Klea had het bevel van den priester terstond opgevolgd en liep,
zonder recht te weten waarheen, uit den eenen gang van de uitgestrekte
gebouwen in den anderen, tot de luide klank van de met kracht geslagen
metalen schijf, welker trillende golvingen tot de verborgenste hoeken
van den tempel doordrongen, haar deed opschrikken. Deze roepstem gold
ook haar, en daarom ging zij den hof binnen, waar de vergaderingen
gewoonlijk werden gehouden.
Het begon hier al levendiger en levendiger te worden. De tempeldienaars
en dierenverplegers, de deurwachters, de water- en draagstoeldragers
braken den gemeenschappelijken maaltijd op en stroomden toe,
terwijl zij onder hun haastigen loop den mond afveegden, of een
stuk brood, een ramenas of een dadel tusschen de vingers hielden,
om ze in aller ijl nog op te eten. De wasschers en waschvrouwen van
de witte priestergewaden kwamen met natte handen, en de koks waren
midden uit hun werk weggeloopen, terwijl het zweet hun nog van het
voorhoofd droop. De pastophoren, die in de laboratoriën bezig waren
met het bereiden van reukwerken en geen tijd gehad hadden om hunne
handen behoorlijk te reinigen, riekten van verre. De beambten van
de boekerij en het administratie-bureau der tempelgoederen waren
de bibliotheek en het kantoor uitgeloopen, met verwarde haren, en
roode en zwarte inktvlekken op hunne dunne kielen. De schaar van
zangers en zangeressen naderde in behoorlijke orde, juist zooals
zij bij elkander stonden onder de oefening in het koorgezang. Met
hen verschenen ook de bedaagde tweelingzusters, tot wier opvolgsters
Klea en Irene door Asklepiodorus waren bestemd. De kweekelingen van
de tempelschool kwamen, onder aanvoering van hunne leermeesters,
vroolijk en met veel getier den hof binnen, niet weinig in hun schik
dat de les was opgeschort. De oudsten hunner werden weggezonden om
het groote baldakijn aan te dragen, waaronder de bestuurders van het
heiligdom zich verzamelden.
Asklepiodorus verscheen het laatst, en overhandigde aan een jongeren
schrijver de lijst met de namen van alle bewoners en medeleden van
den tempel, om deze op te lezen. Dit geschiedde. Ieder, wiens naam
werd opgelezen, antwoordde duidelijk 'hier' en bij ieder der afwezigen
werden spoedig de redenen opgegeven, waarom zij niet waren gekomen.
Klea had zich bij de zangeressen gevoegd en wachtte in ademlooze
spanning lang, eindeloos lang op den naam harer zuster, want eerst
nadat ook de kleinste scholier en de minste veeknecht zijn 'hier'
had geroepen, las de schrijver 'De kruikdraagster Klea', en knikte
haar toe, toen ook zij 'hier' riep.
Daarna verhief hij zijne stem luider dan te voren en las: "de
kruikdraagster Irene."
Toen op deze oproeping geen antwoord volgde, ontstond er onder
de vergaderde tempelgenooten eene zachte beweging, evenals het
golven van een rijp graanveld, wanneer de morgenwind over de aren
heenstrijkt. Doch allen bewaarden een ademloos stilzwijgen toen
Asklepiodorus naar voren trad en met eene stem, die overal verstaan
kon worden, zeide:
"Gij allen zijt in dit uur op mijne roepstem verschenen. De eenige, die
hem geen gehoor gaven, zijn de aan Serapis gewijde heilige mannen, die
eene gelofte verbiedt hunne sloten te verbreken, en de kruikdraagster
Irene. Nog eenmaal roep ik luide, eenmaal, andermaal, ten derdemale
'Irene', maar altijd blijft zij het antwoord schuldig.--Ik wend mij
dus tot u, gij allen die hier vergaderd zijt, grooten en kleinen,
mannen en vrouwen in den dienst van Serapis! Weet iemand uwer ook
eenig naricht te geven omtrent de verblijfplaats van het meisje? Heeft
iemand haar gezien, sedert zij bij het aanbreken van den dag het eerste
plengoffer uit de zonnebron voor het altaar van den God nederzette?
