DRIE-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

In den Egyptischen tempel, in de nabijheid van de Apis-graven, waren

zoomin als in het Grieksche Serapeum, de vreemde geluiden, die de

kalmte van den nacht hadden verstoord, onopgemerkt gebleven. Doch er

heerschte weder volmaakte stilte in de doodenstad, toen eindelijk

de groote poort van het heiligdom van Osiris-Apis werd geopend,

en eene kleine priesterschaar, geordend als bij eene processie, en

voorafgegaan van tempeldienaars, die men met offermessen en bijlen

gewapend had, naar buiten trad.

Publius en Klea, die bij het hoofd van hun gestorven vriend gezeten,

trouw waakten voor zijn lijk, zagen hen komen. "Het zou toch nog

minder betamelijk zijn geweest," zeide de eerste, "u in dezen nacht,

zonder mijn geleide, naar een der tempels te zenden, dan onzen armen

vriend hier onbewaakt te laten liggen."

"En ik herhaal nog eens," zeide Klea met nadruk, "dat wij de

mogelijkheid, om Serapion's laatsten wensch in zijn geest te vervullen,

zouden verspeeld hebben, wanneer een hyena of een jakhals zijn lijk

in onze afwezigheid zou hebben geschonden. Ik ben zoo blijde dat ik

den dooden vriend ten minste bewijzen kan, hoe dankbaar ik hem ben

voor al het goede, dat hij aan ons, zoolang wij leefden, bewezen

heeft. Waarlijk den afgestorvene mogen wij erkentelijk zijn, want

hoe plechtig en schoon was deze ure bij zijn lijk! Onrust en strijd

hebben ons saamgebracht...."

"En hier," zeide Publius, het woord nemende, "hebben wij een goeden

en duurzamen vrede gesloten voor ons leven."

"Ik neem dien gaarne aan," antwoordde Klea en sloeg de oogen neder,

"want ik ben de overwonnene."

"Gij hebt mij te voren bekend," hernam Publius, "dat gij nooit

ongelukkiger waart geweest, dan toen gij meendet u tegenover mij

sterk getoond te hebben; en ik zeg u, dat gij mij nooit zoo groot en

tegelijk zoo beminnelijk zijt voorgekomen, dan toen gij te midden van

uw zegepraal den slag verloren gaaft. Eene ure als deze doorleeft

men maar eens. Ik heb een goed geheugen, maar mocht ik haar ooit

vergeten, en ruw en driftig zijn, gelijk nu eenmaal mijne natuur

is, herinner mij dan aan deze plek en aan dien gestorvene daar,

en de ijskorst van mijn hart zal smelten, en ik zal mij voor den

geest brengen, dat gij eens bereid zijt geweest, uw leven voor mij

op te offeren. Ik zal het u gemakkelijk maken, want om den man te

eeren, die zijn leven voor u prijsgaf, en die in mijne plaats werd

vermoord, voeg ik--en dat zal ik ook in Rome niet veranderen--zijn

naam Serapion bij den mijne. Hij heeft ons als vader behandeld,

en daarom wil ik zijn aandenken zoo hoog in eere houden, als ware

ik zijn zoon geweest.--Het was mij altijd onverdraaglijk schulden

te hebben, maar hoe ik u, hetgeen gij heden voor mij gedaan hebt,

terugbetalen zal, dat begrijp ik thans niet. En toch zal ik gaarne

bereid zijn dagelijks en te ieder ure eene nieuwe gave der liefde

van u te ontvangen. Een schuldenaar, zegt men, is half een gevangene,

en daarom bid ik u uw overwinnaar genadig te behandelen."

Hij greep hare hand, streek haar de haren van het voorhoofd en raakte

het zacht met zijne lippen aan. Toen ging hij voort: "Ga nu met mij

mede, om den doode aan de priesters daar ginds over te geven."

Klea boog zich nog eens over het lijk van den kluizenaar heen, hing de

amulet, die hij haar op weg had medegegeven, om zijn hals, en volgde

toen zwijgend haren vriend. Zoodra zij de processie bereikt hadden,

deelde Publius den aanvoerder mede, hoe zij Serapion hadden gevonden,

en verzocht hem het lijk te laten weghalen en op de kostbaarste

wijze in het bij hun tempel behoorende huis, ter balseming voor de

begrafenis te laten gereed maken. Eenige tempeldienaars plaatsten

zich daarop bij het lijk om de wacht te houden en de optocht ging,

nadat men Publius verscheidene vragen had gedaan en ook het lijk van

den verslagen moordenaar was gevonden, naar den tempel terug.

