DE ZEDEN ONZER VOORVADEREN MET DE ONZE VERGELEKEN.

Een mijner geachte vrienden, aan wiens bekendheid met de vroegere

gewoonten, gebruiken, oudheden en maatschappelijke toestanden van ons

Vaderland de stad Amsterdam niet weinig verschuldigd is, vergastte

sommige onzer letterkundige kringen op een vertoog, waarin hij de

ingetogenheid en eenvoudigheid in handel en wandel van de voorvaderen

afschilderde en ten voorbeelde stelde. Na den afloop der vergadering

hem dankende voor het gehoorde, gaf ik hem te kennen dat al het door

hem bijgebrachte volkomen waarheid behelsde, doch dat ik niettemin zou

durven aannemen, op de eerstvolgende bijeenkomst eene verhandeling

voor te dragen, waarin ik juist het tegendeel zou bewijzen van

hetgeen door hem was betoogd, en alzoo tot eene uitkomst geraken,

lijnrecht met de zijne in strijd. Dit mijn eenigszins vermetel

beweren gaf natuurlijk stof tot een vriendelijken redetwist, die

echter uit hoofde van plaats en gelegenheid toen niet lang kon gerekt

worden. Ik had te dier gelegenheid op het aangezicht der weinige

getuigen van ons gesprek hunne verbazing meenen te bespeuren over

mijn blijkbaren twijfel aan de voortreffelijkheid in alle opzichten

onzer voorouders boven ons: eene voortreffelijkheid welke zij en wij

allen toch van kindsbeen af gewoon zijn geweest, zoo breed te hooren

uitmeten, en ik hield mij overtuigd dat zij mij verdacht hielden,

uit zucht tot plagerij of tegenspraak een grillige paradox te hebben

opgeworpen. Dit had tengevolge dat ik werkelijk in 't naar huis gaan

mij zelven afvroeg, of ik mij inderdaad niet had laten vervoeren door

die zekere neiging, den lieden van levendige verbeelding ingeschapen,

om ook de ongerijmdste stellingen, zoodra zij maar iets aanlokkelijks

hebben, te verdedigen en daarbij aan het vernuft vrij spel te geven,

ten koste van de waarheid en het gezond verstand;--ja of inderdaad

het door mij beweerde geen paradox was. Dan, hoe meer ik nadacht en

peinsde over de zaak, hoe meer zich nieuwe gronden ter bevestiging

mijner stelling voor mijnen geest opdeden, hoe meer ik tot de slotsom

geraakte, dat, zoo werkelijk de vroegere tijdperken onzer geschiedenis

en bepaaldelijk die der zeventiende eeuw, zich vrij wat roem- en

luisterrijker voordoen dan het onze, het er echter verre af is, dat

men de zeden en gewoonten dier eeuw ons ter navolging behoeft aan

te bevelen. Het zijn de gronden voor die stelling, welke ik thans

voornemens ben aan het oordeel mijner lezers te onderwerpen.

Al dadelijk, wanneer wij den toestand der maatschappij in den

aanvang der zeventiende eeuw met dien van onze dagen vergelijken,

bekomen wij de overtuiging van een onloochenbaar feit, te weten,

dat de vormen der samenleving zich toen vrij wat minder beschaafd

en gepolijst vertoonden dan tegenwoordig. En geen wonder! men was

nog zooverre niet verwijderd van de dagen toen het vuistrecht boven

alles gold en er schier geene andere wet gekend werd dan die des

sterksten. Geene stad in ons Vaderland die niet, nog maar kort te

voren, en velen onder haar herhaaldelijk door religieveeten, door

burgertwisten, belegering, uitmoording, door het beurtelings uitwijken

en gewapenderhand terugkeeren harer wakkerste burgeren, geleden had:

