"Maar vanwaar kwamen die wateren die de organische bestanddeelen

meeslibden, die bestemd waren om in diamanten omgezet te worden? Zie,

dat heb ik in weerwil van de meest oplettende studie, die ik van de

verschillende terreinsoorten gemaakt heb, niet kunnen opsporen.

"Die ontdekking zou toch niet van belang ontbloot zijn. Want kon men

inderdaad den weg volgen, die door de wateren gebaand is, waarom zou

men dan, door steeds hooger op te gaan, het uitgangspunt niet vinden,

waaruit al de diamanten hunnen oorsprong gehad hebben, daar waar er

voorzeker een veel grootere menigte aanwezig moeten zijn, dan in de

tegenwoordige kleine bekkens, die ontgonnen worden, het geval is? Dat

zou een volledig bewijs voor mijne stelling zijn en dat zou mij zeer

gelukkig maken.

"Ik ben evenwel bij mijne ontledingen der rotsen gelukkiger geweest."

En nu trad de jonge ingenieur, terwijl hij zijn verhaal voortzette ten

opzichte van zijne werkzaamheden, in technische bijzonderheden, die

ongetwijfeld van het hoogste belang voor hem en zijnen correspondent

waren, maar die van den minder wetenschappelijke gevormden lezer

waarschijnlijk diezelfde uitspraak niet zouden erlangen. Daarom achten

wij het voorzichtig hem die te besparen.

Cyprianus doofde te middernacht, na zijn langen brief geëindigd te

hebben, zijne lamp uit, kroop in zijn hangmat en sliep weldra den

gerusten slaap des rechtvaardigen.

De arbeid had de smart althans gedurende eenige uren verstompt. Een

bevallige verschijning evenwel liet zich herhaalde malen te midden

der droomen van den jongen geleerde bespeuren en die verschijning

zeide hem dat hij nog niet moest wanhopen.

VIERDE HOOFDSTUK.

DE VAN DER GAART-KOPJES-MIJN.

"Waarachtig, ik moet vertrekken," sprak Cyprianus Méré den volgenden

morgen tot zich zelven, terwijl hij bezig was zijn morgentoilet te

maken. "Ja, ik moet Grikwaland verlaten! Na alles wat die man mij

voorgespiegeld heeft, zou het meer dan zwakheid wezen, wanneer ik nog

een dag hier bleef! Hij wil mij zijne dochter niet geven? Misschien

heeft hij wel gelijk! In ieder geval past het mij niet bij deze

gelegenheid verzachtende omstandigheden te bepleiten. Ik moet met

mannelijken moed die uitspraak, hoe smartelijk zij mij ook is,

aanvaarden en mag slechts op de toekomst hopen!"

En zonder langer te dralen, begon Cyprianus zijne werktuigen in de

kisten te pakken, die hij bewaard had om ze bij wijze van buffetten

en kasten te bezigen. Hij was ijverig in de weer en hij arbeidde

sedert een uur of twee dapper, toen een heldere stem door het geopende

venster met de morgenlucht naar binnen drong en weerklonk alsof een

leeuweriken-gezang van den voet van het buitenplein tot hem opsteeg

en een der heerlijkste melodiën van den dichter Moor voordroeg:

"It is the last rose of summer,

Left blooming alone;

All her lovely companions

Are faded and gone".

"Dit is de laatste zomerroos, die thans nog bloeit, alle hare

beminnelijke gezellinnen zijn verwelkt of dood."

Cyprianus liep naar het venster en bemerkte Alice, die zich naar de

omheinde plaats begaf, waar hare struisvogels gestald waren. Zij had

haren voorschoot vol lekkernijen volgens hunnen smaak. En zij was het,

die zoo de rijzende zon met haar gezang begroette.

"I will not leave thee, thou lone one!

To pine on the stem,

Since the lovely are sleeping.

Go sleep with them...."

"Ik zal u niet laten--u geheel alleen--kwijnen op uw stengel, terwijl

de andere schoonen zijn gaan slapen. Kom, slaap met haar!"

