In den Egyptischen tempel, in de nabijheid van de Apis-graven, waren
zoomin als in het Grieksche Serapeum, de vreemde geluiden, die de
kalmte van den nacht hadden verstoord, onopgemerkt gebleven. Doch er
heerschte weder volmaakte stilte in de doodenstad, toen eindelijk
de groote poort van het heiligdom van Osiris-Apis werd geopend,
en eene kleine priesterschaar, geordend als bij eene processie, en
voorafgegaan van tempeldienaars, die men met offermessen en bijlen
gewapend had, naar buiten trad.
Publius en Klea, die bij het hoofd van hun gestorven vriend gezeten,
trouw waakten voor zijn lijk, zagen hen komen. "Het zou toch nog
minder betamelijk zijn geweest," zeide de eerste, "u in dezen nacht,
zonder mijn geleide, naar een der tempels te zenden, dan onzen armen
vriend hier onbewaakt te laten liggen."
"En ik herhaal nog eens," zeide Klea met nadruk, "dat wij de
mogelijkheid, om Serapion's laatsten wensch in zijn geest te vervullen,
zouden verspeeld hebben, wanneer een hyena of een jakhals zijn lijk
in onze afwezigheid zou hebben geschonden. Ik ben zoo blijde dat ik
den dooden vriend ten minste bewijzen kan, hoe dankbaar ik hem ben
voor al het goede, dat hij aan ons, zoolang wij leefden, bewezen
heeft. Waarlijk den afgestorvene mogen wij erkentelijk zijn, want
hoe plechtig en schoon was deze ure bij zijn lijk! Onrust en strijd
hebben ons saamgebracht...."
"En hier," zeide Publius, het woord nemende, "hebben wij een goeden
en duurzamen vrede gesloten voor ons leven."
"Ik neem dien gaarne aan," antwoordde Klea en sloeg de oogen neder,
"want ik ben de overwonnene."
"Gij hebt mij te voren bekend," hernam Publius, "dat gij nooit
ongelukkiger waart geweest, dan toen gij meendet u tegenover mij
sterk getoond te hebben; en ik zeg u, dat gij mij nooit zoo groot en
tegelijk zoo beminnelijk zijt voorgekomen, dan toen gij te midden van
uw zegepraal den slag verloren gaaft. Eene ure als deze doorleeft
men maar eens. Ik heb een goed geheugen, maar mocht ik haar ooit
vergeten, en ruw en driftig zijn, gelijk nu eenmaal mijne natuur
is, herinner mij dan aan deze plek en aan dien gestorvene daar,
en de ijskorst van mijn hart zal smelten, en ik zal mij voor den
geest brengen, dat gij eens bereid zijt geweest, uw leven voor mij
op te offeren. Ik zal het u gemakkelijk maken, want om den man te
eeren, die zijn leven voor u prijsgaf, en die in mijne plaats werd
vermoord, voeg ik--en dat zal ik ook in Rome niet veranderen--zijn
naam Serapion bij den mijne. Hij heeft ons als vader behandeld,
en daarom wil ik zijn aandenken zoo hoog in eere houden, als ware
ik zijn zoon geweest.--Het was mij altijd onverdraaglijk schulden
te hebben, maar hoe ik u, hetgeen gij heden voor mij gedaan hebt,
terugbetalen zal, dat begrijp ik thans niet. En toch zal ik gaarne
bereid zijn dagelijks en te ieder ure eene nieuwe gave der liefde
van u te ontvangen. Een schuldenaar, zegt men, is half een gevangene,
en daarom bid ik u uw overwinnaar genadig te behandelen."
Hij greep hare hand, streek haar de haren van het voorhoofd en raakte
het zacht met zijne lippen aan. Toen ging hij voort: "Ga nu met mij
mede, om den doode aan de priesters daar ginds over te geven."
Klea boog zich nog eens over het lijk van den kluizenaar heen, hing de
amulet, die hij haar op weg had medegegeven, om zijn hals, en volgde
toen zwijgend haren vriend. Zoodra zij de processie bereikt hadden,
deelde Publius den aanvoerder mede, hoe zij Serapion hadden gevonden,
en verzocht hem het lijk te laten weghalen en op de kostbaarste
wijze in het bij hun tempel behoorende huis, ter balseming voor de
begrafenis te laten gereed maken. Eenige tempeldienaars plaatsten
zich daarop bij het lijk om de wacht te houden en de optocht ging,
nadat men Publius verscheidene vragen had gedaan en ook het lijk van
den verslagen moordenaar was gevonden, naar den tempel terug.
