HET CASINO.

De tijd der genoegelijke wintervermaken is eindelijk verschenen: de

huisgezinnen, welke de koude van December het langst getart hebben,

zijn de stedelijke huis-goden vroeger of later komen terugvinden:

de bezendingen der nieuwste modes zijn uit Parijs aangekomen, de

modemaaksters doen hunne winkels met de uitgezochtste waren pronken:

de koetsiers, in de bonte pelsen gestoken, hebben dag of nacht geen

rust meer, doch rijden van huis naar den Amstel, van den Amstel naar de

modemaakster, van de modemaakster naar huis, van huis naar de diners,

van de diners naar komedies, soupers, soirée's, concerten, ja naar de

welsprekendheid, (bijaldien er iemand leest die bij de groote wereld

bekend is). Kleedermakers en naaisters, schoenmakers en hoedenmakers

kunnen ter nauwernood al hunne kalanten voldoen: alles is in de eerste

kringen als ontwaakt uit den zomerschen slaap: alles is beweging,

woeling, drukte, gepraat, geroep, gekakel, gebabbel, gelaster.

Welk een heerlijk veld opent zich voor een opmerker? Geen jaargetijde

als dit is zoo rijk voor de nieuwtjes, de tijdingjes, de praatjes,

de intriges, de historietjes, de schandaaltjes. Overal hoort men

gefluister en geklap; overal ziet men gegluur en gelonk: het hoofd

wordt zoo opgevuld en gepropt met de menigte van logens en waarheden,

die door een gekoeskoest zijn voorgedragen, dat het geene moeite

meer is, de vertellingen te zoeken of na te sporen: maar wel om

die uiteen te houden en in eene bekwame schikking voor te dragen,

tot welk laatste wij echter niet gehouden willen zijn.

Dan, wat ook in dit seizoen stof tot gepraat moge verschaffen, er is

geen voorval dat de eerste coterie van Amsterdam zoo lang, zoo tot

walgens toe bezig houdt dan het Casino. Reeds in de lente van het

voorafgaande jaar, dadelijk na het sluiten der winterfeestvermaken,

begint men elkander met angstige oogen aan te zien en half bevend

toe te fluisteren, dat er in 't vervolg geen Casino meer zijn zal;

dat de onkosten te groot zijn; dat de helft der Sociëteit zich wil

afscheiden; dat de dansende heeren bedanken, en de etende het feest

alleen niet in stand kunnen houden enz. Anderen, minder afgeschrikt

door de gemaakte zwarigheden, houden staande dat alles op den vorigen

voet blijven zal, en dat er voor de afvallende leden genoeg nieuwe

zullen opkomen: anderen weder nemen een middelweg, en verhalen dat,

ja, het Casino zal instorten, doch als een Feniks veel schooner uit

zijne assche herrijzen zal, gelouterd van al het onreine, dat zijn

vroegeren luister is komen bezoedelen.--Deze woordenwisselingen duren

tot aan het begin van November: dan begint de hoop op een Casino in

aller hart veel schooner dan ooit te herleven: doch nu is de vraag

welke commissarissen de zorg van een zoo belangrijk vermaak op zich

zullen nemen: beurtelings worden alle rijke ingezetenen, alle hoofden

van groote huizen gedoodverfd; de heeren, aan welke hun gewicht in

de fatsoenlijke wereld aanspraak op dien post geeft, beginnen al de

zwarigheden en onaangenaamheden, daaraan verknocht, op te tellen, om

op zulk eene wijze dubbele eer en dank te behalen in geval zij de op

hen gevallen keuze aannemen.--Nu worden de convocatiën gedaan. Zes of

zeven heeren verschijnen daarop en representeeren de massa der leden;