De jeugdige ingenieur meende, dat hij niet bijzonder gevoelig was voor

de dichtkunst, en toch, die verzen maakten diepen indruk op hem. Hij

bleef bij het raam staan, hield zijn adem in en luisterde naar die

lieve woorden, of beter uitgedrukt, hij dronk ze.

Het zingen hield op. Miss Watkins deelde het voeder aan hare

struisvogels uit en schepte er groot genoegen in, hen hunne lange

halzen en hunne eigenaardige bekken te zien uitrekken bij het naderen

van hare kleine plaagzieke hand. Toen zij hare uitdeeling beëindigd

had, keerde zij naar het woonhuis terug en zong andermaal:

"It is the last rose of summer,

Left blooming alone....

Oh! who would inhabit

This black world alone?"....

"Dit is de laatste zomerroos, die thans nog bloeit. Ach, wie zou

geheel alleen deze sombere wereld willen bewonen?"

Cyprianus stond met vochtige oogen steeds op dezelfde plaats en scheen

als vastgenageld door eene betoovering.

De stem verwijderde zich. Alice zou weldra de hoeve binnentreden. Zij

was nog maar op ongeveer twintig meter er van verwijderd, toen een

gedruisch van versnelde schreden haar deed omkijken en haar noodzaakte

plotseling stil te staan.

Cyprianus was onbewust, maar door een onweerstaanbaar gevoel gedreven,

blootshoofds zijne hut uitgestormd en liep het jonge meisje achterna:

"Juffrouw Alice!...."

"Mijnheer Méré?...."

Thans stonden zij, terwijl de opkomende zon hen bescheen, vlak

tegenover elkander op den weg, die rondom de hoeve voerde. Hunne

rijzige schaduwen vertoonden zich bevallig, maar scherp geteekend tegen

de wit houten omrastering, die zich in dat kale landschap verhief. Nu

Cyprianus het jonge meisje ingehaald had, scheen hij over zijne eigene

daad verwonderd en zweeg thans besluiteloos.

"Hebt gij mij iets te zeggen, mijnheer Méré?" vroeg zij belangstellend.

"Ik wil afscheid van u nemen, juffrouw Alice!.... Ik vertrek heden

nog".... antwoordde hij met haperende stem.

De zachte kleur, die de fijne huid van miss Watkins tintte, verdween

plotseling.

"Vertrekken?.... Gij wilt vertrekken?.... Waarheen?" vroeg zij geheel

van haar stuk gebracht.

"Naar mijn vaderland terug.... naar Frankrijk," antwoordde

Cyprianus. "Mijne werkzaamheden zijn hier geëindigd!.... Mijne zending

is afgeloopen.... Ik heb niets meer in Grikwaland uit te voeren.... en

ik ben verplicht naar Parijs terug te keeren."

Terwijl hij zoo met weifelende en afgebroken stem sprak, had hij wel

het uiterlijk van een schuldige, die zich verontschuldigde.

"Ach!.... Ja!.... Dat's waar!.... Dat moest zoo gebeuren, niet

waar?" stamelde Alice, zonder eigenlijk te weten wat zij zeide.

Het jonge meisje was geheel van haar stuk gebracht. De tijding

overviel haar zoodanig te midden van haar onbewust gelukkig bestaan,

dat het was alsof zij door een knotsslag getroffen was. Plotseling

parelden dikke tranen in hare oogen en pinkten aan de lange wimpers,

die hen beschaduwden. En daar die uitbarsting van smart haar tot

de werkelijkheid teruggevoerd had, herkreeg zij eenige kracht om

te glimlachen:

"Vertrekken!...." herhaalde zij. "En uwe toegenegen leerlinge

dan? Wilt gij haar verlaten, vóór dat zij haren scheikundigen cursus

voltooid heeft?.... Wilt gij, dat ik bij de zuurstof steken blijf,

en dat de geheimenissen van de stikstof mij nimmer geopenbaard zullen

worden?.... Dat is zeer slecht, mijnheer!"

