"Ja, dol!.... uiterst dol!...." herhaalde de pachter. "O, ik

Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed

Proofreading Team at http://www.pgdp.net/

Jules Verne

De Zuidster

Het land der diamanten

Amsterdam

Uitgevers-Maatschappij "Elsevier"

1920

Gedrukt bij N.V. Drukkerij Schilt--Utrecht

EERSTE HOOFDSTUK.

DOLLE KERELS, DIE FRANSCHEN!

"Spreek, mijnheer, ik luister."

"Mijnheer, ik heb de eer de hand van miss Watkins, uw dochter,

te vragen."

"De hand mijner Alice?...."

"Ja, mijnheer. Mijn aanzoek schijnt u te verrassen. Is het niet? Toch

moet gij mij ten goede houden, dat ik niet recht begrijp, waardoor

dat aanzoek u zoo buitengewoon voorkomt. Ik ben zes en twintig

jaren oud. Ik heet Cyprianus Méré. Ik ben mijn-ingenieur en heb als

numero twee bij den algemeenen wedstrijd de Polytechnische school

verlaten. Mijne familie is wel is waar niet rijk, maar zij is geacht

en geëerd. De consul van Frankrijk aan de Kaap de Goede Hoop zal

u zulks kunnen getuigen, wanneer gij dat zult verlangen, en mijn

vriend Pharamond Barthès, de stoutmoedige jager, dien gij evenals

iedereen in Grikwaland kent, zou u hetzelfde kunnen getuigen. Ik

ben hier in naam van het Fransche Gouvernement door de Académie

des Sciences tot het verrichten van wetenschappelijke onderzoekingen

gezonden. Verleden jaar heb ik in het Instituut den prijs Houdard voor

mijne verhandelingen over de scheikundige samenstelling der vulkanische

rotsen van Auvergne behaald. Mijne verhandeling over het diamanthoudend

bekken der Vaalrivier, die ik bijna voltooid heb, kan niet anders

dan goed ontvangen worden door de geleerden en de wetenschappelijke

lieden. Als ik van mijne zending teruggekeerd zal zijn, word ik benoemd

tot hulp-professor bij de mijnenschool te Parijs, en ik heb reeds last

gegeven vertrekken voor mij te huren in de Universiteitsstraat No. 104

op de derde verdieping. Mijne bezoldiging bereikt met aanstaanden

Nieuwjaarsdag, de som van vier duizend acht honderd francs. Dat is

het inkomen van Rothschild niet, dat weet ik wel; maar de opbrengst

mijner particuliere werkzaamheden, mijner onderzoekingen, academische

prijzen, medewerking aan verscheidene tijdschriften, veroorlooft dat

ik op een dubbel inkomen mag rekenen. Ik voeg er bij dat, daar mijne

behoeften eenvoudig en bescheiden zijn, ik niet meer noodig heb om

mij gelukkig te gevoelen. Dus nogmaals, mijnheer, ik heb de eer u de

hand van miss Watkins, uwe dochter te vragen."

Door den flinken en vastbesloten toon van die kleine toespraak, gaf

Cyprianus Méré voldoende den toetssteen aan, dat hij de gewoonte had

in alle zaken, zelfs in de meest intieme, recht op zijn doel af te

gaan en vrij uit te spreken.

Zijne gelaatstrekken daarenboven logenstraften den indruk niet, door

zijne taal voortgebracht. Hij had het uiterlijk van een jongmensch,

dat zich gewoonlijk met de hoogste wetenschappelijke scheppingen

bezig hield en slechts den minst mogelijken tijd aan 's werelds

ijdelheden afstond.

Zijn kastanjekleurig haar, dat hij kort als een borstel geknipt droeg,

zijn blonde baard, die bijna met de huidsoppervlakte gelijk geschoren

was, de eenvoud van zijn grijs linnen reiskostuum de tienstuivershoed

van stroo, dien hij, wel opgevoed als hij was, bij het binnentreden

op een stoel had neergelegd, hoewel de persoon tot wien hij sprak,

met de gewone slordige onachtzaamheid aan het Angelsaksische ras eigen,

met gedekten hoofde was gebleven,--dat alles toonde aan, dat Cyprianus

Méré een ernstigen geest bezat niet alleen, maar ook een rustig geweten

en een rein hart, dat in zijn kristalhelderen blik zich afspiegelde.

Er moet nog bijgevoegd worden, dat die jeugdige Franschman zoo volmaakt

zuiver Engelsch sprak, alsof hij in de meest Engelsche graafschappen

van het Vereenigd Koninkrijk langen tijd verblijf gehouden had.

Mr. Watkins hoorde hem aan, terwijl hij zijn lange pijp rookte en in

een houten leuningstoel gezeten was, waarbij hij het linkerbeen op

een rieten voetenbankje uitgestrekt had, en met den elleboog geleund

was op eene tafel, waarop een kruik gin stond, waarbij een glas,

half met dien alcoholischen drank gevuld.

Die persoon was gekleed met een witten pantalon, een blauw jasje van

grof linnen, een hemd van een geelachtig flanel, evenwel zonder vest

of das. Onder den onmetelijken vilten hoed, die op zijn grijs hoofd

geplakt of geschroefd scheen, rondde een rood en opgeblazen gezicht,

dat waarachtig had kunnen vergeleken worden bij een poppenkop,

die met bessenstroop ingesmeerd was. Dat weinig innemende gelaat,

dat hier en daar met stukjes baard bezaaid was, van die kleur, welke

men gewoonlijk melkboeren-hondenhaar noemt, was versierd met kleine

grijze oogen, die er met een centerboor ingeboord schenen en niet

veel geduld of goedheid des harten aanduidden.

Ter verschooning van Mr. Watkins dienen wij er dadelijk bij te voegen,

dat hij vreeselijk aan het pootje sukkelde, waarom hij genoodzaakt

was zijn linkervoet steeds omzwachteld te houden. Nu is het pootje

eene ziekte, die evenmin aan de zuidelijke spits van Afrika als

overal elders geschikt is, om de gemoedsstemming der lieden, aan wier

gewrichten zij knaagt, te verzachten.

Het tooneel viel voor op de gelijkvloers-verdieping van de pachthoeve

van Mr. Watkins, die zoo wat gelegen was op den 20sten breedtegraad

ten zuiden van de Evennachtslijn en op den 22sten oosterlengte van

Parijs op de westelijke grens van den Oranje-Vrijstaat, ten noorden

van de Britsche Kaap-Kolonie, te midden van Zuid-Afrika, dat eene

gemengde Engelsch-Hollandsche bevolking bezit. Dat land, hetwelk door

den rechter oever van de Oranjerivier begrensd wordt, bevindt zich

aan de zuidelijke uiteinden van de groote woestijn van Kalahari,

welke op sommige ouderwetsche landkaarten den naam van Grikwaland

voert, en wordt thans met veel meer recht sedert ruim tien jaren het

"Diamonds-Field", het Diamantenveld, geheeten.