Toen de beide geliefden weder alleen waren, greep Klea hartstochtelijk

de hand van Cornelius en zeide: "Gij hebt vriendelijke woorden tot

mij gesproken, en ik dank u daarvoor, doch ik ben gewoon oprecht te

zijn, en nog minder dan ieder ander zou ik u willen bedriegen. Wat

uwe liefde mij ooit zal geven, zal een geschenk voor mij zijn,

want gij zijt mij niets schuldig, maar ik u des te meer. Want gij

hebt, gelijk ik thans weet, mijne zuster gerukt uit de handen van den

machtigste hier in dit land, en toen ik vernam dat Irene u gevolgd was,

en dat moordenaars uw leven bedreigden, heb ik waarlijk geloofd, dat

gij het meisje verleid hadt om u als haren minnaar te volgen. Toen,

ja toen haatte ik u; toen--ik moet het bekennen--toen wenschte ik in

mijne schrikkelijke verblinding u den dood toe."

"Meent gij," vroeg Publius, "dat deze wensch mij zou krenken? Neen,

liefste, zij leert mij eerst recht, dat gij mij bemint, zooals ik

bemind wil zijn. Zulk een toorn, in zulk een toestand, is de donkere

schaduw der liefde, en is van haar even onafscheidelijk als van alles

wat werkelijk bestaat. Waar die schaduw wordt gemist, daar kan van

zoo iets geen sprake zijn, daar heeft men te doen met een vluchtig

droombeeld, met een schim, met een ijdel niets. Eene Klea kan niet

half beminnen, niet half haten. Maar evenals bij elke andere vrouw,

is er ook in u voor mij iets raadselachtigs. Hoe veranderde toch in

u de wensch, om mij te zien sterven, in het ontzettend besluit om u

voor mij te laten dooden?"

"Ik zag de moordenaars," antwoordde Klea, "en werd aangegrepen door

afschuw van hen en van hun voornemen, en van alles wat daarmede verwant

is. Ik wilde Irene's geluk niet verstoren, en ik beminde u toch nog

oneindig vuriger dan ik u haatte, en toen,--doch zwijgen wij daarvan!"

"Neen, zeg alles!"

"Toen kwam er een oogenblik...."

"Welnu, Klea?"

"Toen--ik heb die laatste uren, terwijl wij daar straks, weinig

sprekende, hand in hand bij het lijk van den armen Serapion zaten,

ten tweedenmale doorleefd--toen greep het middernachtelijk gezang

der priesters mij in de ziel, en toen ik onder de tonen van dit

vrome lied mijn hart verhief, was het mij alsof alles wat binnen in

mij was verstijfd en verhard, werd verzacht en verwarmd, en nieuwe

beweegkracht ontving. Ik moest weder denken aan al wat recht en goed

is, en snel vatte ik toen het besluit op, mij voor uw geluk en dat

van Irene op te offeren, en dat plan kon ik niet weer opgeven. Mijn

vader behoorde tot de leerlingen van Zeno...."

"En gij," zeide Publius, haar in de reden vallende, "wildet handelen

overeenkomstig de leer van de Stoa [26]. Ik ken haar ook, maar

vruchteloos zoek ik naar den deugdzame en wijze, die in staat zou

zijn te midden van den strijd des levens zóo te handelen, als die leer

voorschrijft, door de geheele zedenwet in alle deelen, zonder tegen een

enkel gebod te zondigen, als het ware vleesch en bloed te doen worden

en in zichzelven te belichamen. Hebt gij ooit gehoord van de zielsrust,

de gelatenheid en gelijkmoedigheid van den Stoïcijnschen wijze? Gij

kijkt alsof die vraag u beleedigde, maar gij hebt u volstrekt al deze

eigenschappen niet weten te verwerven, want ik heb u tegen elke van

deze zien zondigen. Zij zijn ook in strijd met het wezen der vrouw,

en, den goden zij dank, gij zijt geen Stoïcijn in vrouwengewaad,

maar eene vrouw in den waren zin des woords. Van Zeno en Chrysippus

hebt gij niets geleerd, behalve wat elke boerendeern van haren vader

leeren kan, ik bedoel, oprecht te zijn en de deugd lief te hebben. Laat

het daarbij blijven, ik ben daarmede meer dan tevreden."

