Zonder te luisteren naar hetgeen Irene hiertegen inbracht, ging Klea
met rassche schreden naar den tempel. Zij sloeg geen acht op hen,
die in het voorhof, voorover gebogen of met de armen omhoog geheven,
stonden te bidden, of die, als zij van Egyptische afkomst waren,
op den gladden geplaveiden vloer knielden. Want zij begon zelve zich
dadelijk tot den god te wenden om te bidden.
Zij betrad thans de groote voorzaal van het heiligdom, die alleen
door de ingewijden en tempeldienaren, waartoe ook zij behoorde,
betreden mocht worden. Hier verhieven zich in de rondte vele slanke
zuilenschachten, als leliën stengels, gekroond met schoone afgeronde
bloemkelken. Hier zag zij aan de steenen zoldering boven haar hoofd
den nachtelijken hemel afgebeeld, en de glanzende nooit stilstaande
en toch eeuwig rustende gesternten, de planeten en vaste sterren,
die uit hunne gouden barken stil op haar nederblikten.
Ja, hier was het schemerdonker en kalm genoeg voor eene
gedachtenwisseling met de godheid!
De zuilen, die haar omgaven, kwamen haar voor een woud te zijn
van reusachtige planten uit eene andere wereld, en het was haar
als stroomden uit die bloemkapiteelen, die het gewelf droegen,
wierookgeuren, die hare door vasten en door innerlijke gejaagdheid
prikkelbare zintuigen benevelden.
Zij hield de oogen ten hemel gericht en de armen over de borst
gekruist, terwijl zij de groote hal doorliep, om met langzame schreden
eene kleinere en lagere zaal te naderen, op welken stikdonkeren
achtergrond een voorhangsel van zware, kostbare stof de koperen deur
van het Allerheiligste bedekte.
Het was ook haar verboden deze gewijde plaats te betreden. Doch
heden gevoelde zij zich zoo geheel vervuld van smachtend verlangen
naar den bijstand van den god, dat zij het Allerheiligste naderde,
ondanks het strenge gebod om daarvan verre verwijderd te blijven,
dat zij nog nooit had overtreden. Vol vromen eerbied boog zij zich ter
aarde naast de poort van het heilig vertrek en dook weg in een hoek,
die een vooruitstekende pijler met den achterwand van de zaal vormde.
De innige behoefte, om buiten ons eene macht te zoeken, die ons
levenslot bestuurt, is ieder volk, elken mensch eigen; ja, zij behoort
even stellig tot het wezen van ieder redelijk schepsel, wie hij ook
zijn moge, als de drang om naar de oorzaken te vragen, wanneer wij
zekere werkingen waarnemen; als de lust om te zien, wanneer het licht
de aarde beschijnt, of om te hooren, wanneer de trillende golven
der tonen ons oor bereiken. Ongetwijfeld bezitten alle menschen dit
godsdienstig gevoel niet in dezelfde mate, gelijk dit met elke gave
het geval is. Bij Klea was het van nature zeer sterk, en eene vrome
moeder had het bovendien door leering en voorbeeld ontwikkeld, terwijl
haar vader haar altijd maar éen ding geleerd had, namelijk oprecht
te zijn, onverbiddelijk oprecht voor anderen zoowel als voor zichzelve.
Op later leeftijd hield zij zich dagelijks bezig met den dienst in
den tempel van den god, dien zij voor den grootsten en machtigsten
onder alle goddelijke wezens had leeren houden. Dikwijls had zij
uit de verte gezien, hoe het voorhangsel van het sanctuarium op
zijde werd geschoven; hoe het beeld van Serapis met den kalathos
[6] op het hoofd en den Cerberus aan zijne voeten in de schemering
van het Allerheiligste zichtbaar werd; hoe een lichtstraal, die
als door een wonder uit de duisternis te voorschijn kwam, hem langs
het voorhoofd streek en den mond kuste, wanneer de priesters zijne
goedheid in hunne liederen prezen. Bij andere gelegenheden werden er
opeens lichten ontstoken aan de zijden van de godheid, of gingen zij
even plotseling vanzelf weder uit.
