De man dien Klea gezien had, was niemand anders dan de Romein Publius.
Een dag van allerlei gewaarwordingen lag achter hem, want nadat hij
zich overtuigd had, dat Irene door den beeldhouwer en zijne gemalin
was opgenomen, alsof zij haar eigen kind ware, was hij naar zijne
tent teruggereden om andermaal naar Rome te schrijven. Doch het kon
er niet toe komen, want zijn vriend Lysias liep rusteloos naast hem
op en neer, en zoo dikwijls hij het schrijfriet op het papyrus zette,
stoorde hij hem met vragen betreffende den kluizenaar, den beeldhouwer
en zijne geredde beschermelinge. Toen de Korinthiër eindelijk wilde
weten, of hij Irene's oogen voor bruin of blauw hield, was hij knorrig
opgesprongen en had vrij heftig uitgeroepen: "En al waren ze rood of
groen; wat ging het mij aan?"
Lysias scheen dit antwoord eer te vermaken dan te verdrieten, en
reeds was hij op het punt zijn vriend te bekennen, dat Irene in
zijn hart een waren brand had ontstoken, toen zich een stalmeester
van Euergetes aanmeldde, om den Romein vier kostelijke Cyrenaeische
vossen te laten zien, die zijn vorst den edelen Publius Cornelius
Scipio Nasica verzocht te willen aannemen als teeken zijner bijzondere
vriendschap. Wel een uur lang bewonderden beide vrienden, kenners en
liefhebbers van paarden, den schoonen bouw en den vluggen tred dezer
edele dieren.
Vervolgens verscheen er eene kamenier van de koningin om Publius uit
te noodigen haar terstond te bezoeken. De Romein volgde den bode na
een kort oponthoud in zijne tent. Hij stak de gesneden steenen met
de bruiloft van Hebe bij zich, want hij was op weg van de woning des
beeldhouwers naar het paleis op den inval gekomen deze kunstwerken
der koningin aan te bieden, nadat hij haar omtrent de herkomst der
kruikdraagsters zou ingelicht hebben. Publius had scherpe oogen en de
zwakke zijde van Kleopatra was hem niet ontgaan, maar nooit had hij
kunnen denken, dat zij haren teugelloozen broeder de behulpzame hand
zou bieden, om zich met geweld meester te maken van de onschuldige
dochter van een edelen vader. Thans wilde hij haar, als het ware ter
vergoeding voor de verijdelde, door zijn vriend ontworpen voorstelling,
het beeldwerk zelf vereeren, dat zij zich verheugd had zoo schoon te
zullen zien wedergeven.
Kleopatra ontving hem op haar dak, eene gunst die maar aan weinigen
te beurt viel, vergunde hem, terwijl zij zelve op haar rustbed lag
uitgestrekt, zich aan hare voeten neder te zetten, en gaf hem door
elken blik van haar oog en ieder woord dat zij zeide ondubbelzinnig
te erkennen, dat zijne tegenwoordigheid haar gelukkig maakte en met
hartstochtelijke vreugde vervulde. Publius wist het gesprek spoedig op
de onschuldig in de goudmijnen gesleepte ouders der kruikdraagsters te
brengen. Kleopatra brak echter zijne voorspraak af, door hem duidelijk
en zonder omwegen en niet zonder merkbare gemoedsaandoening de vraag
voor te leggen, of het waar was dat hij zelf die Hebe wenschte te
bezitten. Zij beantwoordde zijne stellige ontkenning met uitingen van
ongeloof, en ten laatste zelf met op verwijtenden toon te spreken,
zoodat hij boos werd en opstuivend haar rondweg verklaarde, dat
hij het voor onmannelijk en schandelijk hield te liegen, en dat hij
geene beleediging moeielijker kon verdragen dan twijfel aan zijne
oprechtheid.
Zulk eene heftige en stellige ontkenning uit den mond van een door haar
bevoorrecht man, was voor Kleopatra iets nieuws, en zij nam haar niet
kwalijk, want zij mocht nu gelooven hetgeen zij zoo gaarne geloofde,
dat Publius niets van de bevallige Hebe begeerde, dat Eulaeus zijn
vijand belasterde, en dat Zoë zich vergist had, toen zij na haar
vruchteloos tempelbezoek, waarvan zij zooeven was teruggekeerd, haar
had medegedeeld, dat Irene het liefje was van den Romein, en dat hij
zeer vroeg in den morgen, hetzij aan het meisje zelve, hetzij aan
de priesters in het Serapeum moest verraden hebben wat men met haar
voorhad. In de ziel van dezen edelen jongeling school geen bedrog,
kon geen arglistigheid zijn! En zij, die gewoon was geen woord uit
den mond van hare omgeving te vernemen, zonder zich af te vragen, wat
daarmede wel bedoeld werd en in hoeverre het gelogen of gehuicheld was,
zij geloofde den Romein en verheugde zich zoozeer in haar vertrouwen,
dat zij op een toon van vroolijke lieftalligheid Publius uitnoodigde
haar het verzoekschrift van den kluizenaar ter lezing te geven.
De Romein overhandigde haar terstond de rol en zeide, dat aangezien
dit stuk zooveel treurigs inhield, waarvan zij kennis zou moeten
nemen, hij zich verplicht gevoelde haar ook eene zij het ook zeer
kleine verrassing te bereiden. Hierbij overhandigde hij haar zijne
gesneden steenen, en zij toonde zich over deze kleine kunstwerken zoo
uitgelaten van verrukking, als ware zij niet de rijke koningin, die
de schoonste gesnedene steenen in de gansche wereld bezat, maar een
meisje, waaraan men het eerste lang gewenschte gouden sieraad schenkt.
