"Vergeef mij wanneer ik ulieden stoor."
Met deze woorden brak de eunuuch Eulaeus, die zacht en ongemerkt het
pastophorium genaderd was, terwijl hij zich voor Publius eerbiedig
boog, den uitroep van den kluizenaar af. "Is het geoorloofd te vragen
tot welk verbond een der edelste zonen van Rome dezen wonderlijken
man de hand reikt?"
"Vragen staat ieder vrij," antwoordde Publius kortaf en scherp,
"maar het is niet ieders zaak te antwoorden, en heden ook niet de
mijne. Ik zeg u vaarwel, Serapion, maar niet voor lang, denk ik."
"Veroorlooft ge mij u te vergezellen?" vroeg de eunuuch.
"Gij zijt mij zonder vergunning toch gevolgd."
"Ik deed het op bevel van mijn koning, en voldoe alleen aan zijn bevel,
wanneer ik u ook thans mijn geleide aanbied."
"Ik ga vooruit, en kan u niet weren, als ge mij volgt."
"Ik verzoek u echter te bedenken," antwoordde de eunuuch, "dat het
mij slecht zou voegen, als een dienstknecht achter u te loopen."
"Ik eerbiedig den wil van mijn gastheer, den koning, die u opdroeg mij
te volgen," antwoordde de Romein. "Doch vóor de tempelpoort kunt gij
uw wagen en kan ik den mijne bestijgen. Een oud hoveling zal gaarne
den wil van zijn gebieder vervullen."
"Hij vervult dien ook," hernam Eulaeus deemoedig, maar even als de
gespleten tong uit den bek van een slang snel te voorschijn komt
en nog sneller verdwijnt, zoo schoot zijn oog eerst een blik vol
dreigenden haat, daarna een anderen, argwanend gericht op de rol,
die de Romein in zijne hand hield.
Publius gaf geen acht op deze blikken, en liep haastig naar het
acaciënbosch. De kluizenaar zag intusschen het ongelijke paar na,
en toen hij den machtigen eunuuch den jongeling achterna zag loopen,
zette hij de handen in zijne zijde, blies zijne dikke wangen op,
en barstte, zoodra het paar achter de acaciën verdwenen was, in luid
gelach uit. Als Serapions lachspieren eens in beweging waren, lieten
ze zich niet gemakkelijk tot rust brengen, en hij lachte nog altijd,
toen Klea, eenige oogenblikken na het vertrek van den Romein voor
zijne kluis verscheen.
Hij wilde zijne beschermelinge vroolijk ontvangen, maar nadat hij haar
goed in het aangezicht had gezien, zeide hij bezorgd: "Ge ziet er
uit, als ware u de geest van een afgestorvene verschenen. Uwe roode
lippen zijn bleek, en onder uwe oogen zie ik donkere schaduwen. Wat
is u wedervaren, mijn kind? Irene, ik weet het, heeft toch met u
de processie bijgewoond. Hebt gij slechte berichten van uwe ouders
gekregen?--Gij schudt het hoofd. Nu, kindlief, dan denkt gij zeker
meer dan gij moest aan zeker iemand. Wat stijgt u het bloed naar
de wangen! O zeker, de schoone Publius van Rome heeft u te diep in
de oogen gezien--hij is ook een schoon jonkman, een echte man, een
trouw vriend...."
"Houd op," viel Klea haar vriend en beschermer in de rede, terwijl zij,
ten teeken van afwijzing, met haar vlakke hand de lucht doorsneed,
als wilde zij Serapions toespraak in twee helften deelen. "Ik wil
niets meer van hem hooren."
"Heeft hij u onbetamelijk bejegend?" vroeg de kluizenaar.
"Ja," riep Klea schaamrood en met eene heftigheid, die anders vreemd
was aan haar bezadigd karakter. "Ja, met uitdagende blikken vervolgt
hij mij onophoudelijk."
"Met zijne blikken alleen?" vroeg de kluizenaar. "Maar wij zien toch
ook naar de verhevene zon en de lieflijke bloemen zooveel wij kunnen,
en zonder dat zij het ons kwalijk nemen!"
