TWEE-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

Op het dak van een der pylonen-torens bij de poort van het Serapeum

stond een horoscoop, die dit hoogste punt van den tempel had beklommen

om naar de sterren te zien. Doch het scheen wel dat hij in dezen

nacht zijn plan niet kon uitvoeren, want de donkere wolken, die

langs het zwerk joegen, bedekten onophoudelijk dat gedeelte van het

firmament, aan welks waarneming hem het meest gelegen was. Eindelijk

legde hij ongeduldig zijn instrument, en daarna ook zijn wastafeltje

en schrijfstift uit de hand, en beval den vader van den kleinen

zieken Philo, die bij nacht als poortwachter de horoscopen op de

pylonen-torens moest helpen, zijne gereedschappen naar beneden te

dragen, want de hemel was heden zijn arbeid niet gunstig.

"Gunstig!" zeide de poortwachter, het laatste woord van den horoscoop

herhalende, en zijne schouders zoo hoog optrekkende, dat zijn hoofd

daartusschen geheel verdween. "Dit is een nacht van verschrikkingen en

zeker dreigt ons een groot onheil. Ik ben nu al vijftien jaren in mijn

ambt, maar zoo iets heb ik nog maar eens beleefd, en den volgenden dag

kwamen de soldaten van den Syrischen koning Antiochus, en plunderden

onze schatkamer leeg. Ja, heden was het nog erger dan toen! Reeds bij

het opgaan van het hondsgesternte joeg er een schrikkelijk monster door

de woestijn met de manen van een leeuw; maar eerst na middernacht begon

het ontzettend gespook, en ook gij huiverdet toen het er op losging

in de Apis-graven. Verschrikkelijke dingen staan ons te wachten, als

de heilige stieren verrijzen en met hunne hoornen tegen de grafdeur

stooten, om haar open te krijgen. Dikwijls reeds zag ik boven de

oude mausoleën en de rotsgraven uit vroeger eeuwen, de zielen der

afgestorvenen fladderen en zweven en kruipen. Nu eens wiegelden zij,

als sperwers met menschenhoofden of als ibissen, met flauwe langzame

vleugelslagen in de lucht, dan weder trokken zij als ijle grauwachtige

schaduwen door de woestijn, of schuifelden zij als slangen over het

zand, of kropen zij huilende als hongerige wolven uit de poorten der

graven. Vaak hoorde ik ze blaffen als jakhalzen, soms ook lachen als

hyena's, als zij het aas ruiken. Maar heden hebben zij voor het eerst

geschreeuwd als woedende menschen, en toen gesteund en gejammerd, alsof

zij in den vuurpoel zaten en afgrijselijke pijnen hadden te lijden.

"Zie maar eens, daar beweegt het zich weder!--O, heilige vader,

bezweer ze toch met krachtige spreuken!--Ziet gij dan niet hoe ze

groeien? Zij zijn wel tweemaal zoo groot als sterfelijke menschen!"

De horoscoop nam een amulet in de hand, prevelde eenige spreuken

binnensmonds en zocht onderwijl met de oogen de gedaanten, die den

poortwachter zoo verschrikten. "Ze zijn lang," zeide hij, toen hij

ze ook ontdekt had, "en nu krimpen zij in en worden al kleiner en

kleiner, maar toch--. Misschien zijn het bijzonder lange grafroovers,

want ik kan bijna niet gelooven, dat deze gestalten bovenmenschelijk

groot waren."

"Tweemaal zoo groot als gij, die niet klein zijt!" zeide de

poortwachter, en drukte zijne lippen op het amulet in de hand van

den horoscoop. "En als het roovers zijn, waarom roept dan geen wacht

hen aan? Waarom heeft hun schreeuwen en stenen de wachtposten niet

gewekt, die elken nacht daar boven in kwartier liggen?--Dat was weder

zulk een afgrijselijke jammerkreet! Hebt gij ooit dergelijke tonen

uit den mond van een mensch vernomen? Groote Serapis, ik bezwijk

van angst! Ga met mij naar beneden, heilige vader; ik wil weten hoe

het met mijn kranke zoontje is, want wie zulke dingen heeft gezien,

komt er niet zonder onheil af."

