De donkere wolken, die in den afgeloopen nacht het blauw van den hemel
verduisterd en het licht der maan telkens onderschept hadden, waren
alle verdwenen. De noordoostenwind, die tegen den morgen opstak, had ze
uiteengedreven, en de wolkenverslindende Zeus de laatste opgeslokt. Het
was een heerlijke morgen, en toen de dagvorstin hooger steeg, en ook
den witten nevel, die over den Nijl zweefde, en het waas, dat over
het oostelijk gebergte als een fijn doorzichtig kleed van blauwgrijze
wol lag uitgespreid, sneller en sneller uiteen scheurde en optrok,
toen verdween ook de kilheid van den nacht uit de donkerste hoeken der
stad, die als een smalle strook zich mijlen ver langs den oever van den
stroom uitstrekte. En het heerlijke heldere licht, dat de straten en
huizen, de paleizen en tempels, de tuinen, lanen en tallooze schepen
in de haven van Memphis bestraalde, ging gepaard met eene warmte,
die ook hier bij het begin van een winterdag zoo welkom was.
Aan den oever van den Nijl krioelden schippers en matrozen dooreen,
die van den noordoostenwind gebruik wilden maken om stroomopwaarts te
varen, en onder luid gezang werden de zeilen geheschen en de ankers
gelicht. De oever was zoo dicht bezet met schepen, dat men niet
begreep, hoe zich die welke zeilree lagen, tusschen de andere door een
weg zouden banen. Toch vond elk een geul, waardoor het eindelijk het
vaarwater bereikte, en weldra wemelde de stroom van booten, die allen
naar het zuiden zeilden. Het was alsof de Nijl met een onafzienbaar
leger van drijvende tenten was bedekt.
Op de havenkade bewogen zich lange treinen van hoogbepakte kameelen,
minder zwaar beladene ezels en donkerkleurige slaven. De laatsten
zongen, alsof het dagwerk hun niet vermoeide, en hunne opzichters
droegen de zweep tusschen den gordel. Hier en ginds werden ossenkarren
geladen, of kwamen met koopwaren naar de landingsplaats. Rondom
enkele groote kooplieden, waarvan de meeste op Grieksche wijze en
maar enkele als Egyptenaars gekleed waren, begonnen zich de schippers
reeds te verdringen, ten einde hunne ladingen aan den man te brengen,
of hunne vaartuigen opnieuw te verhuren. Het drukst ging het toe op
dat gedeelte van de haven, waar de tolbeambten onder groote tenten
gezeten waren. Want de meeste schepen wierpen voor Memphis alleen
het anker uit, om den Nijltol op 's konings tafel te leggen.
Niet minder groote verscheidenheid en afwisseling zag men op de
markt in de nabijheid van de haven. Dáar lagen dadels en graan,
ossenhuiden en gedroogde visch bij groote hoopen opgestapeld. Daar
werden gansche kudden vee onder geloei en geblaat samengedreven, om
aan de meestbiedenden verkocht te worden. Evenals pauwen en bonte hanen
te midden van hennen, die op een hoenderhof druk in de weer zijn, zoo
vertoonden zich ook hier, te midden der bedrijvige menigte, soldaten
te voet en te paard in bonte rokken en schitterende wapenrustingen,
aanzienlijke hovelingen in feestkleederen van roode, blauwe en gele
stoffen, die reeds van verre in het oog liepen, en die door hunne
slaven in draagstoelen gedragen werden of op fraai vergulde wagens
stonden. Voorts zag men er priesters in lange witte kleederen, met
kransen om het hoofd, en opgetooide meisjes, die zich naar de herbergen
in de nabijheid van de haven begaven, om op de fluit te spelen of te
dansen. De kinderen, die tusschen dit druk gewoel liepen te spelen,
zagen begeerig naar de hoog in manden opgestapelde koeken, die door
bakkersjongens zeer netjes op hunne hoofden werden gedragen. Honden,
die hier in bijzonder groot aantal tegenwoordig waren, zetten hunne
neusgaten uit, wanneer zulk een drager van zoetigheden in hunne
nabijheid kwam, en vele begonnen te huilen van verlangen, zoodra er
eene burgervrouw voorbijkwam met een slaaf, die onder groenten en
vruchten in zijn korf ook pas geslacht gevogelte of versch vleesch
voor een feestgebraad droeg.