geen dorp, waar niet de brand en alarmklok geklept, waar moord en

plundering en pijnbank niet gewoed hadden. Hoe zouden, onder zulke

omstandigheden en indrukken, de zeden een zachte, een beschaafde

plooi genomen hebben? 't Is waar, de wedergeboorte der letteren,

wetenschappen en schoone kunsten had haren invloed op de hoogere

kringen uitgeoefend en werkelijk schenen de toon en vormen aldaar op

de algemeene ruwheid een uitzondering te maken, maar inderdaad bestond

deze grootendeels niet veel meer dan in schijn. De hoffelijkheid en

zwier, welke men ten hove en in de omgeving daarvan, waarnam, waren

toen, evenals altijd, niet veel meer dan een vernis, dat aan de schors

een meer bevallig aanzien gaf, maar dat de kern onaangeroerd liet. En

dat liefelijke waas, 't welk geleerdheid en kunsten verspreiden, het

had nog geen tijd gehad, om tot de ziel door te dringen, het deed,

op weinige uitzonderingen na, evenzeer nog maar alleen de oppervlakte

aan. De beschaving der hoven, zoowel als de classieke beschaving,

beide waren niet veel meer dan een geleend zondagspak, waarmede men

zich bij feestelijke gelegenheden tooide, doch dat den mensch als

mensch geheel liet gelijk hij was. Wil men een bewijs? Men vestige

eens onbevooroordeeld en zonder conventioneelen bril te gebruiken

het oog op Hooft en zijne vrienden van het Muiderslot. Ik twijfel

er niet aan of zij wisten er zich ongemeen te vermaken, maar waarin

bestaat, wel beschouwd, hunne zoo hoog geprezene verfijning? Immers

grootendeels in loutere navolging, wij zouden bijna zeggen naäperij van

de gewoonten, vormen en spraakwendingen der ouden. Leest hunne brieven

en gedichten, althans, die, waarin zij hun best doen om zwierig of

aardig bij uitnemendheid te wezen. Vinden wij niet meestal Latijnsche

denkbeelden, in verlatijnscht Nederduitsch uitgedrukt? Treffen wij niet

telkens, en dat bij de ernstigste zaken, bij vriendschapsbetuigingen,

bij rouwbeklag, bij uitboezemingen, die alleen uit het hart moesten

voortkomen, iets aan, dat gemaakt, dat gekunsteld is, dat de natuur

uitsluit en de waarheid verkracht? En slaat nu die zelfde mannen eens

gade, wanneer zij de pronkgewaden van hoffelijkheid en classicismus

afleggen, om eens echt Hollandsch te wezen. Dan schrijft Hooft zijn

Warenar en Huijgens zijn Trijntje Cornelisz.;--beide allergeestigst en

vernuftigst;--maar bij de lezing waarvan wij toch al tot zonderlinge

gevolgtrekkingen moeten geraken ten opzichte der toenmalige begrippen

van betamelijkheid. Neen voorwaar, eene natie, welker vrouwen uit

deftigen stand een Warenar konden aanhooren zonder blozen,--hoffelijke

kringen, die behagen konden scheppen in het vertoonen der klucht van

Huijgens--die natie, die hoffelijke kringen verkeeren nog, ondanks

allen geleenden beschavingstooi, in een staat van zedelijke ruwheid.

Of, waren de hier genoemde kluchten uitzonderingen op den regel, en

juichte men die alleen toe, omdat zij door beroemde mannen als den

Drost van Muiden en den geheimschrijver van zijne Hoogheid geschreven

waren?--Uitzonderingen waren zij zeker, in zooverre als zij nog

modellen van kieschheid mochten heeten, vergeleken bij de morsige,

vuile, liederlijke voortbrengselen, die, hoe onschatbaar ook voor de

kennis der begrippen, zeden en gebruiken van die dagen, door niemand

zonder een gevoel van ergernis en walging kunnen gelezen worden. De

letterkunde is een spiegel van de beschaving eener natie; doch

waarlijk, als wij de kluchtspelliteratuur van die dagen nagaan, dan

bekomen wij van die beschaving al een zeer ongelukkig denkbeeld,--en

niet gunstiger wordt ons oordeel, wanneer wij, ons tot eene andere

soort van volks-letterkunde wendende, de pamfletten doorloopen,

over theologische of politieke geschilpunten gewisseld. De meest

freysinnige broodschrijver van thans maakt het op verre na met schelden

en lasteren zoo erg niet als de vrome theologen en deftige politieken

van die dagen.