Toen de beide geliefden weder alleen waren, greep Klea hartstochtelijk
de hand van Cornelius en zeide: "Gij hebt vriendelijke woorden tot
mij gesproken, en ik dank u daarvoor, doch ik ben gewoon oprecht te
zijn, en nog minder dan ieder ander zou ik u willen bedriegen. Wat
uwe liefde mij ooit zal geven, zal een geschenk voor mij zijn,
want gij zijt mij niets schuldig, maar ik u des te meer. Want gij
hebt, gelijk ik thans weet, mijne zuster gerukt uit de handen van den
machtigste hier in dit land, en toen ik vernam dat Irene u gevolgd was,
en dat moordenaars uw leven bedreigden, heb ik waarlijk geloofd, dat
gij het meisje verleid hadt om u als haren minnaar te volgen. Toen,
ja toen haatte ik u; toen--ik moet het bekennen--toen wenschte ik in
mijne schrikkelijke verblinding u den dood toe."
"Meent gij," vroeg Publius, "dat deze wensch mij zou krenken? Neen,
liefste, zij leert mij eerst recht, dat gij mij bemint, zooals ik
bemind wil zijn. Zulk een toorn, in zulk een toestand, is de donkere
schaduw der liefde, en is van haar even onafscheidelijk als van alles
wat werkelijk bestaat. Waar die schaduw wordt gemist, daar kan van
zoo iets geen sprake zijn, daar heeft men te doen met een vluchtig
droombeeld, met een schim, met een ijdel niets. Eene Klea kan niet
half beminnen, niet half haten. Maar evenals bij elke andere vrouw,
is er ook in u voor mij iets raadselachtigs. Hoe veranderde toch in
u de wensch, om mij te zien sterven, in het ontzettend besluit om u
voor mij te laten dooden?"
"Ik zag de moordenaars," antwoordde Klea, "en werd aangegrepen door
afschuw van hen en van hun voornemen, en van alles wat daarmede verwant
is. Ik wilde Irene's geluk niet verstoren, en ik beminde u toch nog
oneindig vuriger dan ik u haatte, en toen,--doch zwijgen wij daarvan!"
"Neen, zeg alles!"
"Toen kwam er een oogenblik...."
"Welnu, Klea?"
"Toen--ik heb die laatste uren, terwijl wij daar straks, weinig
sprekende, hand in hand bij het lijk van den armen Serapion zaten,
ten tweedenmale doorleefd--toen greep het middernachtelijk gezang
der priesters mij in de ziel, en toen ik onder de tonen van dit
vrome lied mijn hart verhief, was het mij alsof alles wat binnen in
mij was verstijfd en verhard, werd verzacht en verwarmd, en nieuwe
beweegkracht ontving. Ik moest weder denken aan al wat recht en goed
is, en snel vatte ik toen het besluit op, mij voor uw geluk en dat
van Irene op te offeren, en dat plan kon ik niet weer opgeven. Mijn
vader behoorde tot de leerlingen van Zeno...."
"En gij," zeide Publius, haar in de reden vallende, "wildet handelen
overeenkomstig de leer van de Stoa [26]. Ik ken haar ook, maar
vruchteloos zoek ik naar den deugdzame en wijze, die in staat zou
zijn te midden van den strijd des levens zóo te handelen, als die leer
voorschrijft, door de geheele zedenwet in alle deelen, zonder tegen een
enkel gebod te zondigen, als het ware vleesch en bloed te doen worden
en in zichzelven te belichamen. Hebt gij ooit gehoord van de zielsrust,
de gelatenheid en gelijkmoedigheid van den Stoïcijnschen wijze? Gij
kijkt alsof die vraag u beleedigde, maar gij hebt u volstrekt al deze
eigenschappen niet weten te verwerven, want ik heb u tegen elke van
deze zien zondigen. Zij zijn ook in strijd met het wezen der vrouw,
en, den goden zij dank, gij zijt geen Stoïcijn in vrouwengewaad,
maar eene vrouw in den waren zin des woords. Van Zeno en Chrysippus
hebt gij niets geleerd, behalve wat elke boerendeern van haren vader
leeren kan, ik bedoel, oprecht te zijn en de deugd lief te hebben. Laat
het daarbij blijven, ik ben daarmede meer dan tevreden."