"De zon staat te hoog en de onbezielde bloem te laag, dan dat een
mensch haar zou kunnen beleedigen," antwoordde Klea. "Maar die Romein
is niet meer en niet minder dan ik, het oog spreekt even goed een
taal als de mond, en wat het zijne van mij verlangt, dat jaagt mij
het bloed naar de wangen, en wekt nu zelfs, terwijl ik er aan denk,
mijne verontwaardiging op."
"Daarom hebt gij ook zoo angstvallig zijne blikken ontweken."
"Wie zeide u dat?"
"Publius zelf, en daar uwe hardvochtigheid hem smart deed, wilde hij
Egypte verlaten. Ik heb hem echter bewogen te blijven, want als er éen
sterveling is, van wien ik voor u en de uwen iets goeds verwacht...."
"Dan is hij het zeker niet!" zeide Klea op stelligen toon. "Gij zijt
een man, en meent nu misschien dat gij, toen gij nog jong waart en u
vrij kondt bewegen in de wereld, niet anders zoudt gehandeld hebben
dan hij, volgens hetgeen de mannen hun recht noemen. Doch kondet gij
hier in mijn binnenste lezen, of met het hart van eene vrouw gevoelen,
dan zoudt gij anders denken. Gelijk het woestijnzand, dat door den wind
over de akkers wordt gedreven, hun vriendelijk groen in akelig grauw
verandert; gelijk de storm, die den blauwen spiegel der zeevlakte
verkeert in een golvend mengsel van zwarte draaikolken en gistend
schuim, zoo heeft de uitdagende stoutheid van dezen man de kalmte van
mijn gemoed wreed verstoord. Voor de vierde maal vervolgden mij zijne
blikken bij den optocht. Gisteren had ik het gevaar ingezien, maar
heden--ik moet het u wel zeggen, want gij zijt een vader voor mij,
en wien anders in de wereld zou ik het durven toevertrouwen?--heden
heb ik mij in staat gevoeld zijn blik te ontwijken. En toch gevoelde
ik gedurende de lange, eindeloos lange uren van het feest, dat zijn
oog onophoudelijk het mijne zocht. Dat geene dwaling mij misleidt,
zou ik geweten hebben, ook al had Publius Scipio--doch waarom neem
ik dezen naam op mijne lippen?--ook al had die Romein zich niet bij
u beroemd op zijn aanval tegen een onschuldig meisje gericht. En dat
gij, juist gij u tot zijn bondgenoot kunt maken! Maar dat hebt gij
niet gedaan, neen, zeker niet, want gij wist hoe ik bij den optocht
te moede moest zijn, terwijl ik de oogen nedersloeg en voelde dat
zijn blik mij ontwijdde, als de regen, die in het vorig jaar de pas
ontloken bloesems van de druiven des tempels wegspoelde. Het was mij,
als werd er een net vastgesnoerd om mijn hart. En welk een net! Als
had men in de plaats van vlas een vlam om het spinrokken gewonden,
en deze tot dunne draden uitgesponnen, en met dit gloeiend garen
mazen geknoopt, zóo was het! Ik voelde de draden en knoopen branden
op mijne ziel, en kon ze niet verwijderen, en durfde mij zelfs niet
verroeren. Ja, zie mij maar angstig aan en schud vrij het hoofd,
zóo is het geweest, en die brandwonden doen mij ook thans nog pijn,
erger dan ik u beschrijven kan."
"Maar Klea," viel Serapion het meisje in de rede, "ge zijt buiten
uzelve, en als van een demon bezeten. Ga naar den tempel en bid,
of als dat niet helpt, naar Asklepius of Anubis, en laat den boozen
geest uitbannen."
"Ik heb de hulp van geen uwer goden noodig," antwoordde het meisje in
de grootste spanning. "Ja, ik wenschte dat gij aan het noodlot zijn
loop hadt gelaten, en dat wij in het lijden van onze ouders mochten
deelen, want wat ons hier dreigt is nog verschrikkelijker dan in
de brandende zon stofgoud te ziften, of het kwarts in vijzels te
stampen. Ik kwam niet tot u om over den Romein te spreken, maar om
u te vertellen wat de opperpriester mij, terstond na den optocht,
heeft medegedeeld."