Als gouden draden geweven door een alledaagsch grijs kleed, zoo
vertoonde zich te midden van het bedrijvig leven van de landingsplaats
ook de glans van het feest. Tuinlieden, knapen en meisjes in groote
menigte droegen, hetzij twee aan twee aan houten stokken of alleen op
planken en aan stangen, bloemkransen, guirlandes en geurige ruikers,
en bij dat gedeelte van den oever, waar de schepen van den koning
voor anker lagen, waren vele arbeiders bezig om de masten, waaraan
de wimpels wapperden, met groen en bloemguirlandes te omwinden en
met veelkleurige lantaarnen te behangen. De dienaars der godheid
in feestgewaad, de vertegenwoordigers van de vijf afdeelingen der
priesterschap van het geheele land, trokken in een langen optocht
met geschenken en standaarden, langs de havenstraat in de richting
van het koninklijk paleis, terwijl de woelende menigte eerbiedig
voor hen uit den weg ging. Euergetes toch, de broeder des koning,
die te Alexandrië heerschte, vierde heden te Memphis zijn geboortedag,
en de gansche stad zou aan dat feest deel nemen.
Reeds in het eerste uur na zonsopgang waren in den tempel van Ptah,
het grootste en oudste heiligdom in de eerwaardige residentie der
pharaonen, offers geslacht. Men had den heiligen Apisstier [27],
waaraan Euergetes in den vroegen morgen zijne hulde had gebracht,
en die uit zijn hand had gevreten--hetgeen de koning als een gunstig
teeken voor het gelukken van zijn plan beschouwde--tot overladens
toe met gouden sieraden behangen en zijne eigene, alsmede de woning
zijner moeder, en de koe die voor hem onderhouden werd, rijk met
bloemen getooid. Alleen tot op den middag was het den inwoners van
Memphis geoorloofd hunne zaken te doen en hun handwerk te verrichten;
want op dat tijdstip werden de markten, de winkels, de werkplaatsen
en de scholen gesloten, en zou men op het plein voor de groote
jaarmarkt bestemd, vóor den tempel van Ptah, op kosten der beide
koningen godsdienstige en andere tooneelvertooningen kunnen zien,
hooren en bewonderen.
Twee Alexandrijnsche mannen, een Aeoliër uit Lesbos afkomstig en
een bewoner van Palestina, die tot de Joodsche gemeente behoorde,
hoewel hij zich overigens noch door zijne kleeding, noch door zijne
taal van zijne Helleensche medeburgers onderscheidde, begroetten
elkander tegenover de ankerplaats der koninklijke schepen, van welke
eenige de purperen zeilen heschen en, de zwaar vergulde, met ivoor
ingelegde snebbe keerende, van wal staken.
"Binnen twee uren," zeide de Jood, "vaar ik naar huis. Mag ik u
aanbieden mijne boot met mij te deelen? Of denkt gij eerst morgen
af te reizen en eerst het feest mede te vieren? Er zullen allerlei
vertooningen te zien zijn, en tegen het vallen van de duisternis zal
er eene groote illuminatie plaats hebben."
"Wat kan mij die barbaarsche rommel schelen," antwoordde de
Lesbiër. "De Egyptische muziek alleen reeds maakt mij wanhopig. Mijne
zaken zijn afgedaan, de koopwaren, die over Berenice en Koptos
uit Arabië en Indië komen, heb ik bezichtigd en er uit gekozen wat
ik noodig heb, vóor het schip dat ze aanbrengt in de Mareotische
havens landt, en anderen in Alexandrië mij voor zijn. Ik blijf in
dit nest, dat even vervelend is als groot, geen uur langer dan noodig
is. Gisteren heb ik het gymnasium eens opgenomen en de aanzienlijke
baden. 't Is ellendig, zeg ik u. Ik zou ze nog te veel eer aandoen,
wanneer ik ze met de vischmarkten en de paardenwedden te Alexandrië
vergelijk."