"Kostelijk, heerlijk!" riep zij herhaaldelijk. "En bovendien is dit
geschenk een onvergetelijk aandenken aan u, lieve vriend, en aan uw
bezoek in Egypte. Met welke edelgesteenten ik deze ook laat omzetten,
zelfs diamanten schijnen mij zonder waarde, bij dit uw geschenk
vergeleken. Het zal, eer ik nog dit verzoekschrift heb gelezen, mijn
oordeel over den eunuuch en zijn beklagenswaardig offer beslissen. Maar
ik zal die rol toch lezen, met aandacht lezen, want mijn gemaal houdt
Eulaeus voor een nuttig, ja bijna onontbeerlijk werktuig, en het zal
er op aankomen het besluit zoowel als de begenadiging op goede gronden
te doen rusten. Ik geloof aan de onschuld van den armen Philotas,
maar al had hij honderd moorden begaan, na dit geschenk stel ik hem
toch in vrijheid!"
De Romein ergerde zich aan deze woorden, en al wat zij verder had
gezegd om hem aangenaam te zijn, scheen hem op dit oogenblik, vooral
om haarzelve, meer te passen in den mond van een omkoopbaar beambte,
dan van eene koningin. De tijd viel hem lang bij Kleopatra, die hem,
ondanks zijne eigene terughouding, steeds dringender te verstaan
gaf, hoe warm haar hart voor hem klopte. Doch hoe meer zij sprak en
vertelde, des te stiller toonde hij zich. Hij gevoelde zich verlicht
en haalde weder vrij adem, toen haar gemaal verscheen om Kleopatra
en ook hem voor het middagmaal af te halen.
Aan tafel beloofde Philometor zich de zaak van Philotas en zijne
vrouw, die hij beide gekend had, en wier treurig lot hem leed deed,
te zullen aantrekken. Doch hij verzocht zijne gemalin en den Romein
den eunuuch Eulaeus eerst dan voor het gerecht te dagen, wanneer
Euergetes Memphis verlaten zou hebben, want gedurende de aanwezigheid
van zijn broeder, die tot allerlei moeielijkheden aanleiding gaf,
kon hij den schrijver nog niet ontberen. Wanneer hij Publius naar
zichzelven beoordeelen mocht, dan zou er ook hem meer aan gelegen
zijn onschuldigen recht te doen wedervaren en uit hunne ellende te
bevrijden, waarvan al het verschrikkelijke hem eerst onlangs door
zijn leermeester Agatharchides bekend geworden was, dan een man,
die zijn toom onwaardig was en bovendien zijn straf niet ontgaan kon,
juist heden of morgen voor den rechter te dagen.
Voordat de brief van Asklepiodorus, waarin het onjuiste vermoeden
der priesters van Serapis werd uitgesproken, dat namelijk Irene
op last des konings uit den tempel zou zijn gevoerd, in het paleis
aankwam, had Publius gelegenheid gevonden om van het vorstelijk paar
afscheid te nemen. Zelfs Kleopatra waagde het niet iets in te brengen
tegen zijne stellige verzekering, dat hij heden nog over gewichtige
aangelegenheden naar Rome moest schrijven. Toen Philometor nu met zijne
gemalin alleen was, vond hij, wiens toegenegenheid spoedig te winnen
was, geen woorden genoeg om de voortreffelijke eigenschappen van den
jongen man te prijzen, die aangewezen scheen om in de toekomst hem
en zijne zaak te Rome de gewichtigste diensten te bewijzen, en wiens
vriendschappelijke gezindheid hij wederom--en hij erkende dit met
vreugde--aan het uitstekend beleid en de voorkomendheid van zijne
gemalin te danken had.
Toen Publius het paleis had verlaten en haastig zijne tent ging
opzoeken, gevoelde hij zich als een daglooner, die van een zwaren
arbeid terugkeert, als een vrijgesprokene, die van een halsmisdaad
was beschuldigd, als een verdoolde, die weder het rechte pad heeft
gevonden. De zwoele lucht tusschen de lanen van het meer afgelegen
gedeelte van den tuin scheen hem minder zwaar om in te ademen,
dan de koele wind, die rondom het dak van Kleopatra speelde. De
tegenwoordigheid der koningin kwam hem opwekkend en toch benauwend
voor, en hoeveel vleiends er ook voor hem was gelegen in de wijze
waarop de machtige vorstin hem tegemoet kwam, zoo wilde hem dit toch
even weinig smaken als een heerlijk gerecht op een gouden schotel,
tot het gebruik waarvan men ons dwingen wil, en dat, als men het dan
toch eindelijk proeft, walgelijk zoet blijkt te zijn.
Publius was in alle opzichten een man, en zoo hield hij, evenals ieder
van zijns gelijken zou doen, de liefde, die hem werd opgedrongen,
voor een eerbewijs uit eene hand, die men niet kan achten, en die
men daarom liever afwijst dan aanneemt, evenals de lof, die onze
verdiensten verre overtreft en waaraan een dwaas misschien zijn
hart ophaalt, verstandige lieden eer ergernis geeft dan dank waardig
schijnt. Het scheen hem toe dat Kleopatra's toeleg was zich van hem
te bedienen, allereerst als een vermakelijk speeltuig, vervolgens
als een bruikbaar handlanger, en dit verdroot en verontrustte den
ernstigen en prikkelbaren jonkman zoozeer, dat hij het liefst terstond
en zonder afscheid te nemen Egypte en Memphis verlaten zou hebben.
