Een bedrijf in eene samenspraak.
Clara (zit bij het open raam, aan een klein tafeltje, in een register
te schrijven: van tijd tot tijd dwalen hare oogen van het dikke boek
naar de straat: de klok slaat zeven uren.)
Reeds zeven uren en hij is nog niet eenmaal voorbijgekomen! Kom,
het is tijd, dat ik mijn arbeid staak. Mijne vriendinnen zullen
spoedig komen. En, ik weet niet waaraan ik het toe moet schrijven,
maar sedert eenige dagen wil het werk zoo goed niet meer vlotten. Ik
zet gedurig verkeerde cijfers.--Ik zal morgen niet aan het raam gaan
zitten; dan heb ik geene afleiding;--maar het is achter zoo donker.
(Terwijl zij het voorgaande zegt, of beter, denkt, heeft zij het boek
weggelegd en zich aan eene grootere tafel neergezet, waarop zij het
theegoed in orde schikt. Vervolgens neemt zij eene groote werkmand
vol kousen en zet zich aan 't mazen).
't Is ook beter, dat ik zit te werken, wanneer zij komen, dan dat zij
mij met die registers bezig vonden. Zij zouden denken, dat ik het uit
affectatie deed. Daar wordt gescheld. Hier Fanny! gij wordt verzocht
niet te keffen tegen de dames.
Louise. (Binnenkomend). Bonjour Clara!
Clara. Dag Louise! hoe gaat het! en hoe maakt Oom het al?
Louise. (terwijl zij hoed en sjaal aflegt). Zooals doorgaans met het
been in 't kussen. 't Was eene uitkomst, dat ik bij u gevraagd werd,
want anders moet ik met hem jassen of piketten, van dat de dag nog
aan den hemel is tot aan het souper toe, en somtijds tot wij naar
bed gaan: recht vermakelijk!--Dag Fanny! Ben je van daag in een goede
luim?--He! wat laat het beest zijn tandjes weer zien.
Clara. Kom je zoo alleen? Mij dunkt, Caroline had u wel kunnen
afhalen. Zij moet toch één weg met u uit.
Louise. Wel ja! afhalen! Denk je dat de paarden van mijnheer Z. een
omweg mogen maken.
Clara. Een paar grachten! 't Is wel de moeite waard om van te spreken.
Louise. Om geen geld van de wereld! Zoo hij één paard had, dan
zou het kunnen gaan; maar als men er zooveel heeft dan schikt dat
nooit. Let maar op, als zij er straks over begint. Stil! daar hoor
ik een rijtuig. Ja! daar is zij.
Clara. O! welk een allerliefste équipage!
Louise. Beeldige paarden, nietwaar? Net zulke beestjes als de Graaf
van B. had, met wiens dochter ik school lag, en waar wij mede afgehaald
werden als ik er eten ging; maar deze zijn beter onderhouden:--nu! dat
is natuurlijk.
Caroline (treedt binnen: de dames zeggen elkander goeden dag, en er
wordt over en weder naar den welstand enz. gevraagd).
Caroline. En ik hoor, Louise! dat uw oom weder eene àttaque van
podagra gekregen heeft.
Louise. Och ja! Ik geloof, dat hij ook al een losse jongen in zijn tijd
is geweest: en dat breekt hem nu op; want, zooals onze schrijfmeester
op school placht te zeggen: niemand krijgt meer dan hij verdient.
Caroline. Foei, Louise!--àpropos! ik heb eene boodschap bij u gezonden,
om te laten weten, dat ik u wel te huis zou brengen.
Louise. Dat is allerliefst van u: ik hoor, dat uw nieuwe coupé zoo
gemakkelijk is, en ik wil haar graag eens probeeren.
Caroline. Neen maar, ik krijg de coupé niet, ik ga met een slee heen.
Louise. (stoot Clara met den voet aan). Een slee! Nu! als oom zooveel
paarden op stal had als uw vader, zou ik hem wel beduiden, dat hij
mij geen slee stuurde.
Caroline. Ja maar, lieve meid! de paarden zijn van morgen al naar
de kerk geweest en van middag heb ik in de plantage gereden, en papa
moet morgen vroeg naar buiten om een verkooping.
Louise. Kom! er zijn er immers wel zes of acht bij u op stal.