Zoo gaarne vereerde zij dan den grooten hemelheer, die na elke zon die
onderging eene nieuwe liet verrijzen; die het leven wekte uit den dood;
die den afgestorvene opwekte en tot goddelijke waardigheid verhief,
als hij op aarde de waarheid had gehuldigd en waarachtig bevonden
werd voor zijne rechters in de andere wereld. Boven elke andere deugd
beloonde Serapis de waarheid, die haar vader haar geleerd had lief
te hebben, en als het hoogste levensgoed in waarde te houden. Met de
waarheid woog de god de harten. En zoo dikwijls Klea zich zijn beeld
voorstelde in menschelijke gedaante, droeg hij de ernstige en zachte
trekken haars vaders, meende zij hem te hooren spreken met de woorden
van den man, aan wien zij het leven dankte, die haar zoo vroeg was
ontnomen, die zooveel had geleden om den wille zijner gerechtigheid,
en uit wiens mond zij nooit een woord had vernomen, dat niet den god
zelven waardig geweest zou zijn.
Zij gevoelde zich zoowel in de nabijheid van haren vader als van
Serapis, toen zij, dicht in dien donkeren hoek van het Allerheiligste
weggedoken, zichzelve zonder verschooning aanklaagde, dat onreine
wenschen haar hart hadden bewogen, en dat zij onoprecht was geweest
tegen zichzelve, onoprecht tegen Irene, ja dat zij, als het haar
niet gelukte het beeld van den Romein uit hare ziel te rukken,
gedwongen zou zijn hare zuster voor te liegen, of het onschuldig en
zorgeloos gemoed te verontrusten van het licht beweeglijke kind,
dat zij gewoon was als eene moeder met raad en hulp ter zijde te
staan. Terwijl haar het schijnbaar lichte zwaar drukte, wist Irene
het ernstige en zwaarwichtige zonder moeite van zich af te zetten,
als ware het zoo licht als een veder. Zij was als vochtige klei,
waarin zelfs de fijne pootjes van den vlinder een spoor achterlaten,
hare zuster als een spiegel, waarop de nederslag, die de oppervlakte
benevelt, spoedig geheel verdwijnt.
"Groote god," prevelde zij biddende, "ik ben te moede, als had de
Romein een brandmerk diep in mijne ziel gedrukt. Help gij mij nu
de sporen ervan uit te wisschen; help mij, opdat ik weder worde als
weleer, opdat ik wederom rein en open, zonder veinzen, Irene in de
oogen kan zien; help mij, opdat ik, gelijk voorheen, tot mijzelve
durf zeggen: ik heb zoo gedacht en gehandeld, dat mijn vader zich
zou verheugen, als hij het vernemen kon."
Terwijl zij zoo bad, werd Klea in hare godsdienstige overpeinzingen
gestoord door de schreden en de stemmen van twee mannen, die het
Allerheiligste naderden. Plotseling kwam zij tot het volle bewustzijn,
dat zij hier toefde op eene verbodene plaats, dat men haar streng
zou straffen, wanneer men haar hier ontdekte.
"Sluit de deur daar!" fluisterde éen van hen die naderden zijn metgezel
toe, en wees op de poort, die uit de zuilenhal toegang verleende tot
den prosekos [7], "want ook van de ingewijden, behoeft niemand te zien,
wat gij hier voor ons verrichten zult..."
Klea herkende de stem van den opperpriester, en begreep dat zij te
voorschijn komen en vergiffenis vragen moest, doch hoewel het haar
anders niet aan moed ontbrak, zoo deed zij dit toch niet, maar kroop
nog dieper in haar schuilhoek, die in volslagen duisternis werd gehuld,
nadat de metalen deur van de zaal zonder vensters, waarin zij zich
bevond, gesloten was. Zij nam vervolgens waar, hoe men het voorhangsel
wegschoof en de deuren opende, die het sanctuarium afsloten; hoorde
hoe men den vuurboor draaide; zag eene schemering van licht uit het
heiligdom te voorschijn komen en vernam daarna hamerslagen en het
strijken van vijlen.
Het stille Allerheiligste was eene smidswerkplaats geworden, maar
hoe luid het daar ook toeging, toch scheen het Klea toe, dat haar
hart nog luider klopte dan het metalen werktuig van Krates, een der
oudste priesters van Serapis, die het toezicht had over de heilige
gereedschappen. Deze was gewoon met niemand dan met den opperpriester
te spreken, en beroemd ook onder zijn Grieksche landgenooten, omdat
hij de kunst verstond gebroken metalen vaatwerk te herstellen,
stevige sloten te vervaardigen en zilver en goud te smeden.