Toch zou het hem niet gemakkelijk vallen te vertrekken, want zoo vaak
hij aan Kleopatra dacht, stond ook het beeld van Klea hem voor den
geest, gelijk wanneer wij denken aan de schaduwen van den nacht ook de
glans van de zachte maan zich aan onze verbeelding voordoet. Had hij
Irene gered, zoo wenschte hij ook aan de ouders der kruikdraagsters
de vrijheid terug te geven. Egypte te verlaten zonder Klea nog eens
teruggezien te hebben, scheen hem bepaald onmogelijk. Hij verlangde
zich in eigen persoon nog eens te plaatsen tegenover hare trotsche
grootheid en haar te zeggen, dat zij eene schoone en koninklijke
vrouw was, en dat hij haar vriend was, die de ongerechtigheid haatte,
en om den wille van het recht en ook om harentwil gaarne bereid was
voor haar en hare ouders groote offers te brengen.
Heden, nog vóor het gastmaal, wilde hij den tempel van Serapis op
nieuw bezoeken en den kluizenaar dringend vragen een onderhoud te
willen bewerken tusschen hem en zijne beschermelinge. Als Klea eens
wist wat hij voor Irene en hare ouders gedaan had, dan zou zij hem wel
moeten toonen, dat hare trotsche oogen ook vriendelijk konden kijken,
dan zou zij tot afscheid hem de rechterhand moeten geven, die hij met
beide handen dacht te omklemmen en aan zijne borst te drukken. Dan
wilde hij haar zeggen met de verhevenste en warmste woorden, die hij
maar uitdenken kon, hoe gelukkig hij was haar gevonden te hebben, en
hoe zwaar het hem viel van haar te scheiden. Misschien liet zij dan ook
hare hand wel in de zijne en zou zij hem vriendelijk antwoorden. Eenige
weinige goedhartige en oprechte woorden uit Klea's strengen en toch
zoo schoonen mond schenen hem hooger waarde te bezitten, dan een kus
en eene omhelzing van de groote en rijke koningin van Egypte.
Cornelius kon, als hij werd getart, in toorn zichzelven vergeten,
maar zijn verbeeldingskracht was overigens noch bijzonder levendig
noch vurig. Terwijl hij zijne paarden liet inspannen en met hen naar
den Serapis-tempel reed, stond hem gedurig het verheven beeld van de
kruikdraagster voor oogen, meende hij telkens in plaats van de teugels
hare hand in de zijne te houden, en als hij herhaalde wat hij haar tot
afscheid wilde zeggen, en hij in zijn binnenste meende te vernemen,
dat zij hem met bewogen stem voor zijne edele hulpvaardigheid dankte,
en dat zij hem nooit vergeten zou, voelde hij dat zijne oogen, die in
vele jaren geen tranen hadden gekend, vochtig werden, en onwillekeurig
herinnerde hij zich den dag, waarop hij de zijnen vaarwel zeide, om
voor de eerste maal ten krijg te trekken. Toen echter hadden er niet in
zijne eigene oogen, maar wel in die zijner moeder tranen geglinsterd,
en hij vond dat, als hij Klea met eene andere vrouw vergelijken mocht,
zij toch het meest geleek op die deftige matrone die hem het leven had
geschonken; dat Klea naast de dochter van den grooten Scipio Africanus
er uitzag als eene jeugdige Minerva aan de zijde der verhevene Juno,
de moeder der goden.
Groot was zijne teleurstelling, toen hij de poort van den
Serapis-tempel gesloten vond en hij zich gedwongen zag zonder Klea
of den kluizenaar gezien te hebben, naar Memphis terug te keeren. Wat
heden niet mogelijk was geweest, kon hij morgen opnieuw beproeven, maar
zijn verlangen naar de geliefde klom nu tot een pijnlijk heimwee. Toen
hij weder in zijne tent zat, om zijn tweeden brief naar Rome af te
schrijven, hinderde de gedachte aan Klea hem telkens weder bij zijn
ernstig werk. Wel tienmaal sprong hij op, om zijne gedachten opnieuw
te verzamelen, en even dikwijls moest hij het schrijfriet neerwerpen,
omdat het beeld van de kruikdraagster zich plaatste tusschen hem en
zijnen brief. Eindelijk sloeg hij, ongeduldig over zichzelven, met de
hand op de voor hem staande tafel, drukte eenige oogenblikken beide
vuisten zoo krachtig in zijne zijde, dat het hem pijn deed, en dwong
aldus zichzelven zijn plicht te vervullen, alvorens aan iets anders
te denken. Zijn stalen wilskracht behield ten slotte de overhand,
en toen het donker begon te worden, was de brief geschreven.
Reeds stond hij gereed het teeken van zijn geslacht, dat in den
sardonyx van zijn zegelring was gesneden, in het zegelwas af te
drukken, toen zijn dienaar hem een zwarten slaaf aandiende, die
verlangde hem te spreken. Cornelius beval hem binnen te leiden, en
de neger overhandigde hem de scherf, waarop Eulaeus met boosaardige
bedoeling Klea's uitnoodiging aan hem geschreven had, om tegen
middernacht bij de Apis-graven te verschijnen. Het listige glurende
werktuig van zijn vijand was op dit oogenblik voor den jonkman een bode
der goden, en zonder in het minst eenige verdenking te koesteren,
schreef hij met hartstochtelijke gejaagdheid op de armzalige,
potscherf: "Ik zal komen."