Caroline. Nu ja, maar de nieuwe blessen moeten gemenageerd worden;
en gij wilt de chaispaarden niet voor de coupé spannen?
Louise. Als ik meerderjarig ben en mijn geld binnen heb, zal ik doen
als mijn broer Willem: die heeft twee paarden; maar zij rijden den
heelen dag.
Caroline. Dat is mogelijk; maar wanneer men zijn boel wat netjes
wil houden....
Clara. Allebei suiker en melk, nietwaar?
Caroline. Als 't u belieft. En hoe maakt uw vader het, Clara?
Clara. Wel; maar hij heeft het bijzonder druk; ik zie hem nauwelijks
als aan tafel en wanneer wij collationneeren.
Louise. Zoo! dan heeft hij toch tijd om zijn twaalf-uurtje te kunnen
gebruiken. Hij zal ook als oom, op zijn koffie gesteld zijn.
Clara. Je verstaat mij verkeerd. Ik bedoel, wanneer wij de minuten
vergelijken.
Caroline. Daar begrijp ik niemendal van.
Louise. Uw vader is toch geen horlogiemaker geworden?
Clara (begint aan de dames uit te leggen wat zij door collationneeren
en minuten verstaat. Hare vriendinnen houden zich, uit beleefdheid
of zij haar begrijpen.)
Clara. Wat een allerliefst patroon! Wat moet dat worden? Een
lampekleedje?
Caroline. Neen: een rand voor het tapijt van de groote zijkamer buiten.
Clara. Hemel! welk eene onderneming! Een rand voor die groote kamer!
Caroline. Maak je ook veel tapisseriewerk?
Clara. Ik?--Neen, waarlijk niet: ik heb geen tijd. En wat maakt
gij Louise?
Louise. Een kruintje voor een mutsje voor het aanstaande kind van
mijn schoonzuster.
Clara en Caroline. Charmant! Allerliefst! enz. enz.
Clara. Ik durf mijn werk haast niet voor den dag halen.
Louise. He! wat een kousen!
Clara. Ja! Ik weet niet hoe mijn vader doet. Hij is een best man;
maar hij verslijt schrikkelijk veel kousen.
Louise. Net als oom. Dat komt van die pantoffels.
Caroline. En waarom laat je die niet mazen? Vind je dat werk zoo
vermakelijk?
Clara. Neen; maar dat mazen kost een schrikkelijken boel geld, en of
ik dit doe of wat anders is wel hetzelfde.
Louise. Je doet het keurig netjes, dat moet ik zeggen.
Caroline. Ja, uw werk is meer nuttig dan het onze: enz. enz.
Louise. Wel Caroline! Ben je niet in den derden hemel, nu de ma chère
afgetrokken is?
Caroline. Foei Louise! 't Is mij wel een ijselijk vide, nu zij weg
is. En het spijt mij inderdaad.... als men zoo aan iemand gewoon is....
Louise. Ja! maak mij dat niet wijs. Ge vindt het misschien amusant
van zoo den godganschelijken dag te hooren: tenez vous donc droite:
n' appuijez pas le coude sur la table: prenez du pain dans votre main
gauche. En dan te moeten vragen: Mademoiselle, est-ce que j'ose avoir
de cici? Mademoiselle, est-ce que j'ose faire cela?
Caroline. Dat is geen Fransch: en Juffrouw Siloin sprak zeer goed
Fransch.
Louise. Dan is zij wel de eerste van alle gouvernantes, die niet van
est-ce que en j'ose sprak.--En hou je de correspondentie trouw aan?
Caroline. O! spreek er mij niet van. Ik moet haar volstrekt schrijven;
maar ik heb niets geen plezier in 't brieven schrijven.
Clara. Heb je goede tijding van haar?
Caroline. O ja! maar zij heeft het ongelukkig getroffen; want de
tante bij wie zij zou gaan inwonen, kan haar nog niet ontvangen:
en met haar broeder harmonieert zij beter van verre dan van nabij:
en nu heeft zij eene kamer moeten huren bij een slager, waar zij
's nachts niet slapen kan van 't geweld, en waar het heel vuil is;
maar er is een oude neef van haar, die haar tot gezelschap wil hebben.
