Een mijner geachte vrienden, aan wiens bekendheid met de vroegere
gewoonten, gebruiken, oudheden en maatschappelijke toestanden van ons
Vaderland de stad Amsterdam niet weinig verschuldigd is, vergastte
sommige onzer letterkundige kringen op een vertoog, waarin hij de
ingetogenheid en eenvoudigheid in handel en wandel van de voorvaderen
afschilderde en ten voorbeelde stelde. Na den afloop der vergadering
hem dankende voor het gehoorde, gaf ik hem te kennen dat al het door
hem bijgebrachte volkomen waarheid behelsde, doch dat ik niettemin zou
durven aannemen, op de eerstvolgende bijeenkomst eene verhandeling
voor te dragen, waarin ik juist het tegendeel zou bewijzen van
hetgeen door hem was betoogd, en alzoo tot eene uitkomst geraken,
lijnrecht met de zijne in strijd. Dit mijn eenigszins vermetel
beweren gaf natuurlijk stof tot een vriendelijken redetwist, die
echter uit hoofde van plaats en gelegenheid toen niet lang kon gerekt
worden. Ik had te dier gelegenheid op het aangezicht der weinige
getuigen van ons gesprek hunne verbazing meenen te bespeuren over
mijn blijkbaren twijfel aan de voortreffelijkheid in alle opzichten
onzer voorouders boven ons: eene voortreffelijkheid welke zij en wij
allen toch van kindsbeen af gewoon zijn geweest, zoo breed te hooren
uitmeten, en ik hield mij overtuigd dat zij mij verdacht hielden,
uit zucht tot plagerij of tegenspraak een grillige paradox te hebben
opgeworpen. Dit had tengevolge dat ik werkelijk in 't naar huis gaan
mij zelven afvroeg, of ik mij inderdaad niet had laten vervoeren door
die zekere neiging, den lieden van levendige verbeelding ingeschapen,
om ook de ongerijmdste stellingen, zoodra zij maar iets aanlokkelijks
hebben, te verdedigen en daarbij aan het vernuft vrij spel te geven,
ten koste van de waarheid en het gezond verstand;--ja of inderdaad
het door mij beweerde geen paradox was. Dan, hoe meer ik nadacht en
peinsde over de zaak, hoe meer zich nieuwe gronden ter bevestiging
mijner stelling voor mijnen geest opdeden, hoe meer ik tot de slotsom
geraakte, dat, zoo werkelijk de vroegere tijdperken onzer geschiedenis
en bepaaldelijk die der zeventiende eeuw, zich vrij wat roem- en
luisterrijker voordoen dan het onze, het er echter verre af is, dat
men de zeden en gewoonten dier eeuw ons ter navolging behoeft aan
te bevelen. Het zijn de gronden voor die stelling, welke ik thans
voornemens ben aan het oordeel mijner lezers te onderwerpen.
Al dadelijk, wanneer wij den toestand der maatschappij in den
aanvang der zeventiende eeuw met dien van onze dagen vergelijken,
bekomen wij de overtuiging van een onloochenbaar feit, te weten,
dat de vormen der samenleving zich toen vrij wat minder beschaafd
en gepolijst vertoonden dan tegenwoordig. En geen wonder! men was
nog zooverre niet verwijderd van de dagen toen het vuistrecht boven
alles gold en er schier geene andere wet gekend werd dan die des
sterksten. Geene stad in ons Vaderland die niet, nog maar kort te
voren, en velen onder haar herhaaldelijk door religieveeten, door
burgertwisten, belegering, uitmoording, door het beurtelings uitwijken
en gewapenderhand terugkeeren harer wakkerste burgeren, geleden had:
geen dorp, waar niet de brand en alarmklok geklept, waar moord en
plundering en pijnbank niet gewoed hadden. Hoe zouden, onder zulke
omstandigheden en indrukken, de zeden een zachte, een beschaafde
plooi genomen hebben? 't Is waar, de wedergeboorte der letteren,
wetenschappen en schoone kunsten had haren invloed op de hoogere
kringen uitgeoefend en werkelijk schenen de toon en vormen aldaar op
