Hoe de jongens in de zestiende eeuw krakeelden en vochten, gelijk in
de negentiende.
Gij kent waarschijnlijk allen, mijn jonge vrienden! althans in
de hoofdtrekken--of 't zou wel schande wezen--de geschiedenis van
't beroemde beleg van Leiden. Immers, waar van den opstand onzer
voorvaderen tegen Spanje gesproken of geschreven wordt, daar vergeet
men niet, melding te maken van de standvastigheid, waarmede de Leidsche
burgers, maanden achtereen, niet alleen tegen den vijand, maar ook,
wat nog bezwaarlijker was, tegen hongersnood, pestziekte, gebrek,
verraad, verleiding en tweespalt kampten. Daar ik alzoo onderstel,
dat u de voornaamste bijzonderheden van dat beleg bekend zijn, is
het geenszins mijn plan, u hier te herhalen, wat gij elders beter en
breedvoeriger lezen kunt, maar wil ik u enkel eenige schetsen leveren,
waarin ik knapen opvoer nog van jeugdigen leeftijd evenals gij, doch
die ter gelegenheid van dat beleg geene geheel onbelangrijke rollen
speelden. Ik vlei mij, dat gij, wat ik u omtrent hen heb mede te
deelen, niet zonder genoegen en nut zult lezen. Vooraf echter moet ik
u waarschuwen, dat ofschoon mijn verhaal, wat de hoofdzaken betreft,
niet van de historische waarheid zal afwijken, ik echter enkele
omstandigheden van luttel gewicht uit mijn verbeelding heb bijgebracht,
om daardoor aan mijn vertelling meer kleur en ronding te geven:--waarom
ik u dan ook aanraad, later bij onze geschiedschrijvers of bij
voorbeeld in het belangrijke boekje, getiteld: Leidens belegering en
ontzet in 1573 en 1574 (te Leiden bij D. Noothoven Van Goor, 1853)
de geschiedenis nog eens aandachtig na te lezen: gij zult dan vanzelf
gewaar worden, wat in mijn vertelling waar is, en wat waar kon wezen.
Het was op Maandag den 23sten Juni 1572, dat de stad Leiden de zijde
van den Prins van Oranje gekozen en den Hertog van Alva tot vijand
verklaard had. Hoewel zulks zonder merkbare opschudding had plaats
gehad, waren er echter hier en daar eenige baldadigheden aan kerken,
kloosters en geestelijke gestichten bedreven, die natuurlijk den wrevel
en 't misnoegen der Roomschgezinde ingezetenen hadden opgewekt. De
Overheid, begrijpende, dat alleen eensgezindheid onder de burgers
in staat was, de stad tegen den algemeenen vijand te beschermen,
vaardigde hierom een publicatie uit, waarbij zij hen tot eendracht
maande en de zoodanigen met straf bedreigde, die iets verrichtten wat
de goede harmonie en orde konde storen. Doch hoe wijs en verstandig
zulk een maatregel ook wezen mocht, en hoezeer hij belette, dat de
burgers eenige dadelijkheden tegen elkander bedreven, hij kon niet
verhinderen, dat zij, die in politieke en godsdienstige denkwijze
van elkander verschilden, elkander met den nek bleven aanzien en er
nu en dan ergerlijke tooneelen plaats hadden.
Tusschen de volwassenen bepaalde zich dit echter bij woorden, maar niet
alzoo tusschen de jonge knapen. De kinderen van die dagen, zelfs die
van deftigen huize, leefden meer op straat dan tegenwoordig plaats
heeft, en zoo waren zij veel meer in de gelegenheid elkander ieder
oogenblik te ontmoeten. Nu scholden de knapen, wier ouders de Hervormde
leer waren toegedaan, de zoons van Roomsch-Katholieke ouders voor
Papisten en Kardinalisten (aanhangers van den Kardinaal Granvelle),
en wederkeerig gaven de laatstgenoemden aan de andersdenkenden den
scheldnaam van Geuzen. Van woorden kwam men niet zelden tot daden:
en menige jongen kwam thuis met een blauw oog, een bebloeden neus of
een buil in den kop, met eenige vlokken haar minder op 't hoofd en
eenige gaten of scheuren meer in zijn wambuis of broek: ja 't liep
zoo grof, dat men zich aan weerskanten tot partijen vormde, tusschen
welke eerlang regelmatige gevechten plaats hadden, waarin nu de eene,
dan de andere zijde het onderspit dolf.
Dat was zeer verkeerd, elkander dus uit te jouwen en te slaan, omdat
men tot een verschillend kerkgenootschap behoorde. Doch ik wil er die
knapen niet hard over vallen, immers zij leefden in een tijd, toen
de strijd over geloofspunten schier overal de lieden tegen elkander
in 't harnas had gejaagd: toen de Hervormden aan de Roomschgezinden
verweten dat dezen hun geloof door brandstapels en schavotten wilden
doen zegevieren, en de Roomschgezinden wederkeerig aan de Hervormden,
dat dezen zich niet ontzagen kerken en kloosters te verwoesten en
onschuldige priesters en nonnen te mishandelen.
Nu zegt het spreekwoord:
Als de ouden zongen,
Zoo piepen de jongen,
en dat spreekwoord was ook hier bewaarheid geworden.
Wanneer menschen, groot of klein, zich tot het een of ander doel
vereenigen, dan kiezen zij zich doorgaans een of meer hoofden
of leidslieden: en zoo hadden zich ook weldra de beide vechtende
partijen elk een aanvoerder gekozen: de Roomschgezinde jongens zekeren
Gijsbrecht Korneliszoon Schaeck, een dikken, stevigen krullebol, zwart
van haar en wenkbrauwen, met een breeden platten neus, een frissche
gezonde kleur, een wijden mond, van hagelwitte tanden voorzien, en een
paar groote heldere, vroolijke blauwe oogen:--de Protestanten zekeren
Willem Aelbrechtz Berkheij, of Barkeij, een knaap, wiens ouders van
Schotsche afkomst waren. Deze knaap had wit blond haar en lichtbruine
oogen: zijne trekken waren regelmatig en fijn, en, hoezeer zijn gelaat
mager en bleek, ja eenigszins van de kinderziekte geschonden was,
had hij over 't geheel een innemend voorkomen. Beide knapen waren
ongeveer van gelijken leeftijd, tusschen de veertien en vijftien jaar;
Schaeck muntte meer uit door lichaamskracht en kloekheid; Berkheij
door behendige vlugheid en schrander overleg. Schaeck was een bol in
't kaatsen en kegelen; Berkheij had zijn gelijke niet in 't knikkeren
en balgooien. Schaeck was sterk als een stier en wist stompen en
stooten te geven, die iemand omver deden tuimelen; Berkheij was glad
als een aal en volleerd in de kunst van zijn weerpartij 't beentje
te lichten. Nu ging er bijna geen dag om, of de twee partijen waren
handgemeen, en hunne ouders, in stede van zulks te verbieden, lieten
hun stil hun gang gaan, zoo zij hun dwaasheid niet nog aanmoedigden.