"Gij allen zwijgt?--Heeft dus niemand uwer haar dezen dag ontmoet?
"Nu dan nog eenige vragen, en wie ze beantwoorden kan, trede naar
voren en spreke naar waarheid.
"Door welke poort heeft zich de aanzienlijke vrouw verwijderd, die
heden morgen vroeg den tempel bezocht?--Door de oostelijke!--Goed.--Was
zij alleen?--Ja, alleen.
"Door welke poort verwijderde zich de briefschrijver Eulaeus?--Door
de oostelijke.--Was hij alleen?--Ja, alleen.
"Heeft iemand uwer den wagen van die aanzienlijke vrouw of dien van
den briefschrijver ontmoet?"
"Ik!" riep een voerman van den tempel, die dagelijks met zijn span
ossen naar Memphis ging om van daar voorraad voor de keuken en andere
benoodigdheden te halen.
"Spreek op!" beval de opperpriester.
"Ik heb," verhaalde de man, "de schimmels van den heer Eulaeus, die
ik goed ken, bij de wijnbergen van Kakem gezien. Zij trokken eene
gesloten koets, waarin behalve hij zelf, nog een vrouwspersoon zat."
"Was dat Irene?" vroeg Asklepiodorus.
"Dat weet ik niet," antwoordde de voerman, "want ik kon niemand
onderscheiden van hen, die in deze kast zaten, maar ik hoorde de
stem van den eunuuch, en daarna het gelach van een vrouwspersoon,
dat zoo vroolijk klonk en zoo aanstekelijk werkte, dat ikzelf mijn
mond vertrekken moest."
Terwijl Klea onder deze mededeeling Irene's vroolijken lach, waaraan
zij heden voor het eerst met smart dacht, meende te hooren, riep
de opperpriester: "Deurwachter van de oostelijke poort, kwamen de
briefschrijver en de aanzienlijke vrouw in elkanders gezelschap ons
heiligdom binnen, en verlieten zij het weder te zamen?"
"Neen," luidde het antwoord; "zij kwam een half uur later dan hij,
en verliet den tempel na den eunuuch geheel alleen."
"En Irene is niet door uw poort gegaan? Zij kan er niet door gekomen
zijn? Ik vraag het u, in den naam der godheid!"
"Het zou toch mogelijk kunnen zijn, heilige vader," antwoordde de
wachter angstig. "Ik heb een ziek kind; ik ben meer dan eens ons
vertrek binnengegaan om naar den kleine te zien, doch altijd maar
voor korten tijd. De poort staat echter open, omdat in Memphis thans
alles rustig is."
"Gij hebt niet goed gehandeld," antwoordde Asklepiodorus op strengen
toon, "maar omdat gij de waarheid spreekt, scheld ik u de straf
kwijt. Wij weten genoeg. Gij, deurwachters, hebt nu naar mij te
luisteren. Alle poorten van den tempel worden zorgvuldig gesloten,
en niemand, ook geen pelgrims, ook geen aanzienlijke uit Memphis,
hoe hoog ook geplaatst, mag in- of uitgaan zonder mijne bijzondere
vergunning. Weest zoo waakzaam alsof wij een aanval te vreezen
hadden. Thans ga ieder aan zijn werk."