"En het theater!" zeide de Jood. "Uitwendig was het nog om aan te
zien, maar het spel! Gisteren speelden ze de 'Thaïs' van Menander. Het
vrouwspersoon, dat den moed had de verleidelijke en toch gevoellooze
hetaere te spelen, zouden ze te Alexandrië met rotte appelen van het
tooneel hebben gejaagd; dat verzeker ik u. Naast mij zat een dikke
bruine Egyptenaar, een suikerbakker of zoo iets, zijn buik vast te
houden van het lachen, en toch durf ik zweren, dat hij geen woord
van de heele comedie begreep. In Memphis is het tegenwoordig zelfs
onder handwerkslieden mode Grieksch te verstaan.--Mag ik hopen dat
gij mijn gast zijt?"
"Volgaarne," antwoordde de Lesbiër. "Ik wilde juist naar eene boot
omzien. Hebt gij nog al goede zaken gedaan?"
"Redelijk wel," antwoordde de Jood. "Ik kocht graan van boven-Egypte,
dat ik hier in een schuur opsloeg. Die geheele rij daarginds was voor
een spotprijs te huur, en dat haalt heel wat uit, als wij het koren
hier laten liggen en niet in Alexandrië, waar de graanschuren bijna
voor geen geld meer te krijgen zijn."
"Dat is slim," hernam de Lesbiër. "Het ziet er hier in de haven
levendig genoeg uit, maar die vele ledige magazijnen en goedkoope
huurprijzen bewijzen, hoezeer Memphis is achteruitgegaan. Vroeger was
deze stad het doel van alle schepen, doch heden leggen de meeste enkel
aan om den tol te betalen en de proviand voor de manschappen aan te
vullen. Deze volkrijke plaats heeft eene groote maag, dikwijls zijn
er ook nog wel belangrijke zaken te doen, maar de meeste schepen,
die hier aanleggen moeten, gaan toch verder door naar Alexandrië."
"Men mist hier de zee," merkte de Jood op. "Memphis drijft enkel
handel met Egypte en wij met de geheele wereld. Wie hier koopwaren te
verzenden heeft, belast kameelen, erbarmelijke ezels en platboomde
Nijlvaartuigen, maar wij bevrachten in onze havens kolossale
zeeschepen. Als de winterstormen voorbij zijn, zenden wij alleen
naar Ostia en de Zwarte Zee twintig triëren met Egyptisch graan. Uwe
Indische en Arabische waren, de goederen die gij uit de pas voor
den handel geopende Ethiopische landen haalt, nemen minder plaats
in, maar ik zou wel eens willen weten hoeveel talenten uw omzet in
het vorig jaar bedroeg.--Tot wederziens dan in mijn schip; het heet
'Euphrosyne', en ligt daar ginds, juist tegenover de beeldzuilen van
den ouden koning.... Ja, wie kan zoo'n naam onthouden. Ongemanierde,
barbaarsche dingen!--Nu, binnen drie uren breken wij op. Ik heb een
goeden kok aan boord, die zich weinig bekreunt over de spijswetten,
waarnaar mijne landslieden in Palestina leven. Gij zult ook eenige
nieuwe boeken vinden en uitstekenden wijn van Byblos."
"Dan hebben wij ons voor tegenwind niet bezorgd te maken," zeide de
Lesbiër lachend. "Tot wederziens dan over drie uren."