bedeesd en verschrikt zien zij elkander aan; en willen uit elkanders

oogen lezen, wie de opengevallen commissaris-plaatsen vervullen

moeten. Een hunner waagt het eindelijk, binnensmonds den naam van een

der aanwezigen te mompelen; en als van de moeielijkste taak verlost,

haast nu elk der aanwezigen, met dien naam het stembriefje in te

vullen. De gekozene commissaris verbergt zijn genoegen onder een

scheven lach, haalt de schouders op, murmelt eene verontschuldiging,

die, als van zelf spreekt, niet aangenomen wordt, en laat zich de hem

opgedragene lasten welgevallen.--Vergenoegd komen de mans en broeders

terug; de minnaars, meisjes en Moeders zijn in de wolken; het vaderland

is gered! het Casino staat meer onwankelbaar dan ooit. Eene tweede

convocatie geschiedt; de voorgestelde nieuwe leden worden geballoteerd

en bijna eenparig aangenomen; die, welke bedankt hebben voor hun

lidmaatschap met verwondering rondgenoemd: de redenen dezer aftreding

onderzocht: de daad bij allen afgekeurd. "Deze," zegt men, "bedankt

omdat hij niet danst: nu, maar men moet betalers ook hebben:--die,

omdat hij een ongelukkige inclinatie heeft, en dat het hem te hard

valt, zijn meisje te ontmoeten en niet met haar te mogen dansen:

goed, maar hij moest toch lid blijven om er zijne zusters te kunnen

brengen, die nu geen cavalier hebben: die weder is in den rouw: ja,

maar hij kon die uitgaaf toch wel doen, toekomende jaar wordt hij

weder lid:--die heeft het te druk; maar hij moest blijven om het

Casino in stand te houden," enz.

Thans beginnen onder de Dames de vragen: "gaat gij naar het eerste

Casino?--denkt gij dat het brillant wezen zal?--wat doet gij aan?--zou

die en die er komen?--ik ben benieuwd of A en B. het weder zoo druk

samen zullen hebben?" en de antwoorden: "neen, op het eerste Casino ga

ik nooit, dat is nooit geanimeerd:--ik denk wel dat hij er wezen zal,

doch hij zal zich wel stil houden, omdat Papa C. er ook komt,--neen,

met A. en B. is het glad af.--Ik denk mijn japon van voorleden jaar

aan te doen en mij niet en frais te stellen," enz.

Dan, de dag van het feest, is eindelijk gekomen. Reeds van den vroegen

morgen af snorren Ferminet en Teissier in hunne cabriolets van de

eene schoone naar de andere; menige jonge vrouw, bij welke zij vast

beloofd hadden te twee uren te komen, zit vruchteloos tot negen uren

hen af te wachten; zij verwaarloozen de getrouwde dames, parce qu'elles

ont toujours la ressource des toques. Hoe klopt het hart der jonge

meisjes, die voor de eerste maal in de wereld verschijnen zullen,

op het gezicht der fraaie tooisels, welke haar aangeboden worden,

op het denkbeeld der op haar wachtende genoegens. Eindelijk zijn zij

klaar; de kapper is niet gekomen, doch de moederlijke handen hebben

haar werk gedaan; hoe juicht die verrukte moeder, nu zij hare telg,

geheel naar haren zin, zoo lief en bevallig voor haar ziet staan;

hoe oplettend gaat zij het gansche toilet nog eenmaal na, om alles

weg te ruimen wat misstaan mocht, om alles bij te brengen wat

meer aanlokkelijkheid geeft. Eene slede houdt voor de deur stil:

het is de oude grootmoeder, welke haar petekind, haar juweeltje,

toch ook eens opgeschikt zien wil: het lieve meisje gaat voor haar

staan, draait en wendt zich om en om, verhaalt van wie zij die kam

ontving, hoe mama van hare eigene bloedkoralen een snoer voor hare

dochter afgestaan heeft: waar zij de bloemen gekocht heeft, die het

eenvoudig kleed garneeren, enz. Grootmoeder hoort dit gesnap, en ziet

het onschuldige hartje aan met dat melancholieke genoegen, hetwelk

den gevorderden leeftijd bevangt bij het aanschouwen van de jeugd

in al hare kracht en verbeelding. Nu komen ook de jongste zusjes en

broertjes om Marie te bewonderen: "hé wat is Mietje mooi! ga je naar

't Casino, Mietje? Zal ik ook zoo mooi wezen mama, als ik groot ben

en naar 't Casino ga?" hoort men de kleintjes nu uitroepen.