Toen de zusters voor vijf jaren in den tempel kwamen, was Irene erg
bang geweest voor dezen kleinen dwerg met zijne breede schouders en
scherp uitstekende beenderen, wiens rimpelig gelaat wel van kurk
scheen te zijn, en die eene pijnlijke ziekte had in zijne voeten,
zoodat hij vaak niet loopen kon. De smid had zich hierover niet boos
maar recht vroolijk gemaakt, want zoo dikwijls hij het toen elfjarig
kind tegenkwam, trok hij zijn bovenlip op tegen den vuurrooden neus,
verdraaide zijne oogen en grijnsde afschuwelijk, om den angst, dien
hij de kleine aanjoeg, nog te vermeerderen. Hij was van nature niet
boos, maar hij bezat noch vrouw noch kind, geen broeders of zusters
of vrienden, en ieder menschenkind begeert zoo vurig, dat anderen
iets voor hem voelen zullen, dat velen liever gevreesd worden, dan
dat men geen acht op hen slaat.
Nadat Irene haar angst voor den oude had overwonnen, verzocht zij
menigmaal den man, dien alle andere tempelbewoners voor stroef en
ongenaakbaar hielden, op de haar eigene vleiende manier, waarmede zij
de harten wist te veroveren, om nog eens een gezicht voor haar te
trekken. Dat deed hij dan ook en lachte, als de kleine wederom tot
haar eigen plezier en tot het zijne bang werd en het op een loopen
zette. Toen Irene weinige dagen geleden haar kamer moest houden, omdat
zij haar voet had bezeerd, gebeurde wat men voor onmogelijk zou hebben
gehouden. Hij vroeg Klea vol deelneming, waar hare zuster toch bleef,
en gaf haar een koek voor het meisje.
Terwijl Krates arbeidde, werd er geen woord tusschen hem en den
opperpriester gewisseld. Thans legde hij den hamer neder en zeide:
"Ik houd niet van zulk soort werk, maar dit is toch gelukt, zou ik
meenen. Ieder achter het altaar verborgen tempeldienaar kan thans
de lichten uitblusschen en aansteken, zonder dat zelfs de slimste
in staat is het bedrog op te merken. Plaats u nu bij de deur van de
groote zaal en spreek het woord."
Klea hoorde hoe de opperpriester aan dezen wensch gehoor gaf en op
zingenden toon riep: "En zoo gebiedt hij den nacht en het wordt dag,
en de uitgedoofde kaars, en zij licht met glans. Wanneer gij ons ooit
nabij zijt, Serapis, zoo vertoon u thans aan ons!"
Een heldere lichtstroom kwam na deze woorden uit het sanctuarium te
voorschijn, maar verdween plotseling, toen de opperpriester zong:
"Zoo vertoont gij u als het licht voor de kinderen der waarheid,
maar de kinderen van den leugen straft gij met duisternis."
"Nog eens?" vroeg Krates, op den toon van iemand die wenscht, dat
het antwoord ontkennend zal luiden.
"Ik verzoek u het andermaal te doen," antwoordde de
opperpriester. "Zóo, ditmaal gelukte het spel nog beter dan zoo
even. Ik was vooraf zeker van uw kunst, doch vergeet niet, waarop het
hier vooral aankomt. De beide koningen en de koningin zullen misschien
het feest bijwonen, Philometor en Kleopatra in elk geval, en zij
hebben de oogen goed open. Bovendien zal de Romein, die nu reeds voor
de vierde maal aan de processie deelnam, hen begeleiden, en wanneer
ik hem juist beoordeel, dan behoort hij, gelijk zooveel grooten van
zijn volk, tot dezulken, die zich weinig om anderen bekommeren, als
het noodig is zich met de oude goden tevreden te stellen, en die de
wonderen welke wij hun kunnen vertoonen, niet zoomaar op goed geloof
aannemen, maar aan eene nuchtere kritiek onderwerpen. Lieden van dit
slag, die zich schamen niet te bidden, die echter niet philosopheeren,
maar juist zooveel nadenken als noodig is om goed te handelen, dat
zijn de gevaarlijkste vijanden van het bovenzinlijke."
"En de natuuronderzoekers dan in het museum?" vroeg Krates: "Zij
gelooven slechts aan de werkelijkheid van hetgeen zij zien en tasten
kunnen."
"Daarom zijn juist zij," antwoordde de opperpriester, "dikwijls zeer
gemakkelijk door uwe kunst te misleiden. Daar zij toch eene werking
zien zonder oorzaken, zijn zij te eer geneigd de niet waarneembare
oorzaken voor bovenzinnelijk te houden. Doe thans de deuren weder
open, laten wij door het zijpoortje naar buiten gaan en neem gijzelf
ditmaal de taak op u Serapis een handje te helpen. Bedenk wel, dat
Philometor alleen dan de akkerschenking zal bekrachtigen, wanneer hij,
bij het verlaten van den tempel, diep doordrongen is van de grootheid
van onzen god. Zou het mogelijk zijn vóor den verjaardag van koning
Euergetes, die in Memphis gevierd zal worden, het nieuwe wierookvat
gereed te hebben?"
