De optocht was afgeloopen.
Bij den dienst, die daaraan was voorafgegaan in het Grieksche Serapeum,
had Ptolemaeus Philometor aan de priesterschap van dezen tempel
volstrekt niet het geheele, maar slechts een matig deel toegestaan
van het akkergeschenk, waarover zij hem vele smeekschriften hadden
overhandigd.
Nadat het hof weder naar Memphis opgebroken en de processie ontbonden
was, keerden ook de zusters in hun vertrek terug, Irene met blozende
wangen en een lachje om den mond, Klea met zekeren somberen en
onheilspellenden glans in de oogen.
Terwijl de beide zusters zonder te spreken hunne kamer naderden,
riep een tempeldienaar de oudste, en beval haar hem te volgen naar
den opperpriester, die verlangde haar te spreken. Zwijgend reikte
Klea hierop aan Irene hare kruik over, en werd in een vertrek van
den tempel gebracht, hetwelk diende tot bewaarplaats der heilige
gereedschappen. Terwijl zij daar wachtte, vlijde zij zich op een
zetel neder.
Ook de mannen, die in den morgen het pastophorium bezochten, hadden met
de koninklijke familie den optocht gevolgd. Nadat de feestelijkheid was
afgeloopen, verwijderde de Romein Publius zich van zijne geleiders,
en ging spoedig, zonder afscheid te nemen en strak voor zich ziende,
naar het pastophorium en de tent van den kluizenaar Serapion.
De oude vernam reeds van verre den voetstap van den jonkman, die met
zijne stevige zolen, zijn zelfbewusten en krachtigen gang, heel anders
liep dan de priesters van Serapis, met hun zachten tred. Vriendelijk
heette hij hem welkom met de hand en den mond.
Publius bedankte hem koeltjes en ernstig, en zeide daarop bits en zeer
kortaf: "Mijn tijd is beperkt. Ik denk Memphis weldra te verlaten. Doch
ik beloofde uw verzoek aan te hooren, en omdat ik woord wil houden,
zoek ik u op, heden reeds, maar, zoo als ik zeide, alleen om woord te
houden. De draagsters der waterkruiken, waarvan ge mij een en ander
wilt mededeelen, gaan mij niets aan. Ik geef om hen evenveel als om
de zwaluwen, die daar over het huis vliegen."
"Toch hebt gij heden morgen om Klea's wil eene lange wandeling
gemaakt," antwoordde Serapion.
"Ik heb dikwijls nog veel verder geloopen om een hert te schieten,"
hernam de Romein. "Wij mannen vervolgen het wild niet, omdat wij
verlangen het te bezitten, maar omdat wij vermaak scheppen in het
jagen. Doch er zijn ook jagersnaturen onder de vrouwen. In plaats van
speer en boog gebruiken zij vurige blikken, en wanneer zij dan meenen,
dat zij hun wild daarmede getroffen hebben, dan keeren zij het den rug
toe. Tot deze soort behoort ook uwe Klea, en die lieve kleine van heden
morgen ziet er uit, als liet zij zich gaarne jagen. Intusschen lust
het mij even weinig het wild als de jager van een meisje te zijn. Drie
dagen moet ik mij nog beneden in Memphis ophouden, om enkele zaken
af te doen, dan keer ik dit dwaze land voor altijd den rug toe."
