Scheen er ooit een Vorstin door haar geboorte bestemd om een
schitterende rol op het wereldtooneel te vervullen, dan was het gewis
de dochter van Karel den Stoute. Andere rijken in Europa mochten
het in uitgebreidheid van het zijne winnen: niet één was er, hetwelk
zulk een keur van vruchtbare en door natuur of ligging bevoorrechte
Vorstendommen, zulk een aantal groote, bevolkte en machtige steden,
zulk eene menigte welgelegene havens, zooveel bronnen van welvaart,
zooveel handel, nijverheid en landbouw vereenigde, als het gebied, dat
hij door erfrecht verkregen, of door de wapenen aan zich onderworpen
had. Tot dat gebied toch behoorden, behalve Bourgondië, Fransch Comté
en de overige erflanden van het Bourgondische Huis, al de bezittingen,
die vroeger, 't zij aan de Hertogen van Brabant, van Gelre en van
Gulik, 't zij aan de Bisschoppen van Luik en van Utrecht, 't zij aan
de Graven van Vlaanderen, van Henegouwen, van Holland, 't zij aan de
Heeren van Friesland, van Mechelen en van zoovele andere landschappen
of steden waren onderworpen geweest. En toch, toen de held, die geheel
Europa met den roem van zijn naam vervulde, toen de fiere en machtige
Vorst, die reeds van een Koningskroon droomde, in den strijd voor
Nancy gevallen was en zijn heerschappij aan zijn een en twintigjarige
dochter overliet, kon men zeggen dat haar eenig erfdeel bestond in
de bloote titels, die zij voerde. Immers Bourgondië en Fransch Comté
waren reeds vermeesterd door de wapenen, maar vooral door het goud van
den onverzoenlijken tegenstander haars vaders, den sluwen Lodewijk XI,
die haar dringen wilde, zich te verloven aan den zevenjarigen Dauphin,
terwijl, van de andere zijde, de Keizer van Duitschland, Frederik III,
reeds zijne legers samentrok om haar te noodzaken, aan haars vaders
woord gestand te doen en zijn zoon Maximiliaan te huwen. En had zij
nog maar alleen de geheime lagen of het geweld van buitenlandsche
vijanden te vreezen gehad; maar gevaarlijker nog dan dezen voor haar
gezag, waren haar eigen onderzaten. De dood van den gevreesden Karel
was het sein tot hernieuwing dier tooneelen van oproer en tegenstand,
welke zijn krachtige arm zoo vaak beteugeld had. Terwijl Holland,
den hulpeloozen toestand der arme Jonkvrouw misbruikende, haar dat
beruchte Groot-Privilege afperste bij 't welk haar, 's Lands wettige
Gravin, de vrijheid ontnomen werd van buiten toestemming van 's Lands
Staten te trouwen, van schattingen te eischen, van munt te slaan,
van tollen te heffen, van recht uit te oefenen, van dagvaarten
te beschrijven, in 't kort, van eenige daad van souvereiniteit te
verrichten, haasteden zich de altijd woelige Gentenaren de door Karel
aangestelde overheidspersonen af te zetten, eenigen der aanzienlijkste
Edelen door beulshanden te laten ombrengen, aan Maria de teruggave
af te dwingen van hunne vroeger verbeurd verklaarde voorrechten en
vrijheden, in één woord, geheel den meester over haar te spelen.
Haar eenige hoop op uitkomst scheen gelegen in het aantal zelfs harer
onderdrukkers en in hunne verschillende inzichten en belangen, die
onvermijdelijk tot onderlingen twist moesten leiden. Weldra borst die
twist dan ook geweldig uit. Lodewijk XI namelijk had een gezantschap
naar Maria gezonden, zoo 't heette, om haar van zijn deelneming in haar
verlies te verzekeren, doch eigenlijk om het vuur des oproers levendig
te houden. En dan nog welk een gezantschap? Aan een dochter van Karel
van Bourgondië, aan een Vorstin uit den Huize van Frankrijk zond hij,
in stede van een zijner Staatsdienaren of Rijksgrooten, Olivier Le
Daim, zijn barbier!--Dan onder al haar wederwaardigheden verloochende
Maria haar rang en afkomst niet, weigerde Lodewijks boosaardigen
vertrouweling te zien, en liet hun weten, dat zij vooreerst noch
lating, noch Spaansche vlieg behoefde. Niet veel echter bekommerde
zich de baardschraper over deze afwijzing; de bedoelingen, waarmede
hij gekomen was, konden daarom evengoed bereikt worden; en, Maria's
Staten rondreizende, wist hij, zoo in Vlaanderen als in Henegouwen,
onderscheidene steden voor 's Konings belang te winnen.
