III.

Mijn Vlaamsche stoombootkennis had met mij het voorrecht gehad van

spoedig gevisiteerd te zijn geweest, en wij zaten dan ook weldra naast

elkander achter den locomotief in een dier rijtuigen, waaraan wij in

plaats van de Nederlandsche benaming wagen de daarvan afgeleide van

waggon geven, 't geen omtrent even zot is als om fiche voor vischje

te zeggen. De ondervinding heeft mij deze soort van rijtuigen doen

verkiezen. Door den grooteren last van passagiers, dien zij voeren,

zijn zij minder aan schudden en stooten onderhevig: zij zijn geheel

open en men heeft er bij meerdere lucht minder tocht; men kan er in

rooken ('t geen in een damprijtuig zeer eigenaardig is) het gezelschap

is er meer gemengd en amusanter en bij al die voorrechten komt nog

dit dat men er beterkoop in zit.

Te Mechelen is, gelijk bekend is, het brandpunt, waar al de ijzeren

spoorwegstralen zich naar geheel België verspreiden en waar zij

terugkeeren; en merkwaardig is, naast de oude stad van hout en

steen, de nieuwe ijzeren stad, die aldaar als met een tooverslag is

opgerezen. Vreemd zeker is de eerste indruk, die haar beschouwing

op u verwekt. In plaats van straten ziet men onafzienbare rijen

van rijtuigen en locomotieven, naast elkander staande als de

kermiskramen op een markt;--daaromheen--in stede van paleizen of

publieke gebouwen--fabrieken, smederijen, stookplaatsen, magazijnen,

ontzettend van getal en omvang, en--in stede van torens--schoorsteenen,

hoog als Oostersche minarets en sierlijk als antieke kolommen. Dat

alles is treffend, grootsch, prachtig, maar gelijk alles, wat nieuw

en extra-nuttig is, alles behalve schilderachtig.

Met een spoortrein reist men niet, maar men verplaatst zich en ik

zal dus ook niets vertellen van mijn tocht naar Brussel, waar ik

een paar uren in het prachtige hotel de l'Univers uitrustte en mijn

gewonden voet verbond, op den witten poedel vloekende, die mij zoo

leelijk had beetgehad. Ik voorzag dat ik den volgenden dag slechts een

sober, althans een haastig maal zoude doen, en dat het voorzichtig

zoude wezen op het voorbeeld der kameelen, wanneer zij de woestijn

ingaan, een goeden ballast in te nemen en hoewel ik te twee uren in

de boot reeds zeer goed gegeten had, hield ik mijn goeden Vlaming,

die zulks verzuimd had, gezelschap aan een tweeden disch, terwijl hij,

ter viering onzer kennismaking, mij op La Fitte onthaalde, dien ik

allen kan aanbevelen, wie het toeval in het voortreffelijke hotel

van den heer Pieron voert. Om tien uren zat ik in de coupé van de

Messagiers La Fitte et Caillard, waar zich reeds een heer met zijn

vrouw in bevond. Ik sprak hem in 't Fransch aan: het accent, waarin

het antwoord gegeven werd, wekte terstond een vermoeden bij mij op, dat

spoedig daarna bevestigd werd, toen de Heer tot zijne echtgenoot zeide:

--Ik moet toch ook eens in dat hoekje zitten.

--Of, zeide ik, indien Mevrouw nu en dan ter afwisseling eens mijn

hoekje probeeren wil?...

Beiden berstten in een schaterend gelach uit.

--'t Zal misschien even gemakkelijk zijn, Hollandsch te spreken,

vervolgde ik, mede lachende.

Maar hoewel ik lachte, was ik in mijn ziel knorrig als een spin:

want ik ging niet op reis om landgenooten te ontmoeten, die ik te

huis genoeg kan zien. Intusschen had ik het slechter kunnen treffen:

want mijne reisgenooten waren hupsche, hartelijke menschen, die zich

tot Parijs toe alleszins beleefd en gedienstig jegens mij gedroegen.

Het is met de Fransche diligences als met de Engelsche: is men

er eenmaal in gezeten, dan behoort men zich zelf niet meer,

maar men wordt, met al wat men bij zich heeft, een meubel van de

Onderneming, en men moet zijn eigen ik, zijn individualiteit volstrekt

verloochenen. Op het bepaalde uur de wisselplaats te bereiken, ziedaar

het eenige waar de conducteur op doelt; of hij de passagiers onderweg

verliest, of zij van de Impériale vallen en hals en beenen breken,

of wel in de rotonde een beroerte krijgen, dat scheelt hem, zooals

de oude Maerland zegt, niet een twint. Gelukkig zijn de Franschen

over 't algemeen zeer sober, en hebben zij geene behoefte aan die

kopjes koffie, boterhammen, bittertjes en andere versnaperingen,

welke onze Hollandsche reizigers aan onze wisselplaatsen zoo gretig

verorberen. In het gebied der Messageries mag niemand denken om eten,

drinken, of de gevolgen van dien, tenzij daar, waar de Onderneming

goedgevonden heeft hare vaste pleisterplaatsen te bepalen.

