ACHTTIENDE HOOFDSTUK.

Vóor de hooge poort van het koninklijk paleis zat een groot getal

smeekelingen, die hier gewoonlijk van den vroegen morgen tot laat in

den nacht wachtten, totdat men hen in het paleis riep om het antwoord

te ontvangen op de verzoekschriften, die zij hadden ingeleverd.

Klea gevoelde zich, toen zij het doel van haar tocht bereikt had, zoo

geheel van streek en uitgeput, dat zij behoefte gevoelde om wat uit te

rusten en tot zichzelve te komen, en daarom zette zij zich onder deze

lieden neder, naast eene vrouw uit Opper-Egypte. Nauwelijks had zij

met een zwijgenden groet deze plaats ingenomen, of hare praatlustige

buurvrouw begon met groote uitvoerigheid te vertellen, waarom zij

naar Memphis was gekomen, en hoe onrechtvaardig de rechters, die met

haar slechten man gemeene zaak maakten, want de mannen spanden altijd

tegen de vrouwen samen, haar alles ontzegd hadden, wat volgens het

huwelijkscontract haar en haren kinderen gewaarborgd was. Reeds twee

maanden, zeide zij, wachtte zij van 's morgens vroeg tot 's avonds

laat voor de hooge poort, en verteerde zij in deze dure stad hare

laatste penningen. Doch dit was haar onverschillig, en als het niet

anders kon, zou zij ook hare gouden sieraden verkoopen, want eens zou

haar zaak toch wel voor den koning komen, en dan zou dien slechten

kerel en zijne medeplichtigen wel aan het verstand worden gebracht,

wat recht is.

Klea luisterde niet veel naar dit verhaal. Zij verkeerde ten opzichte

van die vrouw in den toestand van iemand, die het niet verhinderen kan,

dat een ander hem water, altijd weder water over het hoofd stort. Ten

laatste begon de vrouw te bespeuren, dat de nieuw aangekomene in het

geheel niet op haar klacht lette. Zij tikte haar daarom eens tegen

den schouder en zeide: "Gij schijnt u uitsluitend met uwe eigene

aangelegenheden bezig te houden. Deze zijn zeker niet van dien aard,

dat men ze anderen vertellen kan. Met mijne zaken is het in dit

opzicht beter gesteld."

Het stemgeluid, waarmede deze volzinnen werden gesproken, was zoo

eentonig en daarbij zoo scherp, dat het Klea hinderde. Zij stond

dus haastig op, om naar de poort te gaan. De vrouw riep haar nog

een onvriendelijk woord achterna, doch zij sloeg er geen acht op,

trok den sluier dichter voor haar gezicht, en trad door de poort

een ruimer hof binnen, door pekpotten en fakkels helder verlicht,

waar het wemelde van voetknechten en bereden manschappen. De wacht

van de poort had haar waarschijnlijk niet opgemerkt, misschien ook

haar ongemoeid voorbij laten gaan, omdat zij zoo trotsch voortliep. De

vele krijgsknechten, die zij nu voorbijging, schenen het zoo druk te

hebben met hunne eigene zaken, dat niemand hunner acht op haar sloeg.

In een smallen door lantarens verlichten gang, die naar een tweeden hof

leidde, kwam haar een krijgsman te paard tegen, een van de lijfwachten,

die men Philobasilisten noemde. Het was een jong overmoedig gezel, met

gele rijlaarzen, en met een pantserhemd over den rooden wapenrok. Hij

merkte haar op en trachtte haar met zijn paard tegen den muur te

dringen. Reeds strekte hij de hand uit, om haar den sluier van het

gezicht te trekken, doch Klea ging voor hem uit den weg en weerde

met de handen den kop van het paard af, dat haar bijna aanraakte.

De ruiter, die vermaak had in haar vrees, riep haar toe: "Blijf gerust

staan, hij is niet boos."

"Uw paard of gij?" vroeg Klea en legde daarbij zulk een ernst in haar

stem, dat de lijfwacht een oogenblik van zijn stuk raakte en haar

daardoor tijd liet zich uit de nabijheid van het paard te verwijderen.

Maar het bitse woord van de jonkvrouw had den jongen en verwenden

krijgsman geërgerd, en hoewel hij zelf geen tijd had om haar te

vervolgen, riep hij toch eenige Cyprische soldaten, die het angstige

meisje voorbij wilden gaan toe, om hen tegen haar op te hitsen:

"Kijkt die deerne toch eens onder den sluier, kameraden, en als zij

er zoo aardig uitziet als zij rank is gebouwd, dan wensch ik u geluk

met deze vangst."

