Louise. Ja, maar er zijn er twee. [84]

Clara. O ja! Er is ook August Lafontaine, die romans geschreven

heeft. Ik heb er wel van gelezen, maar dat is ijselijk sentimenteel

en schwermerisch.

Louise. Dat is wel mogelijk; maar het boek van juffrouw Faribole

was geen roman, en moet al een heel slecht boek geweest zijn; want

toen ik het in de vacantie aan Oom vertelde, heeft hij aan Mevrouw X

geschreven, dat ik niet weer op school zou komen, tenzij de secondante

werd weggezonden. Maar zij was al weg om eene andere reden.

Caroline. En welke?

Louise. Zij had een vrijerijtje aan de hand met een officier, die

toen te B. in garnizoen lag;--een knappe jongen; maar mij beviel

hij toch niet recht. Nu sprak zij hem bijna alle avonden aan 't eind

van het perk: wij wisten het allemaal wel;--maar wie wil zulke dingen

vertellen? Eens hebben wij een grap gehad: die moet je hooren. Men was

bezig de boerderij te witten: daar nam eene van ons, die strafwerk

gekregen had, en het de juffrouw betaald wilde zetten, den kalkpot

en den witkwast, en besmeerde er het boerenhek mede, waarover de

twee gelieven zich gewoonlijk met elkander onderhielden. De maan

scheen juist, en belette hun dus de poets, die hun gespeeld werd, te

ontdekken. 's Avonds kwam, zooals ik naderhand hoorde, de Officier met

twee witte mouwen op de sociëteit, en de sjaal van juffrouw Faribole

was glad bedorven.

Caroline. Foei! dat was toch wat te erg.

Clara. Van wie is die koets, die daar voorbijgaat?

(De drie dames kijken het raam uit. Op dit oogenblik gaat een

welgekleed heer in politiek, maar met knevels en eene militaire

houding, voorbij en groet. De meisjes beantwoorden zijn groet en

treden alle drie terug.)

Louise. Wel, is het mogelijk! als men van den wolf spreekt.... maar

waarom kleur je zoo. Clara?

Clara. (verlegen) Kleur ik? (Zij neemt Fanny op haar schoot en

streelt hem).

Louise. En gij ook, Caroline! zoo waar ik leef.

Caroline. Ik? Maar wat meen je toch? Je kleurt zelve het meest van

ons drieën.

Louise. Wel geen wonder! dat zal ik u dadelijk zeggen. Ken je dien

Officier?

Caroline. Het is de Heer van T., die hier in garnizoen ligt.

Louise. Wel nu! Hij is het juist, van wien ik u vertelde, en daarom

ontstelde ik, toen ik hem zoo op eens terug zag. Nu! hij heeft toch

niet mooi met juffrouw Faribole gehandeld; want toen de intrige

ontdekt, en zij naar huis gestuurd was, heeft hij zich volstrekt niet

meer over haar bekommerd; hij had juist zooveel andere minnarijtjes

aan de hand.

Caroline. (verlegen) Ja! ik heb het wel gehoord, dat al de heeren niet

veel deugen. Hij is anders iemand die een zeer aangename conversatie

en een perfecten toon heeft; en zoo hij al een los grapje gehad heeft,

het is aan zijn stand en jaren toe te geven, en misschien heeft hij

zich gebeterd.

Louise. Waarlijk! daar begint onze deftige Caroline op eenmaal vuur

te vatten. Nu spijt het mij, dat ik u zooveel verteld heb.

Clara. Mij niet: en ik vraag u ernstig af, Louise! of het alles

waar is, wat gij van den Heer van T. verteld hebt, dan of het maar

praatjes zijn?

Louise. En zij ook al? Maar mij dunkt, waarlijk, dat uwe oogen

glinsteren. Zou die Luitenant de bien aime zijn? Aha! Nu begrijp

ik waarom mijnheer O. bedankt werd. Zij kon papa niet verlaten, het

lieve kind! Clara! Clara! pas op! Wij noemden op school den Luitenant:

l'amoureux des onze mille vierges.

Caroline. (de toppen harer vingers bekijkende) Maar als hij zich nu

toch voor goed wil etablisseeren.

Louise. Juist, hij zal nu gaan zingen:

Oui, c'en est fait: je me marie enz.

Maar de vraag is: met wie van u beiden?

Clara. Niet met mij, want na hetgeen ik van hem gehoord heb, zou ik

hem hartelijk bedanken.

Caroline. (Een weinig scherp). Maar heeft hij u dan gevraagd?