Van de groote kloppartij bij de Pieterskerk.
Eens, in 't laatst van Augustus van datzelfde jaar 1573, stond Schaeck
weder met een hoop jongens op het plein bij de Pieterskerk, toen hij
van verre Berkheij en de zijnen langs de Kloksteeg naderen zag.
"Past op, jongens!" riep hij: "daar is dat Geuzenvolkje weer: dezen
keer zullen zij den dans niet ontspringen.--Hier Olfert! gij met drie
jongens achter de kerk: gij, Piet Pietersz. met drie anderen ginds
om den hoek achter 't Begijnhof, ik blijf hen met de overigen hier
afwachten: wij trekken samen terug: zij vervolgen ons, en als zij
voorbij zijn, dan springt gij van weerszijden uit uwe schuilhoeken
voor den dag en toffelt hen op den rug, dat zij voorover buitelen."
Aan het bevel werd gehoorzaamd: de beide toegesproken knapen met hun
makkers begaven zich in de hun aangewezen hinderlagen: en Schaeck,
de overigen om zich heen houdende, veinsde met hen in een diep gesprek
te zijn en den naderenden vijand niet te bemerken.
De krijgsmanoeuvre, hoeveel eer zij deed aan de tactiek van
den bevelhebber, was echter niet zoo vlug in haar werk gegaan,
of Berkheij had er van verre iets van bespeurd en terstond van zijne
zijde besloten, daarvan partij te trekken ten zijnen eigenen voordeele
en ten verderve van den vijand. Zijn oogmerk met één woord aan zijne
kameraden bekend gemaakt hebbende, trad hij bedaard vooruit; doch
nauwelijks was hij op de hoogte van 't Begijnhof, of, in plaats van
op Schaeck aan te vallen, zwenkte hij met zijn geheele bende rechts,
stormde den hoek van 't Begijnhof om, en trok daar Piet Pietersz.,
eer deze 't verhoeden kon, de beide beenen van onder 't lijf weg,
zoodat de arme jongen op een alles behalve zachte wijze achterover
rolde, terwijl zijn drie makkers door die van Berkheij deerlijk werden
toegetakeld en zoogoed als buiten 't gevecht gesteld.
"Weergasche Geuzen!" riep Schaeck, die inmiddels tot ontzet der zijnen
aansnelde: "dat zult gij mij betaald zetten," en onder 't uitspreken
dezer woorden deelde hij rechts en links stompen uit, ten gevolge
waarvan een zijner weerpartijders met bebloeden neus van het slagveld
terugweek, en een ander, die een vuiststoot in de maag ontvangen had,
langen tijd vruchteloos naar zijn adem hijgde. Berkheij, nederduikende,
sloeg den arm om de knie van Schaeck, met oogmerk om hem van de baan
te lichten; doch de andere pakte hem zoo geweldig bij den strot, dat
hij het been moest loslaten en zijne handen gebruiken om zich van den
greep zijns vijands vrij te maken. Intusschen was de strijd algemeen
geworden: en er waren al verscheidene oogen blauw en verscheidene
wambuizen gescheurd, toen iemand, wiens tusschenkomst niet verwacht
noch voorzien werd, zich in den strijd kwam mengen. Het was een deftig,
welgekleed heer, wiens voorkomen den aanzienlijken burger, en, meer
nog den kloeken en welberaden man verkondigde. Met een zijner vrienden
van achter de kerk omkomende, had hij het gevecht nauwelijks gezien,
of, begrijpende dat het onnut ware hier woorden of bedreigingen
te verspillen, trad hij toe en trommelde de vechtende knapen met
zijn rotting zoo geducht op de knokkels of op den rug, dat zij huns
ondanks wel moesten uitscheiden. Zijn medgezel volgde dit voorbeeld
en weldra waren al de vechtenden rechts en links teruggestoven, en
bleven alleen Schaeck en Berkheij nog over, die beiden met bebloed
gelaat en vaneengereten kleederen op den grond lagen te worstelen en
het niet schenen te willen opgeven.
"Schaamt gij u niet?" vroeg de onbekende, hen met geweld van elkander
rukkende: "is dit manier van doen tusschen Leidsche jongens onder
elkander? Komt! staat spoedig op, en geeft elkaar de hand."
"Hij scheldt mij voor Geus uit," bracht Berkheij al hijgende en
stotterende uit.
"En gij hem voor Papist," zeide de vreemde heer: "dat weten wij
al lang. Maar dat is nu juist wat de Heeren van de Regeering niet
hebben willen. Aan dat uitschelden moet een einde komen en niemand
mag om zijn geloof gemolesteerd worden. Komt! geeft elkander geen
namen meer; gij zijt immers allen brave jongens onder mekaar. Geeft
elkander liever de hand en laat het uit zijn."
Berkheij voldeed, hoewel schoorvoetende, aan de uitnoodiging; doch
Schaeck keerde zich wrevelig om, en al mompelende, dat de "menheir"
goed spreken had en zeker zelf waarschijnlijk wel een Geus was,
droop hij knorrig af. Het gevecht werd toen echter niet hervat, en
evenmin de volgende dagen, vermits er op den 30sten dierzelfde maand,
ten gevolge der dringende vertoogen, door dien zelfden vreemden
heer bij de Regeering gedaan, een publicatie verscheen, waarbij
die straatgevechten verboden werden op een boete van drie gulden
voor ieder jongen, door de ouders of opzichters te betalen; terwijl
wie geen geld had, op water en brood gezet zou worden. Dit werkte;
want noch de ouders van Schaeck, noch die van Berkheij, noch die van
Olfert of Piet Pietersz. waren lieden, wien 't erg zou geschikt hebben,
om den wille hunner baldadige jongens drie gulden boete te betalen;
waarom zij hun dan ook het vechten wel streng verboden;--maar met
dat al was tusschen de knapen de wrevel niet geweken en meermalen
had men Schaeck hooren zeggen, dat borgen geen kwijtschelden was,
en dat hij zijn leed nog eens geducht op Berkheij zou wreken.
Waar het koekhakken al toe leiden kan, en hoe Schaeck wraak nam
van Berkheij.