Het is acht uren geslagen: ik verlaat dit huiselijk tooneel, en snel

naar den Garnalen Doelen, waar nog maar alleen de Commissarissen

gereed staan om de dames in te leiden; en de recipiëerende vrouwen

om eene dienaresse aan de Heeren te maken.

Nog bibberen wij van koude in het tochtig en weinig comfortable lokaal:

doch dit is de schuld onzer voorouderen, welke meer gezorgd hebben

voor groote kerken dan voor groote feestzalen, en aan welke men het

verwijten moet, indien men zich met de lage, stoffige en koude kamers

van den Doelen vergenoegen moet.

Daar begint het geraas van koetsen, brommers en sleden; daar schaart

zich het nieuwsgierig gemeen om de deur van het Hotel, ten einde de

fraaie kleedingen te zien. Wie is die zwarte mantel, welke zich onder

dien volkshoop bevindt? Helaas! het is die ongelukkige minnaar, die

in het Casino niet verschijnen durft, en echter zijne onvergetelijke

zielsgodin bij het verlaten van haar rijtuig, al is het maar voor

een oogenblik, wil bewonderen.

De entreezaal wordt voller en voller: de heeren en dames scheiden

zich bij het inkomen van elkaar, en vormen twee afgezonderde groepen,

Wie is die vrijpostige, die het waagt, zich reeds dadelijk tot de

dames te wenden en om de gunst eener wals te vragen?--Dertig duizend

gulden aan jaarlijksch inkomen geven hem die stoutheid. De meisjes

zien hem steelswijze aan: arme schapen! hij is voor u verloren;

met het voorjaar gaat hij naar Parijs; en de aanlokkelijkheden der

groote stad zullen hem aldaar voor altijd kluisteren.

Een ander volgt hem, nog stoutmoediger dan hij. Van zijn inkomen zal

ik maar niet spreken; op zijn Stichtschen adel is hij hoovaardiger

dan de eerste op zijne rijkdommen.... doch wij zullen Langendijk

niet napraten.

Ter zijde wat, mijne heeren! daar komt Mevrouw X. aan: al de jonge

vrouwen regelen zich naar haar, wat kleeding, spreekwijze, kapsel

en manieren betreft: de heeren vliegen om haar als de vlinders om de

kaars: zij ontvangt hunne eerbewijzingen met een blik van protectie,

glimlacht en meesmuilt bij beurten, beschouwt zich zelve dikwijls met

welgevallen, en verbleekt op het gezicht van Mevrouw Y., die fraaier

garnituur heeft dan zij.

Bedeesd en beschroomd komt de jonge V. de dames ten dans vragen: de

nufjes zien hem naderen en verschuilen zich achter de andere dames,

of dringen zoo diep zij kunnen tusschen de menigte om zijn lastig

aanzoek te ontwijken. Eéne echter wordt door hem aangeklampt; dan,

ofschoon haar danskaartje nog bijna geheel openstaat, veinst zij zich

voor alle dansen geëngageerd: de arme sukkel keert verslagen terug;

hij ontdekt wel in het vervolg van den avond dat hij bedrogen is,

doch heeft het hart niet wraak te nemen of zich te beklagen.

Daar komt Mevrouw Z. binnen met hare dochters. Dezen hebben het vorige

jaar, in stilte en van alle vermaken verstoken, tehuis doorgebracht:

thans echter hebben zij hare belijdenis gedaan. God heeft het zijne

gehad: nu komt de beurt aan de wereld; want dat beider dienst zich

niet zoude laten vereenigen, is eene lang vergeten les; alles heeft

zijn tijd: godsdienstige gedragingen komen in de kerk te pas, doch zijn

allergevaarlijkst, verpestend, doodelijk voor den goeden smaak.... dan,

ik begin waarlijk te moraliseeren.... och neen! ik praat maar na.