De vergadering werd ontbonden. De een begaf zich hierheen, de ander
daarheen. Klea merkte niet op dat velen haar met medelijden aanzagen,
anderen met een afkeurenden blik, als ware zij verantwoordelijk
voor de handelwijze van hare zuster. Zij zag ook niet om naar de
tweelingzusters, in wier plaats zij en Irene zouden komen, en dat
deed die bejaarde vrouwen leed, die zelve zooveel te treuren hadden,
zonder dat zij daarbij iets gevoelden, dat zij ijverig, ja met ongeduld
elke gelegenheid aangrepen, om haar gemoed lucht te geven, wanneer zij
werkelijk medelijden gevoelden. Maar noch deze medelijdende schepsels
noch andere tempelbewoners, die naar Klea waren gegaan, met het doel
haar te ondervragen of te beklagen, waagden het haar aan te spreken,
omdat zij de oogen zoo diep treurig en zoo onafgebroken neersloeg.
Eindelijk was zij alleen in den grooten hof overgebleven. Haar hart
klopte sneller dan gewoonlijk en in haar geest gingen gewichtige dingen
om. Eén ding scheen haar vast te staan. Eulaeus, de onverzoenlijke
vijand van haar vader, voerde nu ook het kind van den man, dien
hij te gronde had gericht, ten verderve, en zonder dat zij het wist
koesterde de opperpriester dezelfde verdenking. Zij, Klea, was zeker
niet voornemens dit te laten geschieden, zonder eene poging te doen
om het ongeluk af te wenden. Het werd haar telkens duidelijker,
dat zij verplicht was, zonder uitstel te handelen.
Allereerst wilde zij haren vriend Serapion om raad vragen; maar juist
toen zij zijne cel naderde klonk het bekken, dat de priesters opriep
tot den dienst van den God, en haar herinnerde aan haar plicht om
water te scheppen. Werktuiglijk, omdat zij enkel aan Irene's redding
dacht, verrichtte zij thans, wat zij alle dagen gewoon was te doen,
als die metalen stem haar riep. Zij ging door naar hare woning,
om de gouden kruik van den god te halen.
Toen zij het verlaten vertrek binnentrad, vloog haar kat haar met
twee luchtige sprongen te gemoet, kromde den rug, wreef haar ronden
kop tegen haar voeten, en stak haren mooien zwarten staart zoo recht
in de lucht, als zij alleen deed wanneer zij recht in haar schik
was. Klea wilde het aardige dier streelen, doch het sprong terug,
staarde haar schuw en zooals haar voorkwam boos met de groene oogen
aan, en trok zich in een hoek terug naast Irene's legerstede.
"Zij heeft zich vergist," dacht Klea, "Zelfs de dieren vinden Irene
lieftalliger dan mij; en deze Irene, deze Irene..."
Bij deze woorden begon zij te snikken, en wilde op de kist gaan zitten
ten einde op nieuwe middelen en uitwegen te peinzen, die zij toch alle
als dwaas en onuitvoerbaar verwerpen moest. Doch daar lag een hemdje
op de kist, dat zij begonnen was voor den kleinen Philo te naaien,
en dit herinnerde haar voor het eerst weder aan het kranke kind,
en vervolgens aan haar plicht om water te scheppen. Zonder talmen
greep zij de kruik en terwijl zij naar de tempelbron ging, gedacht
zij de lessen, die haar vader, toen zij hem eens in de gevangenis had
mogen bezoeken, haar op den levensweg had medegegeven. Maar enkele
volzinnen uit deze vermanende toespraak, die zijne laatste geweest
was, kwamen haar thans voor den geest, en toch had zij geen woord
vergeten. Alzoo had hij gesproken:
"Het zou kunnen schijnen, dat ik, omdat ik gehandeld heb overeenkomstig
hetgeen ik voor recht en deugdzaam hield, door de goden slecht beloond
word. Doch dit is niet meer dan schijn, en zoolang het mij gelukken
zal te leven overeenkomstig de natuur, die hare eeuwige wetten volgt,
zal niemand het recht hebben mij te beklagen. Inzonderheid zal ik
mijne zielsrust niet verliezen, zoolang ik, gehoorzaam aan de leus
van Zeno en Chrysippus, mijzelven niet in tegenspraak breng met de
