Clara. O ja! Er is ook August Lafontaine, die romans geschreven
heeft. Ik heb er wel van gelezen, maar dat is ijselijk sentimenteel
en schwermerisch.
Louise. Dat is wel mogelijk; maar het boek van juffrouw Faribole
was geen roman, en moet al een heel slecht boek geweest zijn; want
toen ik het in de vacantie aan Oom vertelde, heeft hij aan Mevrouw X
geschreven, dat ik niet weer op school zou komen, tenzij de secondante
werd weggezonden. Maar zij was al weg om eene andere reden.
Caroline. En welke?
Louise. Zij had een vrijerijtje aan de hand met een officier, die
toen te B. in garnizoen lag;--een knappe jongen; maar mij beviel
hij toch niet recht. Nu sprak zij hem bijna alle avonden aan 't eind
van het perk: wij wisten het allemaal wel;--maar wie wil zulke dingen
vertellen? Eens hebben wij een grap gehad: die moet je hooren. Men was
bezig de boerderij te witten: daar nam eene van ons, die strafwerk
gekregen had, en het de juffrouw betaald wilde zetten, den kalkpot
en den witkwast, en besmeerde er het boerenhek mede, waarover de
twee gelieven zich gewoonlijk met elkander onderhielden. De maan
scheen juist, en belette hun dus de poets, die hun gespeeld werd, te
ontdekken. 's Avonds kwam, zooals ik naderhand hoorde, de Officier met
twee witte mouwen op de sociëteit, en de sjaal van juffrouw Faribole
was glad bedorven.
Caroline. Foei! dat was toch wat te erg.
Clara. Van wie is die koets, die daar voorbijgaat?
(De drie dames kijken het raam uit. Op dit oogenblik gaat een
welgekleed heer in politiek, maar met knevels en eene militaire
houding, voorbij en groet. De meisjes beantwoorden zijn groet en
treden alle drie terug.)
Louise. Wel, is het mogelijk! als men van den wolf spreekt.... maar
waarom kleur je zoo. Clara?
Clara. (verlegen) Kleur ik? (Zij neemt Fanny op haar schoot en
streelt hem).
Louise. En gij ook, Caroline! zoo waar ik leef.
Caroline. Ik? Maar wat meen je toch? Je kleurt zelve het meest van
ons drieën.
Louise. Wel geen wonder! dat zal ik u dadelijk zeggen. Ken je dien
Officier?
Caroline. Het is de Heer van T., die hier in garnizoen ligt.
Louise. Wel nu! Hij is het juist, van wien ik u vertelde, en daarom
ontstelde ik, toen ik hem zoo op eens terug zag. Nu! hij heeft toch
niet mooi met juffrouw Faribole gehandeld; want toen de intrige
ontdekt, en zij naar huis gestuurd was, heeft hij zich volstrekt niet
meer over haar bekommerd; hij had juist zooveel andere minnarijtjes
aan de hand.
Caroline. (verlegen) Ja! ik heb het wel gehoord, dat al de heeren niet
veel deugen. Hij is anders iemand die een zeer aangename conversatie
en een perfecten toon heeft; en zoo hij al een los grapje gehad heeft,
het is aan zijn stand en jaren toe te geven, en misschien heeft hij
zich gebeterd.
Louise. Waarlijk! daar begint onze deftige Caroline op eenmaal vuur
te vatten. Nu spijt het mij, dat ik u zooveel verteld heb.
Clara. Mij niet: en ik vraag u ernstig af, Louise! of het alles
waar is, wat gij van den Heer van T. verteld hebt, dan of het maar
praatjes zijn?
Louise. En zij ook al? Maar mij dunkt, waarlijk, dat uwe oogen
glinsteren. Zou die Luitenant de bien aime zijn? Aha! Nu begrijp
ik waarom mijnheer O. bedankt werd. Zij kon papa niet verlaten, het
lieve kind! Clara! Clara! pas op! Wij noemden op school den Luitenant:
l'amoureux des onze mille vierges.
Caroline. (de toppen harer vingers bekijkende) Maar als hij zich nu
toch voor goed wil etablisseeren.
Louise. Juist, hij zal nu gaan zingen:
Oui, c'en est fait: je me marie enz.
Maar de vraag is: met wie van u beiden?
Clara. Niet met mij, want na hetgeen ik van hem gehoord heb, zou ik
hem hartelijk bedanken.
Caroline. (Een weinig scherp). Maar heeft hij u dan gevraagd?