De rust der doodenstad was wel is waar verstoord geworden, maar

de geesten der afgestorvenen hadden geen deel aan de ontzettende

dingen, die in dezen nacht in de woestijn tusschen grafmonumenten en

rotsspelonken plaats hadden. Zij, die den vrede dezer heilige plaatsen

verstoorden, waren menschen, die in koelbloedige boosaardigheid

als kwade geesten met de duisternis een verbond hadden gesloten,

om een ander mensch in het verderf te storten. Doch het waren ook

menschen, die te midden der verschrikkingen van dezen vreeselijken

nacht, in hunne borst de goddelijke kiemen, die de hemel in de zielen

zijner sterfelijke kinderen heeft gelegd, tot schoone bloesems voelden

ontplooien. Zoo wordt op den dag van een veldslag, te midden van bloed

en lijken, een kind geboren, dat zelf gelukkig en anderen gelukkig

makende, tot heil der zijnen opgroeit.

Het monster met de leeuwenmanen, welks verschijning en haastig

verdwijnen in de woestijn den poortwachter het allereerst vrees had

aangejaagd, was op zijn verderen weg naar Memphis ook menig ander

wandelaar tegengekomen, die, verschrikt door zulk een vreemd uiterlijk,

getracht had zich te verbergen, of het op een loopen had gezet. Toch

was het eenvoudig een mensch met warm bloed, met eerlijke bedoelingen,

met een trouw en liefdevol hart. Maar die hem tegenkwamen konden

niet in zijne ziel lezen, en in zijn uiterlijk geleek hij bijzonder

weinig op andere lieden. Zijne voeten, die het loopen ontwend waren

en een kolossaal lichaam te dragen hadden, bewogen zich moeielijk,

en de ontzettende baard en de grijze haarmassa op zijn hoofd, die in

alle richtingen heen en weer vloog, gaven hem zulk een monsterachtig

aanzien, dat hij zelfs den moedigste, dien hij onvoorziens tegenkwam,

vrees moest aanjagen.

Twee kramers, die gewoon waren overdag in de nabijheid van het Serapeum

hunne artikelen aan de pelgrims te koop te bieden, kwamen hem tegen

in de nabijheid van de stad. Terwijl zij hem nakeken zeide de een:

"Zaagt gij dat kuchend wangedrocht? Als hij niet vastzat in zijne cel,

zou ik zeggen, dat het de ruwe kluizenaar Serapion was."

"Gekheid!" zeide de ander. "Die man is door zijne gelofte sterker

gebonden dan door ketenen en banden. Het zal een van die Syrische

bedelaars zijn, die zich rondom den Astartetempel ophouden."

"'t Is mogelijk," antwoordde de ander onverschillig. "Laten wij maar

voortstappen, want mijne vrouw zal ons heden avond op een gebraden

gans vergasten."

Serapion was wel vast aan zijne tent gebonden, en toch had de kramer

goed gezien, want hij was het, die daar over den grooten weg waggelde

en allen die hem tegenkwamen schrik aanjoeg. Het gaan viel hem na

zijne lange gevangenschap zeer zwaar, vooral omdat hij ongeschoeid

was, en elke steen op den weg zijn weeke voetzolen pijn deed. Toch

wist hij het te brengen tot een tamelijk snellen draf, toen hij in

de verte eene vrouwelijke gedaante zag, welke Klea zijn kon.

Menigeen, die in zijn bijzonderen kring een heel goed figuur maakt,

wordt een voorwerp van spot voor kinderen, wanneer hij zijne kleine

omgeving verlaat, om zich met al zijne eigenaardigheden te wagen

in den stroom der wereld. Zoo ging het ook met Serapion, want in de

voorstad liepen de straatjongens hem uitjouwend achterna, en eerst

toen een drietal opgeprikte meisjes, die voor een herberg van den

dans uitrustten, luide begonnen te lachen, zoodra zij hem in het oog

kregen, en een onbeschaamd soldaat als bij ongeluk met de punt van

zijne lans hem door zijne rondfladderende haren stak, begon hij aan

zijn verwilderd uiterlijk te denken, en moest hij zichzelven bekennen

dat hij zóo nooit in het koninklijk paleis zou toegelaten worden.

