Ketel-Boeter (Een vriend van Elsjes man.)

Ja heer officier, maket doch dat niemant en weet

Haer bedreven leet, men salt u wel betalen.

Jaep.

Voor mijn deel beloof ick u twee silveren schalen,

Daar voor sonder langh dralen, u sal meê vereeren.

Boer (De man van Elsje).

En ick zal met een vetten os u keucken stoffeeren,

Op dat daarin mijn wijfjen mach blijven van dees daet,

En siet Elsge dat ge sulcken spel voortaen laet,

Of 'k soude worden quaet en het u niet vergeven.

Elsje.

Och Frans 'k en sal niet weer doen van al mijn leven,

Ik salder voor beven, en houden mij soo 't betaemt.

Officier.

Op hoop van beterniss ben ick te vreden met 't geen ghij raemt,

Daarom voortaen u schaamt van sullicx meer te plegen,

Doch eer dat wij oprijderen onze wegen,

Soo laat ons ter degen geven een stichtige leer

Van 't geen bij ons hier is voorgedragen weer. enz.

Gij ziet het, dezelfde magistraatspersoon, die hier voor een os en een

paar schalen het recht verkoopt, spreekt de zedenles van het stuk uit:

een klaar bewijs, dat feiten, waarvoor men heden ten dage een rechter

volgens de Wet zou straffen, en aan de openbare verachting prijsgeven,

toen als zeer natuurlijk en geoorloofd beschouwd werden.

En wat de Praktizijns betreft, dat er in onze dagen ook kaf onder het

koren schuilt, zal ik niet weerspreken; maar over 't geheel koestert

men achting voor den stand van Advocaat en van Procureur. Doorloopt

de kluchten van de eerste helft der zeventiende eeuw en ziet, hoe

men er toen over dacht. Moeten wij de helft gelooven van hetgeen wij

daar lezen, dan was de dronkenschap hun minste ondeugd en dan was de

beroemde Patelijn, bij de meesten van hen vergeleken, nog een heilige.

Hebben wij thans gelukkig eene betere samengestelde Balie, wij missen

ook twee zaken, welke men toen bezat, de politieke uitzetting en

een wettelijk stelsel van verklikking. De politieke uitzetting was

een recht, 't welk zich de Stadsregeeringen aanmatigden, om iemand,

buiten vorm van proces, binnen 24 uren de stad te doen ontruimen met

verbod van er weer in te komen.

Volgens het stelsel van verklikking, in 1652 uitgevonden door Jan De

Witt, werd aan den Procureur-Generaal en andere officieren gelast,

a. zich in de veerschuiten en anderszins te informeeren door expresse

personen op hen, die seditieuse propoosten voeren en uitbreiden;

b. de seditieuse personen aan de poorten te doen aanhouden; c. de

drukkerijen te bezoeken, en, daar zij werkelijke suspicie vinden, de

letters en personen na zich te nemen; d. bij notificatie alle goede

ingezetenen te animeeren en te waarschuwen om op zoodanige personen

regard te nemen en ze bekend te maken, met belofte van recompens.

Wij mogen waarlijk aan de tegenwoordige lofredenaars van Jan De

Witt wel vragen, hoe zij eene dergelijke Resolutie rijmen met

de hoedanigheid van liberaal, welke zij hem toekennen of met de

burgerlijke vrijheid, welke zij beweren, dat in die dagen bestond.

En nu de kooplieden? Waren zij zooveel gemoedelijker dan die in

onze dagen? Ik zal hier de archieven der O. I. Maatschappij niet

ontrollen; ik zou gewis te wijdloopig worden, maar ik vraag, of

men in onze dagen kooplieden zou vinden, die, ingeval van oorlog,

kruit en lood aan den vijand verkochten, zooals zij 't zich in de

dagen van Frederik Hendrik veroorloofden? Of, deden zij het al, zij

zouden zich er ten minste voor schamen en het antwoord niet geven,

't welk een Amsterdamsche koopman gaf, toen iemand hem dit landverraad

verweet en hem vroeg of hij dan met den duivel zelf negotie zou doen?

"Och!" zeide hij, "viel er wat aan te verdienen, ik zou er een gezegend

zeil aan wagen!"

Ik geloof hiermede te hebben bewezen, dat behoudens al den eerbied,

dien wij onzen voorouders schuldig zijn voor het vele groote, goede

en schitterende, dat door hen verricht is geworden, wij niet te

lichtvaardig noch in 't algemeen hen als modellen ter navolging aan

het nageslacht mogen voorstellen. Menschen blijven menschen d. i. te

zeggen, zwakke en zondige schepselen.

Vertellingen van vroeger en later tijd · 第 30 / 51 题