"Heden morgen," zeide Serapion, die begon te vermoeden wat deze
boosheid, die maar al te duidelijk sprak uit de woorden van den Romein,
had opgewekt, "heden morgen scheen het, dat gij met uwe afreis vrij wat
minder haast maaktet dan thans. Het komt mij dus voor, dat gij zelf
op een vluchtend wild gelijkt; maar Klea ken ik beter dan gij. Het
jagen is haar zaak niet, maar nog minder laat zij zich jagen, want
zij bezit eene eigenschap, die gij, waarde Publius Scipio, zeker boven
alle andere zult kennen en waardeeren: zij is trotsch, zeer trotsch,
en zij mag het zijn, hoe minachtend gij ook uw neus optrekt, als wildet
ge zeggen: Hoe komt eene kruikdraagster van Serapis, een arm schepsel,
dat slecht gevoed wordt en eene ondergeschikte betrekking bekleedt,
aan een trots, die hoogstens met eenig recht ontwaken kan bij hen, die
boven anderen door een of ander voorrecht uitsteken? Dit meisje nu,
ge kunt mij gelooven, heeft vele redenen om haar hoofd op te heffen,
niet alleen omdat zij van vrije, edele ouders afstamt; omdat zij eene
zeldzame schoonheid bezit; omdat zij, zelve nog een jong kind zijnde,
met zelfverloochenende liefde en trouw, als eene moeder zich een ander
kind, eene jongere zuster heeft aangetrokken,--maar inzonderheid, en
gij zult dit, als ik u goed beoordeel, beter dan andere jongelieden
kunnen begrijpen, omdat zij trotsch blijven moet, ten einde bij de
nederige diensten, die zij helaas, gedwongen is te verrichten, nimmer
te vergeten, dat zij eene vrije edele vrouw is. Gij kunt van uwe
hooghartigheid afstand doen en toch blijven die gij zijt; maar deed
zij het, en begon zij zich te voelen als een dienstbare, dan zou zij
ten laatste worden, wat zij niet is en toch zijn moet. Een edel ros,
dat men dwingt lasten te trekken, wordt tot een karrepaard, zoo haast
het verleert den kop op te heffen en de pooten vrij te bewegen. Klea is
trotsch omdat zij het zijn moet, en wanneer gij rechtvaardig zijt, zult
ge op deze jonkvrouw niet boos zijn, omdat zij u misschien vriendelijk
heeft aangezien, daar gij van de goden een uiterlijk hebt ontvangen,
geschikt om aan elke vrouw te behagen. Doch alle pogingen om hare gunst
te winnen zouden schipbreuk lijden, omdat zij zich voor te goed houdt,
om zelfs door een Cornelius met zich te laten spelen, en toch voor te
gering, dan dat zij ooit zou durven hopen, dat iemand van uw stand
zich zou vernederen, om haar tot vrouw te begeeren. Ongetwijfeld
heeft zij u beleedigd, doch ik kan slechts vermoeden waardoor. Is
het door hare trots, dan mag u dat niet krenken, want eene vrouw is
als een krijgsman, die het harnas alleen dan aangespt, wanneer zij
wordt bedreigd door een tegenstander, wiens wapenen zij vreest."
De kluizenaar had deze woorden, om niet door zijn buurman gehoord
te worden, meer gefluisterd dan overluid gesproken, en wischte zich,
toen hij zweeg, het zweet van het voorhoofd, want als iets zijn gemoed
aandeed, dan was hij gewoon zijn zware stem luide te laten klinken,
en het kostte hem dus geen geringe inspanning, deze stem zoolang in
te houden.
Publius had hem strak aangekeken, maar daarna de oogen nederslagen,
en Serapion tot het einde aangehoord, zonder hem in de rede te
vallen. Daarbij was hij van schaamte gaan blozen, als ware hij een
schoolknaap; en toch was hij een zelfbewust en kloekmoedig jonkman, die
in moeilijke omstandigheden zichzelven volkomen wist te beheerschen,
zooals men dit van een man in de kracht des levens verwacht. Bij
al zijne handelingen placht hij nauwkeurig te weten wat hij wilde,
en zonder opwinding alleen datgene te doen, wat hem goed en nuttig
toescheen. Onder de woorden van den kluizenaar drong zich nu de vraag
aan hem op, wat hij toch eigenlijk van de kruikdraagster verlangde,
en daar hij geen antwoord kon vinden, begon hij te weifelen. Deze
onzekerheid en ontevredenheid met zichzelven klom hooger naarmate
hetgeen hij hoorde hem juister toescheen, en hij zich in den grond van
zijn hart minder geneigd gevoelde om afstand te doen van het meisje,
waaraan hij dagen lang, ook tegen zijn wil, had moeten denken, wier
beeld hij gaarne uit zijn gemoed zou hebben verwijderd, dat hem echter
juist om de woorden van den kluizenaar begeerlijker voorkwam dat ooit
te voren.
"Misschien hebt gij gelijk," antwoordde hij, na eenige oogenblikken
zwijgens, insgelijks op zachten toon, want op eene zachte toespraak
volgt gewoonlijk een niet minder zacht antwoord. "Gij kent dit meisje
beter dan ik, doch wanneer gij haar naar waarheid hebt geteekend, dan
zal het juist goed zijn, dat ik bij mijn voornemen blijf en Egypte,
of laat ik het maar ronduit zeggen, uwe beschermelinge verlaat,
want ik heb van haar niet anders te wachten dan òf een nederlaag
òf eene overwinning, waarover ik later slechts berouw zou kunnen
gevoelen. Klea heeft heden mijne blikken ontweken, als vloeide er uit
mijne oogen gif, gelijk uit den tand van een adder. Ik heb derhalve
met haar niets meer uit te staan. Toch zou ik wel willen weten hoe
zij in dezen tempel is gekomen, en als ik haar van dienst kan zijn,
wil ik het doen--om uwentwil. Vertel mij thans wat gij weet, en zeg
mij wat ge van mij begeert."