En wel drong die ruwheid dan ook de schors uit en openbaarde zij zich,

wanneer het op handelen aankwam. Waar ziet men in onze tijden, gelijk

toen, de lieden beboeten, pijnigen, inkerkeren, bannen, geeselen,

hangen, radbraken, om overtredingen, welke men thans nauwelijks met

dien naam bestempelen zou? En mocht de beboete, de gepijnigde, de

gekerkerde, de gebannene, de gehangene, al verdedigers vinden, mocht

men hem als onschuldig, als ten onrechte veroordeeld beschouwen,

niemand was er, die in 't afgetrokkene de straf onevenredig aan

het misdrijf oordeelde. Wil men bewijzen? Ik behoef er maar één

aan te voeren, doch dat reeds luide genoeg spreekt. Het lot, dat

's Lands Advocaat, J. Van Oldenbarneveld, trof, zal het mij aan de

hand doen. Ik wil hier in geen betoog treden over zijne schuld of

onschuld: maar zeker is het dat in onze dagen een Minister, al gaat

hij eens wat buiten 't spoor, er gemakkelijker afkomt. Hevig was de

verontwaardiging, hevig de verbolgenheid van 's mans aanhangers over

het tegen hem geslagen vonnis, maar toch, de afkeuring van dat vonnis

vloeide alleen voort uit de veronderstelling dat hij niet strafschuldig

was: en aan niemand kwam het in 't hoofd te beweren, dat, indien hij

werkelijk bedreven had wat men hem ten laste leide, hij niet, ondanks

alle vroegere diensten, aan den Staat bewezen, dubbel en dwars den

dood zou verdiend hebben. Wat wij alzoo uit de voorbijgegane dagen

terug mogen wenschen, zeker niet de lijfstraffelijke rechtspleging.

"Goed" zal men zeggen, "maar bij die ruwheid, welke in onze voorouders

niet te miskennen valt, waren zij toch matiger, ingetogener,

eenvoudiger, zedelijker dan onze tijdgenooten." Waren zij dit

inderdaad? Laten wij dit eens punt voor punt onderzoeken.

Waren zij matiger? Ik weet het niet; maar ik geloof dat op het punt

der dronkenschap alleen onze eeuw zich gunstig van de zeventiende

onderscheidt. Men loope eens een winkel van antiquiteiten binnen, men

beschouwe eens de glazenkasten bij de nakomelingen onzer voormalige

Patricische huisgezinnen, of de eigendommen onzer godshuizen,

Doelens, Dijk- en Polderbesturen, enz. en men lette op den omvang en

inhoudsruimte der bokalen en fluiten, die uit vroegere eeuwen zijn

overgebleven. Of twijfelt men er aan, dat die roemers, die anderhalve,

soms twee of meer flesschen bevatteden, ooit geledigd werden? Eilieve,

er leven nu nog menschen van gevorderden leeftijd, die zich herinneren,

zulks of zelven gedaan te hebben, of te hebben gezien of gehoord hoe

zulks door anderen was gedaan geworden. Neen voorwaar, wat men nu

van drinken prate, het was de zeventiende eeuw vooral, die van deze

kunst eene wetenschap maakte. Wie twijfelt, hij leze maar o. a. de

volgende regels uit de Wonderwerken van Bacchus van Pers:

Veel menschen zijn alleen, ja schijnen slechts geboren

Opdat sij in de lust haer leven lang versmoren:

Wien 't swelgen is haer wit en 't suypen haer vermaak

Haer alder-grootste vreughd en aengenaemste saek.

Al wat haer breyn vermagh, of konstigh weet te dencken,

Om zelf een sober man in sijn vernuft te krenken,

Wordt kloeklijck hier versiert: hier brenght men voor den dagh

Een Meulen die men blaest en niet versetten magh,

Of daer men nae 't getal de uren weet te tellen,

Of soo de teerlinck loopt syn nagebuur te quellen,

Het sy op acht of tien, of so de uren staen,

So vele worter mee aen elck bescheijd gedaen.

Of noch een ander vond, een beker om te henssen,

Een horen na de hoest, dat moet men dan uitflenssen,

En suypen dat men steent, en puil-ooght om den kop,

En daer past dan terstont een barckemeyer op.

Hier is een schuyt of schip, daar een Boerin geladen,

Hier moet de ballast uijt of in den emmer baden,

So lang de belle klinckt, so mach het aen de mond,

Of anders moet de kroes noch eenmael tot de grond.