De spreekkamer, waarin deze diplomatische samenkomst plaats had,

was waarachtig opmerkenswaardig, zoowel door de minder gepaste

weelderigheid van eenige meubelstukken als door de betrekkelijke

armoede van de overige bijzonderheden van dit binnenvertrek. De vloer

bijvoorbeeld bestond doodeenvoudig uit vast aangestampte aarde, die

hier en daar door dikke tapijten en kostbaar pelswerk bedekt was. Aan

de muren, die nimmer met eenig behangselpapier geprijkt hadden, was een

zeer fraaie pendule in gedreven koper opgehangen, alsook prachtwapens

van verschillenden oorsprong, en Engelsche kladprenten, die door

overrijke lijsten omgeven waren. Een fluweelen sofa prijkte naast eene

tafel van wit hout, die ter nauwernood in eene fatsoenlijke keuken te

huis zou behoord hebben. Er stonden leuningstoelen, rechtstreeks uit

Europa aangevoerd, die hunne armen te vergeefs naar Mr. Watkins schenen

uit te strekken, want deze verkoos steeds op een ouden stoel plaats te

nemen, dien hij vroeger met eigen hand lomp en onbehouwen gefatsoeneerd

had. Over het algemeen genomen, gaven de voorwerpen van waarde, alsook

de achteloosheid waarmede de panterhuiden, luipaardshuiden, giraffe-

en tijgerhuiden op den vloer alsook op al de meubelen geworpen waren,

aan dit vertrek het uitzicht van barbaarsche welgesteldheid.

Uit de bouworde van het plafond was het duidelijk, dat het huis

geen bovenverdieping bezat en slechts uit een reeks vertrekken

gelijkvloers bestond. Die woning was, evenals alle andere daar te

lande, gedeeltelijk van kleiaarde opgetrokken. Zij was gedekt met

bladen van geribd zink, die op een zeer lichten dakstoel aangebracht

waren.

Men kon ook zien, dat de bouw van die woning nauwelijks geëindigd

was. Want inderdaad, men behoefde zich slechts buiten het venster te

buigen, om rechts en links vijf of zes verlaten gebouwen te bemerken,

allen van denzelfden bouwtrant maar van verschillende ouderdom, die

zich in den meest gevorderden staat van verval bevonden. Dat waren

allen huizen, die Mr. Watkins opvolgend gebouwd, bewoond en verlaten

had naar mate zijn vermogen toenam, waarvan die woningen derhalve

alshetware den stijgenden trap aangaven.

De meest verwijderde was eenvoudig uit plakzoden vervaardigd, en

mocht op geen anderen naam dan op dien van hut aanspraak maken. De

volgende was uit kleiaarde opgetrokken; de derde uit aarde en planken;

de vierde uit kleiaarde en zink. De lezer ziet uit welke toonladder

de kunststukken van de nijverheid van Mr. Watkins bestonden en

tot welke hoogte hij zich had weten te verheffen. Al die gebouwen,

die zich in min of meer ontredderden toestand bevonden, verrezen

op een bergje, dat gelegen was bij de samenvloeiing van de Vaal-

met de Modderrivier, de twee voornaamste cijnsplichtige wateren

van de Oranjerivier in dit gedeelte van Zuid-Afrika. Rondom strekte

zich, zoover de blik naar het Zuid-westen en het noorden kon reiken,

eene kale en droefgeestige vlakte uit. Het Veld--zooals die vlakte

daar te lande genoemd werd--bestond uit een roodachtigen, drogen,

onvruchtbaren en stofferigen grond, die hier en daar slechts

eenig spaarzaam voorkomend kruid en eenige doornachtige struiken

vertoonde. Het totale gemis van boomen is het eigenaardig kenmerk

van deze naargeestige landstreek. Als daarbij in aanmerking genomen

wordt, dat er ook geen steenkolen aangetroffen worden, en dat de

gemeenschapsmiddelen met de zee zeer moeilijk en derhalve niet van de

vlugste zijn, dan zal het niemand verwonderen, dat de brandstoffen er

ontbreken en dat men er toe moet overgaan, de gedroogde uitwerpselen

van de kudden runderen voor de huiselijke benoodigdheden te gebruiken.

Op dien eentonigen bodem, die er werkelijk erbarmelijk uitziet,

wordt men den loop der beide rivieren gewaar, die evenwel zoo weinig

ingesneden zijn en welker oevers zich zoo weinig boven den waterspiegel

verheffen, dat men moeilijk kan begrijpen, waarom zij binnen hare

bedding blijven en niet over de geheele vlakte stroomen.

De gezichteinder is alleen naar dien kant van het oosten verbroken

door de ver verwijderde kamvormige verhevenheden van twee bergen:

den Platberg en den Paardenberg, aan welker voet een scherp oog

rookzuilen, stofwolken en witte puntjes kan ontwaren, welke laatsten

hutten of tenten zijn, en rondom een gewriemel van levende wezens.

Het is daar in dat Veld, dat de diamant-placers, die in volle

ontginning zijn, aangetroffen worden. Daar ligt Du Toit's Pan, de

New Rush, en de rijkste van allen misschien, genaamd het Vandergaarts

Kopje. Die onoverdekte mijnen, welke bijna met de oppervlakte van den

bodem gelijk liggen, worden met den algemeenen naam van "dry diggings"

of droge mijnen bestempeld en hebben sedert het jaar 1870 voor eene

waarde van vier honderd millioen aan diamanten en andere kostbare

steenen opgeleverd. Die mijnen liggen vereenigd in eene streek, welker

omtrek ten naastenbij twee of drie kilometers bedraagt. Men kon ze

zeer goed met een kijker van uit de vensters der pachthoeve Watkins

waarnemen, die er slechts vier Engelsche mijlen [1] van verwijderd lag.

De naam van pachthoeve, zij hier ter loops gezegd, is eene zeer

oneigenlijke uitdrukking voor een gebouw van deze soort; want het was

onmogelijk, ook maar een spoor van plantenkweeking in den omtrek te

bespeuren. Mr. Watkins was, evenals alle andere zoogenaamde pachters in

dit gedeelte van Zuid-Afrika, eerder een herdersbaas, een veefokker,

een eigenaar van kudden runderen, geiten en schapen te noemen dan de

bestuurder eener landbouwonderneming.

Mr. Watkins had intusschen nog niet geantwoord op het verzoek,

dat door Cyprianus Méré zoo beleefd, maar ook zoo duidelijk mogelijk

uitgesproken was. Na eenige minuten gebezigd te hebben om na te denken,

ging hij eindelijk er toe over, om zijn pijp uit den mond te nemen, en

uitte hij de volgende meening, die blijkbaar slechts eene verwijderde

betrekking met het tegenwoordig vraagstuk had:

"Ik geloof dat er verandering van weer op til is, waarde heer. Nooit

heeft mijn podagra mij zoo doen lijden als hedenmorgen !"