De Israëliet groette zijn reisgezel met de hand en ging eerst in de
schaduw eener laan van sykomoren, met buitengewoon breede bladerkronen,
den oever langs, vervolgens sloeg hij een smal straatje in, dat uit
de haven naar de stad voerde. Bij den ingang van het hoekhuis, dat
met de eene zijde op den stroom uitzag, en met de andere, waarin zich
de deur en eene kleine oliewinkel bevonden, op de straat, bleef hij
een oogenblik staan, want zijne opmerkzaamheid werd gaande gemaakt
door eene buitengewone verschijning. Doch hij had vóor zijn vertrek
nog veel in orde te brengen, en spoedde zich dus voort, zonder acht
te geven op een deftig man, met een reishoed op, en een mantel om,
zooals men gewoonlijk op verre tochten droeg, die hem tegenkwam.
Het huis, dat de aandacht van den Jood had getrokken, was dat van den
beeldhouwer Apollodorus, en de man die voor dezen tijd van den dag en
voor eene wandeling zoo vreemd gekleed ging, was de Romein Publius. Wat
er in den kleinen winkel bij de deur van den beeldhouwer gebeurde,
scheen dezen nog meer dan den Israëliet te boeien, want hij ging staan
leunen tegen een tuinheg over den winkel en zag een tijdlang naar de
wonderlijke dingen, die daar binnen te zien waren, terwijl hij het
hoofd schudde. Aan den muur van het huis was een soort van houten
tafelblad vast gemaakt, waarop gewoonlijk eenige oliekruiken stonden
en de koopers hun geld neerlegden. Het stak als een vensterluik een
weinig in de straat uit, en op deze bijzondere soort van rustbank
zat, met zijn rug naar den winkel, die niet veel ruimer was dan een
tamelijk grooten reiswagen, een jongeling met een voornaam uiterlijk
en een lichtblauwen chiton zonder mouwen. Naast hem lag een wit,
met blauwe randen omzoomd himation [28] van fijne wollen stof. Zijne
beenen hingen over den tafelrand, en zijne blanke kleur stak sterk
af bij de zwarte huid van den naakten Egyptischen knaap, die, met
eene kooi vol duiven bij zich, aan zijne voeten was neergehurkt.
De Griek op die armzalige winkeltafel had een gouden band om zijne
schoone met welriekende olie bestreken lokken, droeg sandalen van
het fijnste leder aan zijne voeten, en zag er ondanks zijne armoedige
omgeving uit als een vrij aanzienlijk man. Maar geheel zijn bevallig
gelaat teekende nog meer vroolijkheid dan voornaamheid, want hij lachte
zoo hartelijk, terwijl hij twee kleine roodbruine tortelduiven met
banden van rooskleurig wol vastbond aan den sierlijken korf, waarin zij
zaten, en vervolgens over de kopjes der schuwe diertjes een kostbaren
gouden vrouwenarmband liet glijden, dien hij met een wit koord aan
hunne vleugels vastmaakte. Toen dit werk gelukt was, hief hij het
korfje in de hoogte, bekeek het meesmuilend en met een tevreden blik,
en was op het punt om het aan den zwarten knaap te overhandigen,
toen hij Publius in het oog kreeg, die van den heg naar hem toekwam.
"Bij alle goden, Lysias," riep de Romein, zonder zijn vriend eerst
te groeten, "wat doet gij daar weder voor domme dingen! Zijt gij
oliehandelaar geworden, of legt gij u toe op het africhten van duiven."
"Noch het een noch het ander," zeide de Korinthiër lachend, want
niemand anders dan hij was het, dien de Romein had toegesproken. "Hoe
bevalt u dit nestje? Ik vindt het alleraardigst; en wat staat
die gouden band, die hunne halsjes verbindt, die kleinen dingen
goed!--Steek nu," ging hij voort, zich tegen zijn kleinen helper
wendende, "je pooten uit, bruine krokodil en draag het korfje
voorzichtig in huis, en zeg mij na: "Van den doodelijk verliefden
Lysias voor de schoone Irene."--Kijk eens, Publius, hoe dat ondier mij
met zijne witte tanden aangrijnst. Gij zult dadelijk hooren, dat zijn
Grieksch vrij wat meer te wenschen overlaat dan zijn gebit. De ooren
gespitst, kleine Ichneumon! Herhaal nog eens wat gij dáar--ziet ge,
waarheen ik met den vinger wijs?--wat gij dáar--binnen den meester
of de meesteres, die de duiven van u zal aannemen, zeggen zult?"