"Nu?" vroeg Serapion op gerekten toon, en bijna angstig, terwijl hij
zijn hals uitrekte, met zijn borstelig hoofd het meisje naderde,
en zijne oogen zoo wijd openspalkte, dat de dikten daaronder half
verdwenen.
"Hij deelde mij eerst mede," hernam Klea, "hoe treurig het gesteld
was met de inkomsten des tempels."
"Het is waar," vulde de kluizenaar aan, "dat Antiochus het beste
deel van den tempelschat heeft geroofd, en dat de kroon, die voor de
heiligdommen der Egyptische goden altijd geld over heeft, onze akkers
met groote belastingen heeft bezwaard. Maar gij wordt, zou ik meenen,
al karig genoeg, ja veel slechter dan billijk is bedeeld, want voor
uw onderhoud wordt,--ik weet het nauwkeurig, want het geld is door
mijne handen gegaan--aan den tempel eene som betaald, van welker
interesten men niet slechts twee weinig etende vogeltjes, zooals gij
zijt, maar tien hongerige matrozen zou kunnen onderhouden. Bovendien
verricht gij moeielijke diensten, zonder er eenige vergoeding voor
te ontvangen. Waarachtig, men kon er nog meer zijde bij spinnen als
men een bedelaar zijne lompen ontstal, dan als men u beroofde. Wat
zou de opperpriester dan toch willen?"
"Hij zegt dat wij vijf jaren lang door de priesterschap zijn gevoed
en beschermd, dat den tempel nog meer gevaren dreigen om onzentwil,
dat wij òf het heiligdom moeten verlaten, òf besluiten de plaats
te vervangen van de beide tweelingzusters Arsinoë en Doris, die tot
dusverre bij het doodenfeest aan de baar van den gestorven god, in
de kleeding van Isis en Nephthys, klaagliederen hebben gezongen, en
onder gejammer en klaagtonen het wijwater hebben aangedragen voor de
lijken, die in den tempel worden gebracht om ingezegend te worden. Deze
meisjes, zegt Asklepiodorus, worden te oud en zijn niet schoon genoeg
meer voor dat werk, doch de tempel is verplicht hen te onderhouden
tot hun dood. De middelen van den tempel zijn niet toereikende om,
behalve haar en ons beiden nog twee andere dienaressen van den god
te voeden, derhalve zullen Arsinoë en Doris alleen nog het wijwater
uitgieten, maar wij zullen het rouwklagen voor de dooden op ons nemen."
"Maar gij zijt geene tweelingen!" zeide Serapion, en volgens het
voorschrift mogen alleen de zoodanigen als Isis en Nephthys Osiris
beweenen."
"Men wil ons tot tweelingen maken," hernam Klea, terwijl zij minachtend
de lippen optrok. "Irene's haren zullen zoo zwart geverfd worden als
de mijne, en hare voetzolen zullen hooger worden gemaakt, opdat zij
zoo groot schijne als ik ben."
"U kleiner te maken dan gij zijt zou hun zeker ook niet gelukken,
en lichte haren laten zich gemakkelijker donker dan donkere
licht kleuren," zeide Serapion, met moeite zijne verontwaardiging
intoomende. "Wat voor antwoord hebt gij gegeven op dezen voorslag,
die zeker zonderling mag heeten?"
"Het eenige dat ik geven kon. Ik zeide neen, doch verklaarde mij
bereid, niet door vrees gedreven, maar omdat wij aan den tempel veel
verschuldigd zijn, met Irene elken anderen dienst te verrichten,
alleen dezen niet."
"En Asklepiodorus?"