De jeugdige ingenieur fronste de wenkbrauwen, boog een oogenblik

het hoofd ter zijde en moest zich geweld aandoen om niets van zijne

teleurstelling te doen blijken.

"Gij zoudt wellicht in uw belang handelen, wanneer gij den gin liet,

mijnheer Watkins," antwoordde hij, terwijl hij met een gebaar op

de aarden kruik wees, die door een vlijtig aanspreken van wege den

dronkaard voor meer dan drie kwart geledigd was.

"Den gin laten! Bij God! dat is een kostelijke ui." riep de pachter

uit. "Heeft de gin ooit kwaad aan een braven kerel berokkend?.... Ja,

ik weet wel wat gij wilt zeggen!.... Gij wilt mij dat recept opdreunen,

hetwelk een geneesheer voorschreef aan een lord-mayor die het pootje

had!.... Hoe heette die dokter ook weer?.... Abernethy, geloof

ik!.... Wilt gij gezond zijn en blijven? vroeg hij aan zijn patient;

leef dan van een shilling daags en verdien dien met persoonlijken

arbeid! Dat is fraai en goed geleuterd! Maar ik vraag het u bij

al wat heilig is, wanneer men om gezond te zijn van de waarde van

een shilling leven moest, waartoe zou het dan dienen een vermogen te

verwerven? Dat zijn zotte leuterpraatjes, mijnheer Méré, die iemand van

uw verstand geheel onwaardig zijn!.... Dus praat daar niet meer over,

wat ik u bidden mag!.... Wat mij betreft, ik zou liever begraven

willen zijn!.... Goed eten, goed drinken, een lekkere pijp tabak

en dat alles wanneer ik zulks wensch, dan verlang ik niets meer ter

wereld !.... En gij zoudt willen dat ik daar afstand van deed?"....

"Wat mij betreft, ik ben er niet op gesteld!" antwoordde Cyprianus

openhartig. "Ik heb u slechts een gezondheids-voorschrift in

herinnering willen brengen, dat ik voor juist beschouw. Maar laten wij

dat onderwerp laten varen als het u onaangenaam is, mijnheer Watkins,

en tot het voornaamste doel van mijn bezoek terugkeeren."

Mr. Watkins, die straks zoo babbelachtig mogelijk was, verschool zich

weer in zijne stilzwijgendheid en blies zonder een woord te spreken

kleine rookwolkjes uit.

De deur ging in dit oogenblik open, en een jong meisje trad binnen,

dat een blaadje droeg waarop een glas stond.

Dit mooie kind, dat, getooid met de groote muts, welke de pachteressen

op het veld steeds dragen, bekoorlijk mocht heeten, was eenvoudig met

een japon van gebloemd linnen gekleed. Zij was negentien of twintig

jaren oud, had eene zeer witte tint van huid, daarbij een fraaien

blonden en fijnen haardos, groote blauwe oogen, een zachtzinnig

en prettig uiterlijk, en leverde zoo een beeld van gezondheid,

bevalligheid en goede luim.

"Goeden dag, mijnheer Méré," zeide zij in het Fransch, evenwel met

een lichten Britschen tongval.

"Goeden dag, juffrouw Alice," antwoordde Cyprianus Méré, die bij de

binnenkomst van het meisje opgestaan was en voor haar boog.

"Ik heb u zien aankomen, mijnheer Méré," hernam miss Watkins, bevallig

glimlachend waardoor hare fraaie tanden zichtbaar werden, "en daar ik

weet, dat gij den afschuwelijken gin van mijn vader niet lust, breng

ik oranjewater, en hoop, dat gij dat heerlijk frisch zult vinden."

"Dat is allerliefst van u, juffrouw !"

"Maar ter zake; gij zult nimmer raden wat Dada, mijn struisvogel,

dezen morgen heeft ingeslikt," ging zij zonder verdere plichtpleging

voort. "Mijn ivoren maasbal!.... Ja, waarlijk, mijn ivoren

maasbal!.... Die bal is nogal van omvang; gij kent hem wel,

mijnheer Méré, ik ontving hem rechtstreeks van het billard van

New-Rush!.... Welnu die slokop van een Dada heeft hem ingeslikt,

alsof het een pil ware!.... Waarlijk, dat boosaardige dier zal mij

vroeg of laat den dood nog aandoen."

In het oog van miss Watkins blonk, terwijl zij dit verhaalde, een

vroolijke straal, die niet veel uitzicht opende op de verwezenlijking

van die naargeestige voorspelling, zelfs in langen tijd niet. Maar

plotseling, met de fijngevoeligheid der vrouwen zoo eigen, merkte zij

de stilzwijgendheid, die door haren vader en den jeugdigen ingenieur

betracht werd, alsook hun verlegen voorkomen in hare tegenwoordigheid.

"Het is alsof ik de heeren stoor!" zeide zij. "Nu, zeg het maar, als

gij geheimen hebt, die ik niet hooren mag, dan zal ik heengaan!.... Ik

heb daarenboven niet veel tijd te verliezen. Ik moet mijn sonate

studeeren, voordat ik voor het middagmaal kan zorgen!.... Kom, ik

ga.... gij zijt heden niets gezellig, mijne heeren!.... Ik laat u

dus op uw gemak samenzweren!"

Zij was reeds buiten, maar kwam toch weer terug, en zeide toen met

bevallige maar toch hoogst ernstige stembuiging

"Mijnheer Méré, als gij mij over de zuurstof wilt ondervragen, dan

ben ik gereed. Ik heb reeds driemaal het betrekkelijk hoofdstuk in de

handleiding der scheikunde, die gij mij geleend hebt, gelezen, zoodat

"dat gasvormig, kleurloos, reuk- en smaakloos lichaam" hoegenaamd

geen geheim meer voor mij is!"

Daarop maakte miss Watkins eene bevallige buiging en verdween als een

ijl luchtverschijnsel. Een oogenblik later weerklonken de akkoorden van

een uitmuntende piano in een der vertrekken die het meest verwijderd

van de spreekkamer gelegen waren, en verkondigden dat het jonge meisje

geheel en al in hare muzikale oefeningen verdiept was.

"Welnu, mijnheer Watkins," hernam Cyprianus, wien de liefelijke

verschijning zijn aanzoek in het geheugen teruggeroepen zou hebben,

wanneer hij in staat zoude geweest zijn dat te vergeten. "Welnu,

mijnheer Watkins, zult gij mij een antwoord op de vraag verleenen,

die ik de eer had tot u te richten?"

Mr. Watkins nam zijn pijp uit den mond, spoog met eene poging van

voornaamheid op den grond, hief het hoofd op en vroeg terwijl hij

een scherpen doordringenden blik op den jonkman wierp:

"Mijnheer Méré, hebt gij haar wellicht daarover gesproken reeds?"

"Waarover gesproken?.... Tot wie?"