Hierop drukte hij lachend de enkels tegen den buik van zijn vospaard,

en draafde langzaam weg, terwijl de Cyprische soldaten Klea opzettelijk

tijd lieten den tweeden hof binnen te gaan, die nog helderder verlicht

was dan de eerste, om haar dáar met uitgelaten onbeschaamdheid op

het lijf te vallen. Het was der hulpelooze en vervolgde als stolde

haar het bloed in de aderen, en gedurende enkele oogenblikken zag zij

niets dan een warreling van fonkelende oogen en wapens, van baarden

en handen, hoorde zij enkel woorden en geluiden, waarvan zij niets

begreep en alleen wist, dat ze afschuwelijk en ontzettend waren,

misschien haar met dood en verderf dreigden. Zij hield de armen over

haar borst gekruist, maar opeens hief zij de handen omhoog om haar

aangezicht te bedekken, want zij voelde dat een krachtige hand haar

den sluier van het hoofd rukte.

Deze daad van geweld veranderde hare ontzetting in toornige opwinding,

en met bliksemende oogen hare gebaarde tegenstanders opnemende,

riep zij: "Schaamt u, dat gij in 's konings eigen huis als wolven

eene weerlooze vrouw overvalt, dat gij op eene vreedzame plaats eene

jonkvrouw den sluier van het hoofd rukt. Uwe moeders mogen zich over

u schamen, en uwe zusters 'foei' roepen zooals ik thans doe."

Verrast door Klea's indrukwekkende schoonheid, verschrikt door den

toornigen glans harer oogen en den diepen toon harer stem, die van

aandoening trilde, waren de Cypriërs voor haar achteruitgegaan. Doch

de woesteling, die haar den sluier van het hoofd had getrokken, trad

weder naar haar toe en zeide: "Wie zal om een armzaligen sluier zooveel

leven maken! Wilt ge mijn schatje zijn, dan koop ik u een nieuwen,

en nog ander moois bovendien!"

Hij beproefde tegelijk zijn arm om haar middel te slaan. Doch bij

die aanraking gevoelde zij dat haar aangezicht doodsbleek en hare

oogen bloedrood werden, en terzelfdertijd vatte hare hand door eene

onweerstaanbare macht gedreven, den greep van het mes, dat de smid

Krates haar geleend had, haalde het te voorschijn, hield het met

sidderenden arm in de hoogte en riep: "Blijf van mij af, of bij

Serapis, in wiens dienst ik sta, ik vel u neder."

De soldaat, wien deze bedreiging gold, was de man niet, om zich door

een stuk ijzer in de hand eener vrouw schrik te doen aanjagen. Met

een snelle beweging greep hij haar pols, om haar te ontwapenen, maar

ofschoon Klea het mes moest laten vallen, zoo bleef zij toch tegen hem

worstelen, teneinde zich uit zijn vuist los te wringen. Deze strijd

van een man tegen eene vrouw, die toch meer scheen te zijn dan hare

armoedige kleeding deed vermoeden, kwam ook den meesten Cypriërs zoo

onwaardig voor, en zoo misplaatst in het koninklijk paleis, dat zij

hun metgezel van Klea losrukten, terwijl weder anderen den roover,

die zich dapper verweerde, te hulp kwamen.

Terwijl beide partijen onder groot geschreeuw handgemeen werden,

hijgde Klea naar adem. Haar aanvaller, dien men op den grond trachtte

te krijgen, hield nog altijd met zijn linkerhand haar pols vast,

terwijl hij zich met den rechter tegen zijne gezellen verweerde. Zij

trachtte èn door geweld èn door list zich los te wringen, want te

midden van het uiterste gevaar en in den opgewonden toestand, waarin

zij verkeerde, was het haar als had eene windvlaag plotseling allen

schroom uit hare ziel verjaagd. Zij was weder in staat haar toestand

duidelijk en met zekerheid te overzien. Als hare hand vrij was,

dan kon zij wellicht partij trekken van het gevecht der soldaten en

hier of daar door eene opening heensluipen. Twee-, drie- en viermaal

beproefde zij door een snellen ruk hare hand los te wringen uit de

vingers die haar omknelden, doch te vergeefs.