Zij trachtte zich goed te houden en te spotten; maar de toon van hare

stem logenstrafte hare woorden.

Ook schuilde onder die luchthartige woorden een diepe zin, die recht

toe het hart van den jonkman bereikte. Want eigenlijk kon het door

haar gesprokene aldus vertolkt worden:

"Welnu, en ik dan?.... Telt gij mij niet mede?.... Voor u besta ik

eenvoudig niet, zooals het schijnt. Gij zijt u hier te midden van

die Boeren, van die hebzuchtige mijnwerkers komen vertoonen als een

hooger en meer bevoorrecht wezen, als een geleerd, fier, belangeloos

en uitstekend man!.... Gij hebt mij een blik doen slaan in uwe studiën

en uwe werkzaamheden.... Gij hebt mij uw hart geopend; gij hebt mij

uwe neigingen, uwe literarische voorliefde, uwen kunstsmaak doen

deelen!.. Gij hebt mij geopenbaard, welke afstand bestaat tusschen

een denker zoo als gij zijt en de tweevoetige dieren, die mij

omringen!.... Gij hebt alles aangewend om u te doen bewonderen en te

doen beminnen!.... Daarin zijt gij volkomen geslaagd!.... En dan komt

gij mij zoo maar zonder eenigen omhaal mededeelen, dat gij heengaat,

dat het uit is, dat gij naar Parijs terugkeert en trachten zult,

mij hoe eer hoe liever te vergeten!....

"En gij gelooft daarbij voorzeker, dat ik mij wijsgeerig en met

berusting aan mijn lot zal onderwerpen?"

Ja, dat alles straalde in de woorden van Alice door, en hare vochtige

oogen verkondigden dat zoo duidelijk, dat Cyprianus op het punt was

dat onuitgesproken en toch zoo welsprekend verwijt te beantwoorden. Het

scheelde inderdaad weinig, of hij riep onbewust uit:

"Ik moet heen!.... Gisteren smeekte ik uwen vader, dat hij mij u

tot vrouw zou geven!.... Hij weigerde zonder eenige hoop te laten

koesteren! Begrijpt gij nu, waarom ik vertrekken moet?"

Maar hij herinnerde zich bij tijds zijne belofte. Hij had zich

verbonden, nimmer aan de dochter van John Watkins iets te openbaren

omtrent den schoonen droom, dien hij gedroomd had; en hij zou zich

zelven als verachtelijk veroordeeld hebben, wanneer hij zijn woord

niet hield.

Hij gevoelde evenwel hoe ruw dat plan was om te vertrekken, hetwelk

hij onder den invloed zijner teleurstelling gevormd had. Het kwam hem

zelfs onzinnig en wreed voor. Het scheen hem thans onmogelijk toe,

dat bekoorlijke kind, hetwelk hij beminde en dat hem wederkeerig

liefhad, zoo zonder voorbereiding, zoo zonder uitstel te verlaten. En

dat zij hem liefhad, dat was maar al te zichtbaar. Ongetwijfeld,

zij was onder den invloed eener oprechte en diepgewortelde genegenheid.

Hij gevoelde thans afschuw voor dat besluit, hetwelk hij twee uren

vroeger genomen, en dat hij toen als uiterst noodzakelijk beschouwd

had. Thans durfde hij het zelfs niet meer bekennen.

Ja, hij ging er toe over dat besluit te loochenen.

"Als ik over mijn vertrek spreek, juffrouw Alice," zei hij, "dan

moet gij niet denken, dat ik dezen morgen of zelfs heden reeds wil

heengaan!.... Ik moet nog eenige aanteekeningen maken,--dan moet ik

ook mijne maatregelen treffen!.... In ieder geval, ik zal de eer hebben

om u weer te zien, om met u te praten.... over uwe studieplannen."

Toen draaide Cyprianus plotseling op de beide hielen rond en nam de

vlucht niet ongelijk aan een dwaas! Hij vloog naar zijne hut, liet

zich daar op een stoel vallen en verviel in een diep gepeins.

