II.

O, hoe schoon was het weer en hoe lieflijk waren, op dien 29sten April,

de zoomen van den grooten heirweg tusschen Haarlem en Den Haag. Nimmer,

neen nimmer was mij Holland zoo bekoorlijk toegeschenen, als nu ik het

voor een tijd verlaten ging. Overal stonden de boomgaarden in vollen

bloei en waren de velden met de heerlijkste voorjaarsbloemen getooid,

terwijl duizenden vogels door het malsche groen fladderden of in den

top der boomen den lentezang aanhieven. Maar waarom pogingen aangewend

om datgene te beschrijven, wat reeds duizenden malen en nooit naar

eisch beschreven is. Genoeg zij het te zeggen, dat ik waarlijk op dit

oogenblik berouw gevoelde, die verrukkelijke natuur vaarwel te zeggen,

juist nu zij in haar schoonste tijdperk was.

Het was middernacht toen ik te Rotterdam aankwam en reeds een geruimen

tijd daarover eer mijne goederen en die mijner reisgenooten op den

handwagen geladen waren. Niet één dezer heeren had, gelijk ik, het plan

om met de Boot te vertrekken en ik zag dus mijn ongeduld wederom op de

proef gesteld en mij genoodzaakt om, alvorens mijne bestemmingsplaats

te bereiken, hen een voor een aan hunne huizen of logementen te

vergezellen en hun bagage te zien ontladen. Niettegenstaande het

daardoor veroorzaakte oponthoud, kwam ik nog intijds aan de Boot,

die mij weldra deed denken aan de Edimburgsche diligence, welke

niet vertrok, dan nadat men de overtuiging bekomen had, dat er geen

passagiers meer te verwachten waren. Er bestond echter een onderscheid

tusschen de Edimburgsche diligence en de Rotterdamsche stoomboot;

namelijk dat eerstgemelde vruchteloos op meerdere passagiers bleef

wachten en dat in laatstgemelde, lang na het uur, voor het vertrek

bepaald, nog een aanzienlijk gezelschap aankwam en wel niet meer of

minder dan de leden der Fransche Opera in Den Haag. Die brave lieden

konden dan ook wel niet vroeger komen, want toen ik Den Haag doortrok,

stonden de rijtuigen nog voor den schouwburg en mijne aanstaande

reisgenooten, die toch kwalijk in hun tooneelkostuum konden afreizen,

waren dus verplicht geweest, zich, eer zij Den Haag verlieten, nog

in hunne dagelijksche plunje te steken.