Publius wilde den brief aan den senaat, dien hij zooeven voleindigd
had, eigenhandig en onopgemerkt overhandigen aan den bode, die hem
gisteren het schrijven uit Rome had gebracht, en daar hij eerder het
verzoek zou hebben afgeslagen, om een koninklijken schat in dezen nacht
in ontvangst te nemen, dan de samenkomst met Klea te verzuimen, zoo
kon hij in geen geval aan het koninklijk gastmaal deelnemen, hoewel
Kleopatra hem daar overeenkomstig zijne belofte, wachten zou. Hij
gevoelde nu tot zijn leedwezen het gemis van zijn vriend Lysias,
want hij wilde alles vermijden wat de koningin beleedigen kon, en de
Korinthiër, die op dat oogenblik zich zeker met de onbeduidendste
dingen bezighield, was even vlug in het uitdenken van geschikte
verontschuldigingen, als hijzelf daarin dom was. Haastig schreef
Publius dus aan zijn tentgenoot eenige woorden, om hem te verzoeken den
koning mede te deelen, dat hij door dringende bezigheden verhinderd
was heden avond aan zijn gastmaal deel te nemen. Hierop sloeg hij
zijn mantel om, zette zijn reishoed op, die zijn gezicht beschaduwde,
en begaf zich te voet en zonder geleide, met zijn brief in de eene
en zijn wandelstaf in de andere hand naar de haven.
De soldaten en politiewachten, die de voorhoven van het paleis
vervulden, hielden hem voor een bode, riepen den man, die met vasten,
haastigen tred zich voortspoedde, niet aan, en zoo bereikte hij zonder
opgehouden of herkend te worden de herberg aan de haven, waar hij
onder schippers en kooplieden een uur moest wachten, eer zijn bode uit
het vroolijk vreemdenkwartier, waar hij zich wat te goed had gedaan,
terugkeerde. Zeer veel had hij te bespreken met dezen man, die den
volgenden morgen naar Alexandrië en Rome moest vertrekken. Doch Publius
gunde zich daartoe nauwelijks den noodigen tijd, want reeds een vol
uur voor middernacht meende hij te moeten opbreken, om naar de door
Klea aangewezene, hem welbekende plaats te gaan, hoewel hij wist,
dat hij deze in veel korter tijd bereiken kon. Voor den smachtend
verlangende daalt de zon nog te langzaam, en een dwaalster vergeet
eerder haar tijd dan een verliefde, dien de stem der liefde roept.
Om opzien te vermijden bediende hij zich van geen wagen, maar van
een sterk muildier, dat de waard van de herberg hem met genoegen
leende. Want de Romein was zoo blijmoedig gestemd, in de hoop Klea
te zullen ontmoeten, dat hij het aardige kind van den herbergier,
hetwelk op een bank voor de gelagtafel was ingedommeld, een goudstuk
tusschen de half geslotene kleine vingers had gestoken, en den
landwijn, dien hij had gedronken, zonder naar de kosten te vragen,
veel te duur met den prijs van edelen Falerner had betaald. De waard
keek hem met verwondering aan, toen hij eindelijk met een sierlijken
sprong, zonder het groote beest aan te raken, op zijn rug wipte. Het
kwam Publius zelven voor, alsof hij zich sedert zijn jongenstijd nog
nooit zoo frisch, zoo uitgelaten vroolijk had gevoeld, als in dit uur.
De weg, die van de haven naar de Apis-graven voerde, was een andere,
dan die van het koninklijk paleis daarheen geleidde, en welke Klea was
gegaan. De eerste liep niet langs de herberg, waarin zij de moordenaars
gezien had. Er werd overdag veel gebruik van gemaakt door pelgrims,
en de Romein kon ook bij nacht niet dolen, want het muildier dat
hij bereed kende goed den weg. Dat wist hij ook, want op de vraag,
waarom de herbergier het beest er op nahield, had deze geantwoord,
dat hij dagelijks pelgrims, die uit Boven-Egypte kwamen, naar den
tempel van Serapis en de graven der heilige stieren moest brengen. De
voorslag van den waard, om hem een ezeldrijver mede te geven, kon
hij daarom gerust afslaan, en allen die hem zagen opbreken, meenden,
dat hij naar de stad en het koninklijk paleis terugging.
In langzamen draf reed Publius door de straten der stad, en zoo
vaak uit eene herberg het gelach der drinkende soldaten tot zijn oor
doordrong, had hij gaarne daarmede ingestemd. Zoodra hij de doodsche
woestijn was ingegaan, en aan de sterren zag, dat hij te vroeg bij de
plaats der samenkomst zou zijn, dwong hij het dier tot een bedaarden
stap. Hoe meer hij zijn doel naderde, des te ernstiger werd hij en
des te heftiger klopte zijn hart.--Het moest wel iets gewichtigs,
iets van groote beteekenis zijn, dat Klea hem op zulk een uur en
op zulk eene plaats begeerde mede te deelen. Of was zij als duizend
andere vrouwen, en maakte hij zich op om een uurtje in minnekozerij
met haar te slijten? Zij had immers voor een paar dagen zijn blik
beantwoord en zijne viooltjes aangenomen!--Een oogenblik drong deze
gedachte zich met kracht aan hem op, maar hij zette haar verre van
zich als dwaas en zijner onwaardig. Eer zou een koning een bedelaar
aanbieden den troon met hem te deelen, dan dat dit meisje hem zou
uitnoodigen, op een heimelijke plaats met haar te kouten over Amor's
zoete gaven. Ongetwijfeld wenschte zij vóor alle dingen zekerheid te
erlangen omtrent het lot harer zuster; misschien wilde zij ook met hem
spreken over hare ouders. Doch zij had moeielijk kunnen besluiten om
hem te roepen, wanneer zij niet geleerd had hem te vertrouwen, en juist
dit vertrouwen vervulde hem met trots, en bovendien met een levendig
verlangen naar haar, dat zijn hart al heviger en heviger bestormde.