grondstellingen van mijn innerlijk wezen. Die rust kan ieder, kunt
ook gij, die eene vrouw zijt, bewaren, wanneer gij altijd doet wat gij
als recht erkent en volbrengt wat gij als plicht op u genomen hebt. De
godheid zelve levert ons een bewijs voor deze leer, daar zij aan ieder,
die haar volgt, die rust des gemoeds verleent, die haar welgevallig
moet zijn, daar dit de eenige toestand der ziel is, waarin zij haar
volkomen zelfstandig laat handelen, en haar noch in iets belemmert noch
haar in zekere richting voortdrijft. Daarentegen komt hij, die zich
van het pad der deugd en harer dochter, de strenge plichtsbetrachting,
verwijdert, nooit tot rust, en met smart voelt hij den greep van een
verborgene vijandelijke macht, die zijne ziel nu eens voortstuwt,
dan weder terugtrekt.--Wie de kalmte des gemoeds weet te bewaren, die
gevoelt zich ook in het ongeluk niet ellendig, en dankbaar leert hij
onder alle omstandigheden des levens tevreden te zijn, te eerder omdat
hij vervuld is van het edel bewustzijn, dat het meest overeenkomt met
het beste deel van zijn wezen, namelijk het bewustzijn van wat recht en
goed is. Handel dus, mijn kind, zooals het gevoel van recht en plicht
u voorschrijft, zonder te vragen naar het doel, zonder te berekenen,
of hetgeen gij doet u blijdschap of verdriet zal berokkenen, zonder
vrees voor het oordeel der menschen en den nijd der goden, en gij
zult uwe zielsrust bewaren, die den wijze onderscheidt van den dwaas,
en ook in de treurigste omstandigheden gelukkig kunnen zijn. Want
het eenige wezenlijke kwaad is de heerschappij van het slechte, dat
is van het onnatuurlijk onverstand over ons. Het eenige waarachtige
geluk is in het bezit der deugd gelegen, maar alleen hij vermag haar
zijn eigendom te noemen, die haar geheel bezit, en ook in het kleine
niet tegen haar zondigt. Het goede toch kent zoo min als het booze
een verschil in graden; ook het geringste vergrijp tegen den plicht,
het recht en de waarheid, waarop zelfs geen enkele wet eene straf
heeft gesteld, is in strijd met de deugd.
"Irene," zoo had Philotas zijne toespraak besloten, "kan deze lessen
nog niet verstaan, maar gij zijt ernstig en verstandig boven uwe
jaren. Herhaal ze haar dagelijks, en prent gij ze uwe zuster, wie gij
het gemis eener moeder vergoeden zult, te rechter tijd in het hart,
als den uitersten wil haars vaders."
Terwijl Klea thans naar de bron binnen den ringmuur ging om water
te scheppen, herhaalde zij in zich zelve al deze vermaningen; zij
gevoelde zich daardoor op nieuw bemoedigd en was vast besloten hare
zuster niet zonder strijd aan den verleider prijs te geven.
Nadat de plengvaten bij het altaar gevuld waren, ging zij naar den
kleinen Philo terug, wiens toestand haar geen reden van bezorgdheid
meer scheen te geven. Langer dan een uur bleef zij bij het knaapje,
waarna zij den woning van den deurwachter verliet, om Serapions raad
in te winnen en hem mede te deelen, wat zij in het stille ziekenvertrek
had bedacht.
De kluizenaar placht haar voetstap van verre te herkennen en haar
uit zijn venster te gemoet te zien, zoo vaak zij hem kwam bezoeken,
maar heden hoorde hij haar niet, en wel door zijne eigene stappen,
voor zooverre de uiterst beperkte ruimte zijner kleine cel hem daartoe
gelegenheid gaf. Hij kon het best nadenken als hij op en neder liep,
en hij peinsde nu en overlegde, want hij had alles vernomen, wat
men in den tempel wist omtrent het verdwijnen van Irene. Hij wilde,
hij moest haar redden, doch hoe meer hij zijn geest inspande, des te
duidelijker zag hij in, dat elke poging om het ontvoerde kind uit de
handen zijner machtige roovers te rukken, vergeefs zou zijn.