Niet lang na het gebeurde was Haarlem door de troepen van Alva
belegerd geworden en dit had aanleiding gegeven, dat er bezetting
in Leiden gelegd werd. Zoo was op 8 October de Heer Van Assendelft
met een vendel aldaar gekomen, die op 3 Februari 1573 door Jonkheer
Jacob Van Egmond vervangen werd. De krijgsknechten in die dagen waren
gewoonlijk vergezeld van een hoop zoetelaars, vrouwen en knapen,
allen tot den tros of trein behoorende en bestemd om den soldaten
onderscheidene diensten te bewijzen. Er bestond in die dagen nog in
't algemeen weinig krijgstucht; maar vooral was dit het geval met
de zoogenaamde huursoldaten. Dezen waren doorgaans niet veel meer
dan een samenraapsel van ongebonden gelukzoekers, die schrale soldij
bekwamen en ten koste van vriend en vijand teerden. Maar waren zij
overal, waar zij zich vertoonden, een plaag en een last voor burgers
en boeren, nog bonter maakten zij het, die tot den tros behoorden, en
dit was te Leiden ook het geval:--zoodat er door de Magistraat aldaar
meer dan eene publicatie werd uitgevaardigd om de vrouwen en kinderen
van de uitheemsche soldaten te weren. Dat er tusschen die trosknapen
en de Leidsche jongens ook nu en dan vechtpartijen ontstonden zal
men licht beseffen, en dit had ten gevolge, dat de publicatie van
30 Augustus, waarvan hierboven gesproken is, den 18den Februari
1573 moest worden hernieuwd; terwijl bij publicatie van 21 Maart
door het Bestuur nogmaals een besluit werd afgekondigd, waarbij aan
alle soldaten-vrouwen en jongens gelast werd, de stad te verlaten,
op veertien knapen na, die tot de dienst der Fransche Kapiteins
Androssy en Chevalier en des Graven Baselot werden uitgezonderd.
Eens--het was nu in 't laatst der maand Mei--gebeurde het, dat onze
vriend Schaeck zich met zijn trouwe makkers Olfert en Pietersz. naar
de Hoogewoerd begaf (waar sedert de komst der bezetting voortdurend
kramen stonden met koek en krakelingen), ten einde aldaar zich
met koekhakken te vermaken. Dan nauwelijks waren zij in 't gezicht
van het einddoel hunner wandeling gekomen, of zij bespeurden reeds
dat aldaar iets buitengewoons, waarschijnlijk weer een vechtpartij
plaats had. 't Was toen evenals heden: is er ergens een standje,
dan moeten de jongens er bij zijn: en zoo draafden ook Schaeck
en zijn vrienden, zoo hard als hun holsblokken het maar toelieten,
naar de koekkramen toe. Hoezeer zij al nader en nader bijkwamen, viel
het hun echter moeilijk te onderscheiden wat er eigenlijk gaande was,
want er stond een kring soldaten en leegloopers om de vechtenden heen;
doch eindelijk ontwaarden zij dat het twee vechtende jongens waren,
waarvan de nederliggende, de kleinste van de twee, deerlijk door den
grootste geslagen werd. De omstanders lachten of keken onverschillig,
en er was niemand, die er aan dacht de vechtenden te scheiden.
"Foei!" zeide Schaeck, toen hij bespeurde wat er gaande was, "is dat
niet een schandaal, dat de grootste den kleinste slaat?"
"Laat hem maar begaan," zeide Olfert, zijn handen wrijvende: "zie
je niet, wie het is, die daar zijn vet krijgt, 't is Berkheij, nu,
dat heeft hij lang verdiend."
"Om 't even," zeide Schaeck: "Berkheij moge een Geus zijn, 't is
in allen gevalle een Leidsche jongen, en die andere is een vreemde
trosknaap, dus, ik trek voor de Leidenaars partij." En meteen door de
omstanders heendringende, sprong hij op de twistenden toe, en pakte
den vreemden trosknaap bij den kraag.
"Hei daar!" riep hij: "laat dien jongen los: je ziet immers, dat het
je portuur niet is."
"Dank je, Schaeck!" zeide Berkheij: "zonder jou ging die vervloekte
Waal mij wurgen."
De trosknaap, een lange, vijftienjarige, sterkgespierde jongen, die,
bij 't leger opgevoed, boven de Leidsche knapen het voordeel had
van in de scherm- en vechtkunst wel geoefend te zijn, trad met een
grimmigen blik op Schaeck toe.
"Dat zul je mij betaald zetten," zeide hij: "waar bemoeit gij je
mee?" En meteen hief hij zijn arm op en bracht Schaeck een slag toe,
die hem zou nedergeveld hebben, doch die nu, daar de andere even
bukte, alleen het gevolg had, dat die hem de muts van den kop deed
vliegen; hij ontving echter van dezen een stomp terug die ook niet
mis was, en nu gingen zij voort met elkander stompen en slagen toe
te dienen. De vreemde knaap had, als ik zooeven zeide, het voordeel
van meer geoefend te zijn, doch hij was reeds wat vermoeid door
zijn vorig gevecht, terwijl Schaeck nog frisch en krachtvol was:
't geen de kans meer eenigszins gelijk maakte. De omstanders, verre
van een poging aan te wenden om hen te scheiden, vermaakten zich met
den strijd te aanschouwen, en moedigden zelfs de beide kampvechters
aan: "Braaf zoo, Leeuwtje!" riepen de soldaten: "geef hem van de
korteletten!" [85]--"Pas er op!" schreeuwden de Leidenaars, "laat u
door dien Waal niet overbluffen!" en zoo vochten zij voort alsof een
van beiden er bij moest neervallen.
Maar nu klonk eensklaps een barsche stem:
"Hoe is het? Worden de publicatiën op deze wijze in acht genomen?"
De omstanders zagen om: de burgers weken eerbiedig terug en de
soldaten maakten bedremmeld plaats: een hunner nam den trosknaap bij
de schouders en schoof hem op zijde, terwijl Berkheij, die inmiddels
bekomen was, Schaeck bij de mouw trok en hem influisterde: "Pak u weg,
daar is onze nieuwe Burgemeester."
Schaeck keek op en herkende nu in den nieuwaangekomene denzelfden
heer, die hem nog eens in een vuistgevecht gestoord had, en die
niemand anders was dan de beroemde Pieter Adriaansz., bijgenaamd
Van der Werff, die, na lang rondgezworven te hebben, ten vorigen
jare in zijn geboortestad teruggekomen en nu onlangs (den 17den Mei)
tot Burgemeester benoemd was. Nu wilde Schaeck zich wegmaken; maar
een van de omstanders, die zeker zijn ijver wilde toonen, hield hem
vast en trok hem voor Pieter Adriaansz.
"'t Is goed zoo!" zeide deze tot den burger: "maar gij hadt
beter gedaan hem straks het vechten te beletten, dan hem nu aan te
houden. Waarlijk!" vervolgde hij, den knaap beschouwende, "ik geloof
dat dit niet de eerste keer is, dat ik u zie plukharen.--En waar is
die andere gebleven?"
"Die is hier," zeide een heer, die met den Burgemeester gekomen was,
en den trosknaap had vastgehouden op het oogenblik dat hij ontsnappen
wilde: "bij mijn ziel! een wakkere knaap!" voegde hij er binnensmonds
bij.
"Ik dank u, Hopman!" zeide Pieter Adriaansz.: "Ik zie, dit is hier
weer een twist, uit het koekhakken voortgekomen. 't Is hoog tijd,
dat daartegen gewaakt worde. Hoe is uw naam?" vervolgde hij, zich
tot den trosknaap wendende: "gij zijt niet van hier, geloof ik."
"Ik heet Roelof Arentsz., bijgenaamd 't Leeuwtje," antwoordde de knaap:
"en behoor bij het vendel van den Kapitein Baselot."