De knaap herhaalde den groet van den Korinthiër aan Irene, dien
erbarmelijk radbrakende, en terwijl hij daarbij den mond wijd
openhield, wierp Lysias, die de kunst verstond vlakke steenen over
den waterspiegel te laten dansen, bijzonder sierlijk een zilveren
drachme daarin. Zulk een hapje smaakte den jongen, want nadat hij het
muntstuk uit zijn mond had genomen, ging hij met opengespalkte kaken
tegenover zijn meester staan om een tweeden worp af te wachten. Maar
deze gaf hem met de vlakke hand een tik op zijn hoofd en onder zijn
kin, en zeide, toen de tanden van den jongen op elkander klapperden:
"Eerst draagt gij dit nest naar boven en wacht gij op antwoord."
"Dit geschenk is dus voor Irene?" vroeg Publius. "Wij hebben elkander
in lang niet gezien. Waar hebt gij gisteren den ganschen dag gezeten?"
"Het zal veel onderhoudender zijn te hooren, wat gij in dezen langen
nacht hebt uitgevoerd. Gij ziet er uit, als kwaamt gij zoo direct van
Rome. Euergetes heeft dezen morgen reeds eens en de koningin tweemaal
om u gezonden. Zij is tot over de ooren op u verliefd!"
"Malligheid!"--Vertel mij eens, wat gij hier in 't schild voert."
"Eerst zult ge mij zeggen, waar gij geweest zijt."
"Ik had een belangrijken tocht te maken, waarvan ik u later vertellen
zal, thans niet; en daarbij zijn mij zeer bijzondere dingen wedervaren,
die durf ik zeggen, wel de aandacht verdienen. Vóor zonsopgang heb ik
beneden in een herberg eene legerstede gevonden, en tot mijne verbazing
zoo vast geslapen, dat ik eerst twee uren geleden wakker ben geworden."
"Dat is een sober bericht; maar ik weet wel, dat als gij niet verkiest
te praten, zelfs geen god u een syllabe ontlokken kan. Wat mij betreft,
ik zou met te zwijgen mijzelven te kort doen, want mijn hart is als
een overladen lastdier; het spreken zal mij verlichten. Ach Publius,
het gaat mij heden als den armen Tantalus, wien de sappige peeren
voor den neus bengelen en zijn hongerige maag kittelen, terwijl zij
zich toch nooit laten plukken. Zie, daar--daar binnen woont Irene,
de peer, de perzik, de granaatappel, waarnaar mijn hart hongert;
terwijl het van verlangen verteerd wordt. Ja, lach maar! Heden zou
Paris Helena straffeloos kunnen ontmoeten, want Eros heeft op mij
al zijne pijlen verschoten. Gij ziet ze niet, maar ik voel ze, want
nog niemand heeft ze uit de wonden getrokken. En die lieve kleine is
bij het schijfschieten van den gevleugelden knaap ook niet ongedeerd
gebleven. Zij heeft mij dit zelve beleden. Het is mij onmogelijk
haar iets af te slaan, en zoo heb ik de dwaasheid begaan haar met
een schrikkelijken eed te zweren, dat ik haar niet eer bezoeken zou
vóor zij weder vereenigd is met hare groote ernstige zuster, waarvoor
ik bang ben. Gisteren sloop ik rondom dit huis, als een hongerige
wolf bij felle koude rondom een tempel waarin men lammeren offert,
om haar te zien, of ten minste een woordje te hooren uit haar mond,
die spreekt gelijk de nachtegalen zingen; maar alles te vergeefs. Heden
vroeg werd ik weder naar de stad en dit huis gedreven, en daar mij het
eeuwige rondloopen niet baat, zoo kocht ik van den ouden oliekoopman,
die daar in den hoek slaapt, zijn kraam en zette mij in zijn winkel
neer. Hier kan mij niemand ontgaan, die het huis van Apollodorus in-
of uitgaat. Het is mij verboden Irene te bezoeken, maar zij veroorlooft
mij haar groeten te zenden. Dat belet niemand mij, ook Apollodorus
niet, dien ik een uur geleden gesproken heb."
