nabijheid van het hotel gespreid was. Daar sliep hij weldra in op
het geluid van eene danspartij in de open lucht, die door eenige
Kaffersche mijnwerkers ergens in de buurt gegeven werd, en op het
schel geluid van een klephoorn, die in een openbaar danshuis de maat
aangaf bij de chorographische sprongen van eenige blanke heeren.
DERDE HOOFDSTUK.
EEN WEINIG WETENSCHAP VAN HARTE ONDERWEZEN.
Ter wille van de billijkheid wordt het tijd om te verklaren, dat onze
jonge ingenieur niet in Grikwaland gekomen was om zijn tijd in die
atmosfeer van schraapzucht, van dronkenschap en tabakslucht door te
brengen. Neen, hij had in opdracht om topographische en geologische
opnemingen van sommige gedeelten van die landstreek te bewerkstelligen,
om monsters van rotssteenen en van diamanthoudende lagen te verzamelen,
en om ter plaatse zorgvuldige analyses uit te voeren. Zijne eerste
zorg moest dan ook zijn om zich een stille woning te verschaffen,
waarin hij zijn laboratorium kon onder dak brengen en die als het
uitgangspunt van zijn verkenningstochten door het geheele mijndistrict
moest aangemerkt worden.
De heuvel of het bergje waarop de pachthoeve van Watkins gelegen
was, trok weldra zijne aandacht tot zich als eene standplaats,
die als buitengewoon gunstig voor zijne werkzaamheden beschouwd kon
worden. Zij was ver genoeg van het mijnwerkerskamp verwijderd, om
slechts weinig van de luidruchtigheid van die nabuurschap te lijden
te hebben. Cyprianus was daar ongeveer op een uur afstand van de
meest verwijderde Kopjes--want het geheele diamantdistrict meet ter
nauwernood een omtrek van tien of twaalf kilometers. Hij kwam er dus
toe om een der huizen, door John Watkins verlaten, te kiezen, daarvan
de huur te bepalen, en er in te trekken, hetgeen alles bij elkander
geteld hem ter nauwernood een halven dag ontroofde. Overigens toonde
de Engelschman zich niet schraapzuchtig bij de verhuur; want eigenlijk
verveelde hij zich zeer in zijne eenzaamheid, en hij zag met genoegen
dat de jonkman zich in zijne nabijheid kwam vestigen, overtuigd als
hij was, dat hij van hem wel eenige verstrooiing verwachten kon.
Maar als Mr. Watkins er op gerekend had, in zijn huurder een
tafelmakker of een partner bij zijn bestormingsplannen ten opzichte
van zijne ginkruik te vinden, dan had hij toch buiten den waard
gerekend. Nauwelijks had Cyprianus zijn laboratorium met zijn kolven,
zijne haardvuren en zijne reaktiven in orde gebracht in het huis dat
hij gehuurd had--en zelfs nog voordat de voornaamste bestanddeelen van
zijn laboratorium aangekomen waren--of hij had reeds een begin met
zijne geologische omzwervingen in het mijndistrict gemaakt. Wanneer
hij dan ook des avonds, doodmoe en zijn zinken doos, zijne jachttasch,
zijne zakken en zijn hoed zelfs met rotsblokken gevuld te huis kwam,
dan had hij meer lust om zijn bed op te zoeken en in den slaap herstel
van krachten te zoeken, dan de oudbakken praatjes en vertellingen van
Mr. Watkins te gaan aanhooren. Daarenboven, hij rookte weinig en dronk
nog minder, zoodat hij eigenlijk het ideaal van den vroolijken makker,
dien zich de pachter gedroomd had, niet verwezenlijkte.