"Wel wat gij straks zeidet.... tot mijne dochter?"

"Voor wien ziet gij mij aan, mijnheer Watkins?" hernam de jeugdige

ingeneur met eene hartstochtelijkheid, die geen twijfel omtrent zijne

oprechtheid toeliet. "Ik ben Franschman, mijnheer!..... Vergeet dat

niet!.... Dat wil zeggen, dat ik nimmer veroorloofd zou hebben met

mejuffrouw uwe dochter over een huwelijk te spreken, zonder toestemming

verworven te hebben!"

De blik van Mr. Watkins had zijne scherpte verloren, maar daarentegen

raakte thans zijne tong los.

"Dat 's uitstekend!.... Beste jongen! Ik verwachtte niets minder van

uwe bescheidenheid ten opzichte van Alice!" antwoordde hij op bijna

hartelijken toon. "Welnu, vermits ik vertrouwen in u kan stellen,

zoo zult gij mij uw woord geven, dat gij haar ook in de toekomst

daarover niet zult spreken!"

"Wat? ook niet in de toekomst? Wat beduidt dat, mijnheer?"

"Wel, eenvoudig dat dit huwelijk onmogelijk is en dat het 't beste zal

zijn, de hoop daarop in uwe papieren maar door te schrappen!" hernam

Mr. Watkins. "Mijnheer Méré, gij zijt een eerlijk jongmensch, een

volmaakt gentleman, een uitmuntend scheikundige, een uitstekend

professor, die eene groote toekomst voor zich heeft--daaraan twijfel

ik niet; maar gij zult mijne dochter niet hebben, om de eenvoudige

reden, dat ik andere plannen voor haar ontworpen heb."

"Maar, mijnheer Watkins!...."

"Dring niet verder aan!.... het zou overbodig zijn!...." hernam

de pachter. "Al waart gij hertog en pair van Engeland, dan nog

zoudt gij mij niet bevallen!.... Man, gij zijt zelfs geen Engelsch

onderdaan, en gij hebt mij met de meeste openhaartigheid medegedeeld,

dat gij hoegenaamd geen vermogen hebt. Kom, alle gekheid ter zijde,

gelooft gij ernstig, dat ik Alice opgevoed en haar de beste meesters

van Victoria en van Bloemfontein gegeven heb, zooals ik heb gedaan,

om haar, zoodra zij twintig jaren oud zoude zijn, af te staan, ten

einde te Parijs in de Universiteitsstraat op de derde verdieping

te gaan leven met een mijnheer, dien ik niet ken en wiens taal ik

zelfs niet versta?.... Denk toch na, mijnheer Méré, en stel u in

mijne plaats!.... Vooronderstel, dat jij de pachter John Watkins

zijt, de eigenaar van de Vandergaart-Kopjesmijn, en dat ik mijnheer

Cyprianus Méré ben, een jeugdig Fransch geleerde, wien men eene

zending aan de Kaap heeft opgedragen.... Vooronderstel, dat gij hier

in deze spreekkamer in dezen leuningstoel zit, terwijl gij uw glaasje

gin slurpt en uwe pijp Hamburgsche tabak rookt; kunt gij u dan ook

maar een oogenblik voorstellen.... voorstellen éen enkel oogenblik

slechts.... dat gij mij uwe dochter ten huwelijk zoudt schenken?"

"Voorzeker, mijnheer Watkins," antwoordde Cyprianus "en nog wel zonder

eenige aarzeling, wanneer ik in u zou ontdekken de hoedanigheden,

die haar geluk moeten verzekeren!"

"Welnu, dan zoudt gij verkeerd handelen, mijn waarde heer, zeer

verkeerd!" hernam Mr. Watkins. "Gij zoudt dan handelen als een man,

die niet waard was de Vandergaarts Kopjesmijn te bezitten, of beter

gesproken, gij zoudt haar dan niet bezitten. Want, wel beschouwd, denkt

gij dat die mijn mij uit de wolken in de hand is komen vallen? Gelooft

gij, dat ik noch beleid, noch geestkracht, noch bedrijvigheid heb

moeten ontwikkelen om haar op te sporen, maar vooral om mij den

eigendom er van te verzekeren?.... Welnu, mijnheer Méré, dat beleid,

dat ik in die gedenkwaardige en beslissende oogenblikken heb getoond

te bezitten, dat beleid zit bij al de daden mijns levens voor,

en bovenal bij al mijne daden, die betrekking op de toekomst mijner

dochter hebben!.... Daarom herhaal ik: schrap de hoop op een huwelijk

met Alice in uwe papieren door!.... Alice is niet voor u bestemd!"

En bij die afdoende uitspraak greep Mr. Watkins zijn glas en ledigde

het in één teug.

De jonge ingenieur, geheel ter neergeslagen, scheen niet te kunnen

antwoorden. Toen de ander dat zag, ging hij min of meer sarrend voort:

"Gij Franschen zijt verwonderlijke kerels. Gij staat voor niets en

twijfelt aan niets, op mijn woord. Wat! gij komt hier zoo onverwachts

uit het binnenste van Grikwaland aan, alsof gij uit de maan gevallen

waart; gij ontmoet een eenvoudig man, die nooit uwen naam gehoord

heeft, die drie maanden geleden nooit over u heeft hooren spreken, die

u zeker geen tienmaal gezien heeft in die negentig dagen. Gij zoekt hem

op en zegt hem: John Stappleton Watkins, gij bezit eene bekoorlijke

dochter, die goed opgevoed is en algemeen als de kostbaarste parel

van het geheele land erkend wordt, en die,--wat volstrekt niet

onaangenaam is--uwe eenige erfgename is wat betreft den eigendom van

de Vandergaarts Kopjes-mijn, van de rijkste mijn niet alleen van dit

land, maar van de geheele wereld. Ik, ik ben de heer Cyprianus Méré,

afkomstig van Parijs en van beroep ingenieur. Ik heb vier duizend

acht honderd francs inkomen!.... Gij zult mij als-je-blieft dat jonge

meisje ten huwelijk geven, opdat ik haar naar mijn land kunne voeren

en opdat gij niet meer over haar zoudt kunnen hooren spreken, tenzij

gij zoudt willen rekenen den brief of het telegram, dat gij zoo nu

en dan eens zoudt mogen ontvangen!..... En gij vindt dat alles zeer

natuurlijk!..... Ik vind 't dol!"

Cyprianus was doodsbleek van zijn stoel opgestaan. Hij greep zijn

hoed en maakte zich gereed heen te gaan.