Klage wie wil over den last en het oponthoud, door de Douane

veroorzaakt, mij was het een rechte verademing, toen mij op de

grenslinie veroorloofd werd, den wagen uit te stappen, de frissche

morgenlucht in te ademen en mijne verstijfde leden te bewegen.

Het onderzoek der goederen was gestreng en niets werd ongeopend

gelaten, doch ik moet aan de Fransche Douaniers de eer geven, dat

zij alles met voorzichtigheid behandelden en na de beschouwing netjes

weder inpakten.

Te Valencyn was de eerste pleisterplaats. Daar werden onze paspoorten

tegen verlofbrieven verwisseld, kneusde ik mijn arm bij het uitstappen,

en verschroeide tong en verhemelte door het te haastig gebruik van

heete bouillon. Het was de eerste Mei, de feestdag van den Koning

der Franschen; het garnizoen maakte zich gereed om parade te gaan

houden en uit de ramen der publieke gebouwen en van enkele huizen

staken vlaggen uit, of liever vuile lappen, met dien naam bestempeld,

en machtig verschillende met het sierlijke dundoek, dat bij dergelijke

gelegenheden zoo statig over onze straten golft.

Wat mij, als merkwaardigheid, meer trof dan al wat ik overigens in

die oude vestingplaats zag, was een affiche voor de poort van den

schouwburg, inhoudende dat de heer N. N. Professeur de Magnétisme te

dier plaatse, een vertoog over die wetenschap zou geven en met proeven

staven, terwijl de heer Auguste*** Premier Somnambule, zoude antwoorden

op de hem gerichte vragen, geheimen uitvorschen enz. Van premier

funambule had ik gehoord, maar premier somnambule was iets nieuws.

Wij verlieten de stad toen de conducteur begreep dat het tijd was,

en zonder dat een der nauwelijks van het politie-bureau teruggekeerde

reizigers zijn vrijbrief nog bekomen had, 't geen ons geene kleine

ongerustheid veroorzaakte, te meer, daar de voerman, zoodra hij de

laatste poort uit was, zijne paarden in den galop zette. Onze zorg

bleek echter ijdel te zijn, want een kwartier buiten de stad haalde

een politiedienaar (die zeker de bijpaadjes geloopen had) den wagen

in en stelde ons de onmisbare documenten ter hand.

Het was warm, zelfs drukkend weer; ik had de beide vorige nachten geen

oog toegedaan en was nu eindelijk, ten gevolge van de hitte, in den

dut geraakt, toen ik mij opeens bij den arm voelde trekken en mij een

barsch: "Komaan, Mijnheer! gij moet er uit!" hoorde toeduwen. Versuft

en halfdronken van den slaap stond ik op en stapte uit den wagen,

zonder het minste besef te hebben van hetgeen men verlangde. Het was

een nieuw bezoek van de Douane, die nu het rijtuig doorsnuffelde,

alles betastte en bevoelde en geen werkmandje of breizak ondoorzocht

liet, de passagiers middelerwijl op den grooten weg latende staan,

ten prooi aan de zon en de bedelaars. Na dit lastige bezoek werd het

overige gedeelte van dien dag en van den daaropvolgenden nacht door

niets opmerkenswaardig gekenmerkt en men zal mij gaarne ontslaan van te

spreken over het eentonige landschap, of over de leelijke vuile steden,

welke wij doortrokken. Het was ongeveer zes uren in den morgen, toen

wij de voorstad bereikten van Parijs, dat, wanneer men van die zijde

binnenrijdt, niets bekoorlijks of treffends heeft en de grootsche

verwachtingen, welke men gevormd mocht hebben, geheel onbevredigd

laat. Een uur later waren wij op het binnenplein der Messageries.

Nu was ik te Parijs, maar dat belette niet, dat ik mijn toestand

alleronaangenaamst vond. Daar stond ik, vermoeid, versufd, versoezeld,

bestoven, omringd van al de drukte, welke op dat morgenuur aan de

Messageries heerscht, en verplicht om aan honderd dingen te denken,

nu ik zoo gaarne aan niets gedacht zou hebben. Met veel moeite zocht

ik uit de ontladen bagage mijn eigen goed bijeen, maar nauwelijks

had ik het ter zijde gezet of er kwam eene nieuwe diligence met

geweld binnenrijden en noodzaakte mij mijn koffer, wilde ik dien

niet verpletterd zien, van plaats te doen veranderen; en pas had ik

dit gedaan, of een derde wagen kwam en wierp zijn vracht af en zoo

ging het voort, terwijl er geen middel was om weg te komen. Het was

acht uren eer ik mij zelf en mijn eigendom in een fiacre gepakt en

op weg was naar de Rue Racine, waar mijn vriend Marmier mij een paar

allerliefste kamers had besproken. Waarom ik aldaar, in het quartier

latin en niet in de nabijheid der drukke Boulevards een verblijf had

verlangd, zal ik hier niet ontvouwen, daar het mijn verhaal nutteloos

rekken zou en den lezers tamelijk onverschillig zal zijn.