Zijn gedachtengang was geheel veranderd.

"Zou ik, bij gebrek aan wat geld, van zoo veel bevalligheid afstand

doen?" sprak hij tot zich zelven. "Zou ik reeds bij den eersten

hinderpaal de partij als verloren beschouwen? Is dat wel zoo manmoedig,

als ik mij dat verbeeld? Zou het niet beter zijn eenige vooroordeelen

op te offeren en mij harer waardig trachten te maken?.... Er bestaan

zoo vele lieden, die met diamantzoeken in weinige maanden een vermogen

verwerven! Waarom zou ik dat ook niet doen? Wat zou kunnen beletten,

dat ook ik er in slaagde een steen van honderd karaten te vinden,

zooals dat zoovelen wedervaren is; of beter, waarom zou ik geen

nieuwe legering ontdekken? Ik bezit voorzeker meer theoretische en

practische kennis dan het meerendeel der menschen hier! Waarom zou

de wetenschap mij niet verschaffen, wat de arbeid, door een weinig

geluk geholpen, aan zoo velen gegeven heeft?.... En goed beschouwd,

ik waag er niets bij met te probeeren. Zelfs van het standpunt

mijner zending beschouwd, kan het niet als eene overbodige daad

aangemerkt worden, wanneer ik de schop ter hand neem en mijnwerker

word!.... En, als ik eens mocht slagen?.... als ik eens rijk werd door

dat oorspronkelijke middel?.... wie weet, of John Watkins zich dan

niet liet vermurwen, wie weet of hij dan niet op zijn eerstgenomen

besluit zou terugkomen. Dat doeleinde is wel waard, dunkt me, dat er

de proef van genomen wordt!...."

Cyprianus liep daarop zijn laboratorium op en neer. Zijne armen waren

daarbij evenwel in rust; zijn denkvermogen alleen arbeidde.

Plotseling bleef hij stilstaan, daarop greep hij zijn hoed en ging

naar buiten.

Nadat hij het pad ingeslagen had, dat naar de vlakte voerde stapte hij

met groote passen in de richting van de Vandergaart-Kopjes-Mijn voort.

In minder dan een uur had hij die bereikt.

De mijnwerkers keerden juist in dit oogenblik in menigte naar hun

kampement terug, om hun tweede ontbijt te nuttigen. Cyprianus vroeg

zich af, terwijl hij al die getaande gezichten in oogenschouw nam,

tot wien hij zich zou wenden om de inlichtingen in te winnen, die hij

noodig had, toen hij eindelijk te midden van een groep het open gelaat

herkende van Thomas Staal den gewezen mijnwerker van Lancashire. Hij

had al twee of driemaal gelegenheid gehad om hem te ontmoeten, sedert

zij te zamen in Grikwaland gekomen waren en hij had zich daarbij

overtuigd, dat de brave kerel welvarende was, zooals zijn blozend

gelaat, zijne spiksplinternieuwe kleeren en vooral de breede lederen

riem, die zijn middel omsloot, afdoende getuigden.

Cyprianus besloot om hem aan te spreken en hem deelgenoot van zijne

plannen te maken, hetgeen trouwens in weinige woorden geschiedde.

"Gij wilt een claim pachten? Wel niets is gemakkelijker dan dat: wel

te verstaan, als gij geld hebt!" antwoordde hem de mijnwerker. "Er

is juist een beschikbaar naast de mijne. Vier honderd pond sterling

[3], dit is te geef! Met vijf of zes negers, die hem voor uwe rekening

ontginnen zullen, kunt gij er op rekenen, dat gij per week voor drie

of vier honderd gulden minstens zult vinden!"

"Maar, ik heb geen vier honderd pond sterling en ik bezit zelfs geen

enkel negertje," zei Cyprianus.

"Welnu, koop dan een gedeelte van een claim, een achtste of een

zestiende zelfs, en bewerk dat zelf. Dan komt gij met een groote vijf

honderd gulden al ver."