"Ja, dol!.... uiterst dol!...." herhaalde de pachter. "O, ik ben

niet gewoon de pil, die ik te slikken geef, te vergulden. Ik ben een

Engelschman van den ouden stempel, mijn waarde heer! Zooals ge mij daar

ziet, ben ik veel armer geweest, ja, veel armer dan gij nu zijt. Ik

heb zoo wat alle ambachten bij de hand gehad! Ik was scheepsjongen

van een koopvaardijschip, buffeljager in Dakota, mijnwerker in

Arizona, herder in de Transvaal!.... Ik heb kennis met de hitte,

met de kou, en vooral met de vermoeienis gemaakt. De beschuitkorst,

die mij gedurende twintig jaren tot middagmaal strekte, verkreeg ik

niet dan ten koste van menigen zweetdruppel! Toen ik wijlen mistress

Watkins, de moeder van Alice, de dochter van een Boer van Franschen

oorsprong [2], huwde, toen bezaten wij met ons beiden niet zooveel

om eene geit te kunnen onderhouden! Maar ik heb gewerkt!.... Ik heb

den moed niet verloren!.... Thans ben ik rijk, en wil ik van mijn

arbeid genieten!.... Het is mijn plan om mijne dochter bij mij te

houden,--om vooral mijn pootje te verzorgen en om des avonds muziek

voor mij te maken, als ik mij verveel!.... Als zij ooit trouwt, dan

zal zij hier trouwen met een kerel van het land, die zoo rijk is als

zij zelve, die pachter of mijnwerker is, zooals wij het hier allen

zijn, en die er niet van reppen zal om elders te gaan leven als een

schooier op eene derde verdieping, in een land, waarin ik nooit een

voet wensch te zetten. Zij zal bij voorbeeld met James Hilton of met

een anderen kerel van gelijken stempel huwen.... De trouwlustigen,

die naar hare hand dingen, ontbreken niet, dat verzeker ik u! Ik

wensch tot schoonzoon een echten Engelschman, die voor een glas gin

niet vervaard is, en die mij onder het genot van een duchtigen slok

bij het rooken eener pijp gezelschap zal willen houden!"

Cyprianus had reeds de hand aan de kruk van de deur. Hij stikte bijna

in dat vertrek.

"Gij zijt toch niet boos, hoop ik?" riep hem mr. Watkins achterna. "Ik

heb volstrekt niets tegen u, mijnheer Méré; integendeel, ik mag u

wel lijden, en ik zal steeds verheugd zijn u te mogen zien, hetzij

dan als huurder of als vriend!... Kijk, wij wachten juist heden avond

eenige personen ten eten..... Als gij wilt, wees dan ook onze gast!..."

"Neen, dank u, mijnheer!" antwoordde Cyprianus koel. "Ik heb mijne

brieven vóór het vertrek van de post nog te sluiten."

Toen hij heengegaan was, bromde mr. Watkins, terwijl hij zijne pijp met

een stuk geteerd touw aanstak, dat tot dit doeleinde steeds smeulende

gehouden werd en zich in de onmiddellijke nabijheid zijner hand bevond:

"Dolle, dolle kerels, die Franschen!"

En daarop schonk hij zich een groot glas boordevol met gin in.

TWEEDE HOOFDSTUK.

IN DE DIAMANTVELDEN.

Wat de jonge ingenieur nog wel het meest vernederend vond in het

antwoord, dat mr. Watkins hem gegeven had, was dat hij niet kon nalaten

hem, in weerwil van den ruwen vorm, waarin dat antwoord gegoten was,

gelijk te geven. Het verwonderde hem zelfs, nu hij er over nadacht,

dat hij de tegenwerpingen van den pachter niet voorzien en dat hij

zich aan een dergelijk blauwtje blootgesteld had.

Zooveel is zeker, dat hij tot heden niet aan den afstand gedacht

had, dien het verschil van vermogen, van ras, van opvoeding,

van bewegingskring tusschen het jonge meisje en hem daargesteld

hadden. Gewoon als hij sedert vijf of zes jaren was, de mineralen

slechts uit een wetenschappelijk oogpunt te beschouwen, waren de

diamanten slechts koolstof-monsters, ter nauwernood goed om in

het museum van de Mijnschool te prijken. Daarenboven, omdat hij,

uit een maatschappelijk oogpunt beschouwd, in Frankrijk zich op

een hooger standpunt geplaatst achtte dan dat der Watkins, had

hij de onmetelijke koopmanswaarde van de rijke diamantmijn, die

het bezit des pachters was, geheel en al uit het oog verloren. Geen

oogenblik was het hem in de gedachte opgekomen, dat er werkelijk een

aanmerkelijke afstand bestond tusschen de dochter van den eigenaar

van de Vandergaarts-Kopjes-mijn en een Fransch ingenieur. En zou

ook die gedachte bij hem opgekomen zijn, dan, met zijne Parijsche

levensopvattingen en in zijne hoedanigheid van oudleerling der

Polytechnische School, zou hij gemeend hebben, dat hij op het punt

was een huwelijk beneden zijn stand aan te gaan.

De barre toespraak van Mr. Watkins schrikte hem pijnlijk uit die

droombeelden wakker. Cyprianus bezat te veel gezond verstand om de

degelijke argumenten van den pachter niet naar waarde te schatten;

ook om zich niet nijdig te maken over een vonnis, dat hij in den

grond billijk moest noemen.

Dit belette evenwel niet dat de slag, die hem trof, raak, pijnlijk

raak was. En nu hij gedwongen was, van het denkbeeld om Alice de

zijne te noemen af te zien, gevoelde hij plotseling hoe dierbaar zij

hem in die drie maanden geworden was.

Het was inderdaad nog slechts drie maanden geleden, dat Cyprianus

Méré in Grikwaland was gekomen en het jonge meisje had leeren kennen.

Wat was dat al lang geleden en wat was dat al ver verwijderd! Hij

herinnerde zich toch nog zeer goed dat hij den eindpaal van zijne lange

reis van het eene halfrond naar het andere op een uiterst warmen en

stoffigen dag bereikte.

Hij was ontscheept te zamen met zijn vriend Pharamond Barthès, een

oude schoolmakker, die voor de derde maal in Zuid-Afrika kwam jagen

en die hem aan de Kaap vaarwel gezegd had. Die Pharamond Barthès

was naar het Basuto-land getrokken, alwaar hij hoopte een troepje

negerkrijgslieden aan te werven, dat hem gedurende zijne jachttochten

zoude vergezellen. Wat Cyprianus betrof, die had plaats besproken

en genomen in den waggon of de kar met veertien paarden bespannen,

die den postwagendienst in die streken verrichtte, en had zoo de reis

naar de Diamantvelden ondernomen.

Zes of zeven groote kisten--bevattende een compleet scheikundig

laboratorium en eene mineralogische verzameling, waarvan hij ongaarne

gescheiden zoude zijn--vormden het bagage-materiaal van den jeugdigen

geleerde. Maar de vorenbedoelde postwagen liet slechts vijftig

kilogrammen passagiersgoed toe, zoodat hij genoodzaakt was geweest

die kostbare kisten toe te vertrouwen aan een kar met ossen bespannen,

die ze met een voorwereldsche langzaamheid naar Grikwaland zou brengen.