Louise. Hier zal nog twist en misverstand komen, zoo ik het niet
verhoed. Komt, laat ons doen gelijk wij op school deden, wanneer
er oneenigheid was. Wij zullen rechtertje spelen. Ik zet mij hier
neer. Maar nu moet gij beiden trouw de waarheid spreken.
Caroline. Ik weet niet of....
Louise. Geen genade! Biechten moet je. Maakt de Luitenant u zijn hof?
Clara. (In hevige spanning) Caroline! Ik bezweer u: zeg mij, maakt
Mijnheer Van T. u zijn hof?
Caroline. (half schreiende) Ik weet niet.... ik geloof.... van ja.
Clara. Dan is hij een diep verachtelijk wezen.
Caroline. Hoe!.... gij zegt.... (zij begint sterk te beven) Zoo ik
durfde.... maar.... (zij tast in haar boezem en een briefje vertoont
zich)
Louise. Zoo! ben je al in correspondentie samen? Ik dacht, dat je
niet hield van brieven schrijven.
Caroline. Ik heb hem nog niet geantwoord.... ik wist niet.... ik
was altijd gewoon, alles wat ik ontving aan Juffrouw Siloin te
vertoonen:.... ik wist niet aan wie ik dit briefje zou laten
zien.... ik was bang dat papa....
Louise. Geef! (zij doorloopt den brief) Waarlijk een formeele
declaratie! Het spijt mij voor u, Clara!--en voor mij zelve; want
ik zal het maar gul bekennen: hij heeft mij, toen ik school lag, ook
het hof gemaakt; maar ik had geen zin in hem. Hij had een kameraad,
die mij veel beter beviel. Ik herken zijn hand nog: hij schreef lieve
briefjes op rosé papier.
Clara. Mij heeft hij niet geschreven; maar dat verstaat zich. Hij wilde
zich met mij niet compromitteeren. Gij beiden zijt rijke partijen;
dat was heel wat anders;--maar mij--mij dus te misleiden, die in
den waan verkeerde, dat het louter liefde was, die hem dreef!--O die
lafaard!--Caroline, van welke dagteekening is dat briefje?
Caroline. Van gisteren. Hij heeft het mij in de komedie in de hand
gestopt.
Clara. En hij had mij, een oogenblik te voren, op deze plaats
eeuwige liefde gezworen! O, hoe ben ik gestraft! Nu zie ik, wat zijne
bedoelingen waren! Gerechte Hemel! ben ik dan zoo verachtelijk, dat
een zoogenaamd fatsoenlijk man zich niet schaamt mij met oneerlijke
oogmerken zijn hof te maken? Is mijne familie niet zoogoed als die
van iemand hier?
Caroline. Mijn lieve Clara! Ik kan het waarachtig niet helpen. Ik
wist niet.... ik ben recht ongelukkig....!
Louise. (zingende) Ah! que les hommes sont méchants.
Caroline. Wie kon ook zoo iets verwachten?
Louise. Stil! en wenscht elkander liever geluk, dat u de oogen zijn
opengegaan; want die schelm was op weg, om eene van u, zoo niet beiden,
ongelukkig te maken.
Caroline. Ik wil niets meer van hem weten.
Clara. Ik ban hem voor altijd uit mijne gedachten.
Caroline. Ik zal hem zijn briefje verscheurd terugzenden.
Louise. Neen! nog beter: laat Clara het in eene enveloppe doen en
hem doen toekomen met de vermaning, van in 't vervolg liever in 't
geheel niet te schrijven;--want, zooals een oud philosoof zeer juist
heeft aangemerkt: woorden vervliegen, maar letters blijven. Zij kan
dan met de les van Vader Cats besluiten:
Twee op eenen tijdt te vrijen
Siet men selden wel bedijen.
De raad der vroolijke Louise werd gevolgd, en hare beide vriendinnen
hebben naderhand geen last meer van de aanzoeken des Luitenants
gehad. Tot verder naricht kan ik vermelden, dat de beminnelijke Clara,
het ware boven den schijn hebbende leeren op prijs stellen, thans de
bruid is van den achtingswaardigen Heer O., die zich gelukkig door eene
eerste weigering niet uit het veld heeft laten slaan. Louise speelt
nog trouw jassen met haar Oom, en dit stille leven, benevens den
omgang met hare lieve schoonzuster, begint hare schoolsche wildheid
wat te temperen. Caroline erlangt, sedert zij op zich zelve staat,
zachtjes aan meer vastheid van karakter. Aan minnaars ontbreekt het
haar niet; maar zij aarzelt nog eene keuze te doen. Hooren wij eens
iets meer bepaalds omtrent haar, wij zullen niet nalaten, zulks aan
onze Lezeressen mede te deelen.