Mevrouw Z. presenteert hare dochters aan de recipiëerende dames, en,

naardien Mevrouw Z. eene vrouw is, welke veel menschen ziet en hare

gasten uitmuntend ontvangt, spreekt het van zelf dat de meisjes een

bij uitstek gunstig onthaal genieten:--Clara slaat bedeesd de blauwe

oogen neder en durft ze niet naar Mevrouw V. te richten, hoe deze

ook door voorkomende vriendelijkheid haar zoekt gerust te stellen:

Corinna daarentegen snapt en keuvelt, totdat een blik van mama haar

blozend doet ophouden.

Daar laat de muziek zich hooren: daar beweegt zich de opeengepakte

massa: de cavaliers halen hunne dames af, de sjaals, palatines en

fichus worden aan de zorg der moeders of niet dansende zusters

toevertrouwd; de andere dames trachten eene goede zitplaats te

verkrijgen, en de wals begint.

"Met wie danst Henriëtte?" vraagt eene bezorgde moeder aan hare

buurvrouw. "Met een der nieuwe leden, geloof ik; ik heb hem ten minste

nooit meer gezien."--"Zoo! dat kan ik niet gelooven: ik heb haar

verboden met iemand te dansen, die mij niet gepresenteerd is."--"Wat

heeft Mejuffrouw S. een fraai garnituur topazen! Heeft haar vader eene

erfenis gekregen?"--"'t Is schande dat men zijne dochters zoo zwierig

opschikt als men zijne crediteuren niet betaald."--"Wat ziet Sijlvia

er zot uit."--"Hebt ge die veeren wel gezien van Mevrouw P., die komen

dan volstrekt niet met de rest van hare kleeding overeen."--"Zie eens,

hoe Annette zich aanstelt met dien Engelschman, en wat walst die heer

bespottelijk."--"Hebt gij mijn, Hansje al zien walsen? zij danst

al zeer lief."--"Zoo, waar heeft Mevrouw Q. dien nieuwen adorateur

opgedaan?"--"Hé, dat is al een oude kennis; maar hij komt niet meer

bij haar aan huis, want haar man.... (gefluister)"--"Het verwondert mij

dat Keetje nog dansen durft, zij is immers al drie maanden ver."--"Wat

zeg je van de historie van.... (gefluister) o het is alles weder in der

minne geschikt."--"Ja, dat is tegenwoordig mode; ik ga ook toekomende

jaar eens met een ander op het pad."--"Het verwondert mij hoe Juffrouw

N. zich nog durft vertoonen na wat in de familie gebeurd is."

Het wordt later; de speeltafeltjes worden opgezet en de bejaarde of

niet dansende lieden gaan zich met hombre en whist vermaken.

Wie zijn die twee jongelieden, welke in de quadrille al de passen

bederven, al de figuren in de war maken? Die heer is anders een goed

danser en de juffrouw eene der beste elèves van Guédon en naderhand van

Nys. Ach! zij vergeten de quadrille, den dans, de menschen, het casino:

zij hebben alleen oogen voor elkander. Deze dans is gedaan: Het meisje

zoekt een eenzaam hoekje: de jongeling gaat een anderen kant op, doch

alleen voor de leus: daar zitten zij naast elkander: zij praten, zij

gloeien, hunne oogen schieten vlammen, hunne.... onvoorzichtigen! hoe

afgelegen gij zit, morgen weet de geheele stad, hetgeen gij vruchteloos

voor indiscrete verspieders zoekt te bedekken.

Mijn goede mijnheer H., hoe loopt gij zoo de kamer op en neer? Is het

uwe vrouw, die gij zoekt? och! de limonade, welke gij haar brengen

wilt, komt te laat. Een ander is u reeds voorgekomen, en de conversatie

van dezen is uwer beminde veel te aangenaam, dan dat zij u voor uwe

vriendelijkheid dank zoude weten.

Hoe ziet gij zoo droevig, arme F.? Is uwe aangebedene schoone

niet gekomen? Mij dunkt, ik zie haar in gindschen hoek der zaal,

luidkeels lachende met hare vriendinnen.--Of is zij hedenavond niet zoo

vriendelijk jegens u als naar gewoonte?--Heeft zij haren arm voor het

souper u geweigerd? Ha! ik raad het al, nu gij zulke straffe blikken

op gindschen pronker werpt: gij hebt gedaan, arme F.! uw rijk is uit.