De bedoelde postwagen was een groote _Jan pleizier_, die twaalf

zitplaatsen bevatte en door een tent van zeildoek gedekt was. Hij stond

op vier verbazend groote wielen, die voortdurend nat gehouden werden

door het water der beken en rivieren, die doorwaad en doorgetrokken

moesten worden. De paarden waren twee aan twee gespannen en werden

soms door muildieren versterkt.

Een tweetal koetsiers, die naast elkander op den bok zaten, menden

hen met groote behendigheid. Een daarvan hield de teugels, terwijl

de andere de zeer lange zweep van bamboe voerde, die veel weghad van

een hengelstok en niet alleen gebruikt werd om de aangespannen dieren

aan te wakkeren, maar ook om hen te geleiden, den weg te wijzen.

De weg voerde langs Beaufort, een fraaie kleine stad, aan den voet

van het gebergte Nieuweveld gebouwd, overschreed die bergketen,

leidde langs Victoria, vervolgens langs Hope-town--eigenaardige naam,

die "stad der hoop" beteekent--die aan den oever der Oranje-rivier

gelegen is, om zich van daar naar Kimberley te richten en naar de

voornaamste diamant-ontginningsplaatsen, die er slechts weinige mijlen

van verwijderd liggen.

Dat was eene moeilijke en eentonige reis, die acht of negen dagen

duurde, door dat naakte landschap. Wat men te zien krijgt, stemt

slechts tot droefgeestigheid. Roodachtige vlakten, die met steenen

als bezaaid waren, grijze rotsbanken, die aan de oppervlakte van den

bodem kwamen uitkijken, een stekelig, geel en spaarzaam grasgewas

eenige teringachtige struikjes, ziedaar alles. Er waren noch bebouwde

akkers, noch natuurtafereelen te bewonderen! Van afstand tot afstand

werd eene bouwhoeve opgemerkt, waarvan de bewoner, bij de toewijzing

van den door hem gepachten grond, van het Koloniaal Gouvernement de

opdracht ontving, om gastvrijheid aan de reizigers te verleenen. Die

gastvrijheid wordt evenwel zoo eenvoudig mogelijk beoefend. In

die zonderlinge herbergen worden noch bedden voor de menschen, noch

stroolegering voor de paarden aangetroffen. Men vindt er ter nauwernood

eenige blikken verduurzaamde levensmiddelen, die verscheidene malen de

reis rondom de wereld afgelegd hebben en die met goud betaald worden!

Daaruit volgt dus, dat om te voorzien in de voeding der trekdieren,

deze eenvoudig op de vlakte losgelaten worden, alwaar zij zich moeten

behelpen met het zoeken van eenig schaars voorkomend gras tusschen

de keisteenen. Een ander gevolg daarvan is, dat wanneer men weer

wil vertrekken, die beesten eerst opgevangen moeten worden, hetgeen

groote moeite en een aanmerkelijk tijdverlies veroorzaakt. En welke

schokken worden in zoo'n oorspronkelijk vervoermiddel op die nog

oorspronkelijker wegen ondervonden! De zitbanken zijn gewoonlijk de

bovenvlakken van houten koffers, die voor de opberging van kleine

benoodigdheden dienen en waarop het zitvlak van den ongelukkigen

reiziger, die daarmede vervoerd wordt, de werkzaamheden van

vijzelstamper gedurende een lange week verricht. In zoo'n kast is

het onmogelijk te lezen, te slapen, zelfs te praten. Daarentegen

rooken de reizigers nacht en dag als fabrieksschoorsteenen, drinken

als tempeliers, en voegen daarbij de aangename bezigheid om veel en

herhaaldelijk te spuwen.

Zoo bevond zich Cyprianus Méré in dat vervoermiddel met een uitgezocht

zoodje van die vlottende bevolking, die van alle oorden van den

aardbol komt opdagen, zoodra er sprake is van nieuw gevonden goud- of

diamantmijnen. Er bevond zich een loslendige Napolitiaan in met lange

zwarte haren, met een echt perkament-gezicht, met oogen om bang van te

worden, en die vertelde dat hij Hannibal Pantalucci heette; verder een

Portugeesche jood, wiens naam Nathan was, een echte diamant-kenner,

die zich in zijn hoekje zeer stil hield en het menschelijk gewriemel

met wijsgeerigheid beschouwde; dan nog een mijnwerker van Lancashire,

Thomas Steel genaamd, een lange lummel met rooden baard en stevige

heupbeenderen, die de steenkolen-mijnen ontvlucht was om zijn

gelukkig gesternte in Grikwaland te beproeven; verder een Duitscher,

Herr Friedel, die steeds machtspreukig als een orakel sprak, en

altijd alles wist wat op de ontginning der diamanthoudende terreinen

betrekking had, hoewel hij nimmer een enkelen diamant gezien, veel

minder bezeten had; ook nog een Yankee met fijn gevormde lippen,

die slechts samenspraken hield met zijne lederen veldflesch en die

waarschijnlijk in de ontginningsvelden een drankwinkeltje kwam openen,

waarin de meeste verdiensten van den mijnwerker zouden verdwijnen;

dan nog een pachter afkomstig van de boorden van de Hart-rivier, een

Boer van den Oranje-Vrijstaat; een ivoorhandelaar, die naar het land

der Namakken trok; twee kolonisten uit de Transvaal, en een Chinees,

die Li heette, zooals een achtenswaardig Chinees betaamt. Die allen

vormden het meest uiteenloopend, het meest verschillend en het meest

luidruchtig gezelschap, dat ooit een fatsoenlijk man op zijn weg

heeft kunnen ontmoeten.

Na een oogenblik hunne gelaatstrekken opgenomen en zich met hunne

manieren en gewoonten vermaakt te hebben, begon dat Cyprianus ook

te vervelen. Alleen Thomas Steel met zijne krachtige geaardheid en

zijn openhartigen lach, en de Chinees Li niet zijne zachtaardige

en kat-achtige bewegingen konden hem boeien en belangstelling

inboezemen. De Napolitaan daarentegen met zijne akelige geestigheden

en met zijne galgentronie, boezemde hem een onoverwinnelijk gevoel

van afkeer in.

Een der meest gewaardeerde grappen van dien Italiaan bestond gedurende

twee of drie dagen daarin, dat hij aan den haarstaart, dien de Chinees

volgens de gewoonte van zijn land op den rug droeg, allerhande dwaze

zaken vastbond, als bossen gras, koolstronken, een koeienstaart,

een paardenschouderblad, dat hij in de vlakte opgeraapt had, enz.

Li knoopte, zonder zich verontwaardigd te toonen, die dingen los,

welke zijn reeds langen staart noodeloos verlengden, wierp ze weg,

maar toonde noch door woord, noch door gebaar, zelfs door geen blik,

dat het hem voorkwam, dat die grappen de grenzen der gepastheid

overschreden. Zijn geelachtig gelaat en zijne kleine scheefstaande

oogen bleven onverstoorbaar kalm, alsof hij geheel vreemd was aan

hetgeen rondom hem voorviel. Waarlijk, men zou geloofd hebben dat

hij geen enkel woord verstond van hetgeen in die arke Noach's, die

op reis naar Grikwaland was, gesproken werd.