"En toch, het kan, het mag niet gebeuren!" riep hij uit, en hij stampte
met zijn krachtigen voet op den grond, even voordat Klea zijne kluis
bereikte. Doch zoodra hij haar in het oog kreeg, deed hij zijn best om
zeer bedaard te schijnen, en riep hij met een opgewektheid, die hem
ook in minder bedenkelijke omstandigheden eigen was: "wij denken na,
wij peinzen, wij breken ons hoofd, mijn kind, want de goden hebben
heden morgen geslapen, en wij moeten daarom dubbel wakker zijn.
"Irene, onze lieve Irene!--wie had dat gisteren gedacht! Het zijn
ellendige streken, waarvoor ik zelfs geen naam weet; en wat zullen
we nu doen om dat gevreesde monster, dat wilde roofdier zijne buit
te ontrukken, eer hij ons kind, ons lieve kind verslindt?--Dikwijls
heb ik mij over mijne eigene domheid geërgerd, maar zóo dom, zóo
godvergeten dom als heden, heb ik mij nog nooit gevoeld. Als ik
nadenken wil, dan is het mij, als had men mij dit zware luik voor mijn
hoofd genageld. Is bij u een denkbeeld opgekomen? Bij mij geen enkel,
waarover de grootste ezel zich niet zou moeten schamen!"
"Gij, weet dus alles?" vroeg Klea, "en ook, dat waarschijnlijk de
vijand van onzen vader, Eulaeus, het arme kind door list verlokt
heeft hem te volgen?"
"Natuurlijk weet ik dit!" zeide Serapion, "Als er een schurkenstreek
is uitgevoerd, is hij er zoo zeker bij als meel wanneer men brood
bakt! Maar het bevreemdt mij, dat hij ditmaal zich door Euergetes heeft
laten inspannen, de oude Philammon heeft mij alles verteld. Zoo straks
kwam er een bode uit Memphis terug, en bracht een strookje papyrus,
waarop een jammerlijke knoeier namens Philometor had geschreven,
dat men aan het hof niets van Irene wist en zich zeer beklaagde dat
Asklepiodorus zich niet ontzag een valsch spel met den koning te
spelen. Zij denken er dus volstrekt niet aan, ons kind vrijwillig
uit te leveren."
"Dan zal ik doen wat mijn plicht is," zeide Klea vast besloten. "Ik
ga naar Memphis en haal mijne zuster terug."
De kluizenaar staarde het meisje verbaasd aan en zeide: "Welk een
krankzinnig plan! Wilt gij uzelve in het verderf storten en hun in
plaats van éen twee offers in handen spelen?"
"Ik weet mij zelven te beschermen, en in Irene's zaak zal ik de
hulp van Kleopatra inroepen. Zij is eene vrouw, en machtig en kan
niet dulden...."
"Wat ter wereld is er, dat zij niet zou kunnen verdragen, wanneer het
haar voordeel of genoegen verschaft? Wie weet wat moois Euergetes
haar beloofd heeft, als hij over ons meisje kan beschikken! Neen,
bij Serapis, neen, Kleopatra zal u niet helpen.--Maar daar valt mij
iets in.--Eén man zou ons ongetwijfeld kunnen helpen. Wij moeten ons
wenden tot den Romein Publius Scipio, en het is niet moeielijk hem
te bereiken."
"Van hem," riep Klea blozend, "wil ik goed noch kwaad ontvangen. Ik
ken hem niet en mag hem niet kennen."