Daar werd opeens aan haar voet een luide langgerekte kreet geslaakt,

die door de hooge muren van den hof werd weerkaatst en op hetzelfde

oogenblik voelde zij, hoe de vingers van den aanvaller langzaam en

éen voor éen haar arm loslieten, als sandalenriemen, die een arts

behoedzaam om een gebroken enkel losmaakt.

"Die heeft zijn deel," riep de oudste onder de Cypriërs, "zoo schreeuwt

men maar eens in zijn leven! Waarachtig, de dolk zit dicht onder de

negende rib. Onzinnige! Dat zijt gij weder Lykos, gij woedende wolf!"

"Hij heeft mij al vechtende diep in de vingers gebeten..."

"Het is altijd om vrouwen, dat gij elkander het vel over de ooren

haalt," ging de oude voort, den ander in de rede vallende, zonder op

diens verontschuldiging acht te geven. "Ik heb het ook eens niet beter

gemaakt, en niemand kan er iets aan doen. Maakt nu dat gij wegkomt,

want wanneer de Epistrateeg [23] te weten komt, dat wij weder met

dolken aan den gang zijn geweest...."

De Cypriër had nog niet uitgesproken, en zijne landslieden maakten

zich juist gereed om het lijk van hun kameraad op te tillen, toen eene

afdeeling van de politiewacht in gesloten gelederen, uit den gang,

waarvóor de strijd om het meisje begonnen was, den hof binnenstormde en

hun, die zich gereed maakten te ontvluchten, den weg versperde. Want

allen die naar buiten wilden, moesten dien poortgang door, waarin

Klea door den ruiter was tegengehouden. Elke andere uitgang van den

tweeden burchthof voerde naar de sterk bewaakte tuinen en gebouwen

van het eigenlijk gezegde koninklijk paleis.

Het getier, waarvan Klea de aanleiding was, en de kreet van den

verwonde had de politiewacht doen toesnellen. Weldra waren de

Cypriërs en het meisje door haar omsingeld en werden zij door een

nauwen zijweg in den hof der gevangenissen gebracht. Na een kort

verhoor liet men de gevangen genomen manschappen onder bedekking

naar hun phalanx brengen, en Klea volgde gaarne den bevelhebber der

wacht naar eene minder helder verlichte plek van het gevangenisplein,

want zij herkende in hem terstond den broeder van den kluizenaar,

Glaukus. Hij herkende wederkeerig in haar de dochter van den man,

die voor zijn vader alles had gedaan en opgeofferd, en dien hij

menigmaal in den tempel van Serapis had gegroet en gesproken.

"Wat ik vermag," zeide deze man, die nog langer was dan zijn broeder,

maar minder breed, nadat hij het briefje van den kluizenaar gelezen en

Klea hem op een aantal vragen geantwoord had, "wat ik vermag, dat wil

ik volgaarne voor u en uwe zuster doen, want ik ben niet vergeten,

wat wij uw vader verschuldigd zijn; maar ik moet het betreuren,

dat gij u in zulk een gevaar hebt begeven, want het is voor eene

schoone jonkvrouw altijd bedenkelijk dit paleis op zulk een laat

uur te betreden. En heden vooral, want het wemelt in de voorhoven

van krijgsvolk, niet enkel van Philometor maar ook van zijn broeder

Euergetes, wiens troepen hierheen gekomen zijn ter eere van zijn

geboortedag. De lieden zijn goed onthaald, en een soldaat die aan

Dionysos heeft geofferd, grijpt naar de gaven van Eros en Aphrodite

waar hij ze vindt. Ik zal den brief van mijn broeder aan den Romein

Publius Cornelius Scipio terstond doen toekomen, maar wanneer gij

zijn antwoord wilt ontvangen, zult gij wel doen u te laten brengen

naar mijne vrouw of zuster, die in de stad wonen, en bij de een of

de ander, den dag van morgen af te wachten. Hier kunt gij geen minuut

veilig zijn en staat gij aan allerlei plagerijen bloot, wanneer ik u

verlaat.--Wat moet ik nu doen?--Ik weet er iets op. De eenige veilige

plaats, die ik u kan aanbieden, is de gevangenis daarginds. De kamer,

waarin men onderbevelhebbers opsluit, die iets misdreven hebben,

staat juist ledig en daar zal ik u inbrengen. Het vertrek wordt altijd

schoon gehouden en gij vindt er ook een bankje in."