Dit gaf aanleiding dat Hannibal Pantalucci aan zijn grappen nog

toespelingen in gebrekkig Engelsch toevoegde, die geheel en al den

man van lage afkomst kenmerkten.

"Denkt hij dat zijne geelzucht besmettelijk zoude zijn?" vroeg hij

hardop aan een zijner medereizigers.

Of ook:

"Had ik maar eene schaar in mijn bezit om hem zijn staart af te

knippen, dan zoudt gij eens zien welk gezicht hij zetten zou!"

De reizigers lachten dan; maar wat hunne vroolijkheid nog vermeerderde,

was dat de Boeren van het gezelschap steeds eenigen tijd noodig

hadden om de snakerij van den Napolitaan te begrijpen, eindelijk in

een luid gelach uitbarstten, hetgeen dan een geheele poos na dat van

de anderen weerklonk.

Het begon Cyprianus eindelijk te ergeren, dat de arme Li steeds voor

zondebok gekozen werd. Hij merkte Pantalucci dan ook op, dat zijn

gedrag niet edelmoedig genoemd kon worden. Deze zou ongetwijfeld

die opmerking met eene onbeschoftheid beantwoord hebben, toen Thomas

Steel tusschen beiden trad, waardoor hij zijne beleediging voorzichtig

weerhield.

"Neen," sprak de brave Engelschman, "dat is geen eerlijk spel, zoo

met dien armen drommel om te springen, die niet eens verstaat wat

gij zegt!"

En de ronde kerel had er waarachtig spijt van, dat hij met de anderen

meegelachen had.

De zaak bleef dus daarbij. Maar weinige oogenblikken later merkte

Cyprianus niet zonder bevreemding op, dat de Chinees een slimmen

blik op hem vestigde, die wel is waar lichte spotternij verried,

maar ook van dankbaarheid getuigde. Toen kwam de gedachte bij hem op,

dat Li misschien meer van het Engelsch verstond, dan hij wel wilde

laten voorkomen.

Maar te vergeefs poogde hij op de volgende pleisterplaats een

gesprek met hem te beginnen. Het was onmogelijk een woord uit hem

te krijgen. De Chinees bleef onwrikbaar stom. Van toen af wekte dat

vreemdsoortig wezen de belangstelling van den jongen ingenieur op. Het

was hem alsof die man een raadsel was, waarvan hij de oplossing moest

vinden. Cyprianus bestudeerde dan ook zeer dikwijls dat geelachtige,

gladde, baardelooze gelaat; dien mond, die als door den houw van een

sabel gevormd scheen en bij het openen zeer witte tanden liet zien;

dien kleinen korten bekervormigen neus; dat breede voorhoofd, die

schuinstaande oogen, die bijna altijd neergeslagen waren, alsof zij

eene listige uiting wilden verbergen.

Hoe oud zou Li kunnen zijn? Was hij vijftien of telde hij zestig

jaren? Dit was onmogelijk uit te maken. Duidden zijne tanden, zijn

blik, zijn gitzwarte haren op eene prille jeugd, van een anderen kant

wezen de rimpels op zijn voorhoofd, zijne wangen, zijne mondhoeken

op een reeds gevorderden leeftijd. Hij was klein van stuk, slank

en van uitzicht vlug, evenwel met de oudachtige bewegingen van eene

bejaarde vrouw.

Was hij rijk of was hij arm? Dat was eene andere vraag, welker

beantwoording ook twijfel kon verwekken. Zijn grijslinnen broek,

zijn geelkatoenen kiel, zijn pet van gevlochten koord, zijne schoenen

met vilten zolen, die vlekkeloos witte kousen bedekten, konden zoowel

een eerste-klasse-mandarijn toebehooren als een man des volks. Zijne

bagage bestond uit een eenigen koffer, van rood hout vervaardigd,

op welks deksel, met zwarten inkt geschreven stond:

H. Li

from Canton to the Cape,

wat vertaald beteekent: H. Li, van Canton naar de Kaap.

Die Chinees was bovendien uitermate zindelijk, hij rookte niet, dronk

slechts water en benuttigde ieder oogenblik op de pleisterplaatsen

om zijn hoofd met de grootste zorgvuldigheid te scheeren. Cyprianus

kon er niet meer van te weten komen en gaf het weldra op dit levende

vraagstuk te ontraadselen.

Intusschen gingen de dagen voorbij en volgde de eene mijl op de

andere. Soms repten de paarden zich bijzonder. Een anderen keer

scheen het onmogelijk om hen den stap te doen versnellen. Maar de

reis raakte zoo langzamerhand aan haar einde, en op een fraaien dag

kwam de vervaarlijke postwagenkast te Hope-town aan. De volgende

pleisterplaats, die voorbijgetrokken werd, was Kimberley. Toen

verschenen houten hutten aan den gezichteinder.

Dat was New-Rush.

Daar verschilde het kamp der mijnwerkers in niets met die voorloopige

steden, in welke streken der aarde ook, door de beschaving opgebouwd

en die als door tooverij of als paddestoelen uit den grond verrijzen.

Planken gebouwen, meerendeels zeer klein en niet ongelijk aan de

huisjes en hutten der baanwachters langs Europeesche spoorwegen of

bij Europeesche werkplaatsen, hier en daar eenige tenten, eenige

dozijnen koffie- en drankhuizen, een biljartzaal, een Alhambra

of danszaal, "stores" of algemeene magazijnen van de eerste

levensbenoodigdheden,--ziedaar wat het oog het eerst ontdekte.

Er was van alles te koop in die winkels, kleederen en meubels,

schoenen en vensterglazen, boeken en rijzadels, wapenen en stoffen,

bezems en jacht- en krijgsbenoodigdheden, wollen dekens en sigaren,

versche groenten en geneesmiddelen, ploegen en fijne toiletzeepen,

nagelborstels en verduurzaamde melk, keukenkachels en steendrukplaten,

in één woord: er was alles, behalve koopers.

De reden daarvan was dat de bevolking zich nog op het mijnterrein

bevond, dat nog drie- of vierhonderd meters van New-Rush verwijderd

lag.

Cyprianus deed wat alle nieuw aangekomenen deden: hij spoedde zich naar

de mijnen, terwijl men het middagmaal toebereidde in de eenvoudige hut,

die met den hoogdravenden naam van _Hotel Continental_ begiftigd was.

Het was ongeveer zes uren in den namiddag. De zon begon zich reeds bij

den horizon met eene vergulde tint te omringen. De jonge ingenieur

merkte een keer te meer op de overgroote middellijn, welke zoowel

de dagvorstin als de maan onder deze zuidelijke breedten aanneemt,

zonder dat daarvan vooralsnog eene voldoende verklaring is kunnen

gegeven worden. Die middellijn scheen wel dubbel zoo groot te zijn

als die in Europa waargenomen wordt.