Louise. Nu 't is heerlijk! Ja kijk! die dames hebben altijd, als zij
hier zijn, een pietlut op haar lijf nog zoo: niets is haar goed genoeg,
en altijd roemen zij op haar dierbaar land: alsof zij er niet blijven
zouden, wanneer zij het er zoo goed hadden. En komen zij dan te huis,
dan is het ellende met zuur bier. Hier willen zij op zijn best een
theedoek aanvatten: en daar kunnen zij zelven hare kamer stoffen.
Clara. 't Is waar: maar ik beklaag die menschen toch; want al hebben
zij het hier nog zoo goed, zij zijn toch altijd in eene afhankelijke
positie: ik schrobde toch ook liever de straat, dan dat ik van vreemden
af moest hangen, enz. enz. Wil je nog een koekje, Caroline!
Caroline. Ik weet niet of ik wel durf: Ik ben niet gewoon, iets bij
de thee te gebruiken.
Clara. Kom, doe het maar; Juffrouw Siloin ziet het niet.
Caroline. Ik bemin dat gebak anders zeer.
Louise. Ik bemin dat gebak: je l'aime beaucoup! Wel mijn lieve
Caroline! Spreek liever Fransch. Ha! ha! die is goed!
Caroline. Nu dan: ik hou er van.--Maar 't is waar, ik ben zoo gewend,
van in 't Fransch te denken, dat ik de Fransche uitdrukkingen wel
eens letterlijk vertaal.
Louise. Apropos van beminnen. Vertel ons eens Clara-lief! Wij zitten
hier toch onder ons: is het waar, wat mij verhaald is? Heb je Mijnheer
O. bedankt?
Clara. Men weet ook alles. Wie heeft u dat nu weer overgebabbeld? 't
Is waar; maar ik wilde, dat men er niet over sprak. De Heer O. is
zulk een achtenswaardig man.
Louise. Ja; maar ik geloof dat hij een pruik draagt. Ik zou geen man
willen hebben, die een pruik droeg.
Caroline. En hij is al zoo oud.
Louise. Neen; zoo heel oud niet. Even over de dertig; maar een pruik
draagt hij: en men kan ook wel nagaan, waarvan hem al het haar zoo
uitgevallen is.
Caroline. Hoe dat? Ik versta u niet.
Louise. Niet?--Neen. 't Is waar: Juffrouw Siloin zal u dat niet
verteld hebben.
Clara. Louise! Ik geloof, dat gij al rare dingen op school geleerd
hebt. Maar ik heb altijd gehoord, dat de Heer O. een man was van
onbesproken gedrag.
Louise. En hij heeft geld ook.
Caroline. Is hij het niet, die dat lieve wagentje met die
kaneelkleurige paardjes rijdt?
Louise. Juist! En hij heeft, hoor ik, uitgestrekte goederen bij
Doetinchem.
Caroline. Doetichem! Waar ligt dat? dat heb ik nooit hooren noemen.
Louise. Wat! weet je niet waar Doetichem ligt? O! ik dacht er niet
aan. Je zult zeker beter te huis zijn in les Cantons.--Maar onder
ons gezeid, lieve Clara! de menschen zijn verwonderd dat gij hem niet
genomen hebt.
Clara. Inderdaad?
Louise. Wel ja! Iemand, die een lief vermogen en veel verstand heeft,
en er niet kwaad uitziet.
Clara. Ik kan mijn vader zoo niet alleen laten.
Caroline. Maar mij dunkt, uw vader zal wel in zijn schik zijn, als
gij een goede partij deedt.
Clara. Daar heb ik waarlijk mijn naaldenkoker boven laten
liggen.--Excuseert mij: ik kom zoo weer terug.
Louise. 't Is larie van dien naaldenkoker, zij loopt weg, omdat zij
er niet meer over hooren wil.
Caroline. Maar wat verwacht zij dan beter, dan dien Mijnheer O.? Zij
heeft immers geen fortuin hoegenaamd.
Louise. O! dat weet je zoo niet. Haar vader kan haar niet missen. Zoo
zij het huis uitgaat, moet hij zich dadelijk een klerk meer
aanschaffen, zij doet bijna al het schrijfwerk.
Clara, (terugkomende.) Caroline! Speel je nog veel piano?
Caroline. O ja. Ik heb laatst op mijn verjaardag een charmante piano
gekregen:--die moest je eens komen zien.