"O Publius," zeide Klea, terwijl zij de hand van haren vriend vatte,

"ik versta u en weet dat gij gelijk hebt. Ongelukkig is de vrouw,

zoolang zij meent sterk van geest te zijn, en in den waan verkeert, dat

zij geen anderen steun noodig heeft, dan haar eigen willen en denken,

geen anderen raadsman dan een verstandig uitgedacht leerstelsel,

dat zij slechts heeft aan te nemen. Eer ik u bezat en trotsch op

mijn deugd mijn eigen weg ging, was ik--ik mag er thans niet meer aan

denken--slechts klein, terwijl ik me voor groot hield. Maar nu weet

ik, ook al mocht het noodlot u van mij wegnemen, den steun te vinden,

waarop ik mij in nood en vertwijfeling kan verlaten. Niet in de Stoa,

niet in zichzelve kan eene vrouw dien steun vinden, maar wel in vroom

vertrouwen op de hulp der goden."

"Ik ben een man," zeide Publius, even het woord nemende "en toch

offer ik hun en buig ik mij gewillig voor hunne raadsbesluiten."

"Doch ik zag," vervolgde Klea, "gisteren in den tempel van Serapis

door zijne dienaars onwaardige dingen bedrijven, en dat deed mij leed,

dat stuitte mij tegen de borst, en daardoor verloor ik de godheid

uit het oog; maar de diepste ellende, de innigste liefde deden mij

haar wedervinden. Ik kan mij de kracht, die de wereld onderhoudt,

niet meer zonder liefde, en de liefde, die de menschen zoo gelukkig

maakt, niet meer zonder godheid denken. Wie eens voor een dierbaar

wezen heeft gebeden, gelijk ik in de woestijn voor u, die verleert het

bidden nimmermeer. Zulk een smeekgebed is zeker niet te vergeefs. Ook

al is er geene godheid die het hoort, in het gebed zelf ligt toch

eene wonderbare versterkende kracht.--Nu ga ik bedaard naar onzen

tempel terug, tot gij mij afhaalt, want ik weet dat wijzen en goeden,

die weten te zwijgen, trouw over onze liefde waken."

"Gij wilt mij dus niet vergezellen naar Apollodorus en Irene?" vroeg

Publius verrast.

"Neen," antwoordde Klea vriendelijk, "breng mij liever naar het

Serapeum terug. Niemand heeft mij nog ontslagen van den plicht,

dien ik daar op mij nam en het zal voor ons beiden voegzamer zijn,

wanneer Asklepiodorus u de dochter van Philotas tot vrouw geeft,

dan wanneer gij u verbindt met eene geroofde dienares van Serapis."

Publius zag een oogenblik voor zich, daarna zeide hij op levendigen

toon: "Ik zou toch willen, dat gij met mij medegingt. Gij zult zwaar

vermoeid zijn, maar ik voer u op mijn muildier naar den beeldhouwer

Apollodorus. Aan de praatjes van de menschen stoor ik mij weinig,

wanneer ik mijzelven bewust ben goed te handelen. En voor Euergetes

zal ik u weten te beschermen, hetzij dat gij begeert weder in den

tempel toegelaten te worden, of mij naar den kunstenaar te volgen. Kom

nu mede, het valt mij te zwaar weder afscheid van u te nemen. De

overwinnaar legt zijn krans niet ter zijde, onmiddellijk nadat hij

dien in een zwaren strijd heeft gewonnen."

"Toch verzoek ik u mij naar het Serapeum terug te brengen," hernam

Klea, terwijl zij hare rechterhand in die van Cornelius legde.

"Vindt gij den weg naar Memphis te lang, en gevoelt gij u geheel

afgemat?"

"Ik ben zeer uitgeput van opwinding en angst, van smart en vreugde,

en toch zou ik den rit wel kunnen uithouden. Maar ik blijf bij mijn

verzoek mij naar den tempel terug te brengen."