de algemeene ruwheid een uitzondering te maken, maar inderdaad bestond
deze grootendeels niet veel meer dan in schijn. De hoffelijkheid en
zwier, welke men ten hove en in de omgeving daarvan, waarnam, waren
toen, evenals altijd, niet veel meer dan een vernis, dat aan de schors
een meer bevallig aanzien gaf, maar dat de kern onaangeroerd liet. En
dat liefelijke waas, 't welk geleerdheid en kunsten verspreiden, het
had nog geen tijd gehad, om tot de ziel door te dringen, het deed,
op weinige uitzonderingen na, evenzeer nog maar alleen de oppervlakte
aan. De beschaving der hoven, zoowel als de classieke beschaving,
beide waren niet veel meer dan een geleend zondagspak, waarmede men
zich bij feestelijke gelegenheden tooide, doch dat den mensch als
mensch geheel liet gelijk hij was. Wil men een bewijs? Men vestige
eens onbevooroordeeld en zonder conventioneelen bril te gebruiken
het oog op Hooft en zijne vrienden van het Muiderslot. Ik twijfel
er niet aan of zij wisten er zich ongemeen te vermaken, maar waarin
bestaat, wel beschouwd, hunne zoo hoog geprezene verfijning? Immers
grootendeels in loutere navolging, wij zouden bijna zeggen naäperij van
de gewoonten, vormen en spraakwendingen der ouden. Leest hunne brieven
en gedichten, althans, die, waarin zij hun best doen om zwierig of
aardig bij uitnemendheid te wezen. Vinden wij niet meestal Latijnsche
denkbeelden, in verlatijnscht Nederduitsch uitgedrukt? Treffen wij niet
telkens, en dat bij de ernstigste zaken, bij vriendschapsbetuigingen,
bij rouwbeklag, bij uitboezemingen, die alleen uit het hart moesten
voortkomen, iets aan, dat gemaakt, dat gekunsteld is, dat de natuur
uitsluit en de waarheid verkracht? En slaat nu die zelfde mannen eens
gade, wanneer zij de pronkgewaden van hoffelijkheid en classicismus
afleggen, om eens echt Hollandsch te wezen. Dan schrijft Hooft zijn
Warenar en Huijgens zijn Trijntje Cornelisz.;--beide allergeestigst en
vernuftigst;--maar bij de lezing waarvan wij toch al tot zonderlinge
gevolgtrekkingen moeten geraken ten opzichte der toenmalige begrippen
van betamelijkheid. Neen voorwaar, eene natie, welker vrouwen uit
deftigen stand een Warenar konden aanhooren zonder blozen,--hoffelijke
kringen, die behagen konden scheppen in het vertoonen der klucht van
Huijgens--die natie, die hoffelijke kringen verkeeren nog, ondanks
allen geleenden beschavingstooi, in een staat van zedelijke ruwheid.
Of, waren de hier genoemde kluchten uitzonderingen op den regel, en
juichte men die alleen toe, omdat zij door beroemde mannen als den
Drost van Muiden en den geheimschrijver van zijne Hoogheid geschreven
waren?--Uitzonderingen waren zij zeker, in zooverre als zij nog
modellen van kieschheid mochten heeten, vergeleken bij de morsige,
vuile, liederlijke voortbrengselen, die, hoe onschatbaar ook voor de
kennis der begrippen, zeden en gebruiken van die dagen, door niemand
zonder een gevoel van ergernis en walging kunnen gelezen worden. De
letterkunde is een spiegel van de beschaving eener natie; doch
waarlijk, als wij de kluchtspelliteratuur van die dagen nagaan, dan
bekomen wij van die beschaving al een zeer ongelukkig denkbeeld,--en
niet gunstiger wordt ons oordeel, wanneer wij, ons tot eene andere
soort van volks-letterkunde wendende, de pamfletten doorloopen,
over theologische of politieke geschilpunten gewisseld. De meest
freysinnige broodschrijver van thans maakt het op verre na met schelden
en lasteren zoo erg niet als de vrome theologen en deftige politieken
van die dagen.