"Nu! gij zult nader van mij hooren," hernam de Burgemeester: "ik
heb geen macht om u te straffen; doch ik zal dit aan uw Kapitein
overlaten. En gij"--hier nam hij Schaeck bij den kroeskop en keek
hem vlak in 't aangezicht: "hoe heet gij?"
"Gijsbrecht Korneliszoon Schaeck," antwoordde deze, hem met
vrijmoedigheid aanziende.
"Welnu, Gijsbrecht Korneliszoon Schaeck! dit is de tweede reis dat
ik u met eigen oogen vechten zie, en daar het mij blijkt, dat gij een
verstokte zondaar zijt, zult gij acht dagen op water en brood zitten
op den Gravesteen."
"Mijnheer! dat is niet billijk!" zeide Berkheij, zich plotseling voor
den Burgemeester stellende.
"En waarom is dat niet billijk, jonge spring-in-'t-veld?" vroeg deze,
de wenkbrauwen alles behalve vriendelijk samentrekkende.
"Omdat!" antwoordde Berkheij, "zoo er iemand op water en brood moet
zitten, ik het in dit geval moet wezen; want ik heb eigenlijk met dien
anderen jongen gevochten omdat wij ruzie kregen over 't koekhakken,
en Schaeck is mij komen ontzetten."
"Ja, ja! dat is zoo!" riepen Olfert en Piet Pietersz. ter bevestiging.
"Ei zoo?" zeide Pieter Adriaansz.: "maar mij dunkt.... waart gij
de knaap niet, wien ik verleden zomer vechtende vond met denzelfde,
die u thans te hulp is gekomen?"
"Ja, Heer Burgemeester!" antwoordde Berkheij.
"Juist! Hij wilde u toen de hand niet geven. Zijt gij dan sedert
goede vrienden geworden?"
"Dat juist niet," zeide Schaeck: "maar hij is een Leidsche jongen,
en die andere is een Waal."
"Jou moeders zoon moge een Waal zijn!" riep Roelof Arentsz., bijgenaamd
het Leeuwtje: "mijn moeder was van Leiden, en heeft gediend als
zoetelaarster onder den Graaf van Egmond, wiens ziel bij God is."
"En gij dient nu als trosknecht bij Kapitein Baselot?" vroeg de Hopman,
die den Burgemeester vergezelde;--"en zoudt gij geen zin hebben zelf
de piek te dragen?"
"Dat beloof ik u," antwoordde het Leeuwtje, terwijl zijn oogen
glinsterden.
"Welnu! ik ben de vrij-vechtmeester [86] Andries Allertsz., wien de
Heeren van de stad gecommitteerd hebben, om de namen op te schrijven
van al wie vrijwillig ten dienste der goede stad Leiden de wapenen
opvatten. Ik geloof dat gij aanleg hebt en ik zal aan uw Kapitein
vragen, of hij u aan mij wil overdoen: ik zal zien of ik een goed
soldaat van u maken kan."
"Zeer goed zoo," hernam de Burgemeester: "maar zoo hij een Leidenaar
is, dan moet hij mij ook beloven met de andere Leidsche jongens in
vrede te leven en hun daarop de hand geven; en gijlieden zult onderling
hetzelfde doen," vervolgde hij tot Schaeck en Berkheij, "onder die
voorwaarde alleen zal aan elk uwer de straf worden kwijtgescholden."
De knapen, blijde er zoo af te komen, haastten zich aan het bevel te
voldoen, en dit te gereeder, omdat zij werkelijk geen wrok meer tegen
elkander voedden. Berkheij was aan Schaeck dankbaar voor de hem bewezen
hulp: en deze achtte Berkheij voor zijn edelmoedige tusschenkomst bij
den Burgemeester. Zij werden dan ook van dit oogenblik even trouwe
vrienden als zij vroeger vijanden geweest waren, en hielden eveneens
goede kennis met het Leeuwtje, sedert zij in dezen een stadgenoot
erkenden. Het koekhakken werd bij publicatie verboden.
Maar wat dunkt u van de wraak, die Schaeck genomen had?
Hoe het met het Leeuwtje afliep.
Hopman Allertsz. had zijn woord gestand gedaan, en, met toestemming van
den Waalschen Kapitein, den jongen Arentsz. aangenomen bij het vendel,
dat ter beproeving van het ontzet van Haarlem werd opgericht. Dat
ontzet mislukte, gelijk u bekend is: Haarlem zag zich verplicht, zich
aan den Spanjaard te onderwerpen en billijk konden die van Leiden
verwachten, dat zich de vijand eerlang bij hen voor de poort zoude
vertoonen. De bezetting werd er ook aldra belangrijk vermeerderd, wat
aan de eene zijde den burgers wel eenige gerustheid kon inboezemen,
doch aan de andere zijde nieuwe aanleiding tot gedurige twisten
en krakeelen gaf: zoodat er nieuwe proclamatiën moesten worden
uitgevaardigd, waarbij aan de soldaten op doodstraf verboden werd
baldadigheden te plegen. Eene dier proclamatiën gold wederom de
jongens, aan wie verboden werd, "voortaen eenijghe kouck met bijlen,
houwmessen oft dergelijcke instrumenten te hacken, houwen of slaen,
op verbeurte van heur opperste cleet ten behouven van 's Heeren
dienaers--dat men nochtans" zoo luidde 't verder, "zou mogen lossen
voor VI st., ende sal bovendien de cramer of craemster, die deselve
hackinge off houwinge sal gehengen, telcken van gelijcken verbeuren
VI st. ten behouve als voren."
Intusschen waren de Spanjaards reeds begonnen eenige schansen om
Leiden op te werpen: en in October nam het beleg een aanvang. De
beroemde Juliaan Romero leide zijn troepen in de omliggende dorpen
en trok voorts naar Brabant, het bevel aan Valdez overlatende, die
eerlang de stad nauw insloot.
Welke maatregelen de Regeering van Leiden in deze omstandigheden nam,
om den vijand af te weren, hoe er orde gesteld werd om met de aanwezige
eetwaren toe te komen, hoe er noodmunten geslagen werden van papier,
hoe er door deftige vrouwen inzamelingen werden gedaan ten behoeve der
noodlijdenden, dit alles zal ik hier niet ophalen: veel min daarover
in bijzonderheden treden. Want ik schrijf hier geen geschiedenis van
't beleg, maar vertel alleen deze en gene omstandigheid, sommige
Leidsche jongens betreffende. Ik spring dus eenige maanden over, en
zal u herinneren hoe, toen in Februari 1574 Graaf Lodewijk van Nassau
dien inval aan de zijde van de Maas deed, die hem een maand later zoo
duur kwam te staan, de Landvoogd Requesens het krijgsvolk uit Holland
ontbood om hem te keer te gaan. Het gevolg daarvan was dat Leiden van
't beleg ontslagen en op den 25sten Maart de poorten werden opengezet.