Klea volgde den man, die, blijkens de haast waarmede hij handelde,

in gewichtige bezigheden gestoord was, naar de gevangenis, die zij in

weinige schreden bereikte, verzocht Glaukus haar het antwoord van den

Romein zoo mogelijk spoedig over te brengen, verklaarde zich gaarne

bereid om in donker te blijven, daar zij inzag dat het lamplicht

haar verraden kon, en zij voor de duisternis niet bevreesd was, en

liet zich daarna opsluiten. Toen zij hoorde hoe de ijzeren grendel

knarsend in de metalen holte werd geschoven, voer haar eene lichte

rilling door de leden, en hoewel de kamer, waarin zij zich bevond,

niet slechter of kleiner was dan de woning van haar en hare zuster in

den Serapis-tempel, gevoelde zij zich toch beklemd, want het was haar,

alsof iets, waaraan zij geen naam kon geven, hare ademhaling beklemde,

terwijl zij tot de overtuiging kwam, dat zij was opgesloten, en de

vrijheid miste om te komen en te gaan naar goedvinden.

Door het eenige tralievenster van hare gevangenis, dat op den hof

uitzag, drong een mat licht naar binnen, waarbij zij een kleine bank

van palmtakken onderscheiden kon. Daarop zette zij zich neder, om de

rust te zoeken die zij zoo noodig had. Elke onaangename gewaarwording

maakte langzamerhand plaats voor het thans ontwakend gevoel van

verkwikking, en reeds begon de herinnering aan de ontzettende

oogenblikken, die zij zoo straks had doorleefd, zich te paren met

vertrouwen en blijde hoop, toen het voor de gevangenis levendiger

werd en zich daar buiten paardengetrappel en kommando's lieten hooren.

Zij stond van haar bank op en zag hoe twintig ruiters ongeveer,

in wier vergulde helmen en pantsers het licht der lantarens zich

weerspiegelde, den uitgestrekten hof van menschen schoonveegden. Als

de vlammen het wild op eene brandende heide, zoo dreven zij die voor

zich uit en drong ze naar een anderen hof, om daar weder hetzelfde te

doen. Althans Klea hoorde ze daar evenals hier luide roepen: "In naam

des konings!" Eindelijk keerden de ruiters terug en schaarden zich

tien aan tien aan elk der beide toegangen van den hof als wachtposten.

Dit voor haar zoo geheel nieuw schouwspel zag Klea niet zonder

belangstelling aan, en toen een der edele rossen, door het licht der

lantarens verblind, schichtig werd en op zij sprong, keer op keer

steigerde en zijn berijder dreigde af te werpen, terwijl deze het

wist in toom te houden, en ten laatste tot staan dwong, veranderde

die Macedonische krijgsman voor haar in Publius, die zeker niet minder

goed dan deze een paard kon bedwingen.

Nauwelijks was het door de lijfwacht schoongeveegde plein door alle

menschen verlaten, of iets nieuws boeide Klea's aandacht. Eerst hoorde

zij voetstappen in een vertrek, dat aan hare gevangenis grensde. Daarop

vielen heldere lichtstralen door de fijne spleten van den dunnen wand,

die haar verblijf van dit andere vertrek scheidde. Vervolgens werden

de beide vensters, die zich naast de hare bevonden, met zware luiken

gesloten. Toen sleepte men zetels of banken aan en plaatste allerlei

voorwerpen op een tafel. Eindelijk werd de deur van dit vertrek zoo

heftig opengerukt en toegeslagen, dat ook de deur, waarmede haar kamer

gesloten was, klepperde, en de bank waarnaast zij stond, wankelde.

Op hetzelfde oogenblik riep een zware klankrijke stem, onder luid

gelach uit volle borst: "Een spiegel, geef een spiegel, Eulaeus! Bij

den hemel, ik zie er niet uit naar gevangeniskost, maar wel als

iemand, wiens groote kop vervuld is van goede aanslagen, als een

die zijn tegenstander met een enkelen greep verworgt en ieder stuk

buit ras verteert, om eer de strop hem om den hals wordt gelegd,

in ieder uur, dat hem rest, zooveel te genieten als een ander in

een ganschen dag! Zoo waar ik Euergetes heet, mijn oom Antiochus,

die zich zoo gaarne onder het volk begaf, had wel gelijk.