En wel drong die ruwheid dan ook de schors uit en openbaarde zij zich,
wanneer het op handelen aankwam. Waar ziet men in onze tijden, gelijk
toen, de lieden beboeten, pijnigen, inkerkeren, bannen, geeselen,
hangen, radbraken, om overtredingen, welke men thans nauwelijks met
dien naam bestempelen zou? En mocht de beboete, de gepijnigde, de
gekerkerde, de gebannene, de gehangene, al verdedigers vinden, mocht
men hem als onschuldig, als ten onrechte veroordeeld beschouwen,
niemand was er, die in 't afgetrokkene de straf onevenredig aan
het misdrijf oordeelde. Wil men bewijzen? Ik behoef er maar één
aan te voeren, doch dat reeds luide genoeg spreekt. Het lot, dat
's Lands Advocaat, J. Van Oldenbarneveld, trof, zal het mij aan de
hand doen. Ik wil hier in geen betoog treden over zijne schuld of
onschuld: maar zeker is het dat in onze dagen een Minister, al gaat
hij eens wat buiten 't spoor, er gemakkelijker afkomt. Hevig was de
verontwaardiging, hevig de verbolgenheid van 's mans aanhangers over
het tegen hem geslagen vonnis, maar toch, de afkeuring van dat vonnis
vloeide alleen voort uit de veronderstelling dat hij niet strafschuldig
was: en aan niemand kwam het in 't hoofd te beweren, dat, indien hij
werkelijk bedreven had wat men hem ten laste leide, hij niet, ondanks
alle vroegere diensten, aan den Staat bewezen, dubbel en dwars den
dood zou verdiend hebben. Wat wij alzoo uit de voorbijgegane dagen
terug mogen wenschen, zeker niet de lijfstraffelijke rechtspleging.
"Goed" zal men zeggen, "maar bij die ruwheid, welke in onze voorouders
niet te miskennen valt, waren zij toch matiger, ingetogener,
eenvoudiger, zedelijker dan onze tijdgenooten." Waren zij dit
inderdaad? Laten wij dit eens punt voor punt onderzoeken.
Waren zij matiger? Ik weet het niet; maar ik geloof dat op het punt
der dronkenschap alleen onze eeuw zich gunstig van de zeventiende
onderscheidt. Men loope eens een winkel van antiquiteiten binnen, men
beschouwe eens de glazenkasten bij de nakomelingen onzer voormalige
Patricische huisgezinnen, of de eigendommen onzer godshuizen,
Doelens, Dijk- en Polderbesturen, enz. en men lette op den omvang en
inhoudsruimte der bokalen en fluiten, die uit vroegere eeuwen zijn
overgebleven. Of twijfelt men er aan, dat die roemers, die anderhalve,
soms twee of meer flesschen bevatteden, ooit geledigd werden? Eilieve,
er leven nu nog menschen van gevorderden leeftijd, die zich herinneren,
zulks of zelven gedaan te hebben, of te hebben gezien of gehoord hoe
zulks door anderen was gedaan geworden. Neen voorwaar, wat men nu
van drinken prate, het was de zeventiende eeuw vooral, die van deze
kunst eene wetenschap maakte. Wie twijfelt, hij leze maar o. a. de
volgende regels uit de Wonderwerken van Bacchus van Pers:
Veel menschen zijn alleen, ja schijnen slechts geboren
Opdat sij in de lust haer leven lang versmoren:
Wien 't swelgen is haer wit en 't suypen haer vermaak
Haer alder-grootste vreughd en aengenaemste saek.
Al wat haer breyn vermagh, of konstigh weet te dencken,
Om zelf een sober man in sijn vernuft te krenken,
Wordt kloeklijck hier versiert: hier brenght men voor den dagh
Een Meulen die men blaest en niet versetten magh,
Of daer men nae 't getal de uren weet te tellen,
Of soo de teerlinck loopt syn nagebuur te quellen,
Het sy op acht of tien, of so de uren staen,
So vele worter mee aen elck bescheijd gedaen.
Of noch een ander vond, een beker om te henssen,
Een horen na de hoest, dat moet men dan uitflenssen,
En suypen dat men steent, en puil-ooght om den kop,
En daer past dan terstont een barckemeyer op.
Hier is een schuyt of schip, daar een Boerin geladen,
Hier moet de ballast uijt of in den emmer baden,
So lang de belle klinckt, so mach het aen de mond,
Of anders moet de kroes noch eenmael tot de grond.