"Niettegenstaande gij u krachtig genoeg gevoelt om mij te vergezellen,

en ondanks mijn verlangen om u terstond naar Apollodorus en Irene te

brengen?" vroeg Publius verwonderd, en trok zijne hand uit de hare

terug. "Daar beneden staat het muildier te wachten. Leun op mijn

arm. Kom en doe naar mijn wensch!"

"Neen, Publius, neen! Gij zijt mijn heer en altijd wil ik u gehoorzamen

zonder weerstand te bieden. Slechts in éen ding moet ge mij heden en

ook in het vervolg vrijlaten. Wat eene vrouw betaamt, weet ik beter

dan gij, dat kan alleen de vrouw beoordeelen."

Publius antwoordde niets op deze woorden, maar hij kuste haar, sloeg

zijn arm om haar midden en zóo zij aan zij wandelende, bereikten zij

de poort van het Serapeum, om daar voor weinige uren van elkander

afscheid te nemen.

Klea werd in den tempel binnengelaten, en zoodra zij gehoord had, dat

het den kleinen Philo beter ging, strekte zij zich op hare armoedige

legerstede uit. Hoe eenzaam scheen haar nu die kamer toe, hoe verlaten

zonder Irene? Eene ingeving van het oogenblik volgende, stond zij op

van haar eigen bed, legde zich op dat van Irene neder, alsof haar dit

nader bracht bij de thans ver van haar verwijderde zuster, en sloot

de oogen. Maar zij was te vermoeid en nog te opgewonden, om vast te

slapen. Allerlei droomen, die elkander snel afwisselden, verstoorden

telkens haar oprecht dankgebed en haren ongerusten slaap, en tooverden

haar nu eens wonderbaar schitterende, dan weder verschrikkelijke,

nu eens lieflijke en zalige, dan weder akelige en treurige beelden

voor den geest. Daarbij was het haar te moede, als hoorde zij muziek

in de verte en als wiegden onzichtbare handen haar op en neder. Het

indrukwekkend beeld van den Romein overheerschte alle andere.

Eindelijk sloot een verkwikkende slaap hare oogen. Zij droomde zich

in het huis van den geliefde te Rome. Zij zag zijn deftigen vader,

en zijne eerwaardige moeder, die op de hare scheen te gelijken, en

vele groote en strenge senatoren. Zij gevoelde zich beklemd onder al

deze vreemden, die haar vragend aankeken en vervolgens haar goedig

de hand reikten. Ook die edele matrone naderde haar vriendelijk en

omhelsde haar. Toen Publius echter zijne armen voor haar opende en

zij aan zijne borst vloog en zijne lippen op de hare meende te voelen,

klopte de dienstmaagd, die iederen morgen de ronde deed om te wekken,

aan hare deur, zoodat zij ontwaakte.

Ditmaal verheugde zij zich over haar droom en gaarne had zij langer

geslapen; maar zij vermande zich en stond van hare legerstede op,

en eer de zon geheel verrezen was, was zij aan de bron en vulde,

om haar plicht niet te verzuimen, beide kruiken met water voor het

altaar van den god. Vermoeid en nog slaapdronken zette zij de gouden

kruiken op hun plaats, en rustte aan den voet van een pilaar uit,

terwijl een priester het door haar aangedragen water als dankoffer

over den grond uitgoot.

Het was geheel dag geworden, toen zij daarna weder door de vele

zuilen van den tempelhal in den voorhof keek. Het pas opgegane

licht speelde om de zuilen, en zijne schuinsche stralen vielen door

de hooge poort in de zaal, waar het anders zoo schemerdonker was,

maar die zij nu tot aan het einde helder verlichtte. Hoe plechtig,

hoe verheven kwam haar nu deze plaats voor, die als opnieuw gewijd

scheen! Een onweerstaanbaren drang volgende, sprak zij, tegen een

pilaar geleund, met omhooggeheven armen en oogen, voor den god haar

dank uit, omdat hij zoo goed was geweest, en zij wist niet anders te

bidden dan dit éene, dat hij Publius en Irene en haar zelve en alle

menschen voor leed en kommer en misleiding bewaren mocht. Zij was

te moede alsof haar hart een donker lichaam was geweest, dat opeens

het vermogen had ontvangen om helder te lichten; alsof het verdord

was geweest en nu eene groeikracht had verkregen, die frisch groen

en schoone veelkleurige bloemen te voorschijn riep.