Terwijl het muildier met langzame maar zekere stappen ook in het
stikdonker zijn weg zocht en vond, zag hij op naar den hemel en naar
het spel der wolken, die nu eens als een zwarte massa het licht van
Selene bedekten, dan weder uit elkander dreven, door eene witachtige
schemering omgeven, wanneer de zilveren maansikkel ze kliefde,
gelijk eene zwaan den donkeren waterspiegel. Daarbij dacht hij
onophoudelijk aan Klea, en half droomend meende hij haar voor zich
te zien, maar anders en voornamer dan te voren. Want hare gedaante
groeide al meer en meer in zijne oogen, en werd eindelijk zoo groot,
dat haar schedel aan het firmament raakte, dat de wolken haar sluier
en de maan een schitterende diadeem in haren haartooi schenen te
zijn. Onder den indruk van dit visioen, liet hij de teugels op den hals
van het muildier vallen, en strekte hij de handen naar deze schoone
droomgestalte uit, doch hoe verder hij voortreed, des te meer week
zij terug, en toen de westenwind hem het zand in het aangezicht blies,
zoodat hij zijne oogen met de hand moest bedekken, verdween zij weder
geheel en keerde niet weder tot hij bij de Apis-graven was aangekomen.
Hij had gehoopt hier eenige soldaten of wachten te zullen vinden,
waaraan hij het dier kon toevertrouwen, maar nadat het middernachtelijk
priestergezang in den tempel van Osiris-Apis was weggestorven, liet
zich nergens meer in den omtrek eenig geluid hooren, en in zijne
omgeving was alles zoo stil, zoo stom en zoo bewegingloos, alsof alle
leven hier ware uit gestorven. Of had een demon hem van het gehoor
beroofd? Alleen het bruischen van zijn eigen snelvlietend bloed meende
hij aan zijn oor te vernemen, maar verder niet het minste. Zulk eene
stilte kent slechts de doodenstad bij nacht, kent alleen de woestijn.
Aan een gedenksteen van graniet vol opschriften maakte hij de teugels
van het muildier vast, en liep vervolgens naar de plek, die voor de
samenkomst bestemd was. Volgens den stand der maan moest het later zijn
dan middernacht, en reeds begon hij zich af te vragen, of hij daar
waar hij stond moest blijven, dan of hij de kruikdraagster tegemoet
zou gaan, toen hij eerst zachte voetstappen hoorde en spoedig daarna
eene hooge gestalte, in een langen mantel gehuld, van de sphinxenlaan
recht op zich zag afkomen.
Was het een man; was het eene vrouw; was zij het, die hij
verwachtte? En als zij het was, naderde ooit eene vrouw met zulke
afgemetene bijna plechtige schreden den vriend, met wien zij een
onderhoud verlangde?
Thans herkende hij haar gelaat.--Was het door het vale maanlicht,
dat zij er zoo bloedeloos, zoo marmerbleek scheen uit te zien? Er
lag eene zekere strakheid in deze trekken, en toch had hij ze nog
nooit, zelfs niet toen zij blozend zijne viooltjes had aangenomen, zoo
onberispelijk schoon, zoo gelijkmatig en fijn besneden, zoo voornaam,
ja zoo eerbiedwekkend gevonden.
Beiden stonden wel eene minuut sprakeloos en toch zeer dicht tegenover
elkander. Eindelijk brak Publius het stilzwijgen af, door haar vol
warm gevoel en toch niet zonder schroom, met zijne zware heldere
stem niets anders toe te roepen, dan een enkel woord, en dit woord
was haar naam: "Klea!"
Als de wensch: God groete en zegene u; als de welluidendste aller
accoorden in den zang der Sirenen; als de vrijspraak uit den mond des
rechters over leven en dood, klonk dit woord, en beroerde met zijne
trillingen het hart der jonkvrouw. Reeds opende zij hare lippen
om den Romein zijn naam Publius op niet minder diepen en innigen
toon toe te roepen, maar zij bedwong zich met al hare zielskracht,
en zeide zacht en snel: "Gij zijt op dit late uur hierheen gekomen,
en het is goed dat gij dit deedt."
"Gij hadt mij geroepen," antwoordde de Romein.
"Een ander deed het, niet ik," gaf Klea dof en langzaam ten antwoord,
als had zij een zwaren last op te heffen, of als viel het ademhalen
haar zwaar: "Volg mij nu, want het is hier de plaats niet om u dit
te verklaren."
Bij deze woorden ging Klea naar de geslotene deur der Apis-graven en
beproefde den sleutel, dien de oude Krates haar had toevertrouwd,
in het slot te steken; maar deze was nog zoo nieuw en hare vingers
beefden zoo, dat haar dit niet zoo dadelijk wilde gelukken.
Publius stond intusschen dicht naast haar, terwijl hij zijn best deed
om haar te helpen, kwamen zijne vingers met de hare in aanraking. Toen
hij nu, zeker niet zonder er bij te denken, zijne sterke en toch
bevende hand op de hare legde, liet zij dit een oogenblik toe, want
het was haar als steeg er een warme damp al wervelend uit hare borst
op, die haar geest benevelde, haar wilskracht verlamde en een sluier
wierp over hare oogen.
"Klea," zeide hij andermaal, en greep ook naar hare linkerhand.
Als uit een kortstondigen droom in het werkelijk leven teruggeroepen,
trok zij terstond de hand terug waarop de zijne rustte, stak den
sleutel in het slot, opende de poort en zeide bijna met bevelenden
ernst: "Ga mij voor!"
Publius volgde dit bevel en betrad de ruime voorhal van de eenvoudige,
in de rots uitgehouwen en flauw verlichte grot. Een gewelfde gang,
waarvan hij het einde niet zien kon, lag voor hem, en aan beide
zijden waren links en rechts de toegangen tot de kamers, waarin de
sarkophagen stonden der gestorvene heilige stieren. Boven elke van
deze ontzaglijke steenen doodkisten brandde dag en nacht een lamp,
welker schijnsel, als een tapijt uit lichtstralen geweven, overal waar
zulk eene grafkamer open stond, door de duisternis van de spelonk
heenbrekende, een helder flikkerlicht wierp op den donkeren weg,
die tot het binnengedeelte van de grot voerde.