Wellicht zal men meenen dat dit zwelgen van bekers en roemers iets

buitengewoons was, 't welk alleen bij bijzondere gelegenheden plaats

vond, en dat men in het dagelijksche leven over 't algemeen matig en

ingetogen was. Het is mogelijk; maar even als de mannen nu naar de

sociëteit gaan, gingen zij toen naar de herberg en zij dronken er vrij

wat meer dan heden ten dage gebeurt, nu in de meeste dier plaatsen van

vereeniging meer water met suiker dan wijn gebruikt wordt,--en wat de

vrouwen betreft, wáár in ons land gebeurt het thans, dat zij zich tot

wijndrinken vereenigen, als dezelfde Pers in 't aangehaalde werk haar

verwijt dat zij deden in zijnen tijd? En gewis zoude die schrijver

het niet noodig geoordeeld hebben, twee uitvoerige gedichten tegen de

dronkenschap te schrijven, indien die ondeugd niet zoo algemeen ware

geweest. Hoe de adel daarbij de gemeente voorgegaan was, behoeven wij

nauwelijks te herinneren: de brieven van Hendrik van Brederode riekten

naar den wijn, en zijne meeste daden waren in overeenstemming met

zijne brieven! Hohenlo, die nietige zwager van den grooten Maurits,

was zelden nuchteren, en zelfs de bedaarde bedachtzame Willem I was

niet afkeerig van een "Duitschen dronk". Verlangt men echter nog

een sterker sprekend staaltje van de zoogenaamde matigheid van die

dagen? In de reglementen van den Hove van Holland niet alleen, maar

van onze meeste Baljuwschappen kan ieder het met zijne eigene oogen

lezen, hoe aan de Taalmannen en Advocaten gelast werd, niet anders

dan nuchteren voor de Vierschaar te verschijnen; zij waren alzoo

in den regel niet nuchteren, anders zou het bevel geen beteekenis

gehad hebben; en gewis moet de gegeven ergernis al heel groot zijn

geweest, dat men zijne toevlucht moest nemen tot eene bepaling,

die in onze dagen als eene duldelooze beleediging door de Balie zou

worden opgenomen.

"Maar," zullen onze afschaffers zeggen: "'t was toen alleen aan wijn

dat men zich te buiten ging, en dat is heel vergeeflijk; doch toen

was men nog onbekend met de gruwzame jeneverpest." 't Is waar, wij

lezen bij de oude schrijvers niet van jenever, des te meer echter

van koren- brandewijn en Pers vergeet in zijne Suijpstad naast de

tempelen van Bacchus en Bierana ook dien van Brandemoris niet.