Nauwelijks van den vijand verlost, zorgde men ook den overlast van
binnen kwijt te raken en zond alle soldaten de stad uit, behalve
alleen de vrijwilligers van Andries Allertsz. Men ging weer aan 't
bouwen en beplanten van de omgeworpen muren en tuinen: men maakte
zich gereed, de kermis als vanouds, vroolijk te vieren; men luidde
die op 23 Mei meteen sierlijken omgang der schutters in; en, maar
twee dagen later stond Valdez opnieuw met een aanzienlijke krijgsmacht
voor de poort. Het was bij het eerste alarm, door 's vijands nadering
verwekt, dat de Hopman Andries Allertsz., die hem met een dertigtal
burgers en soldaten was tegengetrokken, als eerste slachtoffer van
dit tweede beleg moest sneuvelen. Het Leeuwtje, dat zich wakker onder
hem gekweten had, ging nu dienen onder den Heer van Noordwijk, den
beroemden Johan van der Does, die hem alreede onderscheiden had.
De stad was ingesloten, de nood werd al grooter en grooter en de
gemeenschap met de vrienden, die men buiten had, al meer en meer
afgesneden. Men was overtuigd, dat door den Prins maatregelen beraamd
werden om de stad te ontzetten: doch het was noodig te vernemen,
van welken aard die waren, ten einde er zich naar te gedragen. Het
was echter een hachelijke onderneming, brieven of boodschappen
over te brengen; want voor hem, die in handen der Spanjaards viel,
was, bij zoodanige gelegenheid, geen genade te wachten. Onder deze
omstandigheden liet Van der Does op zekeren avond in 't begin van Juli
den wakkeren Roelof Arentsz. bij zich ontbieden. De knaap verschenen
zijnde, vond hem met den Burgemeester Pieter Adriaansz. in gesprek.
"Leeuwtje!" zeide Van der Does: "hebt gij moed en lust om een hachlijke
onderneming te wagen, waarmee gij de stad van groote dienst zult zijn?"
"Wat moet het zijn?" vroeg 't Leeuwtje met een glimlach: "hoe
hachlijker hoe liever."
"Ik moet u vooruit waarschuwen, dat er uw leven mede gemoeid is,"
hernam Van der Does.
"Nu!" zeide de knaap: "dat heb ik meer gewaagd. En bovendien ik ben
een wees, en heb bovendien niemand, die om mij treuren zou."
"En gij zult deftig beloond worden, zoo gij slaagt in uwe zending,"
zeide de Burgemeester.
"Nu!" hernam het Leeuwtje: "als ik den Spanjaard eens sekuur betrekken
kan, zal ik loons genoeg hebben."
"'t Is wel!" zeide de Burgemeester. "Zie hier is een holle kogel, dien
steekt gij bij u, gij poogt des vijands verschansingen door te sluipen,
gij begeeft u naar Delft, en brengt den kogel aan zijn Excellentie."
"En ik breng antwoord terug, niet waar?" vroeg de knaap: "'t is wel,
morgen zal ik zorgen hier terug te zijn."
"Maar in allen gevalle is het zaak, dat de brief noch het antwoord
in handen van den vijand valle," hervatte Van der Does.
"Begrepen!" zeide 't Leeuwtje: "de Spanjaard is gauw; maar hij zal
zijn man aan mij vinden,--morgen ben ik weer hier, of nooit."
"Braaf gesproken," zeide Pieter Adriaansz., "en nu, mijn jongen,
God zij met u." Dit zeggende stak hij hem de hand toe, vatte die van
den knaap en drukte die met kracht.
"En nu niet langer gemard," zeide Van der Does: "gij zult een
geschreven volmacht behoeven, om de stad uitgelaten te worden. Welke
poort denkt gij uit te gaan?"
"Ik geloof niet een," antwoordde Arentsz.: "doch laat dat maar over
aan mij. Ik zal wel de noodige voorzorgen nemen. Geef mij maar den
last voor den wachthebbenden Hopman aan den toren van Bourgondië,
dan zal ik de zaak wel verder beschikken."
De Heer van Noordwijk gaf hem 't gevraagde en, nadat de beide Heeren
nogmaals den knaap hartelijk de hand geschud en goede reis gewenscht
hadden, verliet hij hen en begaf zich naar de woning van Berkheij,
aan de Lange Vest bij de Marepoort. Het regende een weinig doch
desniettemin--of liever juist daarom--zat Berkheij op zijn stoep met
een kopje naast hem, waarin hij het regenwater opving en er een harde
korst roggebrood indoopte, 't welk hij met smaak ophapte.
"O jou lekkerbek! o jou smulpaap!" zeide 't Leeuwtje, schertsende:
"dat had ik niet van je verwacht, dat je zulke weelde zoeken zoudt.
"Ja!" zeide Berkheij, lachende: "dat is ook een extra saus, die de
Hemel ons toezendt, en waarvan wij gebruik moeten maken. Maar wat is
er aan de hand?"
"Ik moet op een karrewei uit," antwoordde Arentsz.: "en daarin kunt
gij mij helpen. De schuit van uw vader ligt nog altijd in de Vliet?"
"Zoo doet zij," zeide Berkheij.
"Best!" hernam Arentsz.: "dan zult gij mij daarmede van avond buiten
de stad brengen."
"Buiten de stad," herhaalde Berkheij verwonderd.
"Ja! ik heb een boodschap van den Burgemeester voor.... om 't even
wien. Ik moet door de Spaansche schansen heen, en morgen hier terug
wezen. Wil je doen wat ik je vraag?"
"Met genoegen," antwoordde Berkheij: "en dus moet ik je morgen nacht
terug verwachten. Tegen hoe laat?"
"Te middernacht," antwoordde Arentsz.: "ben ik met het aanbreken van
den dag niet terug, dan reken je maar, dat ik den Spanjool in handen
gevallen en dood ben als een pier."
"Kan ik niet meegaan?" vroeg Berkheij.
"Onmogelijk," antwoordde 't Leeuwtje: "vooreerst is 't een zending,
die mij alleen belast is: in de tweede plaats kan een er lichter
doorkomen dan twee. Hou je nu maar klaar met de schuit, van avond
tegen halftwaalf uren."
Berkheij deed als hem gelast was, en 's avonds te halftwaalf uren gleed
de schuit een der bogen nabij de Koepoort uit, en de Vliet op. Aan de
overzijde gekomen, kroop Arentsz. behendig aan wal, en terwijl Berkheij
naar stad terugkeerde, sloop hij, de Vliet langs, door de weide, tot
hij op de hoogte van de te Lammen opgerichte schans was gekomen. Daar
zwom hij 't water over, school bij het minste gerucht in de biezen weg,
vervorderde, meestal op handen en voeten kruipende, zijn weg, bedroog
de waakzaamheid der Spaansche wachters, trok Zoeterwoude voorbij en
draafde toen als een hollend ros de weiden door, tot hij geheel buiten
's vijands bereik was. Toen stapte hij stevig door, kwam met den dag
te Delft, meldde zich daar bij den Prins aan, en overhandigde hem den
kogel, die hem was toevertrouwd. De Prins opende dien, nam het briefje,
dat er in verborgen was, er uit, liet den knaap een middagmaal geven,
als hij er nooit een gehad had, en nimmer weder smaken zou, ontbood
hem toen weer bij zich en gaf hem den kogel terug.