Welk eene plaats had Klea gekozen, om met hem te spreken! Maar
al klonk hare stem ook streng, zijzelve was toch niet zoo koud en
gevoelloos als de schaduwen van den Orkus, waarop deze plaats geleek,
welke gevuld was van wierookdamp, die zijne borst beklemde. Immers hij
had gevoeld, dat hare vingers onder de zijnen beefden, en toen hij,
om haar te helpen, zeer dicht naast haar was gaan staan, had haar hart
blijkbaar niet minder snel en hevig geklopt dan het zijne.--Ja, wien
het gelukte dit hart van hard maar rein en edel kristal te smelten,
over hem zou zich een stroom uitstorten van louter zaligheid!
"Hier zijn wij waar wij wezen moeten," zeide Klea. Daarna ging zij
voort met korte afgebroken volzinnen. "Blijf gij, waar ge zijt. Laat
mij de plaats innemen bij de poort. Beantwoord mij nu eerst eene
vraag: Mijne zuster Irene is uit den tempel verdwenen. Hebt gij haar
doen wegvoeren?"
"Ik deed het," antwoordde Publius haastig. "Zij laat u groeten en
u zeggen, hoe best hare nieuwe vrienden haar bevallen. Als ik u zal
hebben medegedeeld...."
"Thans niet," zeide Klea, hem driftig in de rede vallende. "Keer u
nu om!--Daarheen, waar gij dat lamplicht ziet flikkeren."
Publius deed gelijk hem bevolen werd, en daarbij gevoelde hij, ofschoon
anders zoo onverschrokken, eene lichte huivering, want al wat dit
meisje deed, ja haar geheele voorkomen, was niet alleen plechtig,
maar scheen hem zoo geheimzinnig toe, als ware zij een profetes.
Daar weergalmde een hevig gekraak door die stille, heilige plaats,
en hare geluiden plantten zich langs de rotswanden der grot voort,
al dreunend wegstervende. Publius keek angstig om, maar zijn zoekend
oog vond Klea niet meer. Toen hij vervolgens naar de deur van de grot
vloog, hoorde hij hoe ze van buiten werd gesloten. De kruikdraagster
was hem ontvloden, had de zware deur toegeworpen en hield hem gevangen.
Deze gedachte scheen den Romein zoo onwaardig en onverdraaglijk,
dat hij, op dit oogenblik voor geen ander gevoel vatbaar dan dat
van verzet, van gekrenkten trots en van hartstochtelijke begeerte om
zich te bevrijden, met de voeten tegen de deur trapte en Klea toornig
toeschreeuwde: "Gij zult de deur openen: ik beveel het u! Laat mij
dadelijk vrij, of bij alle goden..."
Hij sprak zijne bedreiging niet uit, want in het midden van de rechter
vleugeldeur der geslotene poort, werd een klein luikje opengedaan,
waardoor de priesters soms wierookdamp, in de groeve der heilige
stieren plachten in te laten. Twee-, driemaal, en toen hij nog altijd
niet bedaren wilde, ook ten vierden maal riep Klea hem toe: "Hoor mij,
hoor mij toch, Publius!"
Eindelijk hield hij op met razen, en kon zij dus voortgaan: "Dreig mij
niet, Publius, want gij zult er zeker berouw van hebben, als gij weet
wat ik u heb mede te deelen. Laat mij uitspreken, en weet reeds nu, dat
deze poort alle dagen met zonsopgang geopend wordt. Uwe gevangenschap
duurt niet lang, en gij moet er u in voegen, want ik sloot u op om uw
leven te redden, ja, uw leven dat in groot gevaar verkeert. Gij noemt
mijne bezorgdheid dwaasheid? Neen, Publius, zij is maar al te zeer
gerechtvaardigd, en wanneer gij sterk zijt als man, zoo ben ik het
als vrouw en door een nietswaardig spooksel zal ik mij nooit schrik
laten aanjagen. Oordeel zelf, of ik recht heb voor u te vreezen.
"Koning Euergetes en de eunuuch Eulaeus hebben twee afschuwelijke
booswichten gehuurd, om u te vermoorden. Toen ik uitging om Irene te
zoeken heb ik alles afgeluisterd. Ik heb de verschrikkelijke wolven,
die zij op u zouden aanhitsen, met deze oogen gezien, en den aanslag
tegen u met deze ooren hooren bespreken. Het briefje op die scherf,
dat mijn naam droeg, heb ik nooit geschreven. Eulaeus heeft het
gedaan, en gij hebt u door hem in den val laten lokken en zijt in den
nacht naar de woestijn gegaan. Binnen weinige oogenblikken zullen de
moordenaars om deze plaats heen sluipen en hun offer zoeken, maar u,
Publius zullen zij niet vinden, want Klea heeft u gered, dezelfde
Klea, die gij eerst vriendelijk zijt tegemoetgekomen en wier zuster
gij daarna geroofd hebt; dezelfde Klea, die gij zooeven bedreigdet
en die nu terstond, gekleed met hoed en mantel, als een wandelaar,
dien men bij maneschijn licht voor u kan aanzien, in de woestijn zal
gaan, en haar arm hart zal prijs geven aan den dolk des moordenaars."
"Waanzinnige!" riep Publius en trapte daarbij uit al zijn macht en
met zijne voeten tegen de deur. "Wat gij voorhebt is dolzinnig! Ik
beveel u, doe de deur open. Hoe sterk die knapen ook zijn die Euergetes
gehuurd heeft, ik ben mans genoeg mijzelven te verdedigen."