"Hij heeft mij met geene toornige woorden gekrenkt, en bewaarde,
ofschoon ik hem tegensprak, zijne deftige kalmte. Ja soms nam hij mij
verbaasd met de oogen op, als of hij iets geheel nieuws en vreemds
aan mij ontdekte. Ten laatste wees hij er op, hoeveel moeite zich
de zangmeester van den tempel met ons had gegeven; hoe goed mijne
zwaardere stem harmonieerde met de hooge stem van Irene; hoe grooten
lof wij konden inoogsten met de klaagliederen schoon voor te dragen;
hoe gaarne hij ons, wanneer wij besloten ons het ambt van de tweelingen
te laten welgevallen, eene betere woning en overvloediger voedsel zou
bezorgen. Evenals men valken door honger mak maakt, zoo heeft hij er,
geloof ik, de proef van genomen, of hij ook ons door schralen kost
gedwee kon maken. Misschien doe ik hem onrecht, maar ik gevoel mij
heden al te zeer geneigd van hem en de andere vaders, het ergste
te denken. 't Zij zoo het wil! In elk geval sprak hij verder niet
tegen, toen ik bij mijne weigering bleef, maar hij liet mij gaan met
de uitnoodiging om mij over drie dagen weder bij hem te vervoegen,
ten einde hem mede te deelen, of wij genegen waren te doen wat hij
verlangde, dan of wij den tempel dachten te verlaten. Ik neigde,
ging naar de deur en stond reeds op den drempel, toen hij mij nog eens
terugriep en zeide: "Denk ook aan uwe ouders en aan hun lot!" Dit zeide
hij op plechtigen, bijna dreigenden toon, en verder sprak hij niets,
maar keerde mij haastig den rug toe. Wat mag hij met deze vermaning
bedoelen? Ik denk toch elken dag, ieder uur aan vader en moeder,
en herinner Irene gedurig aan hen!"
De kluizenaar bromde bij deze woorden, ontevreden en nadenkend,
in zichzelven. Toen zij had uitgesproken, zeide hij ernstig:
"Asklepiodorus heeft met hetgeen hij zeide meer bedoeld dan gij
vermoedt. Iedere volzin, waarmede hij een weerspannige van zich laat
gaan, is een noot, waarvan men eerst de schaal moet open breken om
de kern te vinden. Als hij tot u zegt, dat gij aan uwe ouders en
hun treurig lot moet denken, dan kan dit in zijn mond en onder deze
omstandigheden moeilijk iets anders beteekenen, dan dat gij niet moet
vergeten, hoe gemakkelijk u het lot van uw vader zou kunnen treffen,
wanneer gij het wagen mocht u te onttrekken aan de bescherming
van den tempel. Asklepiodorus heeft er zijne bedoeling mede gehad,
toen hij u mededeelde--het kan nauwelijks een week geleden zijn,
dat ge mij dit verteld hebt--hoe vaak de bloedverwanten van hen,
die tot dwangarbeid in de bergwerken veroordeeld zijn, ook daarheen
worden gezonden. Ja, mijn kind, dat laatste woord van Asklepiodorus
heeft een schrikkelijken zin! De kalmte en trots, waarmede gij alles
opneemt, verontrusten mij, en gij weet toch dat ik niet tot hen behoor,
die vreesachtig zijn of anderen schrik aanjagen. Wat men van ulieden
vergt is zeker hoogst onaangenaam, maar neemt het op u; het zal,
zoo ik hoop, niet voor langen tijd zijn! Doe het om der wille van mij
en de arme Irene, want gij zult ook wel buiten deze muren in de ruwe
wereld met al hare begeerlijkheden uzelve staande weten te houden, maar
Irene, de kleine Irene, zal daartoe niet in staat zijn. Weet verder,
mijne Klea, mijn lieve schat, dat wij thans iemand gevonden hebben,
die uwe zaak tot de zijne maakt, die tot de aanzienlijken behoort
en veel vermag. Doch wat kan in drie dagen niet gebeuren! Het is
mij niet mogelijk ulieden te zien verbannen, en te denken dat men u
met woest volk in een afzichtelijk vaartuig naar de bergwerken voert
in het heete zuiden, waar men eerst de zielen vermoordt en dan het
lichaam. Gij zult niet dulden, dat mij en uzelve en Irene dit leed
wordt aangedaan, neen, mijne liefste, neen mijn hart, dat moogt ge,
dat zult ge niet doen! Zijt gijlieden dan mijne kinderen niet, mijne
dochtertjes, de eenige vreugde mijns levens? En nu zoudt ge mij alleen
laten in deze kooi, omdat gij zoo hooghartig zijt!"