"O Publius," zeide Klea, terwijl zij de hand van haren vriend vatte,
"ik versta u en weet dat gij gelijk hebt. Ongelukkig is de vrouw,
zoolang zij meent sterk van geest te zijn, en in den waan verkeert, dat
zij geen anderen steun noodig heeft, dan haar eigen willen en denken,
geen anderen raadsman dan een verstandig uitgedacht leerstelsel,
dat zij slechts heeft aan te nemen. Eer ik u bezat en trotsch op
mijn deugd mijn eigen weg ging, was ik--ik mag er thans niet meer aan
denken--slechts klein, terwijl ik me voor groot hield. Maar nu weet
ik, ook al mocht het noodlot u van mij wegnemen, den steun te vinden,
waarop ik mij in nood en vertwijfeling kan verlaten. Niet in de Stoa,
niet in zichzelve kan eene vrouw dien steun vinden, maar wel in vroom
vertrouwen op de hulp der goden."
"Ik ben een man," zeide Publius, even het woord nemende "en toch
offer ik hun en buig ik mij gewillig voor hunne raadsbesluiten."
"Doch ik zag," vervolgde Klea, "gisteren in den tempel van Serapis
door zijne dienaars onwaardige dingen bedrijven, en dat deed mij leed,
dat stuitte mij tegen de borst, en daardoor verloor ik de godheid
uit het oog; maar de diepste ellende, de innigste liefde deden mij
haar wedervinden. Ik kan mij de kracht, die de wereld onderhoudt,
niet meer zonder liefde, en de liefde, die de menschen zoo gelukkig
maakt, niet meer zonder godheid denken. Wie eens voor een dierbaar
wezen heeft gebeden, gelijk ik in de woestijn voor u, die verleert het
bidden nimmermeer. Zulk een smeekgebed is zeker niet te vergeefs. Ook
al is er geene godheid die het hoort, in het gebed zelf ligt toch
eene wonderbare versterkende kracht.--Nu ga ik bedaard naar onzen
tempel terug, tot gij mij afhaalt, want ik weet dat wijzen en goeden,
die weten te zwijgen, trouw over onze liefde waken."
"Gij wilt mij dus niet vergezellen naar Apollodorus en Irene?" vroeg
Publius verrast.
"Neen," antwoordde Klea vriendelijk, "breng mij liever naar het
Serapeum terug. Niemand heeft mij nog ontslagen van den plicht,
dien ik daar op mij nam en het zal voor ons beiden voegzamer zijn,
wanneer Asklepiodorus u de dochter van Philotas tot vrouw geeft,
dan wanneer gij u verbindt met eene geroofde dienares van Serapis."
Publius zag een oogenblik voor zich, daarna zeide hij op levendigen
toon: "Ik zou toch willen, dat gij met mij medegingt. Gij zult zwaar
vermoeid zijn, maar ik voer u op mijn muildier naar den beeldhouwer
Apollodorus. Aan de praatjes van de menschen stoor ik mij weinig,
wanneer ik mijzelven bewust ben goed te handelen. En voor Euergetes
zal ik u weten te beschermen, hetzij dat gij begeert weder in den
tempel toegelaten te worden, of mij naar den kunstenaar te volgen. Kom
nu mede, het valt mij te zwaar weder afscheid van u te nemen. De
overwinnaar legt zijn krans niet ter zijde, onmiddellijk nadat hij
dien in een zwaren strijd heeft gewonnen."
"Toch verzoek ik u mij naar het Serapeum terug te brengen," hernam
Klea, terwijl zij hare rechterhand in die van Cornelius legde.
"Vindt gij den weg naar Memphis te lang, en gevoelt gij u geheel
afgemat?"
"Ik ben zeer uitgeput van opwinding en angst, van smart en vreugde,
en toch zou ik den rit wel kunnen uithouden. Maar ik blijf bij mijn
verzoek mij naar den tempel terug te brengen."