Toch was Cyprianus zoo loyaal en zoo goedhartig, zoo eenvoudig van
manieren en van gevoelen, zoo geleerd en evenwel zoo bescheiden en
zedig, dat het onmogelijk was, wanneer men voortdurend met hem in
aanraking kwam, zich niet aan hem te hechten. Mr. Watkins--misschien
deed hij het geheel onbewust--koesterde dan ook meer eerbied voor den
jeugdigen ingenieur, dan hij ooit iemand bewezen had. Als die jongen
slechts een fatsoenlijk slokje had kunnen drinken! Maar wat toch
aan te vangen met iemand die den kleinsten droppel gin niet in het
keelgat verdragen kon? Zoo eindigden regelmatig de oordeelvellingen,
die de pachter over zijn huurder uitbracht.
Wat miss Watkins betreft, deze had zich dadelijk met den jeugdigen
geleerde op den voet eener goede en vrije kameraadschap geplaatst. Zij
trof in hem eene geestesmeerderheid aan, die zij in hare gewone
omgeving te vergeefs zocht, en zij had dan ook de gelegenheid, die
zich zoo onverwacht aangeboden had, met gretigheid waargenomen,
om door eenige grondbeginselen der practische scheikunde de zeer
degelijke en uiteenloopende opvoeding te voltooien, die zij vooral
geput had uit de wetenschappelijke werken, welke zij bij voorkeur
tot onderwerp van lectuur koos.
Het laboratorium van den jeugdigen ingenieur met zijne vreemdsoortige
toestellen wekte verbazend hare belangstelling op. Zij wenschte
vooral alles te weten wat op het wezen der diamanten betrekking had,
op die kostbare steenen, die in de gesprekken en in den handel van
het land eene zoo groote plaats innamen. En inderdaad, Alice had
wel neiging om dat gesteente slechts als een leelijken keisteen te
beschouwen. Cyprianus--dat begreep zij wel--deelde op dat punt geheel
en al hare geringschatting. Die eensgezindheid van denkbeelden was
niet vreemd gebleven aan de vriendschap, die tusschen de twee jonge
lieden ontstaan was. Zij waren de eenigen in Grikwaland, dat kon
veilig betuigd worden, die er niet aan geloofden, dat het eenige
doeleinde van het menschelijk leven was of moest zijn: het zoeken,
het kloven, het slijpen en het verkoopen van die kleine steentjes,
die door de geheele wereld zoo zeer begeerd worden.
"Het diamant," legde haar eens de jonge ingenieur uit, "is
heel eenvoudig niets anders dan zuivere koolstof. Het is een stuk
gekristaliseerde kool, niets anders. Men kan het verbranden evenals een
gewone doove kool, en die eigenschap van verbrandbaarheid heeft voor
de eerste maal den aard zijner vorming, zijner grondbestanddeelen doen
gissen. Newton, die zooveel zaken waargenomen heeft, had opgemerkt
dat de geslepen diamant het licht meer weerkaatst dan eenig ander
doorschijnend lichaam. Daar hij nu wist dat die hoedanigheid den
meesten brandbaren lichamen eigen is, zoo trok hij met zijne gewone
stoutmoedigheid daaruit de gevolgtrekking, dat het diamant brandbaar
_moest_ zijn. Er eene kort daarop gevolgde proefneming stelde hem
geheel in het gelijk."
"Maar, mijnheer Méré," vroeg het jonge meisje, "als het diamant
slechts kool is, waarom is het dan zoo duur?"
"Omdat het zeer zeldzaam is, mejuffrouw Alice," antwoordde Cyprianus,
"en omdat het nog maar in zeer kleine hoeveelheden in de natuur
aangetroffen wordt. Gedurende langen tijd trok men het alleen
uit Indië, uit Brazilië en uit het eiland Borneo. Gij moet het u
ongetwijfeld nog herinneren, want gij waart toen zeven of acht jaren
oud, het tijdstip waarop voor de eerste maal de tegenwoordigheid van
diamant in dit gedeelte van Zuid-Afrika aangeduid werd."