"Kan men niet ontkennen, dat de dronkenschap van onze voorouders vrij

algemeener was dan tegenwoordig, in andere opzichten toch was hunne

levenswijze meer matig en ingetogen."--Zoo is men gewoon elkander na

te praten en dan worden doorgaans de voorbeelden er bijgehaald van

De Ruijter, die als een burgerman leefde en van Jan De Witt, die maar

één mannelijken dienstbode had.--Krachtige bewijzen inderdaad! Wat De

Ruyter betreft, die als kind nooit weelde gekend en van jongs af op

zee gezwalkt en zich met scheepskost gevoed had, ik wilde wel eens

weten, waar hij den smaak van fijne spijzen zou hebben opgedaan,

of hoe hij zich in eene weelderige levenswijze zou hebben kunnen

schikken? Hij was door afkomst, door opleiding, door neiging, een

man uit de volksklasse en noch hoogen rang in den zeedienst, noch

ridderkruis of hertogstitel konden van hem iets anders maken dan hij

was: zijn voorbeeld bewijst dus niets. Maar Jan De Witt dan? Die

was toch een volbloed aristocraat, die leefde in Den Haag in de

groote wereld en had in weerwil van dat alles maar éénen knecht! Ik

zou kunnen antwoorden dat de meesten onzer tegenwoordige Ministers

er ook niet meer hebben;--maar ik wil den schijn niet aannemen die

Heeren te vleien, door hen met Jan De Witt te vergelijken. Ik zal

eene andere vraag doen: toont juist het gestadig ophalen van dat

feit, dat de groote Raadpensionaris maar één knecht had, niet aan,

dat men zulks iets vreemds, iets ongewoons achtte? Werd het niet zelfs

door zijne vijanden als een bewijs, niet van eenvoudigheid, maar van

schrielheid aangemerkt? 't Is waar, zij verweten evenzeer aan Cornelis

De Witt zijne praalzucht, dat hij zich met een dozijn bont opgeschikte

lijfwachten tot den tocht tegen Engeland inscheepte, en moge Jan De

Witt dan maar éénen knecht gehad hebben, die bij extra-gelegenheden

eene livrei aantrok en achter op eene huurkoets stond, de leefwijze in

Den Haag was in zijn tijd en reeds onder Frederik Hendrik alles behalve

eenvoudig. Zeker volksvertegenwoordiger vertelde, nu een jaar geleden,

ter gelegenheid van eene der discussiën over de tafelgelden des

Ministers van Buitenlandsche zaken dat men, toen de Triple Alliantie

gesloten werd, geen festijnen gaf. Gemelde volksvertegenwoordiger--ik

ben gelukkig zijn naam vergeten--toonde al bijzonder weinig kennis

van literatuur of historie te hebben. Van literatuur: want had hij

de Media Noche van onze vriendin Bosboom-Toussaint gelezen, hij had

niet langer in den waan verkeerd, dat de diplomatie in de zeventiende

eeuw de hulp van gast- en feestmalen ontberen kon; van historie:

of hij had uit Gowwille, uit St.-Simon, uit madame De Sévigné,

uit zoovele anderen, kunnen lezen of men ergens iets belangrijks

zonder gastmalen verrichtte. Doch wat haal ik Fransche schrijvers

aan? Leest onzen Valkenier, waar hij zegt: "De spijzen smaken niet,

zoo ze niet met een Fransche saus zijn overgoten en naar Fransche wijze

toebereid. Tot inkoop van wijnen en delicatessen worden jaarlijks vele

millioenen vervoerd, vooral naar Frankrijk, hetwelk ze ten verderve

van Nederland misbruikt."

't Is waar--om nog eens op de mannelijke dienstboden terug te komen--in

Amsterdam hadden de aanzienlijkste ingezetenen er in de zeventiende

eeuw ook maar één of hoogstens twee, om de doodeenvoudige reden dat

men, volgens de stadskeuren, in Amsterdam niet dan met sleden rijden

mocht, het houden van rijtuig er dus van zelf verviel en koetsiers

of palfeniers er geheel onnutte meubels zouden geweest zijn.

Over de kleeding behoef ik niet te spreken: ieder zal toestemmen

dat die der mannen in de zeventiende eeuw vrij wat zwieriger en

kostelijker was dan heden--en wanneer onze aanzienlijke vrouwen eens

recht fraai voor den dag willen komen, dan tooien zij zich met de

kanten en paarlen harer bet-overgrootmoeders.

Wat dit geheele punt der beweerde eenvoudigheid betreft, wij willen

het samenvatten in de aanhaling van wat Karel II, een bevoegd rechter,

in 1660 over Holland schreef: "Geene koopmanschappen te groot, geene

bruiloften te breed, geene Staten te aanzienlijk, geene huizen te

kostelijk, geene kleederen te opzichtig, geene fatsoenen te nieuw,

geene neringen te ergerlijk."

Deze laatste woorden leiden ons als van zelve tot de zeden. Waren

die ingetogener, dan zij het heden zijn?