"Gij vreest niet den terugtocht te ondernemen?" vroeg de Prins.
"Neen, Uwe Excellentie!" antwoordde de knaap: "ik ben er eenmaal
doorgekomen, en met Gods hulp hoop ik, dat het mij weder gelukken zal."
"Hij zij met u, mijn brave jongen," hernam de Prins, hem de hand op
't hoofd leggende: "ga in vrede."
Bemoedigd en vroolijk nam onze knaap den terugtocht aan. Langzaam
ging hij voort; want eerst met het vallen der duisternis moest hij
aan de schansen terug zijn. Het was werkelijk bereids halfelf toen
hij die naderde, en even behoedzaam als te voren langs sloop. Gelijk
een slang kroop hij langs den grond om niet ontdekt te worden, en
wederom een tijd lang met hetzelfde goede gevolg als den vorigen
avond. Reeds was het hem weder gelukt het water voorbij de schans
te Lammen door te zwemmen, reeds was hij de weide aan de overzijde
doorgekropen, reeds was hij de stadsvest genaderd, reeds meende hij
het geklokklok der schuit van Berkheij door 't water te hooren, toen
op eens een forsche stem het "sta!" naast hem uitriep en een forsche
vuist hem bij den kraag vatte. 't Was die van een soldaat van Valdez,
die hier achter een wilg verscholen op de wacht stond. Men had 's
morgens de voetstappen van Arentsz. in de natte klei bespeurd en,
in het gegrond vermoeden, dat de persoon, die hier langs was gekomen,
terug kon keeren, wachtposten uitgezet.
Hoe donker het ook ware, Arentsz. werd terstond twee dingen gewaar:
vooreerst, dat een half dozijn Spanjaards op 't alarm afkwamen, ten
anderen, dat Berkheij met zijn schuitje midden in de vest lag. Hij
besefte tevens, dat, zoo hij een poging deed om zich los te rukken,
en die poging mislukte, niet alleen hij, maar ook de hem toevertrouwde
brief in handen des vijands zouden blijven: en dat het er op aan
kwam in de eerste plaats dien brief te redden. Met de rechterhand,
welke hij nog vrij had, tastte hij in de borst, greep den kogel, die
aldaar verborgen was en smeet hem, onder het uiten van den kreet:
"vang!" met zooveel behendige wisheid over 't water, dat de kogel
juist voor de voeten van Berkheij in 't schuitje viel. Op 't zelfde
oogenblik waren de Spanjaards toegeschoten en de arme knaap door een
zestal handen aangepakt. Twee of drie soldaten brachten de lont aan
hun vuurroers en schoten op Berkheij; doch deze, beseffende dat hij
toch zijn vriend niet zou kunnen verlossen, had de schuit met een
fikschen riemslag weder naar stad doen keeren, en zich toen dadelijk
op den bodem van het vaartuig geworpen, zoodat de kogels over hem
heen floten en hij ongedeerd weder aan de overzijde kwam, waar hij
afstapte en het hem toevertrouwde pand naar den Burgemeester bracht.
Wat den armen Arentsz. aangaat, ik wil het lot dat hem trof niet
uitvoerig beschrijven. De omstandigheid, dat door zijn tegenwoordigheid
van geest de brief, waarmede hij belast was, hun ontgaan was,
verdubbelde de woede der Spanjaarden. Binnen de schans te Lammen
gesleept, onderging hij een kort verhoor, waarbij hij volstandig
weigerde te antwoorden op de hem gedane vragen; daarna werden hem,
op last van den bevelvoerenden Hopman, zonder deernis met zijn jeugd,
met de wreedheid, aan die tijden en toenmalige krijgsmanier eigen,
neus en ooren afgesneden, en toen werd hij aan een van zijn teenen
opgehangen. Gauw als water klom hij tegen zijn eigen been omhoog,
doch werd nu door zijn beulen doorschoten. Zijn treurig lot werd door
Van der Does in treflijke Latijnsche verzen herdacht.
Wat een onnoozel botje soms beteekenen kan.
Gelijk ik hierboven reeds meer gezeg heb, waarde lezers, ik onderstel,
dat de geschiedenis van het Beleg van Leiden u bekend is. Gij weet
dan, hoe dapper zich de burgers tegen den vijand kweten en hoe de
stad door klimmende ellende, hongersnood, pest en oproer gekweld
werd. Gij weet ook, hoe de Staten het kloekmoedig besluit namen, ter
verlossing der stad het zeewater over de velden te laten spoelen,
en hoe die opoffering aanvankelijk zonder gevolg scheen, daar het
water wel Delfland overstroomde, maar het hooger gelegen Rijnland
niet bereikte. Wel doorstak men dijken en aarden wallen: wel naderde
de vloot van den Admiraal Boisot door vaarten en vlieten, maar dit
naderen ging met gedurige schermutselingen gepaard en, bij gebrek
aan water, niet dan langzaam in zijn werk. Reeds was men diep in de
maand September gevorderd: men wist binnen de belegerde stad dat de
schepen, die hulp aanbrachten, niet verre meer verwijderd waren,
en toch, het liet zich aanzien, dat de hulp te laat komen en de
burgerij door nood gedrongen, tot de overgave zou moeten besluiten. De
Spanjaards, ziende hoe, niettegenstaande al de aangewende pogingen,
de Zeeuwsche Vlootvoogd zijn doel, het onderwater zetten van Rijnland,
niet bereikte, schertsten en spotteden met een onderneming, die zij
ijdel achtten en riepen, dat het even onmogelijk was de sterren uit
de lucht te grijpen, als Leiden uit hunne macht te verlossen.
In de stad begon men evenzeer te wanhopen aan ontzet: moedeloosheid en
vertwijfeling hadden de plaats ingenomen van moed en vertrouwen. Reeds
hadden er samenscholingen plaats gehad, reeds had men van overgave
gesproken, en al de standvastigheid en volharding van mannen als
Van der Werff, Van der Does en Van Hout waren noodig geweest, om
de gemoederen in rust en de stad in vrede te houden. Maar 't stond
te vreezen, dat ook hun gezag en achtbaarheid eerlang hun invloed
verliezen zouden op gemoederen, door wanhoop verteerd.
Eens--het was op den 29sten September--had zich wederom een volkshoop
verzameld op het bolwerk bij den toren van Bourgondië en zat van daar,
met donkere blikken, naar buiten op de Lammenschans te turen. Het
was akelig die menschen aan te zien, die meer geraamten dan levenden
schenen, en met holle oogen, uitpuilende beenderen, gerimpeld vel, de
bleekheid des doods op het wezen verspreid, in het gras nederzaten:
nederzaten, zeg ik, want de meesten hunner waren nauwelijks in
staat meer het op de beenen te houden. De eenige die stond was de
schildwacht, die niemand anders was dan onze vriend Schaeck, doch thans
geheel verschillend van den knaap, dien ik u in den aanvang van mijn
verhaal geschilderd heb. Weg waren zijn roode kleur en bolle wangen:
het eens te enge wambuis hing hem slap om 't lijf, en, zoo hij stond,
't was niet dan met moeite en leunende op zijn musket. Toch was hij
het nog, die moed poogde in te spreken aan de om hem zittende burgeren,
en hun bestrafte over hun gebrek aan vertrouwen.