Spoedig was zijn besluit genomen en ging hij den eersten

scheerderswinkel binnen, waarin hij licht zag branden. Daar liet hij

zich door den barbier, die bij zijn binnentreden verschrikt achter

de toonbank de wijk had genomen, zijn haar en zijn baard knippen,

en zag in den spiegel, dien men hem voorhield, voor het eerst na

vele jaren weder zijn eigen aangezicht. Met een weemoedig lachje

knikte hij het verouderd gelaat toe, dat hij in den helderen metalen

schijf waarnam, betaalde wat van hem verlangd werd, en sloeg geen

acht op den medelijdenden blik, waarmede de barbier en zijn knecht

hem nakeken. Beiden meenden dat zij hunne kunst hadden uitgeoefend op

een waanzinnige, want hij had gezwegen op al wat zij zeiden, en met

een zware, akelig holle stem geroepen: "Zwetst toch zoo niet, ik heb

haast!"--Waarlijk het hoofd stond hem niet naar beuzelachtig gepraat,

neen, hij was vervuld van nijpenden angst en teedere bezorgdheid, en

zijn hart bloedde wanneer hij bedacht, dat hij zijne gelofte gebroken

en den eed geschonden had, dien hij in de hand zijner stervende moeder

had gezworen.

Vóor de poort van het paleis gekomen, vroeg hij een politiewacht hem

bij zijn broeder te brengen, en daar hij aan dit verzoek door een fooi

klem bijzette, bracht de man hem dadelijk tot den persoon dien hij

zocht. Glaukus verschrikte niet weinig, toen hij Serapion herkende,

maar hij had de handen zoo vol, dat hij zijn broeder, wiens handelwijze

hij onverklaarbaar en misdadig noemde, slechts enkele oogenblikken

te woord kon staan. Intusschen kwam de kluizenaar te weten, dat Irene

niet door Euergetes maar door den Romein uit den tempel was ontvoerd,

en dat Klea even te voren het paleis op een wagen had verlaten,

om te middernacht van de tweede herberg te voet naar het Serapeum

terug te keeren. En het arme schepsel was zoo geheel alleen en haar

weg leidde door de woestijn, waar zij door losbandige soldaten en

lijkroovers of door jakhalzen en hyena's kon worden aangevallen! Bij

de tweede herberg zou zij haar wandeling beginnen, en dat was juist

de pleisterplaats voor slecht volk, en zijne lieveling was zoo jong,

zoo schoon en zoo weerloos!

Opnieuw overviel hem dezelfde doodelijke angst voor haar, die hem

in zijne kluis had aangegrepen, nadat Klea den tempel verlaten had

en de duisternis was gevallen. Op dat oogenblik gevoelde hij zich

als een vader, die uit het venster van zijne gevangenis zijn lief en

weerloos kind zich ziet verdedigen tegen een roofdier. Met vreeselijke

duidelijkheid had hij zich voorgesteld al wat haar in het koninklijk

paleis, in de van beschonken soldaten krioelende stad en in de

woestijn bedreigde, en zijne bijzonder levendige verbeelding had alle

gevaren, die zijne lieveling, de dochter van dien achtenswaardigen man

tegenging, met de donkerste kleuren afgeschilderd. Als een gevangen

tijger had hij in zijn tent op en neer geloopen, nu eens tegen de

wanden gebeukt, dan weder met half voorover gebogen lichaam uit het

venster gekeken, om te zien of de gevluchte, die onmogelijk terug kon

zijn, ook misschien was wedergekeerd. Hoe donkerder het werd, des te

meer was zijn angst geklommen, des te schrikkelijker beelden deden zich

voor zijne verbeelding op, en toen eene vrouw onder de pelgrims, die

door kramp werd overvallen, in het pastophorium luid begon te gillen,

had hij zichzelven niet langer kunnen beheerschen. Hij had de van

buiten gesloten, sedert jaren niet geopende vermolmde deur van zijne

tent aan stukken getrapt, de zilveren muntstukken, die hij in zijn

koffer bewaarde, bij zich gestoken, en zich naar beneden laten glijden.