"Dat komt meer met mijne middelen overeen," antwoordde de

jeugdige ingenieur. "Maar, gij mijnheer Staal, hoe hebt gij het

aangelegd. Vertel mij dat eens, als ik niet te onbescheiden ben. Zijt

gij hier als bezitter van een kapitaal aangekomen?"

"Ik ben hier met mijn beide armen aangekomen, maar had daarenboven

drie kleine goudstukken in den zak," antwoordde de andere. "Maar,

het is mij meegeloopen. Ik heb eerst een achtste in halve rekening

met een ander ontgonnen, die evenwel liever in het koffiehuis zat dan

dat hij zijne zaken behartigde. Wij waren overeengekomen dat wij de

vondsten zouden deelen, en waarlijk, ik was niet ongelukkig. Ik vond

onder anderen een steen van vijf karaten, die wij voor twee honderd

pond sterling verkochten! Maar, het begon mij te vervelen voor dien

luilak te arbeiden. Ik kocht toen een zestiende, dat ik voor mij alleen

ontgon. Daar ik er slechts kleine steenen vond, heb ik dat tien dagen

geleden van de hand gedaan. Ik werk thans weer in halve rekening met

een man, afkomstig van Australië, in zijn claim; maar wij hebben in

de eerste week slechts vijf pond met ons beiden gewonnen."

"Als ik een gedeelte van een goeden claim voor een niet te duren

prijs kan koopen, zoudt gij dan genegen zijn u met mij te associeeren,

om dien te ontginnen?" vroeg de jonge ingenieur.

"Voorzeker," antwoordde Thomas Staal; "echter op de uitdrukkelijke

voorwaarde, dat ieder onzer behouden zal, wat hij vindt. Dat is geen

wantrouwen jegens u, mijnheer Méré. Maar ziet ge, ik bemerk wel,

dat ik, sedert ik hier ben, steeds de lijdende partij ben wanneer

er gedeeld wordt, want de schop en het pikhouweel kennen mij en ik

verricht tweemaal meer werk dan anderen!"

"Die voorwaarde komt mij billijk voor," antwoordde Cyprianus.

"O!" riep eensklaps de Lancashire-man uit, terwijl hij den ingenieur

in de rede viel. "Een inval en waarschijnlijk een goede ook!.... Als

wij met ons beiden een der claims van John Watkins pachtten?"

"Hoe, een zijner claims? Is de geheele grond van de Kopjes-Mijn niet

zijn eigendom?"

"Ongetwijfeld, mijnheer Méré; maar gij weet dat het koloniale

gouvernement er zich dadelijk meester van maakt, zoodra het bekend is,

dat er diamantlegeringen bestaan. Het is het gouvernement die de mijnen

bestuurt, voor het kadaster zorgt, die de claims afdeelt en daarbij

het grootste gedeelte van den pachtprijs voor zich behoudt en aan den

eigenaar slechts een vaste som uitbetaalt. Het moet evenwel erkend

worden, dat die vaste som nog een prachtig inkomen daarstelt, wanneer

de mijn zoo uitgestrekt als de Kopjes-Mijn is; terwijl van een anderen

kant de eigenaar steeds de voorkeur geniet, om een zoo groot getal

claims te kunnen terugkoopen, als hij slechts kan laten bewerken. Dat

is juist het geval met John Watkins. Hij heeft behalve den feitelijken

eigendom van de geheele mijn, bovendien nog verscheidene claims in

ontginning. Maar die ontginning gaat niet zoo als hij wel zou willen,

omdat het pootje hem belet ter plaatse zelve tegenwoordig te zijn,

en ik ben van meening, dat hij u wel aanneembare voorwaarden zoude

stellen, wanneer ge hem voorsloegt een claim van hem over te nemen."

"Toch zou ik wenschen, dat de onderhandeling daarover tusschen u en

hem gevoerd werd," antwoordde Cyprianus.

"Och, als het slechts daar op aan komt" hernam Thomas Staal. "Die

zaak kan spoedig in het reine gebracht worden."