"Geduld nog een weinig, mannen!" zeide hij: "het ontzet nadert alras:
hebt gij niet gisteren nog het schieten gehoord achter Zoeterwoude.
"Wat baat dat?" vroeg een der burgers: "de noord-oosten wind drijft
telkens het water terug. Boisot kan ons niet naderen dan langs de
weteringen, en die zijn alle door schansen gedekt. Ja, al werden
Zoeterwoude en Voorschoten verlaten, dan nog zou die vervloekte schans
daar--hier wees hij op de Lammenschans--hem het doordringen beletten."
"'t Moest vandaag springtij wezen," zeide een ander, "maar daar
bespeur ik ook niets van: het water is nog geen duim gewassen."
"'t Zou ook weinig baten, zoolang de wind noord blijft," zei een derde.
"Kom!" zeide Schaeck: "wij hebben het zoolang uitgehouden: 't is nu
misschien maar om een kwade dag zes, zeven meer te doen."
"Gij spreekt als een kind," bromde een groote, schrale kerel naast hem:
"eer zes dagen om zijn, leeft er niemand in de heele stad meer. Mijn
arm kind is reeds gestorven, omdat mijn vrouw geen zog meer had;
zij zelve zal het ook geen vier en twintig uren meer uithouden, en
ik heb in acht dagen niets geproefd dan rotte koolbladeren, die ik
uit den mesthoop heb gezocht. Er moet een eind aan komen."
"Wat wilt gij dan?" vroeg Schaeck: "de stad overgeven, opdat wij
uitgemoord worden als die van Naarden en van Haarlem?"
"Beter een korte dood door 't staal dan die marteldood door den
honger," zeide de laatste spreker.
Schaeck antwoordde niet, maar eensklaps zijn geweer schouderende,
liep hij met fiere stappen en het hoofd recht houdende, het bolwerk
op en neêr.
"Wat scheelt hem nu?" vroegen de burgers terwijl zij hem verwonderd
aanzagen. Maar weldra volgden hunne blikken de zijne en ontdekten
zij eenige Spaansche soldaten, die aan de overzijde der vest met
gekruiste armen naar de stad stonden te kijken. En nu begrepen zij,
dat Schaeck zich voor hen goed wilde houden.
"Kom!" riep Schaeck: "gij deedt beter, hier niet zoo lui en lam te
liggen: wat moeten die Spanjolen ginds van u denken zoo zij u zien?"
"Eilaci!" zeide er een zuchtende, "of zij ons zien of niet, zij zijn
toch wel overtuigd, dat wij aan alles gebrek hebben."
"Dat zal ik hun wel anders beduiden," riep een stem achter den
spreker. Deze zag om en ontwaarde Berkheij, die, met een aker en een
vischhengel in de hand, den wal opkwam.
"Berkheij!" riep Schaeck, "wel man, ben je aan 't visschen geweest?"
"In de vest bij de Koepoort," antwoordde Berkheij: "en wil je eens
zien, wat ik gevangen heb?"
Dit zeggende hief hij zijn hengel omhoog en lichtte uit den aker een
visch op, die nog aan 't snoer vastzat.
"Een botje!" riepen de omstanders.
"Ja! maar welke soort?" vroeg wederom Berkheij: "hebt gij een van
allen ooit in onze wateren zulke bot zien komen?"
"'t Is waarachtig een zeebot!" zeide een der burgers, nadat hij het
vischje meer nauwkeurig bezichtigd had.
"En een bewijs, dat het zeewater binnenstroomt, en de verlossing op
handen is," vervolgde Berkheij: "hier Sinjoren!" schreeuwde hij uit
al zijn macht, terwijl hij naar de Spanjaards keek en zijn hengel
heen en weder slingerde: "hier is versche zeebot! en morgen toon ik
u een schelvisch, zoo gij niet voor dien tijd verzopen zijt."
"Een zeebot! een zeebot!" riepen de burgers, bij wie op eens weder
de hoop was aangewakkerd. "Een zeebot!" riepen zij, zich met moeite
opheffende, en hun laatste krachten inspannende, om met hoeden en
mutsen te wuiven.
Verwonderd keken de Spanjaards en luisterden. In den beginne begrepen
zij niet, wat dat gejuich en dat heen en weder gewaai van dien visch
beduiden moest; maar eindelijk gelukte het hun de van den muur gegalmde
kreten op te vangen en wrevelig keerden zij naar hun legerplaats terug.
Maar binnen in de benarde vest werd die kreet teruggekaatst en liep het
gerucht van mond tot mond: "er is een zeebot in de vest gevangen! Het
zeewater stroomt binnen!" En inderdaad, de springvloed had een aanvang
genomen en nog dienzelfden dag veranderde de wind, zoodat het water
naar Leiden stroomde. Terstond maakte Boisot van de gelegenheid
gebruik, rukte met zijn vaartuigen voort, dreef den vijand terug en
drong voorbij Zoeterwoude, welke post, door Valdez verlaten werd. Op
den 2den October was reeds de vloot in het Papemeer gekomen en had
de schans van Lammen aangetast: doch deze, van een kloeke bezetting
en diepe grachten voorzien, was te wel versterkt, om bij verrassing
genomen te worden, en nog liet het zich aanzien, dat deze hinderpaal
onoverkomelijk wezen of althans het ontzet nog lang vertragen zou.
In de stad was men in gespannen verwachting, en den geheelen dag
zat al wie de leden roeren kon op de muren naar verlossing uit te
zien. Doch de hoop werd dien dag nog verijdeld en mismoedig keerden
de meesten met den invallenden nacht naar hun woningen terug. Niet
allen echter hadden zich verwijderd: als ik u verhalen zal.
Welken dienst Schaeck aan Leiden bewees.
De wakkere Bevelhebber, aan wien de zorg voor de stad was toevertrouwd,
Van der Does, had zich in den nanacht voor eenige oogenblikken, geheel
gekleed, in zijn armstoel ter ruste gelegd, toen hem werd gemeld,
dat een paar knapen hem verlangden te spreken. Hij rees op, gelastte
dat men hen bij hem zoude laten en herkende in de binnenkomenden,
Schaeck en Berkhey.
"Is er onraad?" vroeg hij.
"Neen, Mijnheer!" antwoordde Schaeck: "maar ik geloof, dat de Spanjolen
Lammen hebben ontruimd."
"Ontruimd!" herhaalde Van der Does: "en waaruit maakt gij dat op?"
"Wel Mijnheer!" hernam Schaeck: "wij zijn zoo even, ik en Berkhey,
nog eens op den wal geweest, en daar hebben wij gezien, hoe zich vele
brandende lonten uit de schans naar buiten hebben bewogen, die niet
zijn teruggekeerd."