"Wij zullen zien," gaf Krates ten antwoord. "Eerst moet ik echter
het slot van de groote poort van het Apis-graf in elkaar zetten,
want zoolang ik het in mijne werkplaats bij mij heb, kan ieder den
grafkelder openen, die eene pen door het gat boven den grendel steekt,
en ieder dien sluiten, die de ijzeren bouten verschuift. Laat mij
maar roepen, alvorens het spel met de lichten begint; ondanks mijne
ellendige voeten, zal ik komen. Omdat ik deze zaak nu eens op mij
genomen heb, en daarom alleen, zal ik haar voleindigen, doch ik zou
meenen, dat ook zonder zulke bedrieglijke middelen...."
"Wij bedriegen niet," zeide de opperpriester, zijn medehelper streng
berispende. "Wij geven alleen kortzichtigen menschenkinderen in
bevattelijken, zinnelijk waarneembaren vorm het leven en werken der
godheid te aanschouwen."
Na deze woorden keerde de trotsche man den smid den rug toe, en
verliet door eene zijpoort de zaal. Krates opende echter de ijzeren
deur en sprak, terwijl hij zijne werktuigen bijeenzocht, zoo luid
in zichzelven, dat Klea het in haar schuilhoek duidelijk verstond:
"'t Kan mij niet schelen, maar bedrog is bedrog, hetzij een god een
koning, of een kind een bedelaar bedriegt."
"Bedrog is bedrog," zeide Klea den smid na, en trad, nadat de laatste
het vertrek had verlaten, uit haar schuilhoek te voorschijn. Zij
bleef staan in de groote voorzaal en zag in het rond. Voor de eerste
maal merkte zij op, dat de kleuren op den wand hier en daar waren
verdwenen, dat de zuilen in den loop der tijden veel hadden geleden,
en dat de tegels van den vloer losgeraakt waren. De geur van den
wierook had thans voor haar iets walglijk zoets, en toen zij een ouden
man voorbijging, die met de grootste geestdrift biddende zijne armen
omhoog hief, zag zij met een blik van medelijden op hem neder.
Toen zij de pylonen [8] was doorgegaan, die het eigenlijk heiligdom
afsloten, keerde zij zich om en schudde, terwijl zij er op terugzag,
verwonderd het hoofd. Voorzeker, zij wist dat sedert een uur geen
steen aan den Serapis-tempel veranderd was, en toch scheen hij haar
even vreemd toe als het landschap, dat wij in lentetooi leerden kennen,
en in den winter met ontbladerde boomen wederzien; evenzeer veranderd
als een vrouwelijk gelaat, dat wij onder den sluier, die het bedekte,
voor schoon hielden, en dat ons, ontdaan van dit hulsel, blijkt vol
rimpels en zonder eenige aanvalligheid te zijn.
Zoodra zij het woord van den smid "bedrog is bedrog" vernam, ontwaarde
zij een pijnlijk gevoel in hare borst, en was zij niet in staat de
tranen tegen te houden, die opwelden in hare oogen, anders aan weenen
weinig gewoon. Maar zoodra zij met hare eigene lippen het harde oordeel
van den ouden Krates had nagezegd, waren hare tranen opgedroogd, en nu
zij in opgewonden stemming den tempel overzag, evenals een wandelaar
die van een goeden vriend afscheid neemt, haalde zij vrijer adem,
richtte zich hooger op en keerde het heiligdom van Serapis, met een
gewond hart maar trotsch, den rug toe.
Bij de woning van den deurwachter kwam haar een kind te gemoet,
waggelende op zijne voetjes en met de armpjes in de hoogte. Zij
hief het van den grond op, kuste het en vroeg daarna de moeder, die
haar kwam groeten, om een stukje brood, want de honger begon haar
nu gevoelig te kwellen. Terwijl zij het droge baksel opat, bleef het
kind op haar schoot zitten, en volgde met groote oogen de bewegingen
van hare hand en haren mond. Het was een knaapje van ongeveer vijf
jaren, met zulke zwakke beentjes, dat zij den last van zijn lichaam
nauwelijks konden dragen, maar met een allerliefst gezichtje. Het
ventje zag er bijzonder wezenloos uit, alleen als de kleine Philo
Klea zag aankomen, begonnen zijne oogjes van vreugde te flonkeren.
