Mijn Vlaamsche stoombootkennis had met mij het voorrecht gehad van
spoedig gevisiteerd te zijn geweest, en wij zaten dan ook weldra naast
elkander achter den locomotief in een dier rijtuigen, waaraan wij in
plaats van de Nederlandsche benaming wagen de daarvan afgeleide van
waggon geven, 't geen omtrent even zot is als om fiche voor vischje
te zeggen. De ondervinding heeft mij deze soort van rijtuigen doen
verkiezen. Door den grooteren last van passagiers, dien zij voeren,
zijn zij minder aan schudden en stooten onderhevig: zij zijn geheel
open en men heeft er bij meerdere lucht minder tocht; men kan er in
rooken ('t geen in een damprijtuig zeer eigenaardig is) het gezelschap
is er meer gemengd en amusanter en bij al die voorrechten komt nog
dit dat men er beterkoop in zit.
Te Mechelen is, gelijk bekend is, het brandpunt, waar al de ijzeren
spoorwegstralen zich naar geheel België verspreiden en waar zij
terugkeeren; en merkwaardig is, naast de oude stad van hout en
steen, de nieuwe ijzeren stad, die aldaar als met een tooverslag is
opgerezen. Vreemd zeker is de eerste indruk, die haar beschouwing
op u verwekt. In plaats van straten ziet men onafzienbare rijen
van rijtuigen en locomotieven, naast elkander staande als de
kermiskramen op een markt;--daaromheen--in stede van paleizen of
publieke gebouwen--fabrieken, smederijen, stookplaatsen, magazijnen,
ontzettend van getal en omvang, en--in stede van torens--schoorsteenen,
hoog als Oostersche minarets en sierlijk als antieke kolommen. Dat
alles is treffend, grootsch, prachtig, maar gelijk alles, wat nieuw
en extra-nuttig is, alles behalve schilderachtig.
Met een spoortrein reist men niet, maar men verplaatst zich en ik
zal dus ook niets vertellen van mijn tocht naar Brussel, waar ik
een paar uren in het prachtige hotel de l'Univers uitrustte en mijn
gewonden voet verbond, op den witten poedel vloekende, die mij zoo
leelijk had beetgehad. Ik voorzag dat ik den volgenden dag slechts een
sober, althans een haastig maal zoude doen, en dat het voorzichtig
zoude wezen op het voorbeeld der kameelen, wanneer zij de woestijn
ingaan, een goeden ballast in te nemen en hoewel ik te twee uren in
de boot reeds zeer goed gegeten had, hield ik mijn goeden Vlaming,
die zulks verzuimd had, gezelschap aan een tweeden disch, terwijl hij,
ter viering onzer kennismaking, mij op La Fitte onthaalde, dien ik
allen kan aanbevelen, wie het toeval in het voortreffelijke hotel
van den heer Pieron voert. Om tien uren zat ik in de coupé van de
Messagiers La Fitte et Caillard, waar zich reeds een heer met zijn
vrouw in bevond. Ik sprak hem in 't Fransch aan: het accent, waarin
het antwoord gegeven werd, wekte terstond een vermoeden bij mij op, dat
spoedig daarna bevestigd werd, toen de Heer tot zijne echtgenoot zeide:
--Ik moet toch ook eens in dat hoekje zitten.
--Of, zeide ik, indien Mevrouw nu en dan ter afwisseling eens mijn
hoekje probeeren wil?...
Beiden berstten in een schaterend gelach uit.
--'t Zal misschien even gemakkelijk zijn, Hollandsch te spreken,
vervolgde ik, mede lachende.
Maar hoewel ik lachte, was ik in mijn ziel knorrig als een spin:
want ik ging niet op reis om landgenooten te ontmoeten, die ik te
huis genoeg kan zien. Intusschen had ik het slechter kunnen treffen:
want mijne reisgenooten waren hupsche, hartelijke menschen, die zich
tot Parijs toe alleszins beleefd en gedienstig jegens mij gedroegen.
Het is met de Fransche diligences als met de Engelsche: is men
er eenmaal in gezeten, dan behoort men zich zelf niet meer,
maar men wordt, met al wat men bij zich heeft, een meubel van de
Onderneming, en men moet zijn eigen ik, zijn individualiteit volstrekt
verloochenen. Op het bepaalde uur de wisselplaats te bereiken, ziedaar
het eenige waar de conducteur op doelt; of hij de passagiers onderweg
verliest, of zij van de Impériale vallen en hals en beenen breken,
of wel in de rotonde een beroerte krijgen, dat scheelt hem, zooals
de oude Maerland zegt, niet een twint. Gelukkig zijn de Franschen
over 't algemeen zeer sober, en hebben zij geene behoefte aan die
kopjes koffie, boterhammen, bittertjes en andere versnaperingen,
welke onze Hollandsche reizigers aan onze wisselplaatsen zoo gretig
verorberen. In het gebied der Messageries mag niemand denken om eten,
drinken, of de gevolgen van dien, tenzij daar, waar de Onderneming
goedgevonden heeft hare vaste pleisterplaatsen te bepalen.