Wellicht zal men meenen dat dit zwelgen van bekers en roemers iets
buitengewoons was, 't welk alleen bij bijzondere gelegenheden plaats
vond, en dat men in het dagelijksche leven over 't algemeen matig en
ingetogen was. Het is mogelijk; maar even als de mannen nu naar de
sociëteit gaan, gingen zij toen naar de herberg en zij dronken er vrij
wat meer dan heden ten dage gebeurt, nu in de meeste dier plaatsen van
vereeniging meer water met suiker dan wijn gebruikt wordt,--en wat de
vrouwen betreft, wáár in ons land gebeurt het thans, dat zij zich tot
wijndrinken vereenigen, als dezelfde Pers in 't aangehaalde werk haar
verwijt dat zij deden in zijnen tijd? En gewis zoude die schrijver
het niet noodig geoordeeld hebben, twee uitvoerige gedichten tegen de
dronkenschap te schrijven, indien die ondeugd niet zoo algemeen ware
geweest. Hoe de adel daarbij de gemeente voorgegaan was, behoeven wij
nauwelijks te herinneren: de brieven van Hendrik van Brederode riekten
naar den wijn, en zijne meeste daden waren in overeenstemming met
zijne brieven! Hohenlo, die nietige zwager van den grooten Maurits,
was zelden nuchteren, en zelfs de bedaarde bedachtzame Willem I was
niet afkeerig van een "Duitschen dronk". Verlangt men echter nog
een sterker sprekend staaltje van de zoogenaamde matigheid van die
dagen? In de reglementen van den Hove van Holland niet alleen, maar
van onze meeste Baljuwschappen kan ieder het met zijne eigene oogen
lezen, hoe aan de Taalmannen en Advocaten gelast werd, niet anders
dan nuchteren voor de Vierschaar te verschijnen; zij waren alzoo
in den regel niet nuchteren, anders zou het bevel geen beteekenis
gehad hebben; en gewis moet de gegeven ergernis al heel groot zijn
geweest, dat men zijne toevlucht moest nemen tot eene bepaling,
die in onze dagen als eene duldelooze beleediging door de Balie zou
worden opgenomen.
"Maar," zullen onze afschaffers zeggen: "'t was toen alleen aan wijn
dat men zich te buiten ging, en dat is heel vergeeflijk; doch toen
was men nog onbekend met de gruwzame jeneverpest." 't Is waar, wij
lezen bij de oude schrijvers niet van jenever, des te meer echter
van koren- brandewijn en Pers vergeet in zijne Suijpstad naast de
tempelen van Bacchus en Bierana ook dien van Brandemoris niet.
"Kan men niet ontkennen, dat de dronkenschap van onze voorouders vrij
algemeener was dan tegenwoordig, in andere opzichten toch was hunne
levenswijze meer matig en ingetogen."--Zoo is men gewoon elkander na
te praten en dan worden doorgaans de voorbeelden er bijgehaald van
De Ruijter, die als een burgerman leefde en van Jan De Witt, die maar
één mannelijken dienstbode had.--Krachtige bewijzen inderdaad! Wat De
Ruyter betreft, die als kind nooit weelde gekend en van jongs af op
zee gezwalkt en zich met scheepskost gevoed had, ik wilde wel eens
weten, waar hij den smaak van fijne spijzen zou hebben opgedaan,
of hoe hij zich in eene weelderige levenswijze zou hebben kunnen
schikken? Hij was door afkomst, door opleiding, door neiging, een
man uit de volksklasse en noch hoogen rang in den zeedienst, noch
ridderkruis of hertogstitel konden van hem iets anders maken dan hij
was: zijn voorbeeld bewijst dus niets. Maar Jan De Witt dan? Die
was toch een volbloed aristocraat, die leefde in Den Haag in de
groote wereld en had in weerwil van dat alles maar éénen knecht! Ik
zou kunnen antwoorden dat de meesten onzer tegenwoordige Ministers
er ook niet meer hebben;--maar ik wil den schijn niet aannemen die
Heeren te vleien, door hen met Jan De Witt te vergelijken. Ik zal
eene andere vraag doen: toont juist het gestadig ophalen van dat
feit, dat de groote Raadpensionaris maar één knecht had, niet aan,
dat men zulks iets vreemds, iets ongewoons achtte? Werd het niet zelfs
door zijne vijanden als een bewijs, niet van eenvoudigheid, maar van
schrielheid aangemerkt? 't Is waar, zij verweten evenzeer aan Cornelis
De Witt zijne praalzucht, dat hij zich met een dozijn bont opgeschikte
lijfwachten tot den tocht tegen Engeland inscheepte, en moge Jan De
Witt dan maar éénen knecht gehad hebben, die bij extra-gelegenheden
eene livrei aantrok en achter op eene huurkoets stond, de leefwijze in