Maar een ander en meer nieuw schouwspel wachtte Cyprianus Méré bij

de Kopjes-mijn, namelijk op het terrein der diamantdelving zelf.

Bij den aanvang der werkzaamheden vormde de mijn een kleinen

platkoppigen heuvel, die de vlakte, welke overal elders zoo

gelijk als de oppervlakte der zee was, op deze plek als met een

bult opschikte. Thans evenwel vertoonde die bult eene onmetelijke,

uitholling met trechtervormig toeloopende wanden, een soort van circus

van elliptischen vorm, die eene oppervlakte besloeg van ongeveer

veertig vierkante meters. Die oppervlakte bevatte niet minder dan

drie- of vierhonderd "claims" of mijnvergunningen, die eenendertig

voet zijden matten en die door de rechthebbenden naar eigen goedvinden

ontgonnen werden.

De arbeid bestaat doodeenvoudig daarin, dat de aarde met pikhouweel en

schop uit dien bodem, die over het algemeen uit een soort roodachtig

zand vermengd met puin bestaat, losgewerkt wordt. Dan wordt die

aarde buiten de mijnboorden gebracht en verder naar de uitzoek-tafels

vervoerd, om daar uitgewasschen, gestampt, gezeefd en met de grootste

zorg uitgezocht te worden, om te zien of zij geen kostbare gesteenten

bevat.

Al die claims zijn onafhankelijk van en zonder verbinding met elkander

gegraven, en vormen natuurlijk kuilen van verschillende diepte. Er

zijn er die honderd meter en dieper bereiken, anderen peilen slechts

vijftien, twintig of dertig meter.

Ieder begiftigde is ter wille van den arbeid, ook van het vrije

verkeer in de mijn, door de officiëele reglementen verplicht langs

een der zijden van zijn put eene breedte gronds van zeven voet geheel

onaangeroerd te laten. Die ruimte, vermeerderd met een gelijke breedte

langs den put van den buurman, spaart eene soort weg of dijk uit,

die de oppervlakte van den oorspronkelijken bodem uitmaakte.

Dwars over dien dijk of banket wordt eene opeenvolging van balken

gelegd, die aan weerszijden ongeveer een meter uitsteken en daardoor

eene voldoende breedte daarstellen, dat twee wagentjes elkander zonder

gevaar van aanhaking kunnen voorbijrijden.

Ongelukkig voor de stevigheid van dien hangweg, en ook voor de

veiligheid der mijnwerkers, gaan de meeste der concessionarissen er

toe over den grond, die den voet van den muur vormt, trapsgewijze

uit te steken naarmate de uitgravingen dieper vorderen, zoodat de

vorenbedoelde balken, die soms boven eene dubbele hoogte van die der

torens van de O.L. Vrouwekerk te Parijs uitsteken, eigenlijk op het

grondvlak liggen eener piramide, die op hare punt zou rusten. Het

gevolg van zulk een gevaarlijke manier van werken is gemakkelijk te

voorzien, namelijk dat die dijken veelvuldig, hetzij in den regentijd,

hetzij bij plotselinge temperatuurswisselingen, waardoor barsten in den

grond ontstaan, instorten. Maar die schier regelmatig terugkeerende

ongelukken verhinderen de onvoorzichtige mijnwerkers niet, hun claim

tot aan den uitersten grenswand uit te graven.

Toen Cyprianus de mijn naderde, zag hij niets anders dan karren,

geladen of ledig, die langs die hangwegen voortreden. Maar toen hij

genoegzaam tot den rand genaderd was om den blik in de mijn te laten

doordringen, toen bespeurde hij daar eene menigte mijnwerkers van ieder

ras, van iedere kleur, van iedere kleeding, die met ijver beneden in

die claims arbeidden. Daar waren negers en blanken, Europeanen en

Afrikanen, Mongolen en Celten, het meerendeel bijna totaal naakt,

of slechts met een linnen broek of een flanellen of katoenen hemd

gekleed, terwijl zij op het hoofd breedrandige stroohoeden droegen,

die veelal met struisvederen getooid waren.

Al die mannen vulden lederen emmers met aarde en heschen die

vervolgens door middel van koorden van koevellen vervaardigd langs

dikke ijzerdraadkabels, die door groote houten cilinders in beweging

werden gebracht, op naar den rand der mijn. Daar werden die emmers zoo

spoedig mogelijk in karren geledigd en daalden weer in den claim af,

om andermaal gevuld naar boven gehaald te worden.

Die lange ijzeren kabels waren diagonaalsgewijze in de

parellelopipedums gespannen, die door de claims gevormd werden, en

verleenden aan de "dry diggings" of aan de zoogenaamde diamantmijnen

in den drogen grond een bijzonder uitzicht en karakter. Men zou gezegd

hebben dat het de hoofddraden waren van een monster-spinneweb, waarvan

de vervaardiging plotseling gestoord en onderbroken was geworden.

Cyprianus schepte een poos vermaak in het beschouwen van dat

menschelijke mierennest. Daarna keerde hij naar New-Rush terug, waar

de klok, die de gasten aan tafel riep, zich weldra liet hooren. Daar

smaakte hij het genoegen, den geheelen avond hier en daar te hooren

snoeven op wonderbaarlijke vondsten, mijnwerkers die arm als job

waren, maar die door het vinden van een enkelen diamant schatrijk

geworden waren, terwijl anderen slechts pruttelden over hun ongelukkig

gesternte, over de schraapzucht der handelaren, over de trouweloosheid

der Kaffers, die in de mijnen te werk gesteld waren en die kostbare

steenen stalen, en andere dergelijke technische gesprekken. Men sprak

slechts over diamanten, over karaten en over honderden ponden sterling.

Iedereen zag er over het algemeen in die streek ellendig uit, en

tegenover een enkelen gelukkigen digger, die met snoevende stem een

flesch champagne bestelde om op zijn welslagen een lekker glas te

drinken, zag men zeker twintig lange gezichten, waarvan de weemoedige

eigenaars zich met een dun en schraal bier vergenoegden.

Nu en dan ging er een steen rond de tafel van hand tot hand, om

gewogen, beoordeeld en geschat te worden, en om eindelijk terug te

keeren in den gordel van zijn bezitter. Die grijsachtige en doffe

keisteen, die niet meer glans vertoonde dan een gewone silex, die

door een beek of bergstroom gerold zoude zijn, was de diamant in zijn

omhulling of ganggesteente.

De koffiehuizen vulden zich tegen het vallen van den avond, en dan

werden dezelfde gesprekken, dezelfde twistredenen als die, welke het

etensuur verlevendigd hadden, vernomen, terwijl de bezoekers hun glas

gin of brandy verorberden.

De Zuidster, het land der diamanten · 第 1 / 21 段