"Voorzeker herinner ik mij dat," antwoordde miss Watkins. "Een ieder
in Grikwaland gedroeg zich of hij gek was! Men zag slechts lieden,
gewapend met schoppen en spaden, die al de terreinen nauwkeurig
onderzochten, die den loop der beken afleidden en wijzigden, om hare
beddingen na te pluizen, en die slechts over diamanten droomden en
spraken! Hoe klein ik destijds ook was, mijnheer Méré, zoo verveelden
die gesprekken mij toch somtijds. Maar gij zeidet straks, dat het
diamant duur is, omdat het zeldzaam voorkomt.... Bestaat zijn waarde
alleen in die zeldzaamheid?"
"Dat nu juist niet, miss Watkins. Zijne doorschijnendheid, zijn
glans, wanneer hij doelmatig genoeg geslepen is om de lichtstralen te
weerkaatsen, de verbazende moeilijkheid van dat slijpen en eindelijk
zijne buitengewone hardheid zijn zoovele oorzaken, dat de diamant voor
den geleerde een zeer belangwekkend lichaam oplevert, waarbij ik voeg,
dat hij voor de nijverheid zeer veel nuttigs heeft. Gij weet zeker dat
men hem alleen met zijn eigen stof kan polijsten, en het is die niet
genoeg te waardeeren hardheid, die veroorlooft om hem sedert eenige
jaren voor de doorboring van rotsen te bezigen. Zonder zijne hulp zou
het bewerken van het glas en van andere zeer harde zelfstandigheid
niet alleen zeer moeilijk zijn, maar ook het boren van tunnels, het
openen van mijngalerijen, het vervaardigen van artesische putten zou
meer moeilijkheden aanbieden."
"O! nu begrijp ik het," zei Alice, die plotseling een soort achting
in zich voelde opwellen voor die arme diamanten, die zij tot heden
zoozeer versmaad had. "Maar, mijnheer Méré, wat is die koolstof toch
waaruit het diamant in kristalvorm bestaat? Ik druk mij immers goed
uit, niet waar? Waaruit bestaat zij?"
"Dat is een enkelvoudig, niet samengesteld lichaam, tot de metaalloïden
of niet metalen behoorende, hetwelk het meest verbreid in de natuur
voorkomt," antwoordde Cyprianus. "Alle organisch samengestelde
lichamen, zonder eenige uitzondering, als het hout, het vleesch, het
brood, het gras, bevatten het in groote en belangrijke hoeveelheid. Zij
zijn zelfs aan de aanwezigheid der koolstof in hare bestanddeelen,
den graad van verwantschap verschuldigd, dien men onder hen opmerkt."
"Wat vreemde overeenkomst!" zei miss Watkins. "Zoodat die struiken
daarginds, en het gras van dat weiland, en de boom, die ons met zijne
schaduw beschut, en het vleesch van mijn struisvogel Dada, en ik zelf,
en gij ook, mijnheer Méré, allen gedeeltelijk van koolstof vervaardigd
zijn, evenals de diamanten? Alles is dus maar kool in deze wereld?"
"Zeker, juffrouw Alice! Men had daarvan reeds sedert lang een
voorgevoel; maar de hedendaagsche wetenschap heeft de strekking, dat
al meer en meer en ook afdoend aan te toonen. Of, om duidelijker te
spreken, zij heeft de strekking om het getal enkelvoudige lichamen al
minder te doen worden; en toch werd dat getal vroeger als onwrikbaar
vastgesteld beschouwd. De spectroscopische waarnemingen hebben in
den laatsten tijd dienaangaande een nieuw licht over de scheikunde
doen opgaan. Zoo kan het wel zijn, dat de twee en zestig lichamen,
die als enkelvoudige of niet samengestelde gerangschikt waren, slechts
eene enkele atomische zelfstandigheid--de waterstof wellicht--bestaan,
die op verschillende elektrische, dynamische en warmtegevende wijzen
bewerktuigd zijn."
