Een geplaveide weg, met sphinxen aan beide zijden, leidde van den
Griekschen Serapis-tempel naar de in rotsen uitgehouwene Apis-graven
en de daarnaast en daarboven opgetrokken tempelgebouwen en kapellen,
waarin de Osirische of gestorvene Apis-stier werd vereerd, die,
zoolang hij leefde, te Memphis in den tempel van den god Ptah, aan
wien hij geheiligd was, verpleegd en aangebeden werd [22]. Na zijn
dood werd dit heilig dier, hetwelk zich door bijzondere kenteekenen
onderscheidde, op buitengewoon kostbare wijze begraven. Men noemde
het dier de verrezene Ptah en beschouwde het als eene afbeelding der
ziel van Osiris, door wiens scheppende kracht al wat gestorven en
vergaan was,--de mensch die was heengegaan, de verdorde plant en ook
de hemellichamen na hun ondergang,--werd herboren en een nieuw leven
ontving. De veranderingen, waaraan het schijnbaar vergaande onderworpen
was tot dat het in nieuwe vormen herschapen werd, stonden onder de
bescherming van Osiris-Sokari, die naast Osiris-Apis werd vereerd,
en in de tempels, reeds in overoude tijden in zuiver Egyptischen stijl
boven de graven der heilige stieren opgericht, verrichtten Egyptische
priesters de godsdienstige plechtigheden.
Maar ook de Grieksche dienaars van Serapis--eene godheid die door
de Ptolemaeën uit Azië naar het Nijldal was overgebracht, om aan
hunne Helleensche en Egyptische onderdanen een wezen ter vereering
te geven, aan welks altaren zij zich tot een gemeenschappelijk gebed
konden vereenigen--offerden, het voorbeeld van hunne vorsten volgende,
gaarne aan Osiris-Apis, die niet alleen door zijn naam, maar ook door
zijn innerlijk karakter zeer na aan Serapis verwant was. In kapellen,
in Griekschen stijl opgetrokken buiten het Egyptische heiligdom,
waarin steenen stierenbeelden stonden, dienden zij de tot Osiris
geworden Apis, en lieten zich gaarne in de hoogere beteekenis van
zijn wezen inwijden. Alle godsdienstige mysteriën in het Grieksche
vaderland hadden toch ook betrekking op de onsterfelijkheid en het
lot der zielen in eene andere wereld.
Evenals twee tegenover elkander liggende steden door eene brug, zoo
waren de Grieksche tempel van Serapis, waartoe de kruikdraagsters
behoorden, met de Egyptische van Osiris-Apis door de fraai geplaveide
processie-straat verbonden, waarop Klea thans voortliep. Er was een
nadere weg naar Memphis, maar zij koos deze, omdat de zandheuvels aan
beide zijden der met sphinxen bezette straat, die dagelijks van het
woestijnzand moest schoongeveegd worden, haar aan de blikken harer
tempelgenooten onttrokken. Van een met borstbeelden van wijsgeeren
versierd halfrond in de nabijheid van den hoofdingang der nieuwere
Apis-graven, leidde ook de beste en veiligste weg naar de stad.
Zij keek noch naar de leeuwenlichamen met menschenhoofden ter
zijde van den weg, noch naar de dierengestalten op den muur die hem
begrensde; zij sloeg geen acht op de donkerkleurige tempelslaven
van Osiris-Apis, die het plaveisel met groote bezems aanveegden,
want zij dacht slechts aan Irene en hare zware taak, en liep haastig
voort met nedergeslagen oogen.
Maar reeds nadat zij enkele schreden had afgelegd, werd zij vlak
in hare nabijheid bij den naam geroepen, en toen zij verschrikt de
oogen opsloeg, stond de kleine smid Krates voor haar, die op haar
toetrad, haren sluier greep, die een weinig op zijde schoof eer zij
het verhinderen kon, en vroeg: "Waar gaat gij heen, meisje?"
"Houd mij niet op," smeekte Klea. "Gij weet dat Irene, waarvoor gij
zoo goed zijt, geroofd is; misschien kan ik haar redden. Maar wanneer
gij mij verraadt en zij mij volgen..."
"Ik zal u niet belemmeren," sprak de oude man, haar in de rede
vallende. "Ja als ik niet zulke gezwollen voeten had, dan ging ik met
u, want ik kan dat arme lieve schepsel maar niet vergeten. Maar ik
zal blij zijn, als ik weder in mijne werkplaats stil kan gaan zitten,
want het is precies alsof er in elk mijner groote teenen zulk een
fabrikant huist als ik ben, en hij daarin bezig is met vijlen, hamers,
beitels en spijkers. Misschien zal het u toch wel gelukken uwe zuster
te vinden, want eene listige vrouw is dikwijls geslaagd in hetgeen
voor wijze mannen te moeilijk was. Ga nu heen, en al zoeken zij ook
naar u, de oude Krates zal u niet verraden."