Wie zijn toch die meisjes, welke er zoo lief en innemend uitzien,

en welke niemand ten dans vraagt? Wacht daar gaat er toch een

heer op af.--Neen, hij kiest de mottige freule X. Wat mag toch de

reden van zulk eene dwaze handelwijs zijn? Die is zeer eenvoudig:

de freule is naar de mode; en al wordt zij tachtig jaren, zoolang

zij dansende blijft, zal zij uit routine gevraagd worden; die meisjes

daarentegen zijn met al hare bevalligheden en verstand weinig bekend,

en daardoor minder in trek.--O! zoo ik slechts jongere beenen had,

hoe gaarne zou ik die onbillijkheid goedmaken!

Hoe beminnelijk ziet Marianne er uit! Met al de verrukking der

zuiverste onschuld geeft zij zich aan de vermaken toe, welke hare jeugd

zoo eigen zijn. Hoe gloeien de rozen op hare frissche wangen! hoe

zwoegt haar wassende boezem! voor haar zijn op het gevaarlijk pad,

hetwelk zij betreden gaat, nog geene doornen zichtbaar, schoon

zij weet dat die zich aldaar bevinden; maar zij vreest die niet:

te rein is hare ziel dan dat het denkbeeld zelf aan afwijking van

hare plichtsbetrachting ooit bij haar op zoude komen. Eene brave

moederlijke vriendin heeft de uitmuntende zaden in haar ontkiemend

gemoed met overleg opgekweekt en tot heerlijken wasdom gebracht. Van

die vriendin door den loop der omstandigheden gescheiden, zijn de

gedachten van Marianne echter bij haar; en de vreugde, welke zij

thans smaakt, is te grooter wanneer zij zich het genoegen voorstelt,

die vreugde aan hare vriendin te zullen mededeelen.

Hoe mal zit gindsche zot te kijken! met de beide handen in den zak,

het hoofd op zijde, de beenen wijd uitgestrekt en vaneen gespreid,

en het bovenlijf overdwars gebogen. Nu en dan gaapt hij met eene

uitnemende gratie en fluit hardop, alsof hij in een paardenstal ware,

de muziek na. Heeft de knaap geene opvoeding gehad; acht hij zich van

de voorschriften der beleefdheid ontslagen? Of waant hij dat zijne

buffelachtigheid voor gracieux zal doorgaan? Zoo men hem aanmerkingen

wegens zijn onbehoorlijk gedrag doet, antwoordt hij met een lompen

jordaanschen vloek, dat hij daarvoor zijn geld betaald, en niet

verkiest om zich voor iemand te geneeren. Heet dit tegenwoordig dan

savoir vivre bonton? Waarlijk, dan zoude men de petits marquis uit den

tijd van Molière bijna terugwenschen; want al is geveinsde beleefdheid

slechts vleierij, zij is toch altijd beter dan geveinsde lompheid.

De speeltafeltjes worden weggeruimd, of liever in eettafels herschapen;

de jonge dames zoeken hare plunje wederom op en nemen de armen der

aanwippende heertjes: zij, welke geen cavalier vinden, klampen zich

aan hare voorgangsters alsof zij hansje sjokken speelden, en niet

zelden trekt een ridder zes à zeven dames als aan een touw de eetkamer

in. Nu ziet men rond naar eene aangename plaats. Helaas! de beste zijn

overal reeds genomen. Het spreekt van zelf dat de elegante Mina en de

bevallige Julia, dat de trotsche Margaretha en de rijke Bertha (welke

vier altijd samen partij maken,) de heeren vragen, in plaats van door

dezen gevraagd te worden het spreekt van zelf, zeg ik, dat dezen de

beste plaatsen voor zich en voor hare uitverkoornen genomen hebben. En

waarom, vraagt men nu, hebben deze dames aanspraak op eene betere

plaatsing dan anderen? Zijn hare mans Commissarissen? Neen.--Doen zij

de honneurs? Geenszins.--Wat dan? Wel, zij brengen er zich zelven,

is dit niet genoeg? Zij verbeelden zich in goeden ernst, dat zonder

haar het Casino onmogelijk zoude kunnen bestaan: verbeelden zich dit

en niet zonder reden; want elke gekskap zegt het haar: intusschen zijn

het vier ijdelheden, die men zonder den fraaien opschik, de paarlen,

de juweelen de kanten enz. enz., waarmede zij behangen zijn, als

volkomene nulliteiten zoude aanmerken.