"O! gij jaagt mij angst aan, mijnheer Méré, met al die groote woorden,"
riep Miss Watkins uit. "Spreek mij maar liever over koolstof: Zoudt
gij, heeren deskundigen, die stof ook niet kunnen kristalliseeren,
zooals gij met de zwavel doet en waarvan gij mij onlangs zulke fraaie
aangeschoten naalden hebt laten zien? Dat zou oneindig gemakkelijker
zijn, dan daar gaten in den grond te gaan graven om er diamanten
te zoeken!"
"Men heeft dikwijls trachten te verwezenlijken, wat gij daar zegt,"
antwoordde Cyprianus. "Ja, men heeft dikwerf getracht om langs
kunstmatigen weg diamant te vervaardigen, en dat wel door zuivere
koolstof te kristalliseeren. Ik ben verplicht er bij te voegen,
dat men zelfs in zekere mate geslaagd is, Despretz heeft in 1853,
en nu nog kort geleden in Engeland een ander geleerde, diamantstof
verkregen, door cilinders van koolstof, die van iedere mineralische
stof gezuiverd en van kandijsuiker vervaardigd waren, aan een zeer
sterken elektrischen stroom in het luchtledige te onderwerpen. Maar
tot heden heeft dat succes hoegenaamd geene handelswaarde, hoewel het
zeer waarschijnlijk is, dat dit nu slechts meer een quaestie van tijd
zal zijn. Den eenen of anderen dag zal de vervaardiging van diamant
gevonden worden, en wie weet, miss Watkins, of die vinding op het
oogenblik dat wij er over spreken, niet reeds geschied is!"
Zoo koutten zij, terwijl zij op het met zand bestrooide plein,
hetwelk zich langs de pachthoeve uitstrekte, heen en weer wandelden,
of als zij des avonds onder de lichte veranda gezeten waren en naar
het glinsteren van den zuidelijken sterrenhemel keken.
Dan verliet Alice gewoonlijk den jeugdigen ingenieur, om naar de
hoeve terug te keeren, tenzij zij hem meenam om hare kleine kudde
struisvogels te zien, die in eene kleine omsloten ruimte bewaakt
werden, welke aan den voet van den heuvel gelegen was, waarop de woning
van John Watkins was gebouwd. De kleine witte kop dezer dieren, die
zich op een zwartachtig lichaam verhief, hunne dikke stijve pooten, de
bossen geelachtige veeren, die hun lichaam ter zijde en op de vleugels
en aan den staart versieren, dat alles boezemde het jonge meisje belang
in, waardoor zij er dan ook sedert een of twee jaren toe gekomen was,
om eene geheele kudde van die reusachtige steltloopers op te voeden.
Gewoonlijk gaat men er niet toe over, deze vogels tot huisdieren te
vervormen. De pachters aan de Kaap laten hen eer in een zekeren wilden
staat voortleven. Zij vergenoegen zich om hen in een omheining van een
buitengewoon grooten omvang af te sluiten, die door hooge schuttingen
van ijzerdraad gevormd wordt, nagenoeg gelijk aan die welke in sommige
landen langs de spoorwegen aangetroffen worden. De struisvogels,
die weinig geschikt zijn om te kunnen vliegen, kunnen daar niet over
heen. Daarin leven zij het geheele jaar door in een gevangenschap,
die zij zelfs niet vermoeden, voeden zich met hetgeen zij vinden, en
zoeken afgelegen hoekjes uit om hunne eieren, die door zeer strenge
wetten tegen diefstal beschermd worden, te leggen. Tegen den ruitijd
evenwel, wanneer het er op aan komt om de mooie veeren machtig te
worden, die door de dames in Europa zoo gezocht zijn, dan jagen de
drijvers de struisvogels in eene reeks van afgesloten perken, die
al nauwer en nauwer worden, totdat het gemakkelijk is hen te vatten,
als wanneer hun vederentooi hun ontrukt wordt.