"Niettegenstaande gij u krachtig genoeg gevoelt om mij te vergezellen,
en ondanks mijn verlangen om u terstond naar Apollodorus en Irene te
brengen?" vroeg Publius verwonderd, en trok zijne hand uit de hare
terug. "Daar beneden staat het muildier te wachten. Leun op mijn
arm. Kom en doe naar mijn wensch!"
"Neen, Publius, neen! Gij zijt mijn heer en altijd wil ik u gehoorzamen
zonder weerstand te bieden. Slechts in éen ding moet ge mij heden en
ook in het vervolg vrijlaten. Wat eene vrouw betaamt, weet ik beter
dan gij, dat kan alleen de vrouw beoordeelen."
Publius antwoordde niets op deze woorden, maar hij kuste haar, sloeg
zijn arm om haar midden en zóo zij aan zij wandelende, bereikten zij
de poort van het Serapeum, om daar voor weinige uren van elkander
afscheid te nemen.
Klea werd in den tempel binnengelaten, en zoodra zij gehoord had, dat
het den kleinen Philo beter ging, strekte zij zich op hare armoedige
legerstede uit. Hoe eenzaam scheen haar nu die kamer toe, hoe verlaten
zonder Irene? Eene ingeving van het oogenblik volgende, stond zij op
van haar eigen bed, legde zich op dat van Irene neder, alsof haar dit
nader bracht bij de thans ver van haar verwijderde zuster, en sloot
de oogen. Maar zij was te vermoeid en nog te opgewonden, om vast te
slapen. Allerlei droomen, die elkander snel afwisselden, verstoorden
telkens haar oprecht dankgebed en haren ongerusten slaap, en tooverden
haar nu eens wonderbaar schitterende, dan weder verschrikkelijke,
nu eens lieflijke en zalige, dan weder akelige en treurige beelden
voor den geest. Daarbij was het haar te moede, als hoorde zij muziek
in de verte en als wiegden onzichtbare handen haar op en neder. Het
indrukwekkend beeld van den Romein overheerschte alle andere.
Eindelijk sloot een verkwikkende slaap hare oogen. Zij droomde zich
in het huis van den geliefde te Rome. Zij zag zijn deftigen vader,
en zijne eerwaardige moeder, die op de hare scheen te gelijken, en
vele groote en strenge senatoren. Zij gevoelde zich beklemd onder al
deze vreemden, die haar vragend aankeken en vervolgens haar goedig
de hand reikten. Ook die edele matrone naderde haar vriendelijk en
omhelsde haar. Toen Publius echter zijne armen voor haar opende en
zij aan zijne borst vloog en zijne lippen op de hare meende te voelen,
klopte de dienstmaagd, die iederen morgen de ronde deed om te wekken,
aan hare deur, zoodat zij ontwaakte.
Ditmaal verheugde zij zich over haar droom en gaarne had zij langer
geslapen; maar zij vermande zich en stond van hare legerstede op,
en eer de zon geheel verrezen was, was zij aan de bron en vulde,
om haar plicht niet te verzuimen, beide kruiken met water voor het
altaar van den god. Vermoeid en nog slaapdronken zette zij de gouden
kruiken op hun plaats, en rustte aan den voet van een pilaar uit,
terwijl een priester het door haar aangedragen water als dankoffer
over den grond uitgoot.
Het was geheel dag geworden, toen zij daarna weder door de vele
zuilen van den tempelhal in den voorhof keek. Het pas opgegane
licht speelde om de zuilen, en zijne schuinsche stralen vielen door
de hooge poort in de zaal, waar het anders zoo schemerdonker was,
maar die zij nu tot aan het einde helder verlichtte. Hoe plechtig,
hoe verheven kwam haar nu deze plaats voor, die als opnieuw gewijd
scheen! Een onweerstaanbaren drang volgende, sprak zij, tegen een
pilaar geleund, met omhooggeheven armen en oogen, voor den god haar
dank uit, omdat hij zoo goed was geweest, en zij wist niet anders te
bidden dan dit éene, dat hij Publius en Irene en haar zelve en alle
menschen voor leed en kommer en misleiding bewaren mocht. Zij was
te moede alsof haar hart een donker lichaam was geweest, dat opeens
het vermogen had ontvangen om helder te lichten; alsof het verdord
was geweest en nu eene groeikracht had verkregen, die frisch groen
en schoone veelkleurige bloemen te voorschijn riep.