"Zulk een groet was zeker ook het nest, dat uw bruine liefdebode
zooeven in huis droeg?"
"Natuurlijk. Het is reeds de derde. Eerst zond ik een ruiker enkel van
granaatbloesems, en eenige versregels, die ik dezen nacht samengelijmd
had; toen een mandje met perziken waarvan zij zooveel houdt, en nu
die duiven. Daar liggen ook hare antwoorden. O, dat allerliefste
schepseltje! Voor den ruiker kreeg ik dit roode bandje, voor de
vruchten deze afgebeten perzik. Nu ben ik nieuwsgierig wat ik voor
mijne duiven zal krijgen. Dien bruinen slungel heb ik op de markt
gekocht; ik neem hem als aandenken aan Memphis naar Korinthe mede,
wanneer hij nu wat aardigs terugbrengt. Daar gaat de deur open,
daar is hij. Kom hier, mijn jongen, wat brengt ge?"
Publius luisterde en keek met de armen op den rug naar de levendige
taal en de bewegingen van zijn vriend. Hij beschouwde hem heden nog
meer dan vroeger als een onbezorgden lieveling der goden, in wiens
dartelheid men behagen schept, omdat zij past bij zijn karakter,
en men gevoelt dat al wat hij doet hij even weinig laten kan als de
boomen het bloeien.
Zoodra Lysias een pakje had opgemerkt in de hand van den knaap,
nam hij het hem niet af, maar hij haalde den heelen, alles behalve
dunnen jongen, alsof het een stuk speelgoed gold, bij den lederen
gordel, waarmede zijn schort bevestigd was, naar zich toe, zette
hem naast zich op de tafel en riep: "Ik zal je leeren vliegen, jong
nijlpaard. Komaan, laat nu kijken, wat je hebt!"
Haastig nam hij den overbluften jongen het pakje uit de vingers,
woog het in zijne hand, en zeide, zich tot Publius wendende: "Daar
zit wat in, dat tamelijk zwaar is; wat zou het zijn?"
"Ik ben niet bedreven in zulke dingen," zeide de Romein.
"Ik bij uitnemendheid," hernam Lysias. "Er zou wel--, wacht--ja het
zou wel haar gordelgesp kunnen zijn. Voel maar, het is wat hards."
Publius betastte het pakje, dat de Korinthiër hem voorhield, opmerkzaam
met de vingers en zeide toen lachend: "Ik begin te vermoeden, wat
gij daar gekregen hebt, en het zal mij genoegen doen als ik gelijk
heb. Irene zendt u, geloof ik, den gouden armband op een plankje
beleefd terug."
"Onzin," antwoordde Lysias. "De band was keurig bewerkt en van
bijzondere waarde, en alle meisjes houden van sieraden."
"Althans uwe vriendinnen te Korinthe! Maar zie nu toch eens, wat er
in dit doekje zit."
"Wikkel gij het los," verzocht de Korinthiër.
Publius maakte eerst den draad los, vouwde toen een witten linnen
doek open, en vond eindelijk iets dat in gewoon handelspapyrus was
gewikkeld. Nadat dit laatste omhulsel verwijderd was, vertoonde zich
inderdaad de armband, en onder dezen lag een klein wastafeltje.