"Misschien een uitval tegen de vloot," merkte Van der Does aan.
"Dan zouden zij reeds handgemeen zijn," zeide Berkhey: "want de nacht
is al ver gevorderd en het is nu al ruim een paar uur geleden, dat
wij de lonten hebben zien branden, zonder dat er iets gevolgd is. 't
Is doodstil in en om de schans."
"Dat zou inderdaad een uitkomst zijn, indien uw gissing bewaarheid
werd," zeide Van der Does.
"Wat belet het te onderzoeken?" vroeg Schaeck: "indien uw Edelheid
mij verlof geeft, dan ga ik naar de schans, en zie, hoe het daar
gesteld is."
"En," zeide Berkhey, terwijl Van der Does op het antwoord peinsde,
dan verzoek ik verlof, om hetzelfde te gaan onderzoeken te
Leiderdorp. Indien de Spanjolen Lammen verlaten hebben, dan hou ik
het er voor, dat zij binnen Leiderdorp niet gebleven zijn.
"Dat geloof ik met u," zeide de Bevelhebber, "en ik sta u beiden het
gevraagde verlof toe. Gij zijt beiden wakkere knapen, doch ik zou u
het waagstuk, dat gij ondernemen wilt, nimmer hebben durven bevelen:
maar nu gij zelven het voorstelt, nu zeg ik er amen op."
In dit zelfde oogenblik meldde zich wederom iemand bij den Bevelhebber
aan: 't was een soldaat, door den wachthebbenden vendrig van de
Koepoort afgezonden, met de tijding, dat, tusschen die poort en den
toren van Bourgondië een stuk der vest en borstwering ter lengte van
ongeveer zestien voet, was ingestort.
"Dan voorwaar," zeide Van der Does in zich zelven, "moge de hoop,
ons door dien knaap gegeven, bevestigd worden; want is de vijand nog
om Leiden, dan zie ik geen kans meer hem, zoo hij die bres bestormen
wil, er buiten te houden."
En meteen zijn woning verlatende, trok hij met den boodschapper en de
beide knapen naar de bedoelde plaats, waar reeds een aantal burgers
in diepe neerslachtigheid en wankelmoedigheid verzameld was. Van der
Does sprak hun moed in en beurde hen op door de mededeeling van wat
Schaeck hem bericht had. Het begon al te schemeren, toen Schaeck in een
schuitje zittende naar de Lammerschans roeide, door de nieuwsgierige
blikken van Van der Does en de Leidenaars achtervolgd. Nabij de schans
gekomen, zette hij voet aan wal, klom tegen het buitenste bolwerk
op, zag niemand, sprong naar binnen: vond de brug nedergelaten, de
poort open, en, gelijk hij vermoed had, nergens eenigen zweem van
menschen. Al meer en meer bemoedigd stapte hij het wachthuis binnen:
alles was ledig en verlaten, en slechts nog eenig huisraad overig. Toen
snelde hij weer naar buiten, beklom het bolwerk, en wuifde met zijn
hoed tegen de Leidenaars op den stadsmuur. Dit was het teeken, dat
hij met Van der Does was afgesproken, en op het gezicht waarvan de
burgers een gejuich aanhieven, dat hem ondanks den afstand in de
ooren terugklonk.
"Bij mijn heiligen Patroon," zeide hij toen tegen zich zelven, "nu
kon ik toch wel eens gaan kijken, of er hier niet nog wat buit te
behalen is. Ik heb de vesting veroverd en heb recht, zou ik denken,
op wat zich daarbinnen bevindt."
Zoo gezegd, zoo gedaan: hij liep terug naar het wachthuis, doch vond
er niets wat hij zijn gading achtte, toen hij, naast de schouwe, een
ijzeren pot gewaar werd: hij naderde, en zie! er waren nog stukken
hutspot in, overblijfselen van het avondmaal der bezetting. Men
kan zich de vreugde voorstellen van iemand, die in de laatste zes
weken geen vleesch geroken had, dan een stuk paardedarm, over zulk
een vondst. Hij nam zijn hoed nogmaals af, bad een "Vader ons" en
zette zich toen aan 't schransen. Reeds was de helft van hetgeen de
pot bevatte in zijn holle maag gedaald, toen hij een voetstap hoorde
naderen. Met schrik sprong hij op: doch was weldra gerust gesteld,
op het zien van een der Leidsche vrijwilligers, dien Van der Does
hem had nagezonden, om zich te verzekeren, dat de schans werkelijk
verlaten was, en dat Schaeck niet altemet door den vijand gedwongen
was geweest het bepaalde vreugdesein te geven.
"Hier, kameraad!" riep de knaap, toen hij de gretige blikken zag,
die de nieuw aangekomene op den pot wierp, "neem en eet, maar den pot
behou ik. En nu is mijn maal gedaan: nu kon ik den Admiraal wel gaan
verwittigen, dat hij vrij de stad kan naderen."
En het nog overgebleven vleesch in een aarden schotel omkeerende,
snelde hij met den pot naar buiten, de schans uit, en waadde door het
verdronken land naar de zijde der vloot. De Zeeuwen van Boisot werden
hem aldra gewaar en wisten eerst niet, wat van den knaap te maken:
doch toen hij met pot en hoed begon te zwaaien, en te schreeuwen:
"vooruit maar! vooruit maar! de doortocht is vrij!" toen raakte
alles in beweging; toen zeilden en roeiden de schuiten op de stad
aan, toen verwelkomden zij aan de schans den Hopman Van der Laen,
met zijn vrijwilligers, die uit Leiden getrokken, er reeds bezit van
genomen had--en Leiden was ontzet.--
's Middags, toen Schaeck en Berkhey te zamen aan den Rijn eenige
haringen zaten te orberen en er een goede teug bier bij dronken,
haalde laatstgenoemde den buit voor den dag, door hem bemachtigd in
de mede verlaten schans te Leiderdorp, welke hij 't 'eerst beklommen
had. 't Waren ettelijke spellen zoogenaamde tarokkaarten, die nog
bestaan, en onder anderen in 't jaar 1824, toen het vijfde halve
eeuwfeest der belegering gevierd werd, op het Raadhuis te Leiden
werden tentoongesteld.
Berkhey werd, ter belooning voor de door hem gedurende het beleg
bewezen diensten, door de Magistraat met een zilveren penning
beschonken, en met een wapen, waarin het zeebotje, eenmaal door hem
gevangen en aan den vijand vertoond, was afgebeeld.
Wat Schaeck betreft, hij genoot de eer, dat hij bij den plechtigen
optocht, die den 3den October 1577 ter viering van 't ontzet gehouden
werd, aan 't hoofd der gewapenden optrekken mocht. Voorts vinden
wij zijn wakkere daad in een der versjes, op het ontzet gemaakt,
in de navolgende regels herdacht:
Doen Godeshant
Dreef den vijandt
Bij nacht uijt Lammen-schans,
Creech Schaeck dees pot,
Riep aen Boijsot;
Moocht over dammen thans.