Daar stond hij tusschen zijne kluis en den ringmuur des tempels,

en eerst nu kwam hem zijne gelofte, den eed dien hij gezworen had,

voor den geest, en hij dacht aan zijne eerste vlucht uit de cel. Toen

was hij weggeloopen, omdat de genietingen der wereld en de vreugde

des levens hem aanlokten; toen was hij een misdadiger geweest, maar

dezelfde liefde, dezelfde bezorgdheid, die hem gedrongen hadden tot

zijne kluis terug te keeren, dreven hem nu uit zijne gevangenis. Om

trouw te blijven brak hij een eed van trouw! Doch de groote Serapis

las in de harten; zijne moeder was dood en zoo lang zij leefde

steeds gaarne bereid geweest hem te vergeven. Zoo levendig meende hij

haar goedig gezicht van weleer voor zich te zien, dat hij haar had

toegeknikt, alsof zij tegenover hem had gestaan. Hij had vervolgens

een ledig vat tegen den ringmuur gerold, en was met zeer veel moeite

daarop geklommen. In het zweet zijns aanschijns moest hij tegen de

borstwering van den bouwvalligen, uit ongebakken tegels samengevoegden

muur opklauteren, bereikte vervolgens al glijdende en vallende de

gracht, die buiten om den muur liep, kroop weder tegen de overzijde

naar boven, en kon daarna eerst zijne wandeling naar Memphis beginnen.

Wat hij in het koninklijk paleis omtrent Klea had vernomen, was niet

geschikt geweest om zijne bezorgdheid voor haar te verminderen. Zij

moest zooveel eerder dan hij den zoom der woestijn bereiken en het

harde loopen viel hem zoo zwaar, deed zijne voeten zooveel pijn! Het

was voor de poort van den koningsburcht nog even druk als gedurende

den dag, misschien gelukte het hem dus wel zich een wandelstaf te

verschaffen. Terwijl hij greep in zijne tasch, die nu met zilverstukken

was gevuld, keek hij rond, en zijn blik viel op eene rij ezels, welker

drijvers zich en hunne dieren opdrongen aan de soldaten en bedienden,

die uit de hooge poort naar buiten kwamen. Met den blik van een kenner

zocht hij het sterkste grauwtje uit, wierp den eigenaar een zilverstuk

toe, beklom den rug van het onder zijn last zuchtende dier, en beloofde

den drijver nog twee drachmen, wanneer hij hem zoo spoedig mogelijk

bracht aan de tweede herberg op den weg naar het Serapeum. Terwijl

hijzelf met zijne stevige naakte beenen het arme beest tegen de zijden

drukte, zette de drijver, die al schreeuwende en gillende achteraan

liep, zijn grauwtje van tijd tot tijd met een puntstok tot snelheid

aan, en zoo bereikte Serapion, nu eens in een korten draf dan weder

in snellen galop, slechts een half uur later dan Klea zijn doel.

In de kroeg was het donker en ledig, doch de kluizenaar verlangde

ook geene verfrissching. Maar hij gevoelde weder behoefte aan een

wandelstok, en weldra wist hij zich er een te verschaffen door een paal

te trekken uit de omheining van den tuin, die de herberg omgaf. Deze

staf was wel zwaar, maar hij maakte hem toch het gaan gemakkelijker,

want ofschoon zijne brandende voeten hem met moeite droegen, gevoelde

hij nog een geweldige kracht in zijne armen. Dat wilde rennen had

zijne gedachten verstrooid, en zijn licht beweeglijk gemoed verkwikt,

want het herinnerde hem aan zijne vroegere zwerftochten. Nu hij echter

eenzaam door de woestijn voortstapte, dacht hij weder aan Klea en aan

haar alleen. Zoo vaak de maan achter de wolken te voorschijn kwam,

keek hij met scherpe blikken naar haar uit, riep haar van tijd tot

tijd bij den naam, en bereikte zoo de sphinxen-laan, die den Griekschen

met den Egyptischen tempel verbond.