Die tak van nijverheid heeft sedert de laatste jaren in de omstreken
van de Kaap eene buitengewone vlucht genomen, en het is waarachtig
te verwonderen, dat die ter nauwernood in Algiers is ingevoerd, waar
er niet minder goede resultaten van verwacht konden worden. Iedere
struisvogel, die zoo in gevangenschap leeft, brengt zijn bezitter
een jaarlijksch inkomen op, dat tusschen twee en drie honderd
francs mag geraamd worden, en dat zonder eenige kosten hoegenaamd te
veroorzaken. Om dit den lezer goed te doen begrijpen, dienen wij mede
te deelen, dat een groote veer, wanneer zij van goede kwaliteit is,
voor zestig en zelfs voor tachtig francs, de gewone handelsprijs,
verkocht wordt, alsook dat de middelsoort veeren en de kleine ook
eene vrij groote waarde vertegenwoordigen.
Miss Watkins onderhield slechts voor haar vermaak een twaalftal van
die groote dieren! Zij schepte er genoegen in, hen hunne groote eieren
te zien uitbroeden, en vond het een verrukkelijk gezicht, wanneer zij
met hare kuikens haar voeder kwam nuttigen, evenals gewone kippen of
kalkoenen zouden gedaan hebben. Cyprianus begeleidde het jonge meisje
soms daarbij, en schepte er zelfs genoegen in om een der fraaiste van
den troep, een zekeren struisvogel met zwarten kop en gulden oogen,
te streelen, juist den zoo gevierden Dada, die den ivoren maasbal
opgeslikt had, waarvan Alice zich bij het kousenstoppen gewoonlijk
bediende.
Cyprianus voelde allengs een dieper en teederder gevoel ten opzichte
van dat jonge meisje zijn hart binnensluipen. Hij overreedde zich,
dat hij nimmer eene gezellin zou vinden, aan wier hand hij het leven
wenschte te doorwandelen, dat leven van arbeid en overdenkingen,
hetwelk hij leidde, die zoo eenvoudig van harte was, die levendiger
van begrip, daarbij even zacht, beminnenswaardig en volmaakt zoude zijn
als zij. En werkelijk, daar miss Watkins hare moeder reeds op jeugdigen
leeftijd verloren had, was zij verplicht geweest reeds vroegtijdig de
zorgen in het vaderlijke huis voor hare rekening te nemen, waardoor
zij tot een degelijke huisvrouw, zoowel, als tot eene vrouw, die zich
in de wereld beschaafd voordeed, gevormd werd. Het was zelfs juist dat
mengsel van volmaakte voornaamheid en van ongekunstelde eenvoudigheid,
hetwelk haar zooveel bekoorlijkheid bijzette. Zonder dat haar de
dwaze vooroordeelen en pretenties van zooveel bevallige bewoonsters
van de Europeesche steden aankleefden, zag ze er volstrekt niet tegen
op hare blanke handjes te gebruiken om een puddingdeeg te kneeden,
ook niet om een oog op het gereed maken van het middagmaal te houden,
en nog minder om na te gaan of het linnen in het huisgezin in goeden
staat was. En dat alles belette haar niet om de fraaiste sonaten van
Beethoven even goed, zoo niet beter dan eenige andere ten gehoore
te brengen, om twee of meer talen zoo zuiver mogelijk te spreken om
de lectuur hartstochtelijk lief te hebben, om de meesterstukken van
iedere soort letterkunde te kunnen apprecieeren, en eindelijk om heel
veel succes te genieten in de kleine vereenigingen, die bij de rijke
pachters van het district gehouden werden.