Hij knikte Klea vriendelijk toe, en had haar reeds half den rug
toegekeerd, toen hij zich nog eens omwendde en haar toeriep: "Wacht nog
een oogenblik, meisje, gij kunt mij een kleinen dienst bewijzen. Ik
heb zoo straks het nieuwe slot in de deur der Apis-groeve daar ginds
ingezet. Het is mij zeer goed gelukt, maar aan den eenen sleutel,
dien ik maakte, heb ik niet genoeg; wij moeten er vier hebben. Wees
gij zoo goed ze uit mijn naam tegen overmorgen te bestellen bij den
slotenmaker Heri, die voor de poort van den Sokari-tempel woont, links
naast de brug over het kanaal. Gij kunt hem niet missen. Even gaarne
als ik iets nieuws uitvind en maak, even afkeerig ben ik van namaken,
en naar een voorbeeld werken kan Heri evengoed als ik. Weigerden
mijne beenen mij hun dienst niet, dan deed ik zelf deze bestelling,
want wie altijd door den mond van een ander spreekt, wordt dikwijls
verkeerd of in het geheel niet begrepen."
"Ik wil u gaarne dien weg uitwinnen," antwoordde Klea, terwijl de smid
zich op het voetstuk van een der sphinxen aan den weg nederzette, de
lederen tasch, die aan zijne zijde hing, afnam en den inhoud in zijn
schoot uitschudde. Er kwamen eenige vijlen, beitels en spijkers te
voorschijn, vervolgens de sleutel en eindelijk ook een scherp puntig
mes, waarmede Krates de holte voor het slot in het hout van de deur
gesneden had.
Hij deed nog eenige vijlstreken aan het model voor den handwerksman
in Memphis, terwijl hij in zichzelven bromde en het hoofd ontevreden
heen en weer schudde, en zeide ten laatste: "Gij dient mij toch nog
even naar de deur te volgen, want ik verlang van anderen nauwkeurig
werk en moet daarom ook streng zijn voor mijzelven."
"Maar ik moet in Memphis zijn, voor het donker wordt," zeide Klea.
"Het zal maar een oogenblik duren, en als gij mij een arm aanbiedt,
gaat het eens zoo snel. Daar zijn de vijlen en daar is het mes."
"Geef mij dat mes," vroeg Klea. "Dit wapen is spits en blank, en
toen ik het zag, was het mij als werd mij ingefluisterd, dat ik
het mede moest nemen. Misschien moet ik in den nacht alleen door
de woestijn...."
"En," ging de smid voort, "ook de zwakke gevoelt zich sterker, als
hij een wapen bezit. Steek dat mes maar bij u, mijn kind, doch wees
voorzichtig, dat gij uzelve er niet mede kwetst. Kom, laat ik u nu
een arm geven en dan altijd voorwaarts, maar toch niet al te snel."
Klea bracht den smid voor de door hem aangewezene deur, zag met
bewondering hoe juist de grendel voorsprong, wanneer men den eenen
deurvleugel tegen den anderen wierp, en hoe gemakkelijk de sleutel
dien weder terugschoof. Daarna bracht zij Krates naar de sphinx terug,
waarbij zij hem ontmoet had, en zette vervolgens met rassche schreden
haar weg voort, want de zon stond reeds zeer laag, en het scheen
bijna niet mogelijk Memphis te bereiken vóor zij zou zijn ondergegaan.
In de nabijheid van een herberg, die gewoonlijk door soldaten en
slecht volk werd bezocht, kwam haar een dronken slaaf tegen. Zonder
schroom naderde zij hem en ging hem voorbij, want het mes in haar
gordel, waarvan zij het heft in de hand hield, sterkte haar moed,
en het kwam haar voor, als had zij daarmede eene derde hand gewonnen,
die krachtiger en minder vreesachtig was dan hare eigene.
Voor de herberg was eene afdeeling soldaten gelegerd, die zich den
wijn van Kakem, die hier wies aan de oostelijke helling des heuvels
van het Lybische gebergte, voortreffelijk lieten smaken. Deze lieden
waren zeer vroolijk, want nadat zij maanden lang als wachters voor de
Apis-graven en voor de tempels in de Necropolis gelegen hadden, was
er heden middag plotseling een aanvoerder der Diadochen uit Memphis
gekomen, met het bevel om terstond op te breken, ten einde vóor den
nacht de residentie binnen te trekken. Eerst den volgenden morgen
zouden zij door andere soldaten afgelost worden.