Uit de Apis-graven klonk hem een geluid in de ooren, alsof men aan

het kloppen was. Misschien werd daar binnen bij nacht gewerkt voor het

aanstaande feest.--Waarom werd de wachtpost heden gemist, waar anders

altijd soldaten waren gelegerd? Hadden de krijgsknechten Klea opgemerkt

en haar medegenomen?--Ook aan gene zijde van de sphinxen-laan, die

hij nu bereikt had, was alles uitgestorven, liet zich geen enkele

wachter bespeuren, hoewel de witachtige kalk der grafmonumenten en

het gele zand der woestijn zoo helder in den maneschijn glinsterden,

alsof zij zelve licht gaven.

Met steeds klimmender bezorgdheid besteeg hij een zandheuvel, om een

ruimer overzicht te hebben, en riep luide den naam van Klea. Dáar, neen

hij bedroog zich niet, daar vertoonde zich bij eene der grafkapellen

uit vroeger eeuwen eene gedaante, die een lang kleed scheen te dragen,

en toen hij nogmaals hardop riep, naderde die gedaante hem in de

sphinxen-laan. Haastig, zoo snel hij maar kon, daalde hij af naar den

processieweg, stak het gladde plaveisel over, ter weerszijden waarvan

de leeuwen met menschenhoofden in twee rijen lagen uitgestrekt, en

klom met groote moeite op den zandberg aan de andere zijde. Inderdaad

deze arbeid was moeielijk, want telkens geraakte de zandmassa onder

zijn last in beweging, schoof naar beneden, voerde hem mede en dwong

hem met handen en voeten een nieuw standpunt te zoeken. Eindelijk

stond hij aan gene zijde van de grafkapel, waarbij hij haar die hij

zocht meende gezien te hebben.

Doch terwijl hij klom, had een dichte wolk wederom de maan bedekt, en

was het volslagen donker geworden. Hij bracht nu beide handen aan zijn

mond, en riep zoo luid hij kon "Klea!" en nog eens "Klea!"--Daar hoorde

hij vlak in zijne nabijheid het zand kraken, en zag hij vóor zich eene

gestalte bewegen, die als uit den grond scheen opgekomen. Dat kon Klea

niet zijn, dat was een man. Doch misschien had deze zijne lieveling

gezien. Eer hij evenwel tijd vond om hem aan te roepen, werd hij

onverwachts door een slag getroffen, die met verbazende kracht tegen

zijn rug tusschen de schouders aankwam. De zandzak van den moordenaar

had de rechte plaats in zijn nek gemist, en Serapion's krachtige

ruggegraat zou ook aan een sterker slag weerstand hebben geboden.

Niet minder snel als van het gevoel van smart werd hij zich van de

zekerheid bewust, dat hij door roovers werd aangevallen, en dat hij

verloren zou zijn, wanneer hij niet bedaard zich ging verweren. Wederom

hoorde hij achter zich beweging in het zand. Zoo snel mogelijk draaide

hij zich om, en met den uitroep: "Vervloekt adderengebroed!" sloeg hij

met zijn zwaren wandelstok, als een smid op een gloeiend stuk ijzer,

op de gedaante toe, waarin zijn nu meer aan het donker gewende oog,

stellig en zeker een man herkende.