Den Haag was in zijn tijd en reeds onder Frederik Hendrik alles behalve
eenvoudig. Zeker volksvertegenwoordiger vertelde, nu een jaar geleden,
ter gelegenheid van eene der discussiën over de tafelgelden des
Ministers van Buitenlandsche zaken dat men, toen de Triple Alliantie
gesloten werd, geen festijnen gaf. Gemelde volksvertegenwoordiger--ik
ben gelukkig zijn naam vergeten--toonde al bijzonder weinig kennis
van literatuur of historie te hebben. Van literatuur: want had hij
de Media Noche van onze vriendin Bosboom-Toussaint gelezen, hij had
niet langer in den waan verkeerd, dat de diplomatie in de zeventiende
eeuw de hulp van gast- en feestmalen ontberen kon; van historie:
of hij had uit Gowwille, uit St.-Simon, uit madame De Sévigné,
uit zoovele anderen, kunnen lezen of men ergens iets belangrijks
zonder gastmalen verrichtte. Doch wat haal ik Fransche schrijvers
aan? Leest onzen Valkenier, waar hij zegt: "De spijzen smaken niet,
zoo ze niet met een Fransche saus zijn overgoten en naar Fransche wijze
toebereid. Tot inkoop van wijnen en delicatessen worden jaarlijks vele
millioenen vervoerd, vooral naar Frankrijk, hetwelk ze ten verderve
van Nederland misbruikt."
't Is waar--om nog eens op de mannelijke dienstboden terug te komen--in
Amsterdam hadden de aanzienlijkste ingezetenen er in de zeventiende
eeuw ook maar één of hoogstens twee, om de doodeenvoudige reden dat
men, volgens de stadskeuren, in Amsterdam niet dan met sleden rijden
mocht, het houden van rijtuig er dus van zelf verviel en koetsiers
of palfeniers er geheel onnutte meubels zouden geweest zijn.
Over de kleeding behoef ik niet te spreken: ieder zal toestemmen
dat die der mannen in de zeventiende eeuw vrij wat zwieriger en
kostelijker was dan heden--en wanneer onze aanzienlijke vrouwen eens
recht fraai voor den dag willen komen, dan tooien zij zich met de
kanten en paarlen harer bet-overgrootmoeders.
Wat dit geheele punt der beweerde eenvoudigheid betreft, wij willen
het samenvatten in de aanhaling van wat Karel II, een bevoegd rechter,
in 1660 over Holland schreef: "Geene koopmanschappen te groot, geene
bruiloften te breed, geene Staten te aanzienlijk, geene huizen te
kostelijk, geene kleederen te opzichtig, geene fatsoenen te nieuw,
geene neringen te ergerlijk."
Deze laatste woorden leiden ons als van zelve tot de zeden. Waren
die ingetogener, dan zij het heden zijn?
Ik gevoel dat ik, deze vraag zullende beantwoorden, mij op glibberig
ijs begeve, want zij betreft veelal handelingen, die in 't verborgen
plaats hebben en zooveel mogelijk verborgen worden gehouden. Dit is
echter zeker, dat, wat het uiterlijke aangaat, onze eeuw voordeelig
afsteekt bij de zeventiende, en dus in allen gevalle toont, een grooter
gevoel van welvoeglijkheid te bezitten. Daarbij, de betrekking tusschen
de beide kunne is thans over 't algemeen van kiescher, van fijner,
van edeler aard. Bij het denkbeeld, dat wij ons vormen van het woord
liefde, brengen wij ons meer uitsluitend eene gemoedsneiging voor
den geest. Van zoodanige onstoffelijke, reine beweging des harten
schijnt men in het gulden tijdperk der zeventiende eeuw nauwelijks
een flauw denkbeeld gehad te hebben. Immers, leest--ik zeg niet de
vuile kluchten van die dagen, waarvan ik u integendeel de lezing
ten sterkste afraad--maar de gedichten van onze beste schrijvers,
van Vondel, van Hooft, van Cats, van Huygens, waar zij van minnarijen
handelen;--schier overal vindt gij de liefde voorgesteld als bloot
zinnelijke, schier dierlijke drift, of, poogt de dichter enkele
reizen van haar te gewagen als van een meer zuiveren hartstocht,
dan valt het terstond te bespeuren, hoe hij zich niet op zijn
gemak bevindt, zich geen recht helder denkbeeld van de zaak maakt
en zich moet redden door eene navolging der classieken, meestal
even gezwollen van stijl als onnatuurlijk van uitdrukking. Alleen
de wijze, waarop de huwelijksliefde bezongen wordt, maakt eene
loffelijke uitzondering:--maar hieruit volgt nog geenszins dat er
toen minder echtbreuk en minder schandalen plaats hadden dan later; de
schotschriften van die dagen zoowel als de jaarboeken der rechtbanken
kunnen het tegendeel bewijzen.