De kluizenaar knikte met het hoofd, ten teeken van bijval, wenkte hem
nader te komen en terwijl hij zich nederboog naar het oor van den
man, dat naar hem was toegekeerd, vroeg hij zacht: "Is de koningin
u gunstig gezind?"
Toen Publius hierop toestemmend had geantwoord, begon Serapion,
met een uitroep van tevredenheid, aldus zijn verhaal:
"Heden morgen hebt gij vernomen, hoe ikzelf in deze kooi kwam, en
dat mijn vader opzichter van de tempelschuur is geweest. Terwijl ik
in den vreemde omzwierf, werd hij van zijn ambt ontzet, en misschien
ware hij in de gevangenis gestorven, wanneer een braaf man hem niet
geholpen had zijne eer en vrijheid te redden. Dit alles zou u niets
aangaan, en zou ik daarom wel voor mijzelven kunnen houden, maar deze
man was de vader van Klea en de kleine Irene; de vijand, door wien
de mijne onschuldig lijden moest, is de bandiet Eulaeus. Gij weet,
of waarschijnlijk weet gij het niet, dat de priesterschap bij wijze
van belasting bepaalde leverantiën heeft te doen aan het koninklijk
hof. Zoo, weet gij het? Het is ook waar, gij Romeinen stelt meer
belang in rechts- en administratiezaken, dan in voorwerpen van kunst
en in ideeën. Het was het werk van mijn vader, deze schenkingen uit
te betalen en van den eunuuch ze in ontvangst te nemen. Maar deze
vetgemeste baardelooze gulzigaard, deze veelvraat, wien elke perzik,
die hij gegeten heeft en in het vervolg mogelijk nog verslinden zal
tot vergif moge worden, hield de helft van het geleverde achterwege,
en toen de rentmeesters bemerkten, dat in 's konings schatkamer dáar,
waar men koorn en geweven stoffen meende te zullen vinden, niets
dan ledige ruimte was, maakten zij alarm, hetwelk natuurlijk eer het
oor bereikte van den dief, die bij het hof veel invloed had, dan dat
van mijn arme vader. Gij hebt Egypte een wonderlijk land genoemd of
zoo iets, en dat is het ook werkelijk, niet alleen om die steenen
tarwebrooden daar ginds, die gij pyramiden noemt, en dergelijke zaken
meer, maar omdat hier dingen gebeuren kunnen, die bij u in Rome zoo
onmogelijk zouden zijn als maneschijn op den middag, of een paard
met een staart aan zijn neus! Eer het kwam tot een aanklacht tegen
Eulaeus beschuldigde hij mijn vader van verduistering der goederen,
en vóor het districtshoofd met zijne beambten een blik in de acten had
geslagen, stond hun oordeel over den valschelijk aangeklaagde reeds
vast, want de eunuuch had een vonnis van hen gekocht, gelijk men een
visch of een koolstruik op de markt inkoopt. In den ouden tijd werd
hier te lande de godin der gerechtigheid afgebeeld met geslotene oogen,
thans kijkt zij in de wereld rond als een schele vrouw, die met éen
oog den koning aanziet, en met het andere gluurt naar het goud in
de handen van den aanklager of den beschuldigde. Mijn arme vader
werd natuurlijk veroordeeld, en reeds begon hij in de gevangenis
te twijfelen aan de gerechtigheid der goden, toen om zijnentwil het
grootste wonder geschiedde, dat in dit land der wonderen ooit heeft
plaats gehad, sedert de Grieken in Alexandrië heerschen. Een eerlijk
man trok zich zonder menschenvrees de reeds verloren zaak van den
armen veroordeelde aan, en rustte niet, voor hij hem zijne eer en
zijne vrijheid had teruggegeven. Maar de gevangenschap, de schande,
de verkropte verontwaardiging hadden langzamerhand de krachten van
den mishandelden man gesloopt, gelijk een houtworm een cederstam
verteert. Hij kwijnde weg en stierf. Met zijn redder, Klea's vader,
liep het, tot loon voor deze moedige daad, nog erger af dan met hem,
want hier aan den Nijl wordt de deugd op aarde gestraft, gelijk bij u
de ondeugd. Waar de ongerechtigheid heerschappij voert, daar ziet men
het schrikkelijkste gebeuren, namelijk dat de goden partij schijnen
te trekken voor de boozen. Hij die niet hoopt op eene vergelding
aan gene zijde des grafs, zorgt wel, zoo hij geen dwaas of wijsgeer
is--en dat komt in de meeste gevallen op hetzelfde neer--dat zijn
wandel niet al te rein is.