Het is ook hun vergund goed te handelen, die, op eigen krachten

steunende, met zedelijken ernst hunne krachten inspannen, om naar

de beginselen van recht en waarheid te leven; maar de deugd en het

waarachtig innerlijk geluk vieren het feest van hunne verbintenis

alleen in zulke harten, die een god weten te zoeken en te vinden,

hij moge dan Serapis of Jahveh heeten.

Aan de poort van het voorhof ontmoette Klea onverwachts Asklepiodorus,

die haar beval hem te volgen. De opperpriester had vernomen dat zij

heimelijk den tempel had verlaten. Toen zij in zijn stil vertrek

met hem alleen was, vroeg hij haar ernstig en gestreng, waarom zij

de wet overtreden en zonder zijne toestemming het heiligdom verlaten

had. Klea vertelde hem daarop, hoe de angst over hare zuster haar naar

Memphis had gedreven, en zij daar vernomen had, dat de Romein Publius

Cornelius Scipio, die zich de zaak van haar vader had aangetrokken,

Irene uit de handen van koning Euergetes gered en in veiligheid

gebracht had. Midden in den nacht was zij alleen teruggekeerd.

De opperpriester scheen zich over dit bericht te verheugen, en toen zij

verder mededeelde, dat Serapion uit bezorgdheid over haar zijne tent

verlaten en in de woestijn den dood gevonden had, zeide Asklepiodorus:

"Dit alles wist ik mijn kind. De goden mogen den kluizenaar vergeven,

en Serapis hem die zijn eed verbrak aan gene zijde des grafs genade

verleenen; het noodlot is aan hem vervuld. Maar voor u, meisje, hebben

betere sterren bij uwe geboorte geschenen, en het ligt in mijne hand u

ongestraft te laten. Gaarne doe ik het, en, Klea, als mijne Andromeda

groot wordt, hoop ik dat zij op u gelijken zal. Dit is de hoogste lof,

dien een vader aan de dochter van een ander geven kan. Als bestuurder

van dezen tempel beveel ik u, uwe kruik heden als altijd te vullen,

totdat iemand, die uwer waardig is, zich bij mij aanmeldt en u tot

vrouw begeert. Ik denk, dat hij zich niet lang zal laten wachten."

"Hoe weet gij, mijn vader..." vroeg Klea blozend.

"Ik lees het uit uwe oogen," antwoordde Asklepiodorus, en keek haar

vriendelijk na, toen zij op zijn wenk het vertrek verliet.

Zoodra hij alleen was, liet hij zijn schrijver roepen en zeide: "Koning

Philometor heeft bevolen, dat de geboortedag van zijn broeder Euergetes

heden te Memphis zal gevierd worden. Laat alle vanen hijschen en de

bloemkransen, die weldra uit Arsinoë zullen aankomen, aan de pylonen

bevestigen, de offerdieren naar buiten voeren, en tegen den namiddag

een optocht aankondigen. Alle tempelbewoners moeten in feestkleedij

zijn.--Maar nu wat anders. Komanus is hier geweest, en heeft ons in

den naam van koning Euergetes groote beloften gedaan en verklaard,

dat hij zijn broeder Philometor zou bestraffen, omdat hij een onzer

tempelgenooten, Irene, had geroofd. Hij laat ons tevens verzoeken

de kruikdraagster Klea, de zuster van de geroofde, naar Memphis te

zenden om verhoord te worden. Maar dat zal niet gebeuren. Ook heden

sluiten wij de tempelpoorten, vieren het feest onder ons en laten

niemand tot offerande of gebed binnen onze muren toe, tot het lot der

beide zusters verzekerd is. Al wilden de koningen zelve verschijnen

en hunne soldaten mede binnenvoeren, dan zullen wij hen eerbiedig

ontvangen, gelijk het betaamt, maar in plaats van hun Klea uit te

leveren, brengen wij haar in het Allerheiligste, dat zelfs Euergetes

niet waagt zonder mij te betreden. Want met onze jonkvrouw zouden

wij onze waardigheid en met haar onszelven prijs geven."