Wie de beschrijving eener stoomboot en van de gemakken, welke zij

aanbiedt, wenscht te lezen, kan die aan mijn goeden vriend Hildebrand

gaan vragen, die ze in zijn Camera obscura zoo geestig en tevens zoo

naar waarheid heeft voorgesteld, dat het dwaas en vermetel zou zijn,

eene poging te wagen, om hem te willen verbeteren. Dit alleen mag

ik ten opzichte mijner bijzondere ondervinding zeggen, dat weinige

dingen zich zoo onaangenaam en aanstootelijk voordoen, als de groote

kajuit eener stoomboot bij nacht, het inhebbend gezelschap (zooals

sommige couranten zouden zeggen) daaronder begrepen. Men late slechts

zijne blikken rondweiden en neme zijne tochtgenooten in oogenschouw,

voor zooverre het flauwe schijnsel der lamp, die in de meer en meer

toenemende stiklucht gestadig flauwer brandt, zulks veroorlooft. Ieder

ziet er even smerig, verveeld, vermoeid en landerig uit. Alle smaak,

alle welstand, alle decorum, alle beleefdheid schijnt aan wal te zijn

achtergelaten. Wie eerst komt, neemt de beste plaats in. Is het een

man, hij strekt zich zoolang hij is op de bank uit en monopoliseert

al de kussens, die onder zijn bereik zijn; vergeefsch is het dat men

hem verzoekt een gedeelte der ruimte, welke hij beslaat, aan eene

eerwaardige matrone of aan eene jonge schoone af te staan; hij heeft

allen eerbied voor ouderdom en alle gevoel voor schoonheid verloren en

zijn luid gesnork duidt aan dat hij slaapt of althans voor slapende

wil doorgaan. Wie niet, gelijk deze innerlijk door het gezelschap

vervloekten slaper, zich eene gemakkelijke ligplaats heeft weten te

verschaffen, zoekt zich zijn toestand zoo dragelijk te maken als de

omstandigheden zulks veroorloven; en al die verschillende houdingen

leveren de zonderlingste doch meest alle onbehaaglijke contrasten

op. Hier ziet gij een paar (waarschijnlijk jonggetrouwden) bij gebrek

aan beter, beurtelings elkanders schouder tot kussen gebruiken; wat

verder zitten er twee, die vermoedelijk reeds aan elkanders gezicht

gewend zijn, rug tegen rug, en vormen een caricatuur van het wapen

van Oostenrijk, (den dubbelen arend); sommigen liggen met het hoofd

op de tafel, anderen gebruiken een der kolommetjes, waar het dek op

rust, tot steun; enkelen liggen op den vloer uitgestrekt of leunen

tegen het beschot. Niet min verschillend zijn de hoofddeksels, bij

die gelegenheid gebezigd en men vindt er monsters van alle soorten,

van den witten slaapmuts af tot den zijden foulard toe. En dan,

tusschen al die slapende of rustende wezens in, zult gij er altijd

drie of vier vinden, die nog honger en dorst hebben en nog brood

verlangen en wijn, of grog of seltzerwater en die zich vlak bij u

neerzetten en eten en drinken en praten en rammelen en u de eenige

hoop op slapen, die u nog overschoot, voor goed ontnemen. Vergeten

wij ook niet, dat er doorgaans eenige kinderen aan boord zijn die,

omdat zij gewoonlijk te acht uren naar bed worden gebracht, het heel

aardig vinden, ter dezer gelegenheid op te moeten blijven; kinderen,

die gedurig verzekeren dat zij volstrekt geen slaap hebben en weerstand

bieden aan al de pogingen van mama, die hun zoo graag beduiden wou dat

het slapen in een stoomboot zoo dol plezierig is: die de kajuit tot een

renbaan maken en, worden zij eindelijk met geweld op de bank gebracht,

geen oogenblik stilzitten, u bij elke beweging, welke zij maken,

een duw of een schop geven, en weer opspringen, juist op het tijdstip

dat gij iets begint te gevoelen, dat naar sluimering zweemde. [82]

Ziedaar, hetgeen men doorgaans bij nacht in de stoombooten aantreft

en wat mij ook op den 30sten April 1841 niet ontbrak. Daar al mijn

reisgenooten zich echter den volgenden dag beleefd en vriendelijk

jegens mij gedroegen, wil ik geen hunner ten toon stellen, door de

plaats aan te wijzen, welke hij of zij in het hierboven opgehangen

tafereel bekleedde. Ik zal mij vergenoegen met te zeggen dat ik blijde

was toen het daglicht aanbrak en ik mij haastte, op het dek de frissche

morgenlucht te gaan inademen. Daar het vrij koud was, zette ik mij

tegen de kast van het raderwerk aan, waar ik tegen den wind beschut

was, en de warmte genoot, die uit de machine opsteeg. De prima donna,

een zachtaardig, vriendelijk vrouwtje, had reeds vóór mij aldaar plaats

genomen met haar vierjarig zoontje, terwijl haar echtgenoot verdiept

stond in de beschouwing der machinerie en in beraad scheen of hij

zijn beroep niet tegen dat van ingenieur zou verwisselen. Niet lang

duurde het of de overige leden van het tooneelgezelschap kwamen ook

boven: men zag er een eersten Tenor met een geweldigen zwarten baard

en een grooten New-foundlander, een Basso met een taankleurig gelaat

en een vleermuismantel om het lijf; een Laruette met een zeer deftig

voorkomen, een Seconde amoureuse van 50 jaren met haar man en twee

dochters, waarvan de eene regelrecht naar Marseille trok om er lauweren

in te oogsten en de andere een kind van vijf jaren was. Behalve

deze artistis dramatiques bevond zich nog een oude Franschman aan

boord, voorzien van een wit pokdalig gezicht, een karpoetsmus, een

pluisjas, eene dochter en een witten poedel, welke laatste tegen den

New-foundlander dien afkeer, met vrees vermengd, scheen te voeden,

welke de middelmatige wezens in 't algemeen tegen de meer verhevene

bezielt. Voorts hadden wij nog een Duitscher, die een iegelijk beurt

aan beurt noodzaakte de mooie vogeltjes te bewonderen, welke hij in

twee kooien op het dek had staan: een gehuwd paar, dat het te druk

met elkander had, om zich met de rest van 't gezelschap te bemoeien,

en een zeer beschaafden, hoogst wellevenden Vlaming, met wien ik een

zeer aangenaam onderhoud had. Er was ('t geen op zoodanig eene reis

zeer vreemd is) niet ééne kennis bij, behalve de stoomboot zelve, die

ik, ofschoon zij, de oude coquette, haar naam veranderd had en hare

jaren wenschte verborgen te houden, weldra voor dezelfde herkende,

waarmede ik vroeger meermalen den Rijn was opgevaren. Zij was dan ook

op haar ouden dag slecht ter gang geworden, en liet ons al den tijd

om de Zeeuwsche stroomen op ons gemak te bewonderen; ja, eens zelfs

bleef zij, ofschoon er niets bijzonders te zien was, geheel stil

liggen en was niet dan met veel moeite te bewegen om verder te gaan.