Niet dat de bekoorlijke en welopgevoede vrouwen schaarsch zouden
geweest zijn in die vereenigingen. In Transvaal zoowel als in Amerika,
als in Australië en als in die jeugdige landen, waar de materieele
arbeidskrachten bij het invoeren eener ontluikende beschaving der
mannen uitsluitend deel is, daar is de geestesontwikkeling nog
meer dan in Europa het uitsluitend deel der vrouw. Daar zijn zij
dan ook meestal meer ontwikkeld dan hare echtgenooten of zonen,
wat algemeene opvoeding en kunstzin aangaat. Bijna alle reizigers
hebben niet zonder groote verwondering bij menige echtgenoote van
een Australische mijnwerker of van een squatter in het Far-West een
muzikaal talent van de eerste orde aangetroffen, soms gepaard aan de
degelijkste litterarische of wetenschappelijke kennis. De dochter van
den voddenrapper te Omaha of van een spekslager in Melbourne zou bij
de gedachte blozen, dat zij in opvoeding, onderricht, goede manieren
en verdere volmaaktheden beneden eene vorstin van het oude Europa
zoude kunnen staan. In den Oranje-Vrijstaat, waar de opvoeding der
meisjes reeds sedert lang aan die der jongens gelijk is, maar waar
deze laatsten de schoolbanken veel vroeger ontvlieden, is dat contrast
tusschen de beide geslachten meer waar te nemen dan ergens anders. De
man is daar in het huishouden de broodwinner. Hij behoudt daarbij de
hem aangeboren ruwheid, en verkrijgt die, welke hem door zijn arbeid
in de open lucht, en door een geheel leven vol moeiten en gevaren
medegedeeld worden. De vrouw integendeel aanvaardt dan, behalve hare
huiselijke plichten, ook de beoefening der kunsten en der letteren,
die door haren echtgenoot veronachtzaamd of verwaarloosd worden.
En zoo gebeurt het, dat eene wezenlijke bloem van schoonheid, van
voornaamheid en bekoorlijkheid op de grenzen der woestijn bloeit. En
zoo was het ook hier het geval met de dochter van den pachter John
Watkins.
Cyprianus had dat alles overwogen en, daar hij recht op het doel
afging, zoo had hij geen oogenblik geaarzeld, om zijn aanzoek te doen.
Helaas, zijn schoone droom was thans geëindigd. Hij zag thans voor
de eerste maal den bijna onoverkomelijken afgrond, die hem van Alice
scheidde. Hij kwam dan ook na dat onderhoud met een benepen hart te
huis. Hij was evenwel de man niet, om zich aan een ijdele wanhoop over
te geven. Hij was besloten te strijden, te strijden op dat terrein,
terwijl hij in den arbeid weldra een zekere afleiding voor zijne
smart vond.
De jeugdige ingenieur eindigde, nadat hij aan zijne kleine
schrijftafel plaats genomen had, met een loopend en fijn schrift,
den langen en vertrouwelijken brief, dien hij des morgens begonnen
was en die geadresseerd was aan zijn hooggeachten onderwijzer, den
heer M.J. .... lid van de Akademie van Wetenschappen en professor
aan de Mijnschool.
".... Wat ik niet heb moge neerschrijven in mijne officiëele memorie,"
schreef hij, "omdat het voor mij nog slechts eene hypothese vormt, is
het denkbeeld, dat ik wel geneigd ben aan te nemen na de veelvuldige
geologische waarnemingen, die ik gedaan heb op het terrein, omtrent de
ware wijze van ontstaan van den diamant. Noch de hypothese, die hem een
vulkanischen oorsprong verleent, noch die, welke zijne verschijning in
de tegenwoordige lagen, waarin hij aangetroffen wordt, aan ontzettende
omkeeringen in de natuur toeschrijft, kunnen mij evenmin als u, waarde
leermeester, voldoen. Ik heb voor u de beweegredenen niet op te sommen,
die mij hun doen miskennen. De vorming van den diamant op de plaats
door de werking van het vuur, is ook eene te nevelachtige opvatting,
die mij evenmin voldoet. Welken aard zou dat vuur gehad hebben, en hoe
komt het dat het vuur de kalkgesteenten van allerhande soorten, die in
de diamanten legeringen aangetroffen worden, niet gewijzigd heeft? Die
stelling komt mij eenvoudig kinderachtig voor, geheel en al als de
evenknie van de leer der dwarrelwinden of van die der gehaakte atomen.