"Gij zijt zonder wapenen, Publius, en zij hebben strikken en dolken."
"Open dan de deur en blijf hier bij mij tot de morgen aanbreekt. Het
is niet grootsch, het is roekeloos zijn leven weg te werpen. Doe
terstond de poort open, wat ik u bidden mag--ik beveel het u!"
Onder andere omstandigheden zouden deze woorden hare uitwerking niet
gemist hebben op Klea's gezond verstand, maar de vreeselijke stormen,
die in de laatste uren over haar hoofd waren gegaan, hadden de rust
harer ziel verstoord en geroofd. Slechts éene gedachte, éen besluit,
éen wensch, beheerschte haar geheel en al, namelijk haar aan offers
zoo rijke leven te besluiten met het grootste van alle, het offer van
zichzelve, en dat niet alleen om Irene gelukkig te maken en den Romein
te redden, maar omdat zij, de dochter van zulk een vader, met zulk eene
daad wilde eindigen; omdat zij, een meisje, Publius toonen wilde wat
de vrouw vermocht, die door hem bij eene andere werd achtergesteld;
omdat de dood haar in dit oogenblik geen ramp toescheen, en haar
geest overspannen door die vreeselijke langdurige opwinding, zich
niet kon losrukken van het denkbeeld, dat zij zich opofferen wilde,
zich opofferen moest. Die gedachte koesterde zij thans niet meer,
deze beheerschte haar gansch en al, en evenals een waanzinnige zich
gedrongen voelt hetzelfde woord altijd en altijd weder uit te spreken,
zoo zouden geene gebeden, geene afdoende redeneeringen thans in staat
zijn geweest haar af te brengen van het voornemen, om haar bloeiend
leven voor Publius en Irene prijs te geven. Met ingenomenheid en
trots beschouwde zij dit besluit, dat haar recht gaf, zichzelve als
een belangrijk persoon aan te melden. Daarom sloot zij haar oor voor
de bede van den Romein, en zeide met eene hardheid in haar stem, die
hem verraste: "Zwijg nu, Publius, en luister verder naar mij. Gij
zijt immers een edelman, en zeker, gij zult het mij dank weten dat
ik u het leven heb gered."
"Ik weet het u dank en wil het u vergelden," zeide Cornelius, "zoolang
deze borst nog ademen kan. Maar open toch de poort, ik smeek, ik
bezweer het u."
"Hoor mij ten einde, de tijd dringt; hoor mij ten einde, Publius. Mijn
zuster Irene is u gevolgd. Over hare schoonheid behoef ik u niets te
zeggen, maar gij weet niet hoe goed en kinderlijk vroolijk haar hart
is: dat kunt gij nu nog niet weten, maar gij zult het ondervinden. Zij,
dat moet gij nog hooren, is arm evenals ik, maar de dochter van vrije,
edele ouders. Zweer mij nu, zweer:--Neen, gij moogt mij niet in de
rede vallen; zweer mij bij het hoofd uws vaders, dat gij haar nooit
verlaten, dat gij niet anders jegens haar handelen zult, als ware
zij de eigene dochter van uw besten vriend, of van uwen broeder."
"Ik zweer het u, en zal mijn eed houden, bij het leven van den man,
wiens hoofd mij heiliger is dan de naam der goden. Maar nu bid ik u
ook, ja beveel ik u: open mij de deur, Klea, opdat ik u niet verlieze,
en u zeggen kan, dat mijn hart u behoort, u en u alleen, dat ik u
liefheb, nameloos lief heb."
"Ik heb uw eed," zeide het meisje in de grootste opgewondenheid,
terwijl zij van verre in de woestijn schaduwen waarnam die zich heen en
weer bewogen, "en gij hebt bij het hoofd van uw vader gezworen. Laat
het Irene nooit berouwen, dat zij u gevolgd is, en heb haar zoo lief,
als gij in deze ure mij, die u gered heb, meent lief te hebben. Denkt
beiden aan de arme Klea, die gaarne voor u geleefd zou hebben, maar
nu voor u sterft. Vergeet mij niet, Publius, want ik heb slechts eens
mijn hart voor de liefde geopend, maar u, Publius heb ik liefgehad
met smart en kwelling, en toch met het zoetste gevoel. Nooit heeft
een sterveling de zaligheid der liefde met volle teugen genoten noch
is van liefde verteerd gelijk ik."
Zichzelve geheel vergetende, als buiten zichzelve en in een staat van
bedwelming had zij deze laatste woorden, alsof zij een jubelhymne
zong, den Romein toegeroepen. Waarom zweeg hij thans, waarom had
hij niets hierop te antwoorden, daar zij hem toch het verborgenst
mysterie van haar gemoed geopenbaard, en hem toegestaan had in het
allerheiligste van haar hart te lezen? Een stroom van gloeiende
woorden uit zijn mond zou haar terstond naar de woestijn gedreven
en den dood tegemoet gevoerd hebben; doch zijn zwijgen nagelde haar
als aan den grond, bracht haar in verwarring, en viel als een kille
regen in den helderen gloed van haren trots, als olie, die de golven
breekt, in de branding harer ziel. Zoo kon zij niet van hem scheiden,
en zij opende dus nog eens de lippen om zijn naam te roepen.