Lysias was alles behalve tevreden met deze vondst en keek zijn
teruggezonden geschenk verbluft en verdrietig aan, maar hij werd
zijne ergernis weldra meester en zeide, zich wendende tot zijn vriend,
die eerst in zijn vuistje lachte, maar daarna voor zich keek: "Hier
op dit tafeltje staat ook iets. Dat is zeker de saus bij het gepeperd
gerecht, dat mij daar wordt voorgezet."
"Eet er maar van," zeide Publius. "Het kan weldadig werken voor
het vervolg."
Lysias nam het tafeltje in de hand, en nadat hij het van alle zijden
bekeken had, zeide hij: "het komt den beeldhouwer toe, want hier staat
zijn naam. En daar--waarachtig, zij heeft de saus of, zoo gij liever
wilt, de bittere artsenij met verzen gekruid. Zij zijn niet zoozeer
mooi dan wel duidelijk geschreven, en behooren in elk geval tot het
genre der leerdichten."
"Welnu?" vroeg de Romein nieuwsgierig, terwijl Lysias las.
Maar deze laatste zag van het schrift niet op, maar gaf, terwijl hij
met de vingertoppen over zijn neus wreef, met een lichten zucht ten
antwoord: "Zeer aardig voor ieder dien het niet aangaat! Wilt gij
het distichon hooren?"
"Wat ik u bidden mag, draag het voor!"
"Het zij zoo," zeide de Korinthiër, zuchtte nog eens en las:
"Liefelijk schijnt aan het paar, door de liefde verbonden,
zijn toekomst,
Doch het bezwarende goud vreest het en zendt het terug."
"Daar hebt gij mijne artsenij! Maar duiven zijn geene menschen, en ik
weet reeds wat ik antwoorden zal! Geef mij de fibula [29], Publius,
die uw mantel samenhoudt, waarmede gij er uitziet, als waart gij uw
eigen bode. Ik zal er mijn antwoord mee in het was griffen."
De Romein overhandigde Lysias den gouden krans, die van een
sterke naald was voorzien, en terwijl hij zijn mantel met de handen
samenhield, daar hij door hen die deze straat voorbijgingen, al waren
het er maar weinigen, niet herkend wilde worden, schreef de Korinthiër:
"Gloeien de harten der duiven, dan gaat zich het mannetje sieren,
Maar als de jongeling gloeit, siert hij zijn meisjen het liefst."
"Mag het gehoord worden?" vroeg Publius. Zijn vriend las hem terstond
de verzen voor, gaf den knaap het tafeltje in de hand met den armband,
dien hij haastig opnieuw inwikkelde, en gelastte hem dit terstond
aan de schoone Irene te brengen.
Maar de Romein hield den knaap terug, en terwijl hij de hand op
den schouder van den Korinthiër legde, vroeg hij: "En wanneer nu
de jonkvrouw dit geschenk aanneemt en na dit nog vele andere--want
gij zijt rijk genoeg om haar naar hartelust met geschenken te
overladen--wat dan, Lysias?"
"Wat dan?" herhaalde de jonkman besluiteloos en bedremmelder dan zoo
even. Dan wacht ik Klea's terugkomst af, en--; ja lach mij niet uit,
maar ik heb er ernstig over nagedacht dit meisje te huwen, en mede te
nemen naar Korinthe. Ik ben een eenige zoon en sedert drie jaar laat
mijn vader mij geen rust. Hij wil volstrekt, dat mijne moeder eene
vrouw voor mij zal zoeken, of dat ik er zelf eene zal kiezen. En al
bracht ik hem de pikzwarte zuster van dezen bruinen bengel, ik geloof
dat hij er zich over verblijden zou. Zoo waar als ik uw vriend ben,
ik kan op geen ander meisje smoorlijker verliefd raken dan op deze
Irene.--Doch ik begrijp waarom ge mij weder met de blikken van den
donderenden Zeus aanziet! Gij weet wat ons huis in Korinthe beteekent,
en als ik dat bedenk, dan zeker--"
"Dan zeker?" vroeg de Romein scherp en ernstig.