Serapion moest goed getroffen hebben, want zijn tegenstander liet een

schrikkelijk gebrul hooren, zonk in elkaar, wentelde zich kreunend en

stenend in het zand, slaakte ten laatste nog een schrillen kreet en

bleef toen stijf en roerloos liggen. De kluizenaar kon in het donker

de bewegingen van den zwaar gestraften roover onderscheiden, en door

onrust en medelijden gedreven boog hij zich over den verslagene,

toen hij huiverend vochtige handen aan zijne voeten, en terstond

daarop twee steken in zijn rechterhiel voelde, die zooveel pijn deden,

dat hij het luide uitschreeuwde, en zich gedwongen zag het gekwetste

been naar zich toe te halen. Daarbij vergat hij echter niet, dat het

zijn plicht was zich te verdedigen. Woedend als een getroffen stier,

razende en vloekende hieuw hij met zijn paal om zich heen, maar hij

trof alleen den grond. Toen zijne slagen elkander steeds langzamer

opvolgden, en eindelijk zijn weldra uitgeputte arm den zwaren paal

niet meer kon houden, en hij zich zelfs gedwongen zag op de knieën

neer te zinken, riep een schelle stem hem toe:

"Gij hebt mijn metgezel om het leven gebracht, Romein, en daarom heeft

een tweebeenige slang u gestoken. In een klein kwartier is het uit

met u, evenals met dien daar. Waarom gaat zulk een voornaam heer ook

uit zonder stevels en sandalen tot een samenkomst met zijn liefje in

de woestijn, en maakt hij ons den arbeid zoo licht! Koning Euergetes

en uw vriend Eulaeus laten u groeten. Gij hebt het aan hen te danken,

dat ik u laat wat gij bij u hebt.--Kon ik nu dien dooden klomp daar

maar uit den weg krijgen!"

Onder deze ruwe woorden lag Serapion op den grond van pijn te krimpen,

en vermocht alleen de vuisten te ballen en met zijne steeds droger

wordende lippen verwenschingen uit te stooten. Zijn gezicht was nog

onverzwakt, en zoo kon hij bij het schijnsel der maan, die nu weder

in een ruim wolkenloos vak aan den hemel te voorschijn kwam, duidelijk

waarnemen, hoe de moordenaar zijn best deed, om zijn verslagen metgezel

met zich voort te sleuren, en vervolgens, nadat hij luisterend het

hoofd had opgestoken, opsprong en in aller ijl de vlucht nam. Opeens

verloor hij zijn bewustzijn, en toen hij na weinige minuten de

oogen weder kon opslaan, rustte zijn hoofd zacht in den schoot eener

jonkvrouw, en het was de teedere stem van zijne lieveling Klea die hem

vroeg: "Gij arme, arme vader, hoe komt gij hier in de woestijn, en in

de handen der moordenaars? Herkent gij mij, uwe Klea? Hij die naar uwe

wond zoekt, welke niet te vinden schijnt te zijn, is Publius Scipio,

de Romein. Zeg ons eerst waar u de dolk trof, opdat ik u dadelijk

verbinde. Ik ben toch half een arts en versta de kunst, dat weet gij."

De kluizenaar trachtte zijn gelaat naar Klea toe te keeren,

maar toen hem dit niet gelukken wilde, zeide hij zacht: "Leg mij

tegen den steilen wand van de grafkapel hiernevens, en zet u dan,

lief meisje, tegenover mij, want ik wil u aanzien, terwijl ik

sterf. Voorzichtig, voorzichtig, waarde Publius; het is alsof al

mijne leden van Phoenicisch glas zijn, dat bij de minste aanraking

breekt. Heb dank, jonge vriend, gij hebt sterke armen, en kunt mij

nog wel een weinig hooger optillen. Zoo, nu zit ik draaglijk, neen

goed, benijdenswaardig goed, want bij het licht der maan kan ik nu

uw aanvallig gelaat zien, meisjelief, en ik bespeur tranen op uwe

wangen, die zeker mij, ouden knorrepot, gelden. Ja dat doet goed,

dat doet uitnemend goed, zóo te sterven."