Het is ook hun vergund goed te handelen, die, op eigen krachten
steunende, met zedelijken ernst hunne krachten inspannen, om naar
de beginselen van recht en waarheid te leven; maar de deugd en het
waarachtig innerlijk geluk vieren het feest van hunne verbintenis
alleen in zulke harten, die een god weten te zoeken en te vinden,
hij moge dan Serapis of Jahveh heeten.
Aan de poort van het voorhof ontmoette Klea onverwachts Asklepiodorus,
die haar beval hem te volgen. De opperpriester had vernomen dat zij
heimelijk den tempel had verlaten. Toen zij in zijn stil vertrek
met hem alleen was, vroeg hij haar ernstig en gestreng, waarom zij
de wet overtreden en zonder zijne toestemming het heiligdom verlaten
had. Klea vertelde hem daarop, hoe de angst over hare zuster haar naar
Memphis had gedreven, en zij daar vernomen had, dat de Romein Publius
Cornelius Scipio, die zich de zaak van haar vader had aangetrokken,
Irene uit de handen van koning Euergetes gered en in veiligheid
gebracht had. Midden in den nacht was zij alleen teruggekeerd.
De opperpriester scheen zich over dit bericht te verheugen, en toen zij
verder mededeelde, dat Serapion uit bezorgdheid over haar zijne tent
verlaten en in de woestijn den dood gevonden had, zeide Asklepiodorus:
"Dit alles wist ik mijn kind. De goden mogen den kluizenaar vergeven,
en Serapis hem die zijn eed verbrak aan gene zijde des grafs genade
verleenen; het noodlot is aan hem vervuld. Maar voor u, meisje, hebben
betere sterren bij uwe geboorte geschenen, en het ligt in mijne hand u
ongestraft te laten. Gaarne doe ik het, en, Klea, als mijne Andromeda
groot wordt, hoop ik dat zij op u gelijken zal. Dit is de hoogste lof,
dien een vader aan de dochter van een ander geven kan. Als bestuurder
van dezen tempel beveel ik u, uwe kruik heden als altijd te vullen,
totdat iemand, die uwer waardig is, zich bij mij aanmeldt en u tot
vrouw begeert. Ik denk, dat hij zich niet lang zal laten wachten."
"Hoe weet gij, mijn vader..." vroeg Klea blozend.
"Ik lees het uit uwe oogen," antwoordde Asklepiodorus, en keek haar
vriendelijk na, toen zij op zijn wenk het vertrek verliet.
Zoodra hij alleen was, liet hij zijn schrijver roepen en zeide: "Koning
Philometor heeft bevolen, dat de geboortedag van zijn broeder Euergetes
heden te Memphis zal gevierd worden. Laat alle vanen hijschen en de
bloemkransen, die weldra uit Arsinoë zullen aankomen, aan de pylonen
bevestigen, de offerdieren naar buiten voeren, en tegen den namiddag
een optocht aankondigen. Alle tempelbewoners moeten in feestkleedij
zijn.--Maar nu wat anders. Komanus is hier geweest, en heeft ons in
den naam van koning Euergetes groote beloften gedaan en verklaard,
dat hij zijn broeder Philometor zou bestraffen, omdat hij een onzer
tempelgenooten, Irene, had geroofd. Hij laat ons tevens verzoeken
de kruikdraagster Klea, de zuster van de geroofde, naar Memphis te
zenden om verhoord te worden. Maar dat zal niet gebeuren. Ook heden
sluiten wij de tempelpoorten, vieren het feest onder ons en laten
niemand tot offerande of gebed binnen onze muren toe, tot het lot der
beide zusters verzekerd is. Al wilden de koningen zelve verschijnen
en hunne soldaten mede binnenvoeren, dan zullen wij hen eerbiedig
ontvangen, gelijk het betaamt, maar in plaats van hun Klea uit te
leveren, brengen wij haar in het Allerheiligste, dat zelfs Euergetes
niet waagt zonder mij te betreden. Want met onze jonkvrouw zouden
wij onze waardigheid en met haar onszelven prijs geven."