"Maar kind, kind!" zeide de kluizenaar, haar op ernstigen verwijtenden
toon in de rede vallende, "weegt uw trots dan zooveel zwaarder dan uwe
liefde, uw plicht en uwe zorg voor uwe zuster? Wat, bij alle goden,
heeft Publius u aangedaan, dat gij hem zoo angstvallig vermijdt,
alsof hij melaatsch ware? Alles heeft zijne grenzen, en thans, kom
aan, het moet er maar uit, want het is nu geen tijd om zich blind te
houden, wanneer men met beide oogen ziet wat er omgaat. Uw hart is
vervuld van den Romein en gij gevoelt u tot hem getrokken, maar gij
zijt een braaf meisje, en om dat te blijven ontvlucht gij hem. Want
gij wantrouwt uzelve, en weet niet wat er zou gebeuren, wanneer hij
eens zeide, dat ook hem de pijl van Eros getroffen had.
"Wordt nu maar bleek en rood, en zie mij aan als ware ik uw vijand
en als zwetste ik verachtelijken onzin. Veel zonderlinge dingen heb
ik gezien, maar vóor u nog niemand, die enkel uit dapperheid laf is
geworden, en daarbij past onder alle vrouwen die ik ken aan niemand
vreesachtigheid zoo slecht als aan mijne vastberadene Klea. De stap
dien gij zult doen is moeielijk, maar gesp een pantser om uw hart en
waag het den Romein, die een braaf jonkman is, moedig te gemoet te
gaan. Zeker, het zal u zwaar vallen hem iets af te smeeken, maar zult
ge u door enkele schreden over scherpe steenen laten afschrikken? Daar
staat ons arme kind aan den rand van den afgrond! Komt gij niet
ter rechter tijd en met het rechte woord tot den eenige, die hier
nog helpen kan, dan wordt zij in den zwarten poel nedergestooten,
om daarin onder te gaan, dewijl hare moedige zuster te bevreesd was
voor zichzelve."
Klea had bij de laatste woorden van den kluizenaar de oogen
nedergeslagen. Een tijdlang staarde zij somber en zwijgend voor zich;
eindelijk zeide zij met bevende lippen, en zoo dof als moest zij
haar eigen vonnis uitspreken: "Zoo zal ik dan den Romein om hulp
smeeken! Maar hoe kan ik bij hem komen?"
"Nu is mijne Klea weder geheel de dochter haars vaders," antwoordde
Serapion, reikte haar uit het venstertje van zijne cel beide handen
toe, en zeide toen verder: "Ik kan den moeielijken weg altijd wel
wat voor u effenen. Gij kent toch mijn broeder Glaukus, die aan het
hoofd staat van de politiewacht in het paleis? Ik zal u een woord van
aanbeveling voor hem medegeven, en om u de taak wat gemakkelijker
te maken, ook een kleinen brief aan Publius Scipio, die alles zal
bevatten, waarom het te doen is. Wil Cornelius zelf u te woord staan,
ga dan tot hem en vertrouw op hem, maar allermeest op uzelven.
"Ga nu heen en wanneer gij de kruik nog eens gevuld hebt moet gij tot
mij terugkeeren en den brief halen. Hoe vroeger gij kunt gaan des
te beter, want ik acht het wenschelijk, dat gij voor het aanbreken
van den nacht den weg door de woestijn, waarop in de duisternis aan
gevaarlijke landloopers geen gebrek is, achter den rug hebt. Bij mijne
zuster Leukippa, die in het tolhuis aan de groote haven woont, vindt
gij, wanneer gij haar dezen ring vertoont, een gastvrije ontvangst
en een nachtverblijf voor u, en als de hemelsche goden u helpen,
ook voor Irene."
"Ik dank u, vader," was het eenige wat Klea zeide, waarop zij hem
met rassche schreden verliet.
Serapion zag haar eerst vriendelijk na; toen nam hij twee met was
bestreken blaadjes hout uit zijn kist, en schreef met een metalen
stift op het eene een korten brief aan zijn broeder, op het andere
eene langeren aan den Romein, die aldus luidde:
"Serapion, de kluizenaar van Serapis, aan Publius Cornelius Scipio
Nasica, den Romein.