"Philotas, de vader van de kruikdraagsters, wiens ouders uit Syracuse
afkomstig waren, behoorde tot de aanhangers van de leer van Zeno [9],
die ook bij u in Rome vele vrienden heeft en had het als beambte
ver gebracht, want hij was voorzitter der Chrematisten, dat is een
college van rechters, dat buiten Egypte zijns gelijke wel niet heeft,
en zijn alouden roem beter gehandhaafd heeft dan eenig ander. Het
trekt rond van district tot district, en vestigt zijn verblijf in
de hoofdsteden om recht te spreken. Wanneer er appèl aangeteekend
wordt tegen het vonnis, gewezen door het gerechtshof van deze of
gene plaats, waarvan het districtshoofd voorzitter is, zoo wordt de
zaak nog eens behandeld voor de Chrematisten, die gewoonlijk noch den
aanklager noch den beschuldigde kennen. Door deze instelling kunnen
de bewoners der provinciën zich de moeite en kosten besparen van eene
reis naar Alexandrië of sedert het rijk verdeeld is, naar Memphis,
waar de oppergerechtshoven bovendien met zaken overladen zijn.
"Onder alle voorzitters van de Chrematisten heeft niemand ooit zooveel
naam gemaakt als Philotas, de vader van Klea en Irene. Evenmin als
een musch zich waagt tegen een valk, evenmin beproefde iemand hem
om te koopen, en hij was niet minder verstandig dan rechtvaardig,
want hij was even bekend met de oude wet der Egyptenaren als met die
der Grieken, en menig omkoopbaar rechter is op zijn hoede geweest,
zoodra het bekend werd dat Philotas zich met zijne Chrematisten op
reis had begeven, en heeft in plaats van een valsch een rechtvaardig
oordeel geveld.
"Toen Kleopatra, de weduwe van Epiphanes, nog leefde en voor hare
zonen Philometor en Euergetes, die thans in Memphis en Alexandrië
regeeren, de voogdijschap voerde, hield zij Philotas in hooge eer en
verhief hem tot den rang van verwant des konings. Doch zij was juist
gestorven, toen de brave man mijns vaders zaak op nieuw ter hand nam,
en hem uit den kerker bevrijdde.
"De roover Eulaeus en zijn spitsbroeder Lenaeus stonden juist op het
toppunt van hun macht, want de jonge onmondige koning liet zich door
hen leiden als een kind door zijne min. Als mijn vader een eerlijk
man was, dan moest de eunuuch een boef zijn. Toen nu de Chrematisten
dreigden Eulaeus voor hun rechtbank te dagen, wist die ellendeling den
krijg te bewerken om het bezit van Coelesyrië tegen 's konings oom,
Antiochus Epiphanes.
"Gij weet hoe smadelijk deze onderneming voor ons afliep, hoe
Philometor bij Pelusium geslagen werd, en zich met zijne schatten
op raad van Eulaeus, naar Samothrace redde, hoe Philometor's broeder
Euergetes in Alexandrië tot koning werd uitgeroepen, Antiochus Memphis
innam, en zijn ouderen neef vervolgens hier het bewind liet voeren,
alsof hij zijn vasal of pupil was. In die dagen van vernedering
nu wist de eunuuch zich te ontdoen van Philotas voor wien hij alle
reden had om bevreesd te zijn, als wandelde in den persoon van den
Chrematist zijn eigen geweten, met het zwaard der gerechtigheid in
de hand, op twee beenen onder de menschen rond, om hen te vertellen
welk een spitsboef hij was.
"Memphis had, zonder ernstig weerstand te bieden, voor Antiochus
de poorten van den witten muur geopend, en de Syrische koning, die
een wonderlijk man was, en vaak lust gevoelde om onder het volk
te verkeeren, als was hijzelf een gewoon man, ontbood Philotas,
die even vertrouwd was met Egyptische gebruiken en wetten als met
de Helleensche, bij zich, liet zich door hem in de rechtszalen en
op de markt brengen, en begiftigde hem op zijne wijze nu eens met
nietswaardige lompen, dan weder met vorstelijke geschenken.