"O vader, vader!" riep Klea. "Zoo moogt gij niet spreken. Gij zult

leven, niet sterven, want zie, deze Publius verlangt mij tot vrouw,

en de hemelsche goden weten, hoe gaarne ik hem volg; en Irene zal

bij ons blijven, als ons beider zuster. Dat zal u toch genoegen doen,

mijn vader!--Maar zeg nu eens, waar brandt toch de wond, waar heeft

de moordenaar u getroffen?"

"Kinderen, kinderen," stamelde de kluizenaar, en een lachje verhelderde

zijn gelaat. "Dat ik dit nog beleven mag, dat--ja dat is vriendelijk

van de genadige goden, en om dit te bewerken, zou ik gaarne twintigmaal

gestorven zijn."

Terwijl hij zoo sprak bracht Klea zijne hand, die reeds koud begon

te worden, aan hare lippen, en zeide, hoewel de droefheid haar het

spreken bijna belette: "Maar de wond, vader, de wond!"

"Vraag daar niet naar," antwoordde de kluizenaar. "Een snelwerkend

vergif, geen dolk of pijl sloopt mijne krachten. Ik kan nu rustig

heengaan, want gij hebt mij niet meer noodig. Gij, Publius, zult nu

mijne plaats bij haar innemen, en gij zult beter voor haar kunnen

zorgen dan ik.--Klea, de vrouw van Publius Scipio! Ik heb wel eens

gedroomd, dat het er toe komen zou. Altijd heb ik wel geweten, en

duizendmaal heb ik tot mij zelven gezegd, gelijk ik het thans tot

u zeg, mijn zoon: Deze Klea, zij heeft een goed karakter en is den

edelsten man waardig. U, waarde Publius, gun ik haar.--Geeft elkander

nu de handen, dat ik het zie, want ik ben een vader voor haar geweest."

"Ja, dat zijt gij geweest," zeide Klea, snikkende. "Zeker hebt gij

om mijnentwil, om mij te beschermen uwe kluis verlaten en den dood

gevonden!"

"Het geluk, het geluk...." stamelde de oude.

"De moordenaars," zeide Publius, terwijl hij Serapion's hand greep,

"waren tegen mij afgezonden, en zij hebben u in plaats van mij

getroffen. Nog eens, waar is uw wond?"

"Het noodlot wordt aan mij vervuld," antwoordde de kluizenaar, "tegen

welks besluit geene geslotene cel, geen arts, geen genezend kruid

kan baten. Ik sterf aan slangengif, zoo als bij mijne geboorte was

voorspeld. Al ware ik niet uitgebroken om Klea te zoeken, dan zou

eene slang in mijne kooi zijn geslopen, om toch een einde te maken

aan mijn leven. Geeft mij de hand, kinderen, de ijzige doodskoude

klimt al hooger en hooger, en raakt met hare vingers reeds mijn hart--"

Gedurende eenige oogenblikken begaf hem de stem, daarna sprak hij

zacht: "Eene bede heb ik nog aan u. Laat het weinige dat ik bezit,

en dat voor u en Irene bestemd was, nu gebruikt worden voor mijne

begrafenis. Ik wil niet verbrand worden, gelijk zij mijn vader

hebben gedaan, neen, zij moeten mij balsemen, gelijk het behoort,

en mijne mummie naast die mijner moeder plaatsen. Als we elkander na

den dood wederzien, en daar geloof ik aan, dan zou ik het liefst haar

nog eens ontmoeten, want zij heeft mij zoo liefgehad, en het is mij

alsof ik weder klein was, en mijne armpjes om haren hals sloeg. In

een ander leven ben ik misschien geen kind des ongeluks, gelijk in

dit--in een ander leven.... Nu grijpt de dood mijn hart aan!--In een

ander.... Kinderen, wanneer ook in dit leven de zaligheid mij heeft

toegelachen, kinderen, dan dank ik het u, Klea.... Daar is ook mijne

kleine Irene!"

Dit waren de laatste woorden van de kluizenaar Serapion; met een

diepen zucht rekte hij zich uit en was gestorven.

Klea en Publius drukten hem liefderijk de trouwe oogen toe.

Klea en Irene: roman · 第 23 / 28 题