Na mij in het bad en met een goed ontbijt verkwikt, mijn bagage ontpakt

en naar huis geschreven te hebben, ging ik uit, bezocht den Luxembourg

en de Tuileries, legde eenige bezoeken af, rustte in den schouwburg uit

en wandelde tegen middernacht huiswaarts. Dat ik, na in drie nachten

niet uit mijne kleeren geweest te zijn en slapeloos doorgebracht te

hebben, naar een goed bed verlangde, zal wel niemand verwonderen,

maar ach! die zoete rust zou mij zoo spoedig niet geschonken worden

en ik had eerst nog te ondervinden, welke teleurstelling hem wacht,

die niet met de Parijsche gewoonten bekend is.

Aan de deur van mijn hotel gekomen, schelde ik aan; maar hoewel ik

zulks twee, drie reizen herhaalde, nog zag ik niemand komen. Verbaasd,

bekommerd en verlegen, gelijk wijlen Patroclus [83] zag ik reeds

met schrik het vooruitzicht te gemoet, om, deed men mij niet open,

den nacht op straat door te brengen en het corps de garde tot eenig

toevluchtsoord te hebben, toen ik, de handen tegen de deur slaande,

bemerkte dat deze, misschien reeds sinds een geruimen tijd, door een

onzichtbare hand geopend was. Toen herinnerde ik mij aan hetgeen ik

wel gelezen had nopens zeker koord, door middel waarvan de portier

zonder zijn loge te verlaten, de deur weet te ontsluiten. Ik trad

binnen, liep naar achteren, maar.... vond niemand. Ik riep, schreeuwde,

vloekte:--geen antwoord. Eindelijk kwam madame la concierge uit haar

slaapvertrek voor den dag, bromde eenige onverstaanbare woorden

tegen mij, waaruit ik alleen begreep dat ik vroeger had moeten

thuiskomen. Terwijl ik van mijn kant te kennen gaf, dat ik volstrekt

niet beloven kon, in 't vervolg beter op mijn tijd of liever op haar

tijd te zullen passen, ging plotseling de gaslamp uit, die de trap

verlichtte, en slechts (gelijk ik later begreep) tot 12 uren branden

mocht. Wij stonden in volkomen duisternis; de portierster verliet mij

en snelde naar boven. Ik volgde op den tast, onwetend waar mij heen te

wenden en zonder besef, hoe dit eindigen zoude. Terwijl ik mij aldus op

een der portalen bevond en de koude nachtlucht mij, die mooi bezweet

was, door een open venster tegenwoei en mij het vooruitzicht op eene

duchtige verkoudheid schonk, ging er, vlak bij mij, eene deur open,

en uit een kamer, welke ik meende de mijne te zijn, kwam een hoofd

met een slaapmuts en een bloote arm met eene kaars voor den dag.

"Wilt gij uw licht aansteken, Mijnheer?"

"Pardon, Mijnheer! ik wacht op mijne kaars en mijn sleutel: men zal

ze mij zeker dadelijk brengen."

"Ah zoo!" zeide de Heer: weg ging zijn hoofd; de deur ging dicht en

ik stond weer in 't donker.

Toen hoorde ik boven aan de trap zware rusie.

"Dat is hier niet pluis," dacht ik, "hoe zal dat afloopen?" Eindelijk

kwam de knecht beneden met licht. Ik begreep de zaak als een grap te

moeten beschouwen en voegde hem lachend toe:

"Welnu, Dominique! is het te Parijs de gewoonte de menschen op het

portaal te laten verkleumen, voordat men ze veroorlooft naar bed

te gaan?"

"Och, Mijnheer!" antwoordde hij: "het is niet om mee te lachen; de

onnoozele portierster wist niet dat gij hier overnachten zoudt en

heeft een anderen heer op uwe kamer gebracht."

Het was werkelijk de deur van mijne kamer, waar ik voor stond en waar

die vreemde Heer zijn neus had uitgestoken. Wij gingen binnen en hij

moest vertrekken.

"Hij vermoedde reeds iets," zeide hij, terwijl hij zich aankleedde. Nu

dat was geen wonder, want mijn goed lag uitgepakt en op tafels en

stoelen verspreid.

Den volgenden morgen kwam de juffrouw van den huize mij hare

verontschuldigingen aanbieden.

Vertellingen van vroeger en later tijd · 第 20 / 51 题