De Gentenaren echter, die het hierin met hun Vorstin eens waren,
dat zij van geene Fransche overheersching gediend bliefden, zonden
van hunne zijde een Gezantschap aan Lodewijk, en verzochten hem,
zijn vordering van Maria's hand voor zijn zoon te laten varen en
vooral geen oorlog tegen haar te voeren; daar niet Maria, maar de
Staten des Lands de regeering op zich genomen hadden. Lodewijk toonde
hun aan, dat hun voorgeven logenachtig was, en dat de Hertogin aan
hare moeder Margaretha, aan de Heeren van Himbercourt en Hugonet en
aan Adolf van Kleef, volmacht gegeven had tot het bestuur. Hierdoor
werden de Gentenaren zeer verbitterd en beschouwden zich als bedrogen
door hun Hertogin. Himbercourt en Hugonet werden door het gepeupel
gegrepen, op de pijnbank gebracht en op het schavot onthoofd, ondanks
de tranen van Maria, die in persoon de oproerlingen om het leven van
haar staatsdienaars kwam bidden.
Intusschen zagen de Vlamingen een oorlog tegen Frankrijk op handen
en daarom ook naar een bekwaam krijgshoofd om, die hen ten strijd
zou voeren. Nu bevond zich in den kerker van Kortrijk die Adolf van
Egmond, die vroeger zijn vader Aernout met geweld van Gelres zetel
gestooten, in den kerker gesmeten en wiens Hertogdom Karel de Stoute
zich toegeëigend had. Op dezen woesteling sloegen de Gentenaren
't oog, haalden hem uit zijn gevangenis, stelden hem aan het hoofd
van hun leger, ja zeiden hem zelfs, ter belooning voor de diensten,
die zij van hem verwachtten, de hand toe hunner Hertogin.
Met drift greep Adolf de gelegenheid aan om de verloren macht te
herwinnen en, na jaren van diepe vernedering, met des te schitterender
luister weder voor den dag te treden. Immers, de Gelderschen, die,
nog steeds aan hem gehecht, in hem den ontaarden zoon voorbijzagen
om alleen den wettigen Vorst uit het oude stamhuis in hem te eeren,
hadden hem opnieuw tot hun Heer uitgeroepen, en, zoolang zijn
afwezigheid duren moest, het bestuur der zaken aan zijne zuster
Katharina opgedragen. Wat had niet Maria van den heerschzuchtigen
onverlaat te vreezen, als deze, gelijk men verwachten kon, in
Vlaanderen oppermachtig werd en dan eerlang naar hare hand zou
dingen. Gelukkig voor haar echter werden Adolfs heerschzuchtige
droomen niet verwezenlijkt: reeds bij zijn eerste krijgsverrichting,
een aanval op de stad Doornik, sneuvelde hij met de wapens in de hand
en onder het uiten van zijn oorlogskreet: "Gelre! Gelre!" Een dood,
meer roemrijk dan hij had mogen hopen of verdienen; doch die Maria's
hart, dat van zulk een echtgenoot gruwde, met blijdschap vervulde.
Nu zond Keizer Frederik een statig Gezantschap, uit Bisschoppen
en Rijksvorsten samengesteld, naar Gent, om de hand der Hertogin
plechtig af te vragen. Intusschen had zich een ander mededinger
daarvoor opgedaan, namelijk de zoon van Hertog Jan van Kleef. Deze
laatste, die zich binnen de stad ophield, stelde alle middelen in 't
werk om Maria te overreden, dat zij 's Keizers voorstel in beraad zou
houden. Maria echter had reeds haar besluit genomen, en, zoomin als
haar vader of grootvader, was zij van wat zij eenmaal bepaald had af
te brengen. Toen derhalve het Gezantschap, ter volle raadsvergadering
toegelaten, haar den verlovingsbrief vertoonde, met den diamant, welken
zij vroeger, op last haars vaders, aan Maximiliaan gezonden had, en
haar vroeg of zij dien erkende, antwoordde zij ronduit, dat zij zulks
van ganscher harte deed. Al de omstanders waren verbaasd, Hertog Jan
en de Kleefschen niet weinig verslagen, en de Gezanten verrukt over
deze rondborstige verklaring. Van dit tijdstip af ging alles als van
zelf. De Raad van Regeering zoowel als de Staten bekrachtigden de
toestemming der Vorstin, en deze werd met den Hertog van Beijeren,
namens Maximiliaan, ondertrouwd. Weldra kwam de bruidegom zelf met
een gevolg van twaalfhonderd Vorsten en Edelen. Hij zelf was op 't
schitterendst uitgedost in een zilveren harnas met goud ingelegd,
en, gelijk zijn gevolg, met den Bourgondischen sluier omhangen. Den
18den Augustus werd het huwelijk voltrokken, en Maximiliaan in het
volgende jaar plechtig als Momboir of Voogd van Vrouw Maria, in haar
Staten erkend.