Clara. Ja! ik wilde wel, dat ik er een had; al was zij zoo heel
uitheemsch niet; maar er is hier geen plaats om haar te zetten. Ik
ben alles vergeten, wat ik geleerd heb: 't is een eeuw geleden,
dat ik muziek heb gehoord of gezien.
Caroline. Nu! Ik zal u eens meenemen naar de Fransche komedie, als
men een mooie opera geeft.
Clara. Ga je nooit naar de Duitschers?
Caroline. Ja! ik ben er verleden winter een paar keer geweest, maar
dat is mij te geleerd; en ik ken er niemand.
Louise. Oom wil niet hebben, dat ik naar de Fransche komedie ga;
hij zegt, dat zij daar zulke indecente stukken geven. Maar wat zou
dat? dan houden wij ons maar of wij het niet begrijpen.
Caroline. Ik begrijp het ook waarlijk niet.
Louise. Juist! zoo moet je zeggen....; maar wat ligt daar voor
een boek?
Clara. Dat is een roman, dien mijn nicht B. mij gezonden heeft,
Ik heb er nog niet veel van gelezen; maar het begin is heel grappig.
Louise. Laat zien.... un bon enfant.... Wel zoo Clara! mag je de
romans van Paul De Kock lezen?
Clara. Och! ik heb zooveel omhanden, dat ik het weer vergeten ben
als ik het uit heb. En dan heb ik liever wat vroolijks, daar ik om
lachen moet, dan al die hoogdravende of treurige boeken.
Louise. Maar hoe vindt je nog tijd om te lezen?
Clara. O! er is tijd voor alles: 's morgens aan het ontbijt lees ik
stichtelijke boeken en 's avonds wat grappigs.
Louise, tegen Caroline. Heb je de romans van Paul De Kock al gelezen?
Caroline. Neen; die mag ik niet lezen.
Louise. Kom! kom! als je naar de Fransche komedie moogt gaan, dan
zullen u die ook geen kwaad doen. Wat lees je dan?
Caroline. Ik heb Trevillian geeindigd en ga nu Godolphin lezen.
Louise. Nu dat is zeker stichtelijk! dan hou ik het met Paul De Kock.
Clara. Ik ook. Ik heb wel hooren zeggen, dat die heel gekke boeken
minder schadelijk zijn, dan die, waarin de hartstochten op eene
meer bevallige wijze worden geschilderd: omdat de laatsten dieper
indruk nalaten.
Louise. Ja! schadelijk of onschadelijk: ik weet voor mij zelve wel
wat mij kwaad zal doen of niet. Bij ons op school mochten wij ook
geene andere boeken hebben, dan die mevrouw X. ons gaf; maar wij
wisten er wel raad op.
Caroline. Hoe deedt je dan?
Louise. Er kwam driemaal in de week een dansmeester uit de stad:
die bezorgde ons boeken uit een leesgezelschap.
Clara. 't Zal een verheven keus van lectuur geweest zijn.
Caroline. Foei!
Clara. En hoe deedt je dan om die onopgemerkt te lezen?
Louise. O! dat ging zeer goed:--ik sliep met nog drie meisjes op een
klein kamertje apart. Als wij in bed waren, werd het licht weggenomen,
maar dan leverde elk op zijn beurt een waskaars. Die werd op een flesch
gezet en met een lucifer aangestoken, en dan lagen wij in bed te lezen,
tot wij slaap kregen. En ook als Mevrouw niet in de schoolkamer was,
dan hielden wij de boeken op den schoot, en keken daarin, in plaats
van op ons werk.
Caroline. En werd dat nooit gemerkt?
Louise. O! eens:--dat was een grap. Juffrouw Faribole, de secondante,
was er achtergekomen; maar terwijl zij bezig was ons geducht de les te
lezen, kwam de meid binnen met een klein mooi ingebonden boekje, dat
zij op de trap gevonden had en vroeg aan wie het behoorde. Juffrouw
Faribole schoot dadelijk toe, als een visch door het water, om het
aan te nemen; maar het was reeds, uit gedienstigheid, zes of zeven
handen doorloopen en de titel overluid gelezen. Het waren de Contes
de Lafontaine. Sedert dat oogenblik sprak zij geen woord meer over
ons lezen.
Caroline. Lafontaine! maar ik heb altijd gehoord, dat die een heel
goede schrijver was; ik heb ten minste fabels van hem gelezen.