"Dan bedenk ik, dat eene kruikdraagster en de dochter van een gevonnist
man in ons huis...."
"Houdt gij mijne familie te Rome voor geringer, dan de uwe te
Korinthe?" vroeg Publius op strengen toon.
"Integendeel Publius Cornelius Scipio Nasica. Wij zijn groot door
onzen rijkdom; gij zijt het door macht en vaste goederen."
"Dat zijn wij, en desniettemin breng ik Irene's zuster Klea, als
mijne echtvriendin in het huis mijns vaders."
"Doet gij dat?" riep Lysias, terwijl hij van zijn bank opvloog, en,
niettegenstaande er eenige Egyptenaars op dit oogenblik door de ledige
straat hun voorbijgingen, den Romein om den hals vloog. Dan is alles
in orde, dan--o, hoe verlicht dit mijn gemoed--dan wordt Irene mijne
vrouw, zoo waar ik het leven liefheb! O Eros en Aphrodite en vader Zeus
en Apollo wat doet mij dat goed! Ik gevoel mij als ware de grootste
van gindsche pyramiden mij van de borst gewenteld!--En nu, bengel,
gaat ge naar boven en brengt aan de schoone Irene, de bruid van haren
trouwen Lysias--hoor je wat ik je zeg?--dadelijk dit waschtafeltje
en dezen armband. Maar gij zult de boodschap niet goed overbrengen;
ik zal hier boven mijn distichon schrijven: 'De trouwe Lysias aan de
schoone Irene, zijne toekomstige gemalin.' Zóo, en nu denk ik zal zij
dit ding niet weder terugzenden, dat lieve meisje!--Hoor, slungel,
als zij het houdt, moogt ge heden op het feestplein zooveel koeken
verslinden, tot ge doodziek zijt, al heb ik straks ook vijf goudstukken
voor je betaald.--Zal zij den armband aannemen, Publius, ja of neen?"
"Zij zal dien aannemen."
Weinige oogenblikken later kwam de knaap op een draf terug, trok den
Korinthiër aan zijn chiton, en riep: "Komen, meekomen, binnen in huis."
Lysias wipte met een grooten sierlijken sprong over den jongen heen,
rukte de deur open en opende zijne armen, toen hij Irene zag, die den
smallen trap, welke veel van een ladder had, behendig afklom en als
eene gejaagde gazelle naar hem toevloog, om zich lachend en schreiend
tegelijk aan zijn borst te werpen. Spoedig vonden zijne lippen de
hare, maar na dezen eersten kus rukte zij zich uit zijne armen los,
vloog den trap weder op, en riep hem van een der bovenste treden
vroolijk toe: "Ik heb gedaan wat ik niet laten kon. Tot wederziens,
wanneer Klea er is!" Hierop verdween zij op de bovenverdieping.
Van vreugde dronken keerde Lysias tot zijn vriend terug, sprong weder
op zijne bank en zeide: "Nu mag de hemel invallen, ik zal er mij niet
aan storen! Eeuwige goden, wat is de wereld toch schoon!"
"Wonderlijke kerel," zeide de Romein, zijn verrukten vriend in de rede
vallende. "Gij kunt toch niet altijd in dezen vuilen winkel blijven."
"Ik verzet geen voet tot Klea hier komt. Die knaap daar zal mij eten
brengen, gelijk een oude musch zijn jongen. Als het niet anders kan,
blijf ik hier een week liggen, evenals de kleine sardijnen, die men
te Alexandrië in olie bewaart."
"Gij zult, hoop ik, maar eenige uren behoeven te wachten. Ik ga nu
heen, want ik denk koning Euergetes eene bijzondere verrassing op zijn
geboortedag te bereiden, en moet naar het paleis. De feestelijkheden
zijn reeds in vollen gang. Hoor eens hoe zij om en bij de haven roepen
en schreeuwen. Ik geloof den naam van Euergetes te verstaan."
"Breng dat logge monster mijn gelukwensch. Tot weerziens, zwager!"