Terwijl zij den Romein hare liefde begon te belijden, als gold het
eene beschikking bij uitersten wil, was Publius te moede als iemand
die van dorst versmacht en dien men aan een volle bron brengt,
terwijl men hem verbiedt zijne lippen met het frissche nat te
bevochtigen. Hartstochtelijke toorn vervulde zijne ziel, en terwijl
hij, bijkans vertwijfelende, met rollende oogen in zijne gevangenis
rondzag, ontmoette zijn oog een tegen den wand staand breekijzer,
waarmede de werklieden den sarkophaag van den laatst gestorven en
onlangs begraven Apis ter bestemder plaats hadden gebracht. Als
iemand die in gevaar verkeert van te verdrinken, zich werpt op een
drijvenden balk, zoo wierp hij zich op dit werktuig. Toch hoorde hij
Klea's laatste woorden, waarvan hem geen enkel ontging, terwijl hij
met het zweet op het voorhoofd, met den metalen hefboom boven den
dorpel tegen het midden der vleugeldeuren stootte.
Thans was alles buiten stil geworden. Misschien ging de waanzinnige
de moordenaars reeds tegemoet, en de deur was geweldig zwaar en wilde
niet verwikken of verwegen. Maar hij moest haar lichten, en wierp zich
op den grond, schoof zijn schouders onder den hefboom, en drukte met
zijne gansche lichaam zoo krachtig tegen de ijzeren stang, dat zijne
beenderen dreigden te breken en zijne pezen te scheuren. Ja, hij meende
te voelen dat de deur een weinig oprees; wederom en nog eens spande
hij al zijne jeugdige mannenkracht in. Daar kraakte het hout in zijne
naden, en de vleugeldeuren van de poort vlogen open, en Klea, door
ontzetting aangegrepen, ijlde de woestijn in, de moordenaars te gemoet.
Publius sprong terstond overeind, snelde uit zijn kerker naar buiten,
en zoodra hij Klea zag vluchten, joeg hij haar met groote sprongen
achterna, haalde haar, die door den mantel in het loopen belemmerd
werd, met enkele stappen in, en toen zij geen gevolg gaf aan zijn
verzoek om stil te blijven staan, sneed hij haar den weg af, en zeide,
niet op liefderijken toon, maar streng en gebiedend: "Gij gaat geen
stap verder; ik beveel het u."
"Ik ga waarheen ik wil," antwoordde het meisje in groote
opgewondenheid. "Gij zult mij terstond vrij laten!"
"Gij blijft hier, blijft hier bij mij," zeide Publius, met een
scherpe stem, greep hare beide handen bij de polsen en omvatte ze
met zijne ijzeren vingers als met vaste banden. "Ik ben een man en
gij zijt eene vrouw, en ik zal u leeren wie hier te bevelen heeft en
wie te gehoorzamen."
Toorn en verzet hadden deze geheel onvoorbedachte woorden den Romein
op de bevende lippen gelegd, en toen Klea, terwijl hij ze uitsprak met
inspanning van al hare krachten, die geenszins gering te achten waren,
hare handen uit de zijne trachtte los te wringen, boog hij, altijd
nog hevig verstoord, maar toch niet vergetende dat zij eene vrouw was,
met onweerstaanbare en toch bezadigde kracht, hare armen en dwong haar
zich voor hem te buigen en langzaam op beide knieën neer te zinken.
Zoodra zij aldus voor hem lag, liet Publius haar los. Terstond
bedekte zij hare oogen met hare beide handen, die haar pijn deden,
en snikte luid, zoowel van aandoening als omdat zij zich smadelijk
vernederd gevoelde.
"Sta nu op," zeide Publius op geheel anderen toon, toen hij haar
zag weenen: "Valt het u dan zoo zwaar, u aan den wil van den man te
onderwerpen die u niet wil noch kan laten begaan, en dien gij toch
lief hebt?"
Hoe zacht en goedig klonken die woorden. Klea sloeg, toen zij ze
hoorde, de oogen naar Publius op, en toen zij hem als een smeekeling
op haar zag nederzien, verdween haar toorn geheel en veranderde in
dankbare ontroering, en nog altijd op hare knieën hem naderende, liet
zij haar hoofd tegen hem rusten en zeide: "Ik was steeds gedwongen
op mijzelve te steunen en een ander met liefde te leiden, doch het
moet toch veel heerlijker zijn zich door de liefde te laten leiden,
en--u wil ik voor altijd gehoorzamen."
"En ik zal u daarvoor dankbaar zijn met hart en ziel, te ieder
ure!" zeide Publius, terwijl hij haar ophief. "Gij wildet uw leven
voor mij ten offer brengen en u behoort het mijne. Ik wil alles voor
u zijn, gelijk gij voor mij; ik als uw man, gij als mijne vrouw,
tot aan het einde!"
Hij greep met beide handen hare schouders en keerde haar aangezicht
naar zich toe. Zij bood niet langer weerstand, want het scheen haar
zoet zich te voegen naar den wil van dien sterken man. En hoe goed deed
het haar, die reeds als kind den plicht aanvaard had, zich sterk en
werkzaam te toonen, zich nu zwak te gevoelen en zich op een sterkeren
arm te durven verlaten! Zoo zou een rozestam te moede kunnen zijn, die
voor het eerst den steun gevoelt van den stok, wanneer de zorgende hand
van den tuinman hem vastbindt. Haar blik hing zoo zalig en toch zoo
angstig aan den zijne, en nauwelijks beroerde zijn mond voor de eerste
maal hare lippen tot een kus, of beiden lieten verschrikt elkander los,
want in de stilte van den nacht werd duidelijk Klea's naam geroepen,
en dadelijk liet zich in hare nabijheid een luid geschreeuw en dof
geluid hooren.
"De moordenaars!" riep Klea, en bevende van angst over zichzelve en
voor hem, drukte zij haar hoofd tegen de borst van haar vriend. De
heldin, die zoo moedig den dood wilde tegengaan en zoo trotsch was op
haar deugd, was in weinige oogenblikken eene zwakke, hulpbehoevende,
kleinmoedige vrouw geworden.