De schrijver boog en meldde daarop twee propheten van Osiris-Apis
aan, die Asklepiodorus wenschten te spreken. Klea had deze mannen,
toen zij den opperpriester verliet, in het voorvertrek ontmoet,
en opgemerkt dat de een den sleutel in de hand had, waarmede zij de
poort der Apis-graven geopend had. Zij verschrikte en voelde dat het
haar plicht was, den priesterlijken vriend terstond mede te deelen,
hoe slecht zij zijn last had uitgevoerd. De oude Krates zat, toen
zij bij hem binnentrad, met omzwachtelde voeten aan zijn werk en
verblijdde zich over haar komst, want bezorgdheid voor haar en Irene
had hem in zijn nachtrust gestoord, en tegen den morgen was zijne
vrees door een akelig droombeeld tot angst gestegen. Bemoedigd door
de vriendelijke begroeting van den anders zoo knorrigen grijsaard,
bekende Klea, dat zij verzuimd had den sleutel aan den smid in de
stad af te geven, dat zij de poort der Apis-graven daarmede geopend
en vergeten had dien weder uit het nieuwe slot te halen.
Toen hij dit hoorde vloog de oude in drift op, smeet het ijzeren
stangetje, dat hij met de vijl bewerkte, op zijn werktafel en riep:
"Zóo hebt gij u dus van uw last gekweten! Het was voor het eerst dat
ik eene vrouw vertrouwde, en nu heb ik mijn loon! Dit alles zal u en
mij slecht bekomen, en als zij te weten komen, dat door mijn schuld en
de uwe het heiligdom der Apis-graven ontwijd werd, zoo zullen ze mij
met recht allerlei boeten opleggen, en u straffen met gevangenschap
en honger."
"En toch, mijn vader," antwoordde Klea bedaard, "gevoel ik mij zonder
schuld, en misschien zoudt gij in den afgrijslijken toestand waarin
ik verkeerde, niet anders gehandeld hebben dan ik."
"Dat meent gij--dat durft gij gelooven?" zeide de oude man,
stotterend. "En als zij nu den sleutel en misschien ook het slot
gestolen hebben, en ik dit kunstig en moeitevol werk voor niet heb
gedaan?"
"Welke dief zou zich aan de heilige graven vergrijpen?" vroeg Klea
schuchter.
"Zijn ze dan zoo onschendbaar?" antwoordde Krates, met een
wedervraag. "Zulk een armzalig schepsel als gij zijt, heeft het zelfs
gewaagd ze te openen.--Doch wacht, wacht even; als mijne voeten mij
maar niet zooveel pijn deden..."
"Hoor mij," smeekte het meisje, terwijl zij den verbolgen smid
naderde. "Gij kunt zwijgen, dat hebt ge mij gisteren getoond. Als ik
u verteld zal hebben, wat ik in dezen nacht heb doorleefd en ervaren,
dan zult gij mij vergeven, dat weet ik zeker."
"Als ge u maar niet vergist!" zeide de smid. "Het moet wel iets
buitengewoons zijn, dat mij zou kunnen bewegen, zulk een plichtverzuim
en zulk een misdrijf ongestraft door de vingers te zien!"
En het was iets buitengewoons, dat de oude vernam, want toen Klea het
verhaal van alles, wat zij in den nacht had ondervonden, geëindigd had,
stonden hare oogen niet alleen maar ook die van den smid vol tranen.
"Die verdoemde beenen!" bromde hij, toen zijn oog den vragenden
blik van de jonkvrouw ontmoette, terwijl hij met de mouwen van zijn
kleed zijne vochtige wangen afdroogde. "Ja zulk een gezwollen voet
doet zeer, meisje, en zulk een kreupele als ik, is niet altijd van de
sterksten. Oude vrouwen worden soms mannen, en oude mannen vrouwen. Ja,
die ouderdom! Zulke voeten te hebben is erg, maar nog veel erger,
dat het geheugen met de jaren vermindert. Daar heb ik gisteren avond,
meen ik, den sleutel laten steken in de deur van de Apis-graven. Ik
zal dadelijk een boodschap naar Asklepiodorus zenden, opdat hij de
Egyptenaars van de overzijde, die aan mij verplichting hebben wegens
verschillende werken, uit mijn naam om verontschuldiging vrage."