"Serapion groet Publius Scipio en deelt hem mede, dat de jongere
zuster van Klea, de kruikdraagster Irene, uit den tempel verdwenen is,
en wel, zooals hij vermoedt, door de list van uw beider vijand den
briefschrijver Eulaeus, die schijnt te handelen op last van koning
Ptolemaeus Euergetes. Tracht te weten te komen, waar Irene zich
bevindt, en breng haar aan den tempel terug, of stel haar te Memphis
onder de hoede mijner zuster Leukippa, de vrouw van den havenopzichter
Hipparchus, die in het tolhuis woont. Serapis moge u en wat gij doen
zult zegenen!"
Toen Klea tot den kluizenaar terugkeerde, had deze juist zijn brief
voltooid. Het meisje verborg dien in de borstplooien van haar gewaad,
zeide haar vriend vaarwel en bleef ernstig en bedaard, terwijl Serapion
haar met vochtige oogen het haar streelde, haar zijne zegewenschen
medegaf, en haar ten laatste ook nog eene heilaanbrengende amulet,
die zijne moeder had gedragen, om den hals hing. Het was een oog van
bergkristal met een spreuk, die tegen kwaad beschermde.
Zonder zich verder op te houden liep zij nu naar de tempelpoort,
die zij ingevolge het bevel van den opperpriester gesloten vond. De
wachter, de vader van den kranken Philo, zat daarnaast op een steenen
bank, om de wacht te houden.
Klea noodigde hem vriendelijk uit haar open te doen, maar de bezorgde
beambte voldeed niet zoo dadelijk aan haar wensch. Hij herinnerde
haar aan Asklepiodorus' strenge terechtwijzing, en deelde haar mede,
dat ongeveer drie uren geleden de groote Romein verzocht had in den
tempel gelaten te worden, maar dat hij op uitdrukkelijk bevel van
den opperpriester was afgewezen. Hij had ook naar haar gevraagd en
beloofd morgen weder te komen.
Bij dit bericht vloog Klea het bloed naar het hoofd. Kon Publius even
weinig nalaten aan haar te denken als zij aan hem, en had Serapion
goed gezien?
"De pijl van Eros," dit woord van den kluizenaar vloog haar, als ware
het zelf een gevleugeld werktuig, door het gemoed, het verschrikte
haar en deed haar toch goed, maar slechts voor een oogenblik, want
reeds begon zij hare eigene zwakheid weder streng af te keuren,
en huiverend moest zij zich zelve bekennen, dat zij op weg was den
indringer na te loopen. Hetgeen zij ging ondernemen, stond haar in al
zijne gewaagdheid voor den geest, en ware zij thans teruggekeerd, zoo
zou het haar niet aan eene verontschuldiging in haar eigen binnenste
hebben ontbroken, want de tempelpoort was gesloten en mocht voor
niemand, ook voor haar niet, geopend worden.
Een oogenblik gaf zij met welgevallen aan deze verleidelijke gedachte
toe, maar zoodra zij weder aan Irene dacht, stond haar besluit op nieuw
vast, en de poortwachter naderende, zeide zij op zeer beslisten toon:
"Gij opent mij onverwijld de poort, want gij weet dat ik niet gewoon
ben eenig kwaad te doen of dit in den zin heb. Wat ik u bidden mag,
schuif dadelijk den grendel weg."
De man, aan wien Klea zooveel goed had gedaan, tot wien de groote arts
Imhotep heden nog gezegd had, dat zij de goede geest was van zijn huis,
en dat hij haar als eene godheid moest eeren, volgde haar bevel op,
hoewel schoorvoetende en niet zonder weerzin.
De zware grendel week terug, de metalen deur werd geopend, de
kruikdraagster trad naar buiten, wierp een donkeren sluier over het
hoofd en begon hare wandeling.