Drie uren later was de halve claim, numero 942, die behoorlijk met

paaltjes afgebakend en op de kaart aangeduid werd, in deugdelijken vorm

herverpacht aan de heeren Méré en Thomas Staal, tegen de onmiddellijke

betaling van een premie van negentig pond [4] en tegen de voldoening

van de patent-onkosten bij den ontvanger. Bovendien was in het

huurcontract wel degelijk vermeld, dat de huurders de opbrengst hunner

ontginning met John Watkins moesten deelen en dat zij hem bij wijze

van royalty of koningsrecht de drie eerste diamanten boven de tien

karaten zouden afstaan, die mochten gevonden worden. Niets duidde aan

dat die gebeurlijkheid zich zoude voordoen, maar zij was mogelijk. In

de diamantvelden was alles mogelijk.

Alles wel bezien, kon de zaak als buitengewoon voordeelig voor

Cyprianus beschouwd worden en Mr. Watkins gaf hem dat met zijne gewone

vrijmoedigheid, terwijl hij met hem klonk bij de onderteekening van

het contract, genoegzaam te kennen.

"Gij hebt de wijste partij gekozen, mijn jongen," zei hij, terwijl

hij hem op den schouder klopte. "Er zit pit in u en het zou mij

niet verwonderen, wanneer gij een der beste mijnwerkers van geheel

Grikwaland werdt."

Cyprianus meende in die woorden een gelukkig voorteeken voor de

toekomst te ontdekken.

Miss Watkins, die bij de onderhandeling tegenwoordig was, vertoonde

een overheerlijken, helderen zonnestraal in hare blauwe oogen! Neen,

waarachtig niet; niemand zou ooit geloofd hebben, dat die oogen

gedurende den geheelen morgen geweend hadden!

Als bij stilzwijgende overeenkomst, werd door beide partijen iedere

nadere verklaring omtrent het treurige tooneel, op dien morgen

voorgevallen, vermeden. Cyprianus bleef, dat was buiten kijf en dat

was toch, alles wel beschouwd, het voornaamste.

De jonge ingenieur verwijderde zich thans met een verruimd hart,

om zijne maatregelen nopens zijne verhuizing te treffen. Hij

nam slechts eenige kleedingstukken in een valies mede, daar hij

voornemens was zich onder eene tent in de onmiddellijke nabijheid van

de Vandergaart-Kopjes-Mijn te vestigen en slechts naar de hoeve weer

te keeren om daar eenige uren van uitspanning door te brengen.

VIJFDE HOOFDSTUK.

EERSTE ONTGINNINGS-ARBEID.

De beide vennooten togen reeds den volgenden morgen al heel vroeg aan

den arbeid. Hun claim was bij den rand van de Kopjes-Mijn gelegen en

moest dus rijk zijn, wanneer namelijk de theorie van Cyprianus Méré

gegrond was. Die claim was ongelukkig reeds vlijtig ontgonnen en reikte

tot op een diepte van vijftig en meer meters de ingewanden der aarde.

Dat was in zeker opzicht een voordeel omdat, daar de bodem van die

claim veel lager was dan die der omringenden, de huurders, volgens

de wetten des lands, in eigendom verkregen al den grond en bijgevolg

ook al de diamanten, die van de rondom liggende hoogten eens naar

beneden mochten rollen.

De arbeid was zeer eenvoudig. De vennooten begonnen met schop, spade

en pikhouweel zoo eenvoudig mogelijk een zeker gedeelte aarde los

te maken. Toen dat klaar was, klom een hunner op den rand der mijn

en heesch met een ijzeren kabel de emmers naar boven, die de andere

met grond vulde.

Die grond werd vervolgens met eene kar naar de hut van Thomas Staal

vervoerd. Daar werd hij met behulp van groote stukken hout grovelijk

geplet en vervolgens van de waardelooze keisteenen ontdaan; men liet

hem vervolgens door een netvormige zeef loopen, welker mazen vijftien

millimeters wijdte hadden, om de kleinere steenen af te zonderen, die

eerst goed onderzocht werden, alvorens ze weg te werpen. De grond werd

eindelijk ten tweede male gezift, maar in een zeef met zeer kleine

openingen, om er het stof van te scheiden, waarna hij geschikt was,

om aandachtig onderzocht te worden.