Klage wie wil over den last en het oponthoud, door de Douane
veroorzaakt, mij was het een rechte verademing, toen mij op de
grenslinie veroorloofd werd, den wagen uit te stappen, de frissche
morgenlucht in te ademen en mijne verstijfde leden te bewegen.
Het onderzoek der goederen was gestreng en niets werd ongeopend
gelaten, doch ik moet aan de Fransche Douaniers de eer geven, dat
zij alles met voorzichtigheid behandelden en na de beschouwing netjes
weder inpakten.
Te Valencyn was de eerste pleisterplaats. Daar werden onze paspoorten
tegen verlofbrieven verwisseld, kneusde ik mijn arm bij het uitstappen,
en verschroeide tong en verhemelte door het te haastig gebruik van
heete bouillon. Het was de eerste Mei, de feestdag van den Koning
der Franschen; het garnizoen maakte zich gereed om parade te gaan
houden en uit de ramen der publieke gebouwen en van enkele huizen
staken vlaggen uit, of liever vuile lappen, met dien naam bestempeld,
en machtig verschillende met het sierlijke dundoek, dat bij dergelijke
gelegenheden zoo statig over onze straten golft.
Wat mij, als merkwaardigheid, meer trof dan al wat ik overigens in
die oude vestingplaats zag, was een affiche voor de poort van den
schouwburg, inhoudende dat de heer N. N. Professeur de Magnétisme te
dier plaatse, een vertoog over die wetenschap zou geven en met proeven
staven, terwijl de heer Auguste*** Premier Somnambule, zoude antwoorden
op de hem gerichte vragen, geheimen uitvorschen enz. Van premier
funambule had ik gehoord, maar premier somnambule was iets nieuws.
Wij verlieten de stad toen de conducteur begreep dat het tijd was,
en zonder dat een der nauwelijks van het politie-bureau teruggekeerde
reizigers zijn vrijbrief nog bekomen had, 't geen ons geene kleine
ongerustheid veroorzaakte, te meer, daar de voerman, zoodra hij de
laatste poort uit was, zijne paarden in den galop zette. Onze zorg
bleek echter ijdel te zijn, want een kwartier buiten de stad haalde
een politiedienaar (die zeker de bijpaadjes geloopen had) den wagen
in en stelde ons de onmisbare documenten ter hand.
Het was warm, zelfs drukkend weer; ik had de beide vorige nachten geen
oog toegedaan en was nu eindelijk, ten gevolge van de hitte, in den
dut geraakt, toen ik mij opeens bij den arm voelde trekken en mij een
barsch: "Komaan, Mijnheer! gij moet er uit!" hoorde toeduwen. Versuft
en halfdronken van den slaap stond ik op en stapte uit den wagen,
zonder het minste besef te hebben van hetgeen men verlangde. Het was
een nieuw bezoek van de Douane, die nu het rijtuig doorsnuffelde,
alles betastte en bevoelde en geen werkmandje of breizak ondoorzocht
liet, de passagiers middelerwijl op den grooten weg latende staan,
ten prooi aan de zon en de bedelaars. Na dit lastige bezoek werd het
overige gedeelte van dien dag en van den daaropvolgenden nacht door
niets opmerkenswaardig gekenmerkt en men zal mij gaarne ontslaan van te
spreken over het eentonige landschap, of over de leelijke vuile steden,
welke wij doortrokken. Het was ongeveer zes uren in den morgen, toen
wij de voorstad bereikten van Parijs, dat, wanneer men van die zijde
binnenrijdt, niets bekoorlijks of treffends heeft en de grootsche
verwachtingen, welke men gevormd mocht hebben, geheel onbevredigd
laat. Een uur later waren wij op het binnenplein der Messageries.
Nu was ik te Parijs, maar dat belette niet, dat ik mijn toestand
alleronaangenaamst vond. Daar stond ik, vermoeid, versufd, versoezeld,
bestoven, omringd van al de drukte, welke op dat morgenuur aan de
Messageries heerscht, en verplicht om aan honderd dingen te denken,
nu ik zoo gaarne aan niets gedacht zou hebben. Met veel moeite zocht
ik uit de ontladen bagage mijn eigen goed bijeen, maar nauwelijks
had ik het ter zijde gezet of er kwam eene nieuwe diligence met
geweld binnenrijden en noodzaakte mij mijn koffer, wilde ik dien
niet verpletterd zien, van plaats te doen veranderen; en pas had ik
dit gedaan, of een derde wagen kwam en wierp zijn vracht af en zoo
ging het voort, terwijl er geen middel was om weg te komen. Het was
acht uren eer ik mij zelf en mijn eigendom in een fiacre gepakt en
op weg was naar de Rue Racine, waar mijn vriend Marmier mij een paar
allerliefste kamers had besproken. Waarom ik aldaar, in het quartier
latin en niet in de nabijheid der drukke Boulevards een verblijf had
verlangd, zal ik hier niet ontvouwen, daar het mijn verhaal nutteloos
rekken zou en den lezers tamelijk onverschillig zal zijn.