Men schuift door: men dringt, stoot, roept, hemt, duwt, kijft, geeft

stoelen aan, zet tafels bij, langt borden aan, laat wijn komen, en

begint te eten. De tafeltjes leveren wederom een groot verschil op:

aan het eene praat men: aan een ander lacht men: hier vrijt men:

daar gluurt men: hier werken de oogen: daar de handen: ginds de

voeten: hier eet men: daar drinkt men: hier wordt gerammeld: daar

gezwegen. Eene tafel, waaraan acht heeren zitten, is de stilste van

alle: de verveling is op elks gelaat te lezen. Dan deze, waaraan zes

jonge meisjes, doch welke reeds meer Casino's beleefd hebben, zich

door eenige studenten tot het proeven van Champagne laten overhalen,

en, angstig naar mama omziende, eens even de lippen aan het lekkere

vocht zetten, deze is een weinig luidruchtiger.--Wat hijgen en draven

die knechts, die heeren, die Commissarissen! Eén man slechts is

impassibel: het is de groote Weimer, die als een waakzaam generaal,

alleen de oogen overal laat weiden, en het oppertoezicht houdt.

Het souper is afgeloopen, en wordt door den luchtigen wals

vervangen. Zwaaiende en zuizende staat men op: luchthartig en gezwind

snort en snelt alles dooreen: Er is geen band, geen hindernis, geen

stijfheid, geen decorum meer. De vrijer, die vóór het souper het niet

zoude hebben durven wagen, het hem geweigerde meisje aan te spreken,

gaat nu brutaal weg met haar walsen, ja walst de ouders der schoone

bijna omver. De lokken der dames worden achter de haren weggestreken,

of hangen, als Meduza's kapsel, in 't rond: de jabots verliezen plooi

en witheid: de bloemen zijn verflenst: de cabretten handschoenen

laten, door scheur op scheur, de meerdere of mindere blankheid der

handjes beschouwen: en aan hem, die thans eerst de zaal binnentrad,

zoude het geheel, dat zij nu oplevert, geen bekoorlijk, neen, maar

veeleer een aanstootelijk schouwspel vertoonen.

De tijd verloopt: de bouillon wordt alom ingezwolgen: de meesten

der aanwezigen vertrekken of nemen geen deel aan den dans meer: de

cirkels der walsen, de omvang der quadrillen verwijden zich, alleen

de onvermoeide springers huppelen nog op het maatgeluid en vermaken

zich des te meer, naarmate zij meerdere ruimte hebben verkregen. Dan

alle aardsche vreugde moet een einde nemen, en de schrikkelijke wenk

van den dansmeester kondigt het besluit der laatste Santeuse aan:

nu worden mantels, sjaals, doeken, palatines, enz. door de bezorgde

moeders en nog bezorgder minnaars opgezocht, de heeren steken zich

in den ruigen schanslooper of pyjakker, of omhangen zich met den

breeden, met fluweel gevoerden mantel, en halen de sigaar voor den

dag, die hen naar huis moet verzellen. Overal buigt en neigt men:

de sleepers rijzen uit hun slaap en uit hunne sleden op en staan aan

de voordeur vergaderd: de benedenzaal van Weimer is te klein om al de

menschen te bevatten, die tot nog toe vruchteloos op het voorkomen

hunner rijtuigen wachten: dan eindelijk raakt de een vroeger, de

ander later, in de voor hem bestemde equipage: en Morpheus houdt zich

gereed om den verkwikkenden slaap over de vermoeide leden van de hem

verwachtende dansers uit te storten.

Vertellingen van vroeger en later tijd · 第 34 / 51 题