De stem begaf den sterken man, en in zijne oogen welden dikke tranen,
die voor en na over zijne wangen biggelden in zijn baard, en op Klea's
arm, dien hij met beide handen tot zich had getrokken.
Ook de oogen van het meisje werden verduisterd door heete tranen, toen
zij haar anders zoo ruwen vriend zag weenen. Doch zij bleef standvastig
en zeide, terwijl zij haar hand uit de zijne trachtte te bevrijden:
"Gij weet wel, vader, dat veel mij hier aan dezen tempel bindt:
mijne zuster, gij, en de kleine Philo van den poortwachter. Het zal
mij zwaar, vreeselijk zwaar vallen u te verlaten, maar liever wil ik
dit leed en ieder ander verduren dan Irene toestaan als klaagvrouw
de plaats te vervangen van Arsinoë of de zwarte Doris. Stel u
dat levenslustige kind voor met verf besmeerd en toegetakeld,
knielend aan het voeteinde van eene baar, met gehuichelde klachten en
afgeperste tranen jammerende en steunende. Zij zou een leugen worden
van vleesch en been, zichzelve een walg, en voor mij, die toch bij
haar de plaats eener moeder vervult, van den morgen tot den avond
een knagend verwijt. Doch wat vraag ik naar mij zelve! Zonder mijn
gelaat te vertrekken, zou ik mij in het kleed der godin steken, mij
naar de baar laten leiden en daar jammeren en weeklagen, zoodat het
ieder die het hoorde door de ziel zou snijden. Want in mijn hart is
de zetel mijner smart, en het is gelijk aan het oog van den blinde,
dat het laatste gezichtsvermogen verliest, omdat een stroom van
zilte tranen zonder ophouden daarover vloeit. Misschien zouden die
klaagliederen verlichting geven aan mijne ziel, die zoo vervuld is
van leed als een beker die overloopt. Doch liever zou ik willen,
dat een wolk mij voor eeuwig het zonlicht benam, dat een nevelfloers
alle gesternten voor mij bedekte, dat zwarte rook de lucht verpestte,
die ik moet inademen om te leven, dan te dulden dat Irene's lichaam
misvormd, hare ziel verduisterd, haar gulle lach in jammerkreten en
hare vroolijke kinderzin in somber getreur veranderd werd. Liever
ga ik weg van hier en van u, om met mijne ouders in ellende en dood
onder te gaan, dan dit mede aan te zien, dan dit te verdragen."
Serapion bedekte bij deze woorden zijn aangezicht met beide
handen. Klea keerde hem echter haastig den rug toe en ging onder
een diepe zucht naar haar kamer. Irene placht haar anders tegemoet
te snellen, wanneer zij hare schreden vernam, doch heden werd Klea
door niemand begroet. In het vertrek begon het door de invallende
nachtelijke duisternis reeds donker te worden, zoodat haar oog zoo
dadelijk hare zuster niet vond, want deze zat ineengehurkt in een hoek,
hield haar gelaat achter beide handen verborgen en weende in stilte.
"Wat scheelt er aan?" vroeg Klea, terwijl zij hare weenende zuster
bezorgd naderde, zich over haar heen boog en beproefde haar op
te richten.
"Laat mij met rust," zeide Irene snikkend, wendde zich met eene snelle
beweging half van hare zuster af, en verzette zich als een halsstarrig
kind tegen hare liefkoozingen.
Toen Klea vervolgens, om haar tot bedaren te brengen, zacht en
vriendelijk de hand streek over hare lokken, sprong zij op en riep op
heftigen toon, onder tranen: "Ik heb sedert een uur moeten weenen,
altijd door weenen. Lysias van Corinthe heeft na den optocht zoo
vriendelijk met mij gesproken, maar gij, gij geeft niets om mij,
en laat mij zoolang alleen in dit akelig morsig hol. Neen, ik houd
het hier niet langer uit, en zoo gij mij niet vasthoudt, vlieg ik
uit dezen tempel, want daar buiten is het helder en vroolijk, maar
hier is het somber en afgrijselijk."