Maar de menschen waren over 't algemeen godsdienstiger, vromer
dan heden.
God alleen weet dit; maar op welke wijze uitte zich die
godsdienstigheid? In de ergerlijke religietwisten? In het gedurig
verketteren van elkander? In het vervolgen van andersdenkenden? Liever
over dat alles een mantel geworpen. Onze voorouders waren ten dien
opzichte geen haar beter dan wij.
Waar echte vroomheid huist, daar openbaart zij zich ook in handel
en wandel. En waren de denkbeelden aangaande het mijn en dijn, de
handelwijze van den mensch jegens zijn naaste in die eeuw zooveel
zuiverder, zooveel gemoedelijker vooral dan tegenwoordig? Laten wij
hier wederom den toetssteen der vergelijking bezigen.
Wij verheugen ons heden ten dage in het bezit van onbesproken
Rechtscolleges, en ik herinner mij niet, zoolang ik leef, een
Nederlandschen rechter te hebben hooren beschuldigen dat hij uit gunst
of gewinshalve tegen zijn geweten zoude hebben rechtgesproken. Maar hoe
herhaaldelijk herkennen wij in de zeventiende eeuw den onmiddellijken
invloed der politieke en godsdienstige begrippen op de uitspraken
des rechters. Ziet slechts, om een paar voorbeelden te noemen, het
verhaal der rechtspleging, tegen Vondel ingesteld wegens de uitgave
van den Palamedes. De rechtsvraag wordt in het geding bijna niet
aangeroerd. De zaak wordt geheel uit het oogpunt der staatkunde
behandeld en de Schepenen, die ter vierschaar zitten, stemmen voor
vrijspraak of veroordeeling al naardat zij Staats- of Prinsgezinden
zijn.--Of ziet de wijze, waarop de zaak tegen den ongelukkigen Buat
is behandeld en overtuigt u, of er oogendienaars bij onze voormalige
rechters waren. Spreken de aangehaalde voorbeelden niet luide genoeg
ter uwer overtuiging, of acht gij de omstandigheid, dat men in die
dagen de staatkunde nog niet van de rechtspraak wist te scheiden,
als eenigszins ter verschooning der rechters te kunnen aanvoeren,
welnu! ik zal u een ander staaltje geven van de wijze, waarop men
in die dagen de rechtsbedeeling verstond, een staaltje, uit het
burgerleven getrokken en waarbij de staatkunde hoegenaamd geen rol
speelt. In H. Van Muyrs klucht van Frans Joppen en Gerritje De Licht,
gespeelt bij de kamer, Vernieut uijt Liefden, tot Gornichem op vasten
avont 's jaers 1643 wordt Proper Elsge, de vrouw van den ouden boer,
Frans Joppen geheeten, beschuldigd van een verboden minnehandel met
zekeren Jaep Jongh-Bloet. De zaak wordt aangebracht bij den officier,
en hoewel het bij de instructie blijkt, dat er inderdaad juist niet
zooveel kwaads bedreven is, begrijpt de magistraatspersoon het geval
toch hoog ernstig te moeten opnemen. Ik laat hier zijn onderhoud met
de belanghebbende partijen volgen:
Jaep.
Heer officier ik garen accordeeren met dy,
Ick weet dat ick mij een weinig heb verloopen.
Elsje.
Met U 't accordeeren is oock al mijn hopen,
Doet ons schant niet open, maar houtet toch secreet.