Louise. Hier zal nog twist en misverstand komen, zoo ik het niet

verhoed. Komt, laat ons doen gelijk wij op school deden, wanneer

er oneenigheid was. Wij zullen rechtertje spelen. Ik zet mij hier

neer. Maar nu moet gij beiden trouw de waarheid spreken.

Caroline. Ik weet niet of....

Louise. Geen genade! Biechten moet je. Maakt de Luitenant u zijn hof?

Clara. (In hevige spanning) Caroline! Ik bezweer u: zeg mij, maakt

Mijnheer Van T. u zijn hof?

Caroline. (half schreiende) Ik weet niet.... ik geloof.... van ja.

Clara. Dan is hij een diep verachtelijk wezen.

Caroline. Hoe!.... gij zegt.... (zij begint sterk te beven) Zoo ik

durfde.... maar.... (zij tast in haar boezem en een briefje vertoont

zich)

Louise. Zoo! ben je al in correspondentie samen? Ik dacht, dat je

niet hield van brieven schrijven.

Caroline. Ik heb hem nog niet geantwoord.... ik wist niet.... ik

was altijd gewoon, alles wat ik ontving aan Juffrouw Siloin te

vertoonen:.... ik wist niet aan wie ik dit briefje zou laten

zien.... ik was bang dat papa....

Louise. Geef! (zij doorloopt den brief) Waarlijk een formeele

declaratie! Het spijt mij voor u, Clara!--en voor mij zelve; want

ik zal het maar gul bekennen: hij heeft mij, toen ik school lag, ook

het hof gemaakt; maar ik had geen zin in hem. Hij had een kameraad,

die mij veel beter beviel. Ik herken zijn hand nog: hij schreef lieve

briefjes op rosé papier.

Clara. Mij heeft hij niet geschreven; maar dat verstaat zich. Hij wilde

zich met mij niet compromitteeren. Gij beiden zijt rijke partijen;

dat was heel wat anders;--maar mij--mij dus te misleiden, die in

den waan verkeerde, dat het louter liefde was, die hem dreef!--O die

lafaard!--Caroline, van welke dagteekening is dat briefje?

Caroline. Van gisteren. Hij heeft het mij in de komedie in de hand

gestopt.

Clara. En hij had mij, een oogenblik te voren, op deze plaats

eeuwige liefde gezworen! O, hoe ben ik gestraft! Nu zie ik, wat zijne

bedoelingen waren! Gerechte Hemel! ben ik dan zoo verachtelijk, dat

een zoogenaamd fatsoenlijk man zich niet schaamt mij met oneerlijke

oogmerken zijn hof te maken? Is mijne familie niet zoogoed als die

van iemand hier?

Caroline. Mijn lieve Clara! Ik kan het waarachtig niet helpen. Ik

wist niet.... ik ben recht ongelukkig....!

Louise. (zingende) Ah! que les hommes sont méchants.

Caroline. Wie kon ook zoo iets verwachten?

Louise. Stil! en wenscht elkander liever geluk, dat u de oogen zijn

opengegaan; want die schelm was op weg, om eene van u, zoo niet beiden,

ongelukkig te maken.

Caroline. Ik wil niets meer van hem weten.

Clara. Ik ban hem voor altijd uit mijne gedachten.

Caroline. Ik zal hem zijn briefje verscheurd terugzenden.

Louise. Neen! nog beter: laat Clara het in eene enveloppe doen en

hem doen toekomen met de vermaning, van in 't vervolg liever in 't

geheel niet te schrijven;--want, zooals een oud philosoof zeer juist

heeft aangemerkt: woorden vervliegen, maar letters blijven. Zij kan

dan met de les van Vader Cats besluiten:

Twee op eenen tijdt te vrijen

Siet men selden wel bedijen.

De raad der vroolijke Louise werd gevolgd, en hare beide vriendinnen

hebben naderhand geen last meer van de aanzoeken des Luitenants

gehad. Tot verder naricht kan ik vermelden, dat de beminnelijke Clara,

het ware boven den schijn hebbende leeren op prijs stellen, thans de

bruid is van den achtingswaardigen Heer O., die zich gelukkig door eene

eerste weigering niet uit het veld heeft laten slaan. Louise speelt

nog trouw jassen met haar Oom, en dit stille leven, benevens den

omgang met hare lieve schoonzuster, begint hare schoolsche wildheid

wat te temperen. Caroline erlangt, sedert zij op zich zelve staat,

zachtjes aan meer vastheid van karakter. Aan minnaars ontbreekt het

haar niet; maar zij aarzelt nog eene keuze te doen. Hooren wij eens

iets meer bepaalds omtrent haar, wij zullen niet nalaten, zulks aan

onze Lezeressen mede te deelen.

Vertellingen van vroeger en later tijd · 第 32 / 51 题