"Nadat Philometor door de Romeinen van de voogdijschap van den Syriër
was bevrijd geworden, en in Memphis als zelfstandig vorst regeeren
kon, beschuldigde Eulaeus den vader der kruikdraagsters, dat hij
Memphis aan Antiochus in handen had gespeeld, en rustte niet voordat
de onschuldige man, beroofd van zijne aanzienlijke bezittingen,
met zijne vrouw naar de Ethiopische bergwerken was gesleept om er
dwangarbeid te verrichten. Toen dit alles plaats had, zat ik reeds
in deze kooi, doch van mijn broeder Glaucus, die aan het hoofd staat
van de politiewacht in het paleis, en vele dingen eerder verneemt
dan andere lieden, hoorde ik wat er omging, en het gelukte mij de
dochtertjes van Philotas heimelijk in dezen tempel te laten brengen,
en alzoo te bewaren voor het lot, dat hunne ouders trof. Dat is nu
vijf jaren geleden, en gij weet thans hoe het komt, dat de dochters
van een aanzienlijk man water dragen voor het altaar van Serapis;
waarom ik liever zelf lijd, dan dat ik haar eenig leed zie wedervaren;
en waarom ik Eulaeus giftige wortels gun in plaats van zoete perziken."
"En Philotas is heden nog dwangarbeider?" vroeg de Romein,
tandenknarsend van toorn.
"Ja, Publius," antwoordde de kluizenaar. "En dit 'ja' laat zich
gemakkelijk uitspreken, en het kost ook geen moeite daarbij de handen
te ballen tot vuisten, maar het valt zwaar, zeer zwaar zelfs aan het
lijden te denken, dat een man als Philotas en eene edele onschuldige
vrouw, die zoo schoon was, schoon als Hera en Aphrodite te zamen,
bij zulk een harden ongewonen arbeid, onder een brandende zon en den
geesel der opzichters, hebben door te staan. Misschien zijn zij tot hun
geluk reeds aan de gevolgen der hun aangedane kwellingen gestorven, en
zijn hunne dochters weezen! Die arme meisjes! Buiten den opperpriester
is hier niemand, die eigenlijk weet wie zij zijn. Kwam de eunuuch
het te weten, dan zou hij ze even als hare ouders doen wegvoeren,
zoo waar ik Serapion heet."
"Hij moest het eens wagen!" riep Publius, terwijl hij de rechterhand
dreigend omhoog hief.
"Kalm, kalm, mijn vriend," smeekte de kluizenaar, "niet nu alleen,
maar bij alles wat gij voor de zusters zult willen doen. Want een
Eulaeus hoort niet alleen met zijne eigene ooren, doch ook door die
van duizend anderen, en bijna alles wat er aan het hof geschiedt moet
door zijne handen gaan, daar hij de briefschrijver is. Gij zeidet dat
de koningin u welgezind was. Dat is veel waard, want haar gemaal zal
alles doen wat zij wenscht, en een Eulaeus zal, als vorstinnen ten
minste gelijk zijn aan de andere vrouwen die ik ken, in de oogen van
Kleopatra niet veel waard zijn."
"En al ware dit ook niet het geval," zeide Publius, den kluizenaar,
gloeiende van verontwaardiging, in de rede vallende, "dan zou ik hem
toch ten val brengen. Want een man als Philotas mag niet ten onder
gaan, en zijne zaak zal van nu aan de mijne worden; hier hebt gij mijne
hand, en mag ik mij verheugen van edele voorvaderen af te stammen,
dan is dit vooral omdat de belofte van een Cornelius niet minder,
dan eene reeds volbrachte daad van een ander beteekent."
De kluizenaar schudde den jongeling de rechterhand, knikte hem
vriendelijk toe, en zijne vochtige oogen straalden daarbij van blijde
ontroering.
Vervolgens keerde hij den Romein haastig den rug toe, om weldra weder
te keeren met een papyrus-rol van grooten omvang in de hand.
"Neem dit aan," zeide hij, terwijl hij den Romein het stuk
overhandigde. "Ik heb alles, wat ik u zooeven mededeelde,
overeenkomstig de waarheid met eigene hand opgeteekend, en wel in
den vorm van een smeekschrift. Dergelijke dingen, dat weet ik, worden
bij het hof alleen dan ordelijk afgedaan, wanneer men ze schriftelijk
behandelt. Is de koningin genegen uw wensch te vervullen, overhandig
haar dan deze rol en verzoek haar een genadebrief. Kunt gij dat
bewerken, dan is alles gewonnen."
Publius nam de rol, reikte den kluizenaar nog eens de hand, en
deze riep, zichzelven vergetend, met luider stem: "De goden mogen
u zegenen, en door u den edelsten aller menschen van zijn lijden
verlossen. Reeds begon ik te wanhopen, maar als gij ons bijstaat,
dan is nog niet alles verloren."