"Neem deze melk," zeide de moeder van het knaapje, terwijl zij de
jonkvrouw een aarden schaaltje overhandigde, "al is het niet veel,
en ook dit zou ik u zelfs niet kunnen aanbieden, als Philo eten wilde
gelijk andere kinderen. Maar het schijnt dat het slikken hem pijn
doet, hij drinkt twee druppels en eet een hapje; meer gebruikt hij
echter niet, of men moet hem klappen geven."
"Gij hebt hem toch niet weder geslagen?" vroeg Klea verwijtend,
en drukte het kind aan haren boezem.
"Ik niet, maar mijn man," antwoordde de vrouw, terwijl zij verlegen
aan haar kleed trok. "Het kind is op een gunstigen dag en in eene
goede ure geboren, en toch blijft het zwak en leert niet praten. En
dat ergert Phianchi."
"Hij zal alles weder bederven!" zeide Klea ontevreden. "Waar is hij?"
"Hij werd in den tempel geroepen."
"Doet het hem dan geen plezier, dat Philo 'vader' tegen hem zegt, en
'moeder' tegen u, dat hij mij bij den naam noemt en velerlei dingen
weet te onderscheiden?" vroeg het meisje.
"O zeker," antwoordde de vrouw. "Hij zegt, dat gij het jongske praten
leert als een spreeuw, en wij zijn u daarvoor dankbaar."
"Ik vraag geen dank," haastte Klea zich te zeggen, "maar hetgeen ik
verlang is, dat gij den jongen niet scheldt en straft, maar dat ge u
met mij verheugt wanneer gij ziet, dat zijn arme sluimerende geest
langzaam ontwaakt. Als het zoo met hem voortgaat, zal het lieve
kereltje nog eens recht verstandig worden.--Hoe heet ik, mijn jongen?"
"Ke-ea," antwoordde de kleine, terwijl hij zijne vriendin toelachte.
"En proef nu eens, wat ik hier in de hand heb. Wat is dat? Ik kan wel
zien dat gij het weet. Het heet--nu fluister het mij maar zacht in
het oor.--Ja, ja, zoo is 't, me-mel-melk, juist zoo, mijn jongen! Het
is melk en zóo heet het. Doe nu je bekje eens open en zeg het mij
vlug na--nog eens, en nog eens weder. Als je het twaalfmaal goed
gezegd hebt, geef ik je een kus.--Zie zoo, nu hebt ge ook het kusje
verdiend. Ik geef je er hier een en daar een.--Hoe heet dat dingetje
daar? Je o--? Je oor! Ja zoo is het goed,--en dat is je neus."
De oogjes van het kind helderden onder deze vriendelijke les al meer en
meer op. Klea zoo min als haar kleine leerling werden het moede, tot
dat, na verloop van een uur, het geluid van den slag op het koperen
bekken, dat lang naklonk, haar wegriep. Toen zij wilde heengaan
waggelde de kleine haar pruilend achterna. Doch zij nam het jongske
op den arm, droeg het weder naar zijne moeder, en ging daarop naar
hare kamer, om zichzelve en hare zuster voor den optocht te kleeden.
Op den weg naar het pastophorium dacht zij weder aan haren gang naar
den tempel en aan haar gebed. "Vóor het sanctuarium," zeide zij tot
zichzelve, "mocht het mij niet gelukken mijne ziel te bevrijden van
hetgeen haar verontrustte, maar wel toen ik mijn best deed, om het
tongetje van den armen jongen los te maken. Elke reine plaats, zou ik
meenen, kan een god zich ten heiligdom kiezen, en is eene kinderziel
niet reiner dan een altaar, waarbij de waarheid wordt gehoond?"
In hare kamer trad Irene haar te gemoet. Deze had het haar reeds
opgemaakt, den granaatbloesem daarin gestoken, en vroeg Klea thans,
of zij haar zoo beviel.
"Gij ziet er uit als Aphrodite zelve," antwoordde Klea, en gaf haar een
kus op het voorhoofd. Vervolgens schikte zij de plooien in het gewaad
harer zuster, maakte hare sieraden vast, en begon ook zichzelve aan
te kleeden. Terwijl zij hare sandalen vaster aanhaalde, vroeg Irene:
"Waarom zucht gij zoo pijnlijk?" en Klea antwoordde: "Het is mij als
hadden ze mij heden andermaal van mijne ouders beroofd."