Dit alles vernam Klea van een bode van den Egyptischen tempel in de
doodenstad, die haar herkende en naar Memphis ging, om, ingevolge een
opdracht der priesters van Osiris-Apis en Osiris-Sokari een schrijven
aan den koning over te brengen, waarin verzocht werd de opgeroepen
soldaten spoedig door andere troepen te vervangen. Een tijdlang ging
zij met den bode mede, maar weldra kon zij den hardlooper niet meer
bijhouden, en was zij genoodzaakt achter te blijven.
Voor een tweede herberg zaten de bevelhebbers der soldaten, wier
getier zij zooeven bij de eerste had gehoord. Al drinkende keken zij
naar den dans van twee Egyptische deernen, die bij hun dolle sprongen
giggelden als kakelende hoenders, en zoo zeer de aandacht wisten
te boeien van hare toeschouwers, die met in de handen te klappen de
maat voor haar sloegen, dat Klea, die zich voortspoedde, deze wilde
gezellen ongemerkt voorbijkwam.
Dat soldatenleven, en alles wat haar op den landweg ontmoette, maakte
de jonkvrouw, die aan de stilte en het rustige leven in den tempel
van Serapis gewend was, beangst. Daarom sloeg zij een zijpad in,
dat ook moest leiden naar de stad, die zij reeds met hare pylonen,
haar burcht en hare huizen, met een avondnevel omsluierd, vóor zich
zag liggen. In een kwartier zou zij de woestijn wel achter zich
en het akkerland bereikt hebben, welks blauwgroene oppervlakte al
donkerder en donkerder werd gekleurd. Achter haar ging de zon achter
de Lybische bergen onder en weldra--want de schemering duurt kort in
Egypte--omgaf haar de duisternis van den nacht.
De westenwind, die reeds des morgens was opgestoken, begon feller
te waaien en vervolgde haar met zijn heeten gloed en het zand, dat
hij uit de woestijn medevoerde. Thans moest ze in de nabijheid van
water zijn, want zij hoorde de roerdompen fluiten en meende vochtige
lucht in te ademen. Nog enkele schreden: daar zonk haar voet in slib
en zij bemerkte nu, dat zij voor een breede gracht stond, waaruit
papyrus-stengels hoog opschoten. Het zijpad dat zij had ingeslagen liep
op dit plantsoen uit en haar bleef niet anders over dan om te keeren,
en tegen den wind en het haar in het aangezicht waaiende stof in,
hare wandeling voort te zetten.
Het licht van de herberg wees haar de richting, die zij moest volgen,
want de maan stond wel aan den hemel, maar er dreven donkere wolken,
die telkens haar licht onderschepten en de kleinere hemellichten
voor eenige seconden bedekten. Zij gevoelde nog geene vermoeidheid,
maar het geschreeuw der mannen en het heesche gejuich der vrouwen,
dat haar uit die kroeg tegenklonk, vervulde haar weder met angst en
afschuw. Door zandduinen wadende, en haar kleed ophalende aan distels
en doornen, die in de woestijn welig wortel hadden geschoten en daarin
even welig waren opgegroeid als kinderen in het huis van den bedelaar,
maakte zij een grooten omweg om de herberg heen.
Toen zij vervolgens op den grooten weg voortijlde, meende zij nog
altijd dit afschuwelijk gelach en de schrille vreugdekreten der
danseressen te vernemen. Haar bloed stroomde sneller door de aderen,
haar hoofd gloeide; zij zag Irene voor zich, zoo duidelijk alsof zij
haar tasten kon, met loshangende haren en fladderende kleederen, als
eene Maenade bij de Dionysosfeesten in dollen rondedans uit de armen
van den een in die van den ander vliegen, en hoorde haar waanzinnig
gillen en schreeuwen als die ongelukkige meisjes, waarvoor zij uit den
weg was gegaan. Zij gevoelde zich door zulk een onbeschrijfelijken
angst voor hare zuster aangegrepen, als zij nog nooit te voren had
ondervonden, en daar zij den wind nu weder in den rug had, liet zij
zich maar voortstuwen, zette het op een loopen, ja vloog, zonder om
te zien en te denken aan hetgeen de smid Krates haar had opgedragen,
als door Erinnyen gedreven de stad in en den met boomen beplanten weg
langs, die, gelijk zij wist, op de poort van den koningsburcht uitliep.