De schrijver boog en meldde daarop twee propheten van Osiris-Apis

aan, die Asklepiodorus wenschten te spreken. Klea had deze mannen,

toen zij den opperpriester verliet, in het voorvertrek ontmoet,

en opgemerkt dat de een den sleutel in de hand had, waarmede zij de

poort der Apis-graven geopend had. Zij verschrikte en voelde dat het

haar plicht was, den priesterlijken vriend terstond mede te deelen,

hoe slecht zij zijn last had uitgevoerd. De oude Krates zat, toen

zij bij hem binnentrad, met omzwachtelde voeten aan zijn werk en

verblijdde zich over haar komst, want bezorgdheid voor haar en Irene

had hem in zijn nachtrust gestoord, en tegen den morgen was zijne

vrees door een akelig droombeeld tot angst gestegen. Bemoedigd door

de vriendelijke begroeting van den anders zoo knorrigen grijsaard,

bekende Klea, dat zij verzuimd had den sleutel aan den smid in de

stad af te geven, dat zij de poort der Apis-graven daarmede geopend

en vergeten had dien weder uit het nieuwe slot te halen.

Toen hij dit hoorde vloog de oude in drift op, smeet het ijzeren

stangetje, dat hij met de vijl bewerkte, op zijn werktafel en riep:

"Zóo hebt gij u dus van uw last gekweten! Het was voor het eerst dat

ik eene vrouw vertrouwde, en nu heb ik mijn loon! Dit alles zal u en

mij slecht bekomen, en als zij te weten komen, dat door mijn schuld en

de uwe het heiligdom der Apis-graven ontwijd werd, zoo zullen ze mij

met recht allerlei boeten opleggen, en u straffen met gevangenschap

en honger."

"En toch, mijn vader," antwoordde Klea bedaard, "gevoel ik mij zonder

schuld, en misschien zoudt gij in den afgrijslijken toestand waarin

ik verkeerde, niet anders gehandeld hebben dan ik."

"Dat meent gij--dat durft gij gelooven?" zeide de oude man,

stotterend. "En als zij nu den sleutel en misschien ook het slot

gestolen hebben, en ik dit kunstig en moeitevol werk voor niet heb

gedaan?"

"Welke dief zou zich aan de heilige graven vergrijpen?" vroeg Klea

schuchter.

"Zijn ze dan zoo onschendbaar?" antwoordde Krates, met een

wedervraag. "Zulk een armzalig schepsel als gij zijt, heeft het zelfs

gewaagd ze te openen.--Doch wacht, wacht even; als mijne voeten mij

maar niet zooveel pijn deden..."

"Hoor mij," smeekte het meisje, terwijl zij den verbolgen smid

naderde. "Gij kunt zwijgen, dat hebt ge mij gisteren getoond. Als ik

u verteld zal hebben, wat ik in dezen nacht heb doorleefd en ervaren,

dan zult gij mij vergeven, dat weet ik zeker."

"Als ge u maar niet vergist!" zeide de smid. "Het moet wel iets

buitengewoons zijn, dat mij zou kunnen bewegen, zulk een plichtverzuim

en zulk een misdrijf ongestraft door de vingers te zien!"

En het was iets buitengewoons, dat de oude vernam, want toen Klea het

verhaal van alles, wat zij in den nacht had ondervonden, geëindigd had,

stonden hare oogen niet alleen maar ook die van den smid vol tranen.

"Die verdoemde beenen!" bromde hij, toen zijn oog den vragenden

blik van de jonkvrouw ontmoette, terwijl hij met de mouwen van zijn

kleed zijne vochtige wangen afdroogde. "Ja zulk een gezwollen voet

doet zeer, meisje, en zulk een kreupele als ik, is niet altijd van de

sterksten. Oude vrouwen worden soms mannen, en oude mannen vrouwen. Ja,

die ouderdom! Zulke voeten te hebben is erg, maar nog veel erger,

dat het geheugen met de jaren vermindert. Daar heb ik gisteren avond,

meen ik, den sleutel laten steken in de deur van de Apis-graven. Ik

zal dadelijk een boodschap naar Asklepiodorus zenden, opdat hij de

Egyptenaars van de overzijde, die aan mij verplichting hebben wegens

verschillende werken, uit mijn naam om verontschuldiging vrage."

Klea en Irene: roman · 第 24 / 28 题