De stap, door Maria zoo onverhoeds gedaan, met die vaste beradenheid,
eigen aan het geslacht, waar zij uit sproot, was niet slechts
gerechtvaardigd door de omstandigheden, waarin zij zich bevond, maar
ook door de persoonlijke hoedanigheden van den man, aan wien zij
haar toekomstig lot vertrouwde. Maximiliaan werd alom, wegens zijn
zachtmoedig, bedaard en minzaam karakter, zoowel als wegens zijn goed
verstand en oordeel geprezen. In den oorlog was hij dapper en ervaren,
en door eene bijzondere tegenwoordigheid van geest onderscheiden. Aan
het Duitsche hof, waar velen, ook onder de aanzienlijkste Edelen, aan
brasserij en dronkenschap waren overgegeven, onderscheidde hij zich
door matigheid in spijs en drank; kunsten en wetenschappen beschermde
hij, en in de muziek was hij zeer bedreven. Zijn hoofdgebrek was een al
te groote toegeeflijkheid, die somtijds in zwakheid en ongestadigheid
ontaardde.
Nu door deze echtverbintenis het bestier van lands- en krijgszaken
weder onder één opperhoofd gebracht was, en alles een geregelder gang
verkreeg, herstelde zich spoedig het krijgsgeluk, dat Maria den rug
had toegekeerd. Lodewijk zag zich genoodzaakt een bestand te sluiten
en Bourgondië te ontruimen. Met Engeland werd een verbond van vrijen
handel aangegaan, en de betrekkingen ook met de overige naburen op
een vasten voet gebracht.
In het jaar 1478, den 20sten Juni werd aan Maria een zoon geboren,
die later bestemd was om onder den naam van Filips I, de kronen van
Kastilië en Arragon te voeren.
Was Vlaanderen nu tot rust gekeerd, en eerbiedigden de Zuidelijke
gewesten Maria's heerschappij, in het Noorden was deze nog zoo licht
niet te vestigen. In Holland werd de tegenstand voornamelijk gevoerd
door de Hoekschen, daarin gesterkt door Maria's Stedehouder zelven,
Wolfert Van Borselen. Reeds onmiddellijk na Karels dood hadden zij, in
de meeste steden, hunne tegenpartij uit de regeering weten te krijgen;
thans had deze de overhand weder bekomen en op sommige plaatsen, als
te Leiden en te Haarlem, de Hoekschen ter stad uitgedreven. Vergeefs
was het, dat Borselen te Rotterdam een dagvaart beschreef van Edelen
en Steden: de Baljuw der stad, Jan Van Reimerswael, niet zonder
reden beducht, dat de dagvaart zelve meer aanleiding tot tweespalt
dan tot herstel der rust zou geven, liet de poorten bezetten,
weigerde den intocht aan de Afgevaardigden der Hoeksche steden,
en verzocht den Stadhouder zelven de stad te verlaten. Hieruit
ontstond nieuwe verbittering: al de steden, vooral 's-Gravenhage,
werden tooneelen van gestadige vechtpartijen. De valkeniers van den
Stadhouder, die Hoeksgezind waren, schoten uit de ramen van het hof op
de Kabeljauwschen, die, op hunne beurt, door de Haarlemmer, Leidsche,
Delftsche en Amsterdamsche poorters ondersteund, het Hof overvielen en
plunderden. Borselen hernam het, doch zag zich kort daarop genoodzaakt
het aan zijn tegenpartij over te geven, en naar Rotterdam te wijken, 't
welk hij intusschen bemachtigd had, en waar hij zijn hof vestigde. Ook
daar kon hij het niet houden, en trok naar zijn stad Veere, Rotterdam
ter bewaring latende aan Joris, Bastaard van Brederode.
