

zou hem een dergelijk lot als dat van Jacobus Vandergaart treffen! De

Engelschen zouden wel drogredenen vinden, om te bewijzen dat zijne

bezitting hun eigendom was.

Wanneer die sombere gedachten hem overvielen, dan martelden zij hem

letterlijk. Wanneer hij bij ongeluk een landmeter of een opnemer in

de nabijheid zijner woning zag rondzwerven, dan was hem alle lust

benomen, dan at en dronk hij dien dag niet!.... En toch, het viel

niet te ontkennen, hij werd steeds vetter!

Een zijner bitterste plaaggeesten was thans Hannibal Pantalucci. Die

boosaardige Napolitaan--wien het, tusschen twee haakjes gezegd, zeer

naar wensch scheen te gaan, want hij had drie Kaffers op zijn claim

in dienst en stalde een kolossalen diamant op het borststuk van zijn

plooihemd uit--had het zwak van den rampzaligen Boer ontdekt. Hij liet

dan ook niet na, zich eens per week het genoegen van zeer twijfelachtig

allooi te verschaffen, om grondboringen in de nabijheid van de hoeve

van Pretorius te gaan verrichten of den grond daar in den omtrek te

gaan omspitten.

De Zuidster, het land der diamanten · 第 4 / 21 段