Na mij in het bad en met een goed ontbijt verkwikt, mijn bagage ontpakt
en naar huis geschreven te hebben, ging ik uit, bezocht den Luxembourg
en de Tuileries, legde eenige bezoeken af, rustte in den schouwburg uit
en wandelde tegen middernacht huiswaarts. Dat ik, na in drie nachten
niet uit mijne kleeren geweest te zijn en slapeloos doorgebracht te
hebben, naar een goed bed verlangde, zal wel niemand verwonderen,
maar ach! die zoete rust zou mij zoo spoedig niet geschonken worden
en ik had eerst nog te ondervinden, welke teleurstelling hem wacht,
die niet met de Parijsche gewoonten bekend is.
Aan de deur van mijn hotel gekomen, schelde ik aan; maar hoewel ik
zulks twee, drie reizen herhaalde, nog zag ik niemand komen. Verbaasd,
bekommerd en verlegen, gelijk wijlen Patroclus [83] zag ik reeds
met schrik het vooruitzicht te gemoet, om, deed men mij niet open,
den nacht op straat door te brengen en het corps de garde tot eenig
toevluchtsoord te hebben, toen ik, de handen tegen de deur slaande,
bemerkte dat deze, misschien reeds sinds een geruimen tijd, door een
onzichtbare hand geopend was. Toen herinnerde ik mij aan hetgeen ik
wel gelezen had nopens zeker koord, door middel waarvan de portier
zonder zijn loge te verlaten, de deur weet te ontsluiten. Ik trad
binnen, liep naar achteren, maar.... vond niemand. Ik riep, schreeuwde,
vloekte:--geen antwoord. Eindelijk kwam madame la concierge uit haar
slaapvertrek voor den dag, bromde eenige onverstaanbare woorden
tegen mij, waaruit ik alleen begreep dat ik vroeger had moeten
thuiskomen. Terwijl ik van mijn kant te kennen gaf, dat ik volstrekt
niet beloven kon, in 't vervolg beter op mijn tijd of liever op haar
tijd te zullen passen, ging plotseling de gaslamp uit, die de trap
verlichtte, en slechts (gelijk ik later begreep) tot 12 uren branden
mocht. Wij stonden in volkomen duisternis; de portierster verliet mij
en snelde naar boven. Ik volgde op den tast, onwetend waar mij heen te
wenden en zonder besef, hoe dit eindigen zoude. Terwijl ik mij aldus op
een der portalen bevond en de koude nachtlucht mij, die mooi bezweet
was, door een open venster tegenwoei en mij het vooruitzicht op eene
duchtige verkoudheid schonk, ging er, vlak bij mij, eene deur open,
en uit een kamer, welke ik meende de mijne te zijn, kwam een hoofd
met een slaapmuts en een bloote arm met eene kaars voor den dag.
"Wilt gij uw licht aansteken, Mijnheer?"
"Pardon, Mijnheer! ik wacht op mijne kaars en mijn sleutel: men zal
ze mij zeker dadelijk brengen."
"Ah zoo!" zeide de Heer: weg ging zijn hoofd; de deur ging dicht en
ik stond weer in 't donker.
Toen hoorde ik boven aan de trap zware rusie.
"Dat is hier niet pluis," dacht ik, "hoe zal dat afloopen?" Eindelijk
kwam de knecht beneden met licht. Ik begreep de zaak als een grap te
moeten beschouwen en voegde hem lachend toe:
"Welnu, Dominique! is het te Parijs de gewoonte de menschen op het
portaal te laten verkleumen, voordat men ze veroorlooft naar bed
te gaan?"
"Och, Mijnheer!" antwoordde hij: "het is niet om mee te lachen; de
onnoozele portierster wist niet dat gij hier overnachten zoudt en
heeft een anderen heer op uwe kamer gebracht."
Het was werkelijk de deur van mijne kamer, waar ik voor stond en waar
die vreemde Heer zijn neus had uitgestoken. Wij gingen binnen en hij
moest vertrekken.
"Hij vermoedde reeds iets," zeide hij, terwijl hij zich aankleedde. Nu
dat was geen wonder, want mijn goed lag uitgepakt en op tafels en
stoelen verspreid.
Den volgenden morgen kwam de juffrouw van den huize mij hare
verontschuldigingen aanbieden.