Die aarde werd dan op een tafel uitgeschud, waaraan de beide

mijnwerkers plaats namen, gewapend met een soort hark, die van

blik vervaardigd was. Zij doorzochten die aarde alsdan handvol voor

handvol met de grootste zorg, waarna zij haar onder de tafel wierpen,

om later opgeruimd te worden, wanneer het afgeloopen was.

Al die werkzaamheden hadden ten doel om te ontdekken of er geen diamant

in was al ware 't slechts ter dikte van een halve linskorrel; maar de

vennooten boogden op zeer veel geluk, wanneer de dag niet eindigde,

zonder dat zij een enkel steentje gevonden hadden. Zij werkten met

de meest mogelijke vlijt en ziftten de aarde van den claim met de

uiterste zorg, maar de resultaten waren, dat viel niet te ontkennen,

gedurende de eerste dagen geheel onbeduidend, ja bijna nul.

Vooral scheen Cyprianus geen geluk te hebben. Werd er een enkel

diamantje in den grond aangetroffen, dan was het bijna altijd Thomas

Staal, die het vond. De eerste, die hij het genoegen had te ontdekken,

woog niet eens ten volle een zesde gedeelte van eene karaat, het

omhulsel er onder begrepen.

De karaat is een gewicht dat vier grein zwaar is, dus ongeveer

het vijfde gedeelte van een gram of wichtje. [5] Een diamant van

het helderste water, dat wil zeggen, die zuiver, droogachtig en

kleurloos is, heeft eene waarde, nadat hij geslepen is, van honderd

vijf en twintig gulden, wanneer hij een karaat zwaar is. Maar hebben de

diamanten, die minder wegen, eene evenredig mindere waarde, daarentegen

rijzen zij, die zwaarder zijn, sneller en in immer toenemende rede

aan waarde. Men rekent gewoonlijk, dat de handelswaarde van een

onberispelijken steen gelijk is aan het vierkant van zijn gewicht,

uitgedrukt in karaten, vermenigvuldigd met den marktprijs van de

karaat. Veronderstelt men dus, dat die marktprijs honderd vijf en

twintig gulden is, dan is de prijs van een diamant van tien karaten,

die aan de bovenomschreven hoedanigheden voldoet, tien maal tien of

honderd maal honderd vijf en twintig of twaalf duizend vijf honderd

gulden.

Maar de steenen van tien karaten en zelfs van een karaat zijn zeer

zeldzaam. Het is juist daarom, dat zij zoo duur zijn. Er dient hier

ook nog bij verteld te worden, dat de diamanten bijna allen een gele

tint vertoonen, waardoor hunne waarde aanmerkelijk vermindert.

De vondst van een steentje, dat niet eens een zesde gedeelte van een

karaat woog, was, na een onafgebroken arbeid van zeven of acht dagen,

wel een magere vergoeding voor al de moeiten en den afmattenden arbeid,

die het gekost had. Tegen dat resultaat was het voordeeliger geweest,

den akker te bebouwen, schapen te hoeden of keien langs de wegen stuk

te kloppen. Dat herhaalde Cyprianus voortdurend in zich zelven.

Toch dreef hem de hoop, dat hij vroeg of laat een fraaien diamant

zou vinden, die hem opeens voor den arbeid van vele weken of van

vele maanden schadeloos zou stellen, tot volhouden aan. Die hoop

ondersteunde hem, zooals zij alle mijnwerkers, zelfs de minst

geloovige doet. Wat Thomas Staal betrof, die arbeidde zooals een

werktuig dit zou doen, dat wil zeggen: zonder er bij te denken. Het

scheen, althans oppervlakkig beschouwd, dat hij het door zijn vlug

werken zoo ver gebracht had.

De Zuidster, het land der diamanten · 第 3 / 21 段