"De eenige uitlegging, die mij zou kunnen voldoen, zoo niet geheel dan
toch binnen zekere grenzen, is die van den aanvoer door waterkracht
van de bestanddeelen der oorspronkelijke kiem, en van hare latere
kristalvorming op de plaats. Ik ben zeer getroffen door het bijzondere,
bijna gelijkvormige profiel van de verschillende legeringen, die
ik in oogenschouw genomen en met de meeste zorg gemeten heb. Allen
vertoonen min of meer den vorm van een soort beker of een soort
kopvormige schaal of nog eerder, wanneer rekening gehouden wordt
met de korst die ze omgeeft, van eene jagerflesch, die op haren kant
zoude liggen. Het is als een ontvanger van dertig of veertig duizend
kubieke meters, waarin een geheel agglomeraat van zand, van modder en
van aanslibbingsgrond, op een bodem van oorspronkelijk rotsgesteente
verzameld zoude zijn. Dit karakter valt vooral op te merken bij de
Vandergaart-Kopjes-Mijn, een van de laatst ontdekte legeringen, die,
zooals ik het ter loops kan mededeelen, toebehoort aan den eigenaar
van de hut, waarin ik u zit te schrijven.
"Wanneer men in eene kop- of komvormige schaal een vocht schenkt,
waarin vreemde stoffen in oplossing zijn, wat gebeurt er dan? Al
die vreemde lichamen ploffen voornamelijk op den bodem en langs de
wanden van de kopvormige schaal neer. Welnu, hetzelfde wordt in de
Kopjes-mijn waargenomen. Vooral in den bodem, in het centrum van het
bekken, maar ook langs de uiterste grens daarvan worden de diamanten
aangetroffen. En dat feit staat zoo vast en is zoo zeer bekend,
dat de daartusschen liggende claims spoedig beneden den middelbaren
prijs dalen, terwijl de centrale concessiën of die in de nabijheid
der wanden van het bekken al zeer spoedig een buitensporigen prijs
erlangen, wanneer maar eenmaal de vorm van de legering bepaald is. Die
overeenkomst pleit dus ten sterkste ten voordeele van een vervoer
der bestanddeelen door het water.
"Van een anderen kant bestaan een groot aantal omstandigheden, die gij
allen in mijne memorie zult vinden, en die op eene vorming op de plaats
der kristallen wijzen bij voorkeur boven een vervoer in reeds gevormden
toestand. Om daarvan maar twee of drie aan te halen, kan dienen, dat de
diamanten bijna altijd vereenigd bij groepen van dezelfde geaardheid
en van dezelfde kleur aangetroffen worden, wat zeker niet gebeurd
zou zijn, wanneer zij door een bergstroom aangevoerd waren in reeds
gevormden staat. Men vindt er zeer dikwijls twee die samengevoegd,
als aan elkander gegroeid zijn, maar die zich bij den minsten schok
scheiden. Hoe zouden zij aan het gewrijf en aan de wisselvalligheden,
van een vervoer door stroomend water veroorzaakt, hebben kunnen
weerstand bieden? Daarbij de zware diamanten worden steeds als
beschut door eene rots aangetroffen, hetgeen er op zou duiden, dat
het de invloed van die rots is--hare warmte-uitstraling of wie weet
welke andere oorzaak, die de kristalvorming bevorderd heeft. Het
is zeldzaam ten slotte, zeer zeldzaam zelfs, dat groote en kleine
diamanten bij elkander worden aangetroffen. Telkens wanneer een fraaie
steen aangetroffen wordt, is geen andere in de onmiddellijke nabijheid
gevonden. Het is alsof alle diamantenstof-houdende bestanddeelen van
het omringende nest, om dat zoo eens uit te drukken, zich ditmaal
onder den invloed van bijzondere omstandigheden, tot één enkelen
kristal verdicht hebben.
"Deze omstandigheden en vele anderen daarenboven doen mij dus
overhellen tot de hypothese der wording op de plaats zelve, nadat de
bestanddeelen voor de kristalvorming door den waterstroom bijgebracht
zijn.