In Gelderland was het inmiddels even weinig rustig. Inweerwil hunner
verslagenheid over den dood van Adolf, hadden de Staten van dat
Hertogdom terstond het besluit genomen om zijne zuster Katharina met
het voortdurend bestier en tevens met de voogdij over zijne onmondige
kinderen te belasten. Te gelijk was door hen een gezantschap gezonden
aan Lodewijk XI, die, daar beloften hem nooit iets kostten, hun zijne
ondersteuning tegen Maximiliaan toezeide. Intusschen begeerde Willem
Van Egmond, Hertog Aernouts broeder, de voogdij over zijn achterneven,
en maakte zich meester van Arnhem, terwijl de Hertog van Kleef, die
toch eenig deel begeerde van de erfenis van Karel den Stoute, nu de
hand van Maria zijn zoon was ontgaan, dezen laatste tot Hertog van
Gelre wilde doen aannemen. En, als had men nog geen Heeren genoeg,
het Graafschap Zutfen werd door de Staten verpand aan Hendrik
Van Schwartsenberg, Bisschop van Munster, en deze kort daarop tot
beschermer van het gansche Hertogdom aangenomen; terwijl de jonge
Karel, Adolfs zoon, als Hertog erkend werd.
Het was Maximiliaan, nog voortdurend met Frankrijk in krijg gewikkeld,
langen tijd onmogelijk zijn tegenstanders binnen 's lands te
beteugelen: eindelijk echter liet hem de overwinning, bij Guinegate in
Artois op Lodewijk behaald, de handen vrij. Naar Holland overgekomen,
en door de Kabeljauwschen wel ontvangen, ontsloeg hij Borselen van zijn
Stadhouderschap, 't welk hij opdroeg aan Joris Van Lalaing;--en de rust
eenigszins hersteld ziende, maakte hij een verdrag met Katharina van
Gelre, waarbij zij de rechten zijner Gemalin op het Hertogdom erkende
en zich tevreden stelde met de stad en voogdij van Gelder levenslang te
behouden. Leiden werd intusschen door de Hoekschen onder Broekhuizen,
het Hoeksgezinde Dordrecht daarentegen door de Kabeljauwschen onder Jan
van Egmond bemachtigd, die kort daarna zich ook van Gouda, Schoonhoven
en Oudewater meester maakte. Maximiliaan, weder in Holland gekeerd,
bekrachtigde het door Egmond en de Kabeljauwsche partij verrichtte,
liet de vierschaar spannen over de Hoekschen, verscheidenen uitbannen
en sommigen onthoofden. Door deze gestrengheid werd de rust in Holland
hersteld, ofschoon de burgerkrijg in het Sticht te heviger bleef
woeden. Weldra onderwierpen zich de Geldersche Staten, van alle zijden
bestookt, aan den Aartshertog, die nu met zijn Gemalin in de meeste
steden plechtig werd gehuldigd. Wel bleef Arnhem nog in handen van Jan
van Kleef; maar het liet zich aanzien, dat die stad, zoowel als het
Sticht, op den duur aan de zegevierende wapenen van Maximiliaan geen
weerstand zoude kunnen bieden. Maria had haar gezag nagenoeg gevestigd
gezien, en de tijd scheen voor haar gekomen, dat zij, na zooveel
stormen en gevaren in rust en vrede het geluk zou kunnen smaken,
dat haar als gade, als moeder en als vorstin tegenlachte, en dat zij
zoowel verdiende. Dan helaas! zij mocht alleen den dageraad van die
blijde toekomst beleven. Buiten Brugge uitgereden, stortte zij van 't
paard en bezeerde zich deerlijk aan het been. Nog zou de kunst wellicht
middelen tot haar herstel hebben gevonden, had vrouwelijke kieschheid
haar niet weerhouden om de bekomen kwetsuur aan de beschouwing en
het onderzoek der heelmeesters te onderwerpen. Dit had ten gevolge,
dat de gewonde deelen, niet naar behooren verzorgd, spoedig door
het koudvuur werden aangetast, en zij, weinige dagen na haren val,
den 27sten Maart 1482, in nauwelijks zes en twintigjarigen ouderdom
binnen Brugge overleed, tot groote droefheid van haar echtgenoot,
die haar teeder beminde en altijd met hartelijke genegenheid herdacht.