"Al die blinkende ledepoppen, die ons koningen omgeven, omhangen,

evenals ieder deel van hun lichaam, ook elke uitdrukking van krachtig

gevoel, als het ware met een sluier, en men zou duizelig worden

als men bedenkt, dat men, om niet bedrogen te worden, elk woord dat

men hoort--en, o wee! wat al woorden heeft men te hooren--in zijn

eigen geest omzetten moet. Het gepeupel daarentegen, dat zich al

zeer gekleed acht, wanneer het een doorzichtig schort om de heupen

hangt, is er beter aan toe. Wanneer zulk een naakte wijze, die al wat

hij bezit bij zich draagt, eens tot een ander van zijn slag zegt:

gij zijt een hond! dan geeft deze hem als antwoord een slag met de

vuist in het gezicht. Duidelijker kan het niet! Wanneer daarentegen

tot hem gezegd wordt: gij zijt een prachtige kerel! dan gelooft hij

het onvoorwaardelijk en heeft recht het te gelooven.

"Hebt gij gezien hoe die ineengedrongen kleine kerel met zijn wipneus

en zijne kromme beenen, die zoo breed als lang is, grinnikend van

pleizier zijne tanden liet zien, toen ik zijn vaste hand prees? Zoo

lacht een hyena, en ieder goed huisvader noemt dien kerel een

godvergeten monster. Maar hoe hoog moet hij niet in de gunst staan

der hemelsche goden, die hem zulk een onberispelijk gebit in den mond

hebben gestoken, en zoo goed waren het hem vijftig jaren--want zoo

oud zal die brave man wel zijn--te laten houden. Als deze gezel zijn

dolk breekt, dan bijt hij zijn offer nog met de tanden dood gelijk

de vos een eend, of hij slaat hem met de vuisten de beenen doormidden."

"Maar, mijn vorst," antwoordde de eunuuch Eulaeus aan koning

Euergetes--want deze beiden waren het aangrenzend vertrek

binnengetreden--droogjes en met een ernst die bij zaken past,

"die kleine magere Egyptenaar met zijn dun sluik haar is nog

onverschrokkener, taaier en leniger, en daarom nog wel zooveel

waard als zijn metgezel. De eene werpt zich terstond met geweld op

zijne buit, als een rotsblok dat van een dak valt, de ander slaat hem

onvoorziens den gifttand in het vleesch, als een in het gras verborgen

adder. De derde, van wien ik goede verwachting had, is eergisteren

buiten mijn weten een kop kleiner gemaakt, maar het paar, dat gij zoo

genadig zijt geweest zelf te monsteren, is voldoende. Zij mogen noch

dolk noch lans gebruiken, maar met strikken en haken en vergiftige

priemen, die wonden veroorzaken als de steek van een adder, bereiken

zij even gemakkelijk hun doel. Men kan zich op deze knapen verlaten."

Wederom lachte Euergetes luide en zeide: "Welk een kritiek! Juist

alsof deze bloedhonden treurspelers waren, van welke de een door

vuur en hartstocht, de ander door de fijnheid zijner opvatting meer

indruk weet te maken. Dat noem ik onbevooroordeeld zijn! Maar waarom

zou men ook in het moorden niet groot kunnen wezen!

"Uit welken beulsstrop hebt gij den hals van den eenen gehaald? Op

welk blok heeft de kop van den ander gelegen, toen ge hem vondt?--Het

uur, waarin men wat nieuws ontdekt, behoort tot de goede gerekend te

worden, en bij Herakles, zulke kerels heb ik in mijn leven nog niet

ontmoet. Het berouwt mij niet hen gezocht, en als ware ik huns gelijke,

met hen verkeerd te hebben.

"Neem mij nu dien gescheurden rok van het lijf en verleen mij uw hulp

om mij te verkleeden. Eer ik aan het gastmaal ga, wil ik mij eerst

nog eens haastig in mijn bad werpen, want ik gevoel iets onaangenaams

over al mijn leden. Het is mij alsof ik door de aanraking met dat

volkje besmet ben geworden. Daar liggen mijne kleederen en mijne

sandalen. Bind ze mij aan en vertel onder de hand, hoe gij den Romein

in het net lokt."