Ik gevoel dat ik, deze vraag zullende beantwoorden, mij op glibberig

ijs begeve, want zij betreft veelal handelingen, die in 't verborgen

plaats hebben en zooveel mogelijk verborgen worden gehouden. Dit is

echter zeker, dat, wat het uiterlijke aangaat, onze eeuw voordeelig

afsteekt bij de zeventiende, en dus in allen gevalle toont, een grooter

gevoel van welvoeglijkheid te bezitten. Daarbij, de betrekking tusschen

de beide kunne is thans over 't algemeen van kiescher, van fijner,

van edeler aard. Bij het denkbeeld, dat wij ons vormen van het woord

liefde, brengen wij ons meer uitsluitend eene gemoedsneiging voor

den geest. Van zoodanige onstoffelijke, reine beweging des harten

schijnt men in het gulden tijdperk der zeventiende eeuw nauwelijks

een flauw denkbeeld gehad te hebben. Immers, leest--ik zeg niet de

vuile kluchten van die dagen, waarvan ik u integendeel de lezing

ten sterkste afraad--maar de gedichten van onze beste schrijvers,

van Vondel, van Hooft, van Cats, van Huygens, waar zij van minnarijen

handelen;--schier overal vindt gij de liefde voorgesteld als bloot

zinnelijke, schier dierlijke drift, of, poogt de dichter enkele

reizen van haar te gewagen als van een meer zuiveren hartstocht,

dan valt het terstond te bespeuren, hoe hij zich niet op zijn

gemak bevindt, zich geen recht helder denkbeeld van de zaak maakt

en zich moet redden door eene navolging der classieken, meestal

even gezwollen van stijl als onnatuurlijk van uitdrukking. Alleen

de wijze, waarop de huwelijksliefde bezongen wordt, maakt eene

loffelijke uitzondering:--maar hieruit volgt nog geenszins dat er

toen minder echtbreuk en minder schandalen plaats hadden dan later; de

schotschriften van die dagen zoowel als de jaarboeken der rechtbanken

kunnen het tegendeel bewijzen.

Maar de menschen waren over 't algemeen godsdienstiger, vromer

dan heden.

God alleen weet dit; maar op welke wijze uitte zich die

godsdienstigheid? In de ergerlijke religietwisten? In het gedurig

verketteren van elkander? In het vervolgen van andersdenkenden? Liever

over dat alles een mantel geworpen. Onze voorouders waren ten dien

opzichte geen haar beter dan wij.

Waar echte vroomheid huist, daar openbaart zij zich ook in handel

en wandel. En waren de denkbeelden aangaande het mijn en dijn, de

handelwijze van den mensch jegens zijn naaste in die eeuw zooveel

zuiverder, zooveel gemoedelijker vooral dan tegenwoordig? Laten wij

hier wederom den toetssteen der vergelijking bezigen.

Wij verheugen ons heden ten dage in het bezit van onbesproken

Rechtscolleges, en ik herinner mij niet, zoolang ik leef, een

Nederlandschen rechter te hebben hooren beschuldigen dat hij uit gunst

of gewinshalve tegen zijn geweten zoude hebben rechtgesproken. Maar hoe

herhaaldelijk herkennen wij in de zeventiende eeuw den onmiddellijken

invloed der politieke en godsdienstige begrippen op de uitspraken

des rechters. Ziet slechts, om een paar voorbeelden te noemen, het

verhaal der rechtspleging, tegen Vondel ingesteld wegens de uitgave

van den Palamedes. De rechtsvraag wordt in het geding bijna niet

aangeroerd. De zaak wordt geheel uit het oogpunt der staatkunde

behandeld en de Schepenen, die ter vierschaar zitten, stemmen voor

vrijspraak of veroordeeling al naardat zij Staats- of Prinsgezinden

zijn.--Of ziet de wijze, waarop de zaak tegen den ongelukkigen Buat

is behandeld en overtuigt u, of er oogendienaars bij onze voormalige

rechters waren. Spreken de aangehaalde voorbeelden niet luide genoeg

ter uwer overtuiging, of acht gij de omstandigheid, dat men in die

dagen de staatkunde nog niet van de rechtspraak wist te scheiden,

als eenigszins ter verschooning der rechters te kunnen aanvoeren,

welnu! ik zal u een ander staaltje geven van de wijze, waarop men

in die dagen de rechtsbedeeling verstond, een staaltje, uit het

burgerleven getrokken en waarbij de staatkunde hoegenaamd geen rol

speelt. In H. Van Muyrs klucht van Frans Joppen en Gerritje De Licht,

gespeelt bij de kamer, Vernieut uijt Liefden, tot Gornichem op vasten

avont 's jaers 1643 wordt Proper Elsge, de vrouw van den ouden boer,

Frans Joppen geheeten, beschuldigd van een verboden minnehandel met

zekeren Jaep Jongh-Bloet. De zaak wordt aangebracht bij den officier,

en hoewel het bij de instructie blijkt, dat er inderdaad juist niet

zooveel kwaads bedreven is, begrijpt de magistraatspersoon het geval

toch hoog ernstig te moeten opnemen. Ik laat hier zijn onderhoud met

de belanghebbende partijen volgen:

Jaep.

Heer officier ik garen accordeeren met dy,

Ick weet dat ick mij een weinig heb verloopen.

Elsje.

Met U 't accordeeren is oock al mijn hopen,

Doet ons schant niet open, maar houtet toch secreet.

Vertellingen van vroeger en later tijd · 第 29 / 51 题