Er waren dan ook reeds twaalf uren sedert onze afreis verloopen, eer

wij ons op de Schelde bevonden, en wij begonnen reeds te wanhopen om

Antwerpen tijdig genoeg te bereiken; in allen gevalle was het duidelijk

dat wij, zoo wij van den trein van vier uren gebruik wilden maken dat

er dan geen tijd meer zou overschieten om te Antwerpen het middagmaal

te gebruiken. De vraag, of wij aan boord zouden eten, werd dus, hoewel

niet zonder morren over de traagheid van den voortgang der reis, door

de meesten toestemmend beantwoord. Het leed dan ook niet lang, of

wij zaten aan den disch, en ik moet zeggen, dat aan de weltoebereide

spijzen behoorlijke eer werd aangedaan. Geen der passagiers kweet

zich echter zóó dapper van zijne taak als onze New-Foundlander. Wel

had onze Tenor, toen de hofmeester hem vroeg, of er niets voor den

hond moest klaargemaakt worden, geantwoord dat zulks niet noodig was,

en dat hij-zelf hem wel na den eten een schoteltje zou bereiden; maar

de schrandere zanger had wel van te voren berekend, hoe hij het trouwe

dier buiten zijne kosten zou doen smullen. Van alle zijden vlogen

stukken van biefstuks, karbonaden, rundvleesch, ham en worst van

de borden der passagiers in den muil van het reusachtige dier, waar

zij als in een bodemlooze kolk verzwolgen werden, en toen eindelijk

de beloofde hutspot hem door zijn meester werd voorgezet, sloeg hij

die binnen met eene uitdrukking van onverschilligheid op het gelaat,

welke duidelijk aantoonde, dat hij 't alleen uit beleefdheid deed om

den goeden man niet te bedroeven.

Intusschen waren wij op de hoogte van Lillo gekomen en dáár, zeide men,

zoude de Belgische douane aan boord komen. "De douaniers terwijl wij

aan tafel zitten," riep ik, "dat is een ongeluk"!--"O, dat is niets,"

zeide de Tenor, "ik ken den Officier der Douanes zeer goed en dat

zal wel losloopen" en meteen zag hij rond met een blik, die te kennen

gaf dat hij ons allen in zijn hooge bescherming nam. Nu, dat hadden

wij ook wel aan hem, althans aan zijn New-Foundlander verdiend.

Nog zaten wij aan het nagerecht toen inderdaad de Luitenant der

Douaniers de groote kajuit binnentrad; een man met een zeer beschaafd

voorkomen en een zeer bevallige uniform. Hij verzocht ons beleefdelijk,

ons niet te dérangeeren, ging de tafel rond om onze paspoorten op te

halen en drukte in 't voorbijgaan zijn vriend, den Tenor, de hand. Niet

zonder eenige bekommering zag ik, of verbeeldde mij althans te zien

dat hij mijn paspoort met een bijzondere opmerkzaamheid beschouwde. "O

wee!" dacht ik nu zullen mij het Dorp aan de grenzen en alle dergelijke

aardigheden worden ingepeperd! Dat ik ook over België moest gaan!"

Intusschen viel het geheel anders uit: eenige minuten waren voorbij,

het middagmaal was afgeloopen en ik zat met den Vlaamschen heer op het

dek te praten, terwijl ik somtijds zijdelings naar den Luitenant keek,

die met den Tenor in gesprek was. Opeens draait de Belg zich om, laat

den Tenor staan, over wien hij zich niet verder bekommert en komt naar

mij toe. Hij zet zich naast mij neer, spreekt mij bij mijn naam aan,

vangt een belangrijk en onderhoudend gesprek met mij aan en zet het

voort tot aan de kaai van Antwerpen toe; terwijl hij, vernemende dat

ik haast had en nog dien avond verder wilde reizen, mij met zooveel

hulpvaardigheid behandelde, dat ik reeds in den spoorwagen zat,

toen de bagage van onzen Tenor nog onder de handen der Douaniers was.

Het was ongeveer halfvier uren toen ik van mijn reisgenooten afscheid

nam. Het was echter niet heelhuids, dat ik de stoomboot verlaten

mocht. Bij het opnemen van een valiesje, dat ik in de kajuit had

laten liggen, voelde ik plotseling eene geweldige pijn aan den voet

en nederziende, ontdekte ik den poedel van den Franschman, die,

zeker wanende dat ik zijne meesteres beleedigen wilde, zijne tanden

op eene geduchte wijze in mijn vleesch had gezet.

--Och, Mijnheer! vrees niets!--zeide de juffer--mijn poedel zal u

niet bijten!

"Neen, Mevrouw! want het is al gebeurd en ik ga nu maar heen, om te

maken dat hij zich niet opnieuw schuldig maakt."

Vertellingen van vroeger en later tijd · 第 19 / 51 题