Klea kon ieder woord van dit schrikkelijk onderhoud verstaan,

en huiverend hield zij daarbij de hand tegen het voorhoofd, want

het kostte haar moeite aan de werkelijkheid te gelooven van de

voorstellingen, die haar thans voor de oogen werden gebracht. Waakte

zij, of droomde zij een afgrijselijken droom? Zij wist het niet en

begreep van alles wat zij hoorde ternauwernood de helft, tot de naam

van den Romein werd genoemd. Het was haar als werd haar een scherp

lancet door het hoofd gestoken, dat hare hersenen dwars doorboorde

van de rechter naar de linkerzijde, toen plotseling de gedachte bij

haar opkwam, dat die verscheurende dieren in menschelijke gedaante

door Eulaeus zouden worden losgelaten tegen hem, tegen Publius,

en weder werd met het oog op zoo iets ongehoords en ontzettends,

alles weder helder voor haren geest.

Zij sloop zoo zacht mogelijk naar de spleet van den wand, waardoor

de breedste lichtstraal viel in haar donker vertrek, bracht haar oor

vóor de opening en zoog nu, als een versmachtende in de woestijn het

walglijkst water van een zoutachtig meer, in vreeselijke spanning,

lettergreep voor lettergreep het bericht in, dat de eunuuch gaf

aan zijn misdadigen vorst, die hem vaak met tegenwerpingen, met

woorden van bijval of met even in lachen uit te barsten in de rede

viel. Wat zij vernam was wel geschikt haar half waanzinnig te maken,

maar hoe meer hetgeen zij hoorde over bepaalde daadzaken liep, des

te scherper luisterde zij toch, des te meer spande zij zich in om

hare tegenwoordigheid van geest te behouden.

In haar eigen naam had Eulaeus den Romein uitgenoodigd, zich tegen

middernacht in de woestijn te laten vinden op eene bepaalde plaats in

de nabijheid der Apis-graven. De eunuuch herhaalde de woorden, die hij

met dit doel op een scherf had geschreven, en waarbij Publius dringend

werd verzocht geheel alleen op de aangewezen plaats te verschijnen,

want in den tempel mocht zij niet met hem spreken. Ten laatste werd

hij verzocht haar op de achterzijde van de scherf zijn antwoord mede

te deelen.

Klea had, toen zij de woorden vernam die de booswicht haar in den

mond legde, liefst aan haar gevoel van angst, schaamte en toorn in

luid snikken lucht gegeven, maar het kwam er nu op aan de ooren wijd

open te houden, want Euergetes vroeg zijn afschuwelijk werktuig:

"En hoe luidde het antwoord van Cornelius?"

De eunuuch had zeker den koning het scherfje overhandigd, want de

laatste barstte in luid gelach uit en riep: "Hij loopt dus in den val,

komt dus op zijn laatst een half uur na middernacht, en laat Klea van

hare zuster Irene groeten. Hij doet aan minnarijen en schaken in het

groot en koopt de kruikdraagsters bij paren als duiven op de markt

of sandalen in een schoenmakerswinkel.--Zie eens, hoe die stumpert

Grieksch schrijft! Daar maakt hij me in die weinige regels nog twee

fouten, twee echte schooljongens fouten!

"Die knaap heeft heden een al te gelukkigen dag, dan dat hij,

overeenkomstig de slechte gewoonte der goden, om de hand, waarmede

zij hare gunstelingen lang geliefkoosd hebben, in een slaande vuist te

veranderen, niet op een slechten avond zou mogen rekenen. Amalthea's

[24] hoorn werd heden over hem uitgestort. Eerst kaapte hij mij mijne

kleine Hebe, de Irene bij uitnemendheid, die ik morgen van hem hoop

te erven, voor den neus weg; daarna kreeg hij van mij mijne beste

Cyrenaeische vossen ten geschenke en daarbij de vleiende verzekering

mijner zeer te waardeeren vriendschap. Voorts werd hij door mijne

schoone zuster ontvangen, en het streelt het hart van een republikein

meer dan men denken zou, wanneer een gekroond hoofd hem gunstig gezind

is, en eindelijk noodigt hem de zuster van zijn bekoorlijk liefje,

die, als gij en Zoë waarheid spreekt, tot de uitgelezen schoonheden

behoort, tot eene samenkomst.

"Dat is voor een bewoner van deze hoogst gebrekkig ingerichte wereld,

en voor een enkelen dag, die als hij is aangebroken zoo spoedig

omvliegt, te veel goeds. De gerechtigheid vordert dat wij het noodlot

een handje helpen, en deze maankop afslaan, die boven hare zusters

wil uitgroeien. De duizenden, wien het minder voor den wind gaat,

zouden anders grond hebben over achteruitzetting te klagen."

"Het verheugt mij u in eene gelukkige stemming te zien," zeide Eulaeus.

"Het is daarmede maar zoo zoo," zeide de koning, hem in de rede

vallende. "Ik geloof dat ik dit vroolijke liedje enkel fluit, om in

het donker moed te houden. Indien ik op beteren voet verkeerde met

hetgeen andere lieden angst noemen, dan zou ik wel grond hebben om

te vreezen, want bij het hanengevecht, dat wij nu begonnen zijn, heb

ik een kroon op het spel gezet, meer nog dan dit. Eerst morgen zal

beslist worden, of ik het spel gewonnen dan wel verloren heb. Doch

dit weet ik heden reeds, dat ik liever mijn plan tegen Philometor en

mijne uitzichten op de kroon der beide Egypten schipbreuk zag lijden,

dan onzen aanslag tegen het leven van den Romein. Want eer ik koning

werd, was ik mensch, en dat zou ik blijven, wanneer mijn troon,

die nu nog op twee pooten staat, onder mijn last ineen zou storten.

"Mijne waardigheid als vorst is slechts een kleed, ofschoon dan ook het

kostbaarste van alle gewaden. Wie mij dat kleed bevlekt of beschadigt,

dien zou ik het zeer gemakkelijk kunnen vergeven, wanneer ten minste

vergeven in mijn smaak viel. Maar wie den mensch Euergetes te na

komt, wie het waagt dit lichaam en den geest dien het bevat aan te

tasten, en zijne wenschen en begeerten te dwarsboomen, dien treed ik

onverbiddelijk onder den voet, dien wil ik in stukken scheuren! Over

den Romein is het vonnis geveld, en wanneer uwe moordenaars hun

plicht doen en de goden het offer aannemen, dat ik hun ter eere bij

zonsondergang liet slachten voor het welgelukken mijner onderneming,

dan zal Publius Cornelius Scipio binnen twee uren een lijk zijn.

"Het staat hem vrij over mij, als mensch, te lachen, maar daarom heb ik

als mensch het recht, en als koning ook de noodige macht, te zorgen,

dat deze lach zijn laatste is. Kon ik Rome vermoorden evenals hem,

dan zou mij dit niet weinig verheugen, want Rome alleen staat mij

in den weg om onder de groote koningen van dezen tijd de grootste

te worden. Morgen echter zal ik hooger vreugde smaken, wanneer men

verneemt: Publius Cornelius Scipio is door wilde dieren verscheurd,

en zijn lijk is zoo gehavend, dat zelfs zijne eigene moeder hem niet

herkennen zou, hooger vreugde dan wanneer een bode de tijding bracht,

dat Karthago de macht der Romeinen heeft gebroken."

Met eene stem die, als het rollen des donders bij een snel opkomend

onweder, steeds luider, dieper en heviger werd, had Euergetes deze

laatste woorden gesproken. Toen hij eindelijk zweeg zeide Eulaeus:

"Deze vreugde, mijn vorst, zullen de onsterfelijke goden u niet

onthouden. De flinke knapen, die gij zoo genadig waart te zien en

te onderzoeken, treffen zoo zeker als de bliksem van vader Zeus, en

daar wij door den wagenmenner van den Romein weten, waar hij Irene

verborgen houdt, zoo zal zij u evenmin ontgaan als de kroon van

Opper- en Neder-Egypte.--Sta mij nu toe u den mantel om te hangen

en de lijfwacht te gelasten u te begeleiden, terwijl gij naar uw

verblijf terugkeert.

"Nog iets," zeide de koning, terwijl hij den eunuuch terughield. "Bij

de Apis-graven stonden altijd troepen, die de heilige plaatsen moeten

bewaken, kunnen zij uwen vrienden niet hinderlijk zijn?"

"Ik heb," antwoordde Eulaeus, "alle soldaten en gewapende wachten tot

den laatsten man naar Memphis opgeroepen, en binnen den witten muur

onder dak laten brengen. Morgen vroeg, eer gij tot de uitvoering van

uw plan overgaat, worden zij door eene sterkere afdeeling vervangen,

opdat zij de troepen van uw broeder hier niet zullen versterken,

als het op vechten aankomt."

"Ik zal u voor dezen voorzorgsmaatregel weten te beloonen," zeide

Euergetes, terwijl de eunuuch het vertrek verliet.

Klea hoorde daarop andermaal eene deur open en dicht gaan, en herhaald

paardengetrappel in den geplaveiden hof. Toen zij vervolgens bevend

naar het venster ging, zag zij Euergetes zelf, en het groote stevig

gebouwde paard, dat hem tegemoet werd gevoerd. De verschrikkelijke

man wond de manen van het ongeduldig steigerende dier om zijne hand,

en Klea dacht, dat deze logge massa alleen met behulp van vele mannen

op den rug van het paard zou kunnen komen. Maar zij vergiste zich,

want met een geweldigen zwaai vloog de reus in de hoogte, en terwijl

hij zijn hengst enkel met de beenen regeerde, vloog hij den gevangenhof

uit, van alle zijden door zijn schitterend gevolg omgeven.

Gedurende eenige oogenblikken bleef de hof ledig; daarna

kwam er een man haastig het plein op, die de kamer, waarin Klea

vertoefde, openstiet en zich als een onderhoorige en bode van Glaukus

aanmeldde. "Mijn meester," deelde de vergrijsde politiewacht het meisje

mede, "laat u groeten en zeggen, dat hij noch den Romein Publius

Scipio, noch zijn vriend uit Korinthe te huis heeft getroffen. Hij

is verhinderd u persoonlijk op te zoeken, want hij heeft beide handen

vol werk, daar er soldaten van beide koningen binnen den witten muur

liggen en er tusschen hen telkens twist ontstaat. Gij kunt ook niet

in dit vertrek blijven, want het zal weldra bezet worden door eenige

onderbevelhebbers, die een vechtpartij begonnen. Glaukus laat u de

keus, of gij u door mij naar zijne vrouw wilt laten brengen, dan of gij

naar den tempel, waarin gij tehuis behoort, wilt terugkeeren. In het

laatste geval zal een wagen--want de stad is vol dronken krijgsvolk--u

naar de tweede herberg van Kakem brengen, die aan den zoom der woestijn

staat. Misschien zult gij daar wel een geleider vinden, wanneer gij

aan den waard zegt wie gij zijt. Het voertuig moet binnen een klein

uur terug zijn, want het behoort tot de koninklijke rijtuigen, en als

het gastmaal vroeg afloopt, zou er soms aan wagens gebrek kunnen zijn."

"Ik wil terug naar de plaats waar ik behoor," antwoordde Klea zonder

aarzelen. "Breng mij terstond naar den wagen."

"Volg mij dan," verzocht de oude man.

"Maar ik ben ongesluierd," merkte Klea op, "en draag niets dan dit

dunne kleed. Ruwe soldaten hebben mij den sluier van het hoofd en

den mantel van de schouders gehaald."

"Dan zal ik u den mantel van den overste brengen, die hiernaast ligt

in de kamer van den bevelhebber, en ook zijn reishoed, welks breede

rand uw gelaat voldoende bedekken zal. Door uwe statige houding en

grootte zal men u voor een man aanzien, en dat is goed, want eene

vrouw, die op dit uur het paleis wilde verlaten, zou er niet ongedeerd

uitkomen. Morgen zal een slaaf deze kleedingstukken aan uw tempel

afhalen. Ik durf ze u wel toevertrouwen, want mijn meester heeft

mij bevolen, dat ik voor u moest zorgen als waart gij zijne eigene

dochter. Hij laat mij ook zeggen--ik had het bijna vergeten--dat uwe

zuster den Romein Publius Cornelius Scipio gevolgd is, en niet dien

anderen zeer gevaarlijken man, gij zult het wel weten. Thans verzoek

ik u te wachten tot ik terugkom; het zal niet lang duren."

Na eenige oogenblikken keerde de politiewacht met een grooten

mantel terug, dien Klea geheel omsloeg, en een breedgeranden hoed,

dien zij diep op haar hoofd drukte. Hij geleidde haar vervolgens

naar het kwartier van het paleis, waar de koninklijke stallen zich

bevonden. Zij moest dicht bij den beambte blijven en weldra stond zij

op een wagen en liet zich door den wagenmenner, die haar hield voor

een Macedonischen edelman, welke in den nacht uitreed om een geheime

samenkomst te hebben, rijden naar de tweede herberg op den weg,

die naar het Serapeum